Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5664

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
12/00823
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5664, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht. Geen verval partijperemptoirstelling of aanzegging akte niet-dienen voor memorie van grieven door vordering tot voeging wegens verknochtheid van zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/371
JIN 2013/140 met annotatie van N. de Boer
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/00823

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 22 maart 2013

Conclusie inzake:

1. Saldal B.V.

2. Wiener Groep B.V.

tegen

[verweerder]

Het gaat in deze zaak om de vraag of het tijdig dienen van grieven achterwege kan blijven indien een incidentele vordering tot voeging wegens verknochtheid met een andere procedure wordt ingesteld.

1. Procesverloop(1)

1.1 Bij vonnis van 28 april 2010 heeft de rechtbank Breda - kort samengevat - (de rechtsvoorgangster van) eiseres tot cassatie 1, Saldal, niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens verweerder in cassatie, [verweerder], en eiseres tot cassatie 2, Wiener Groep, gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens [verweerder], en deze vorderingen voor het overige afgewezen.

1.2 Eiseressen tot cassatie, Saldal c.s., zijn bij exploot van 15 juli 2010 van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, met dagvaarding van [verweerder] tegen de roldatum 26 oktober 2010.

1.3 Nadat aan Saldal c.s. op grond van het rolreglement driemaal een gewoon uitstel was verleend voor het nemen van de memorie van grieven, heeft het hof de zaak verwezen naar de rol van 21 februari 2012 voor het nemen van die memorie.

1.4 Op verzoek van [verweerder] is de zaak vervroegd op de rol van 2 augustus 2011 geplaatst, waarbij [verweerder] Saldal c.s. partijperemptoir en akte niet-dienen heeft aangezegd tegen de rol van 16 augustus 2011.

1.5 Saldal c.s. hebben noch op 2 augustus 2011 noch op 16 augustus 2011 van grieven gediend. Wel hebben Saldal c.s. op laatstgenoemde rolzitting een incidentele memorie tot voeging genomen.

1.6 De rolraadsheer heeft op de rolzitting van 16 augustus 2011 aan [verweerder] c.s. akte van niet-dienen verleend en de zaak verwezen naar de rol van 30 augustus 2011 voor beraad aan de zijde van [verweerder] tevens antwoordconclusie in het incident.

Na een uitstel van twee weken heeft [verweerder] op de rol van 13 september 2011 een antwoordconclusie in het incident genomen. Tevens heeft [verweerder] op die rolzitting de gedingstukken overgelegd en uitspraak in de hoofdzaak en in het incident gevraagd.

1.7 Vervolgens heeft het hof bij arrest van 8 november 2011 in de hoofdzaak geoordeeld dat Saldal c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, nu zij geen grieven hebben aangevoerd, en in het incident de vordering van Saldal c.s. tot voeging afgewezen.

1.8 Saldal c.s. hebben tegen de beslissing van de rolraadsheer van 16 augustus en tegen het arrest van het hof van 8 november 2011 tijdig(2) cassatieberoep ingesteld.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

Saldal c.s. hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof op grond van het bepaalde in art. 209 Rv. eerst en vooraf had dienen te beslissen op de door Saldal c.s. ingestelde vordering tot voeging, en Saldal c.s. vervolgens een nieuwe termijn had moeten gunnen voor het nemen van de memorie van grieven. Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat het recht van Saldal c.s. om van grieven te dienen is vervallen omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht, rechtens onjuist althans onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.

2.2 Zoals in de schriftelijke toelichting ook wordt opgemerkt, is de cassatiedagvaarding uitgebracht voordat de Hoge Raad bij arrest van 2 maart 2012 en - zo voeg ik toe - bij arrest van 13 juli 2012 het volgende oordeelde(3):

"Indien een bijzondere wettelijke regel ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt ter zake de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv., die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist "indien de zaak dat medebrengt". Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding."

Hoewel het in deze zaken niet in de wet geregelde incidentele vorderingen betrof (een incident tot schorsing van de procedure in het arrest van 2 maart 2012 en een incident tot oproeping van de geëxecuteerde in het arrest van 13 juli 2012), is m.i. buiten kijf dat de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf ook van toepassing is op de wel in de wet geregelde incidentele vorderingen.

2.3 Criterium is dus of er een bijzondere wettelijke regel is op grond waarvan een incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist. Indien die ontbreekt, geldt de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv., die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist "indien de zaak dat medebrengt". Deze maatstaf laat onder omstandigheden ruimte voor de rechter om te beslissen dat het incident niet eerst en vooraf wordt uitgeprocedeerd(4). De rechter dient bij de toepassing van deze maatstaf, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijze geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding.

2.4 Volgens de schriftelijke toelichting dient een incidentele vordering eerst en vooraf te worden behandeld en beslist indien in de wet is bepaald dat het incident voor alle weren dient te worden opgeworpen(5). Dit is echter te absoluut nu, zoals Snijders ook opmerkt(6), de maatstaf van art. 209 Rv. 'indien de zaak dat meebrengt', ruimte laat om een uitzondering te maken.

2.5 Het gaat in deze zaak om een door Saldal c.s. op de voet van art. 222 Rv. ingestelde vordering tot voeging van de procedure met een verknochte procedure die ten tijde van het incident bij het hof Den Bosch aanhangig was(7). De wet bevat geen bijzondere regel op grond waarvan dit incident eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist(8), zodat de hierboven onder 2.3 besproken maatstaf van art. 209 eerste zin Rv. heeft te gelden. Toepassing van deze maatstaf is in hoge mate feitelijk.

2.6 Saldal c.s. hebben aangevoerd dat de onderhavige procedure en de procedure waarmee de voeging is verzocht zodanig onlosmakelijk met elkaar zijn verknocht dat een gesplitste behandeling - met mogelijk tegenstrijdige uitspraken - uiterst ongewenst is. [verweerder] heeft daartegenover gesteld dat voeging onder de gegeven omstandigheden slechts tot onredelijke vertraging van de onderhavige procedure zou leiden(9). Daarnaast is van belang dat Saldal c.s. gedurende een periode van bijna acht maanden (december 2010 - augustus 2011(10)) uitstel hebben gehad voor het nemen van de memorie van grieven. Zij hebben hun incidentele vordering tot voeging pas op de laatst mogelijke datum ingesteld, te weten nadat hun partijperemptoir en akte niet-dienen van grieven was aangezegd. Zij hebben niet gemotiveerd waarom de incidentele vordering pas op dat moment werd ingesteld of kon worden ingesteld. Voorts werd voeging gevraagd met een procedure die slechts aanhangig was gemaakt maar waarin nog niet van grieven was gediend.

Gelet op het belang van [verweerder] en het belang van een doelmatige procesvoering is het in het oordeel van het hof besloten liggende oordeel dat in het onderhavige geval geen reden bestond om eerst en vooraf de incidentele vordering tot voeging te behandelen en te beslissen, m.i. niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.7 De door het hof getrokken consequentie dat het recht van Saldal c.s. om van grieven te dienen is vervallen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu het uitprocederen van een incident als bedoeld in art. 208 e.v. Rv. onverlet laat dat tijdig van grieven moet worden gediend(11) en Saldal c.s. dat niet hebben gedaan.

2.8 Het voorgaande brengt mee dat Saldal c.s. geen belang hebben bij hun klacht in onderdeel 2 tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.3.3 dat Saldal c.s. geen belang hebben bij hun vordering tot voeging omdat de zaak waarmee voeging is verzocht ambtshalve is doorgehaald. Ook het hof had al in rechtsoverweging 3.3.4 (ten overvloede) overwogen dat Saldal c.s. geen belang hebben bij hun incidentele vordering tot voeging, aangezien zij door niet van grieven te dienen niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep. Deze grond, die het oordeel van het hof zelfstandig kan dragen, wordt overigens door het middel niet bestreden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op de in cassatie aan de orde zijnde vragen beperk ik mij tot het procesverloop (zie o.a. het bestreden arrest onder 2) en laat ik vermelding van de (door de rechtbank vastgestelde) feiten achterwege.

2 De cassatiedagvaarding is op 7 februari 2012 uitgebracht.

3 HR 2 maart 2012, LJN: BU8176 (NJ 2012, 158; JBPr 2012, 40, m.nt. A.W. van der Veen en Y.A. Wehrmeijer), rov. 3.5.2 en HR 13 juli 2012, LJN: BW4008 (NJ 2012, 481; JBPR 2012, 67, m.nt. H.W. Wiersma en G.J. Meijer), rov. 3.2.

4 Vgl. G. Snijders, Burgerlijke Rechtsvordering, Boek 1, Titel 2, afd. 10, § 1, aant. 2 en 6 onder d., en art. 209, aant. 1. Zie ook H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2011, nr. 179; zij merken op p. 207 op dat of een incident voorafgaande aan het materiële geschil wordt afgedaan, aan het beleid van de rechter is overgelaten, maar dat dit in de praktijk in veruit de meeste gevallen wel pleegt te geschieden.

5 Daarbij wordt aansluiting gezocht bij G. Snijders, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 209, aant. 1 en bij de noot van A.W. van der Veen en Y.A. Wehrmeijer onder HR 2 maart 2012, JBPr 2012, 40.

6 Zie noot 4.

7 Zie de incidentele memorie tot voeging op p. 8 (onder 10) en p. 10 (onderaan).

8 Art. 222 lid 2 Rv. bepaalt dat het tweede lid van art. 220 Rv. van overeenkomstige toepassing is. Dat laatste artikellid bepaalt dat door de eiser de vordering tot voeging slechts kan worden ingesteld bij de inleidende dagvaarding of bij incidentele conclusie vóór antwoord.

9 Zie de rov. 3.3.1 en 3.3.2 van het bestreden arrest.

10 Zie de als productie aan de cassatiedagvaarding gehechte rol-/archiefkaart van het hof.

11 HR 9 december 1996, LJN: AB4295 (NJ 1967, 76), waarover G. Snijders, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 208, aant. 1 en HR 24 september 2010, LJN: BM7671 (NJ 2012, 513, m.nt. H.J. Snijders; JBPr 2011, 4, m.nt. F.A.W. Bannier), rov. 3.6.