Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5346

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
12/01882
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beëindiging pachtovereenkomst. Aanvulling van de bij opzegging vermelde gronden? Art. 7:370 lid 1 aanhef en onder a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/338
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer 12/01882

Mr A. Hammerstein

Zitting, 15 maart 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

Beheer- en beleggingsmaatschappij De Molensteen B.V.

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

Inleiding

In deze pachtzaak gaat het in cassatie met name om de vraag of het Hof een te restrictieve uitleg heeft gegeven aan art. 7:369 lid 2 BW, waarin wordt bepaald dat slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan worden gevorderd dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de pachtovereenkomst zal eindigen.

1. De feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

(i) Tussen De Molensteen en [verweerster 2] bestaat een - door de pachtkamer van het gerechtshof in Arnhem in hoger beroep bij arrest van 2 maart 2004 schriftelijk vastgelegde - pachtovereenkomst betreffende percelen grond in de gemeente Waalwijk, destijds kadastraal bekend Gemeente Capelle sectie [A] nummers [001 t/m 007], in totaal belopende een oppervlakte van 50.79.45 ha (en volgens [verweerster 2] inmiddels gedeeltelijk kadastraal hernummerd), welke oppervlakte ook het boerderijcomplex ter grootte van 1.35.55 ha. bevat dat door [verweerster 2] in 2000 van De Molensteen is gekocht, zodat de omvang van de feitelijk verpachte grond 49.43.90 ha bedraagt.

(ii) De ingangsdatum van de pachtovereenkomst is 1 juli 2005 en de pachtovereenkomst loopt af op 30 juni 2011.

(iii) De Molensteen heeft aan de directeur van [verweerster 2], [verweerder 1] bij pachtovereenkomst van 22 maart 2001 gronden verpacht met een oppervlakte van 9.68.90 ha. (iv) De onder (iii) vermelde gronden maakten oorspronkelijk deel uit van de in totaal ongeveer 60 ha die door de Molensteen was aangekocht en vervolgens aan [verweerster 2] in gebruik was gegeven.

2. De vordering

De Molensteen heeft gevorderd het tijdstip vast te stellen waarop de pachtovereenkomst tussen De Molensteen als verpachtster en [verweerster 2] als pachtster zal eindigen en [verweerster 2] te bevelen het gepachte te ontruimen en ontruimd te houden.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het tijdstip waarop de pachtovereenkomst zal eindigen vastgesteld op 30 juni 2011. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een redelijke afweging van de belangen van De Molensteen als verpachtster bij beëindiging tegen die van [verweerster 2] bij verlenging van de overeenkomst in het voordeel van De Molensteen uitvalt (art. 7:370 lid 1 aanhef en onder c BW). De tweede, op art. 7:370 lid 1 aanhef en onder a BW gebaseerde opzeggingsgrond, inhoudende dat [verweerster 2] als pachter is tekortgeschoten in haar verplichtingen kan geen reden vormen voor toewijzing van de vordering. De hieraan ten grondslag gelegde stellingen van De Molensteen over het niet-betalen van periodieke pachtverhogingen, het laten oplopen van de bijdragen in de waterschapslasten en het zonder toestemming van De Molensteen wijzigen van de bestemming van het gepachte door het als bouwland te gebruiken zijn namelijk onvoldoende onderbouwd, aldus de rechtbank.

4. Het oordeel van het hof

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van De Molensteen alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof overwogen dat de stelling van De Molensteen dat [verweerder] c.s. in gebreke zijn gebleven met de betaling van doorberekende ruilverkavelingsrente en waterschapslasten onvoldoende onderbouwd is. In het incidenteel hoger beroep heeft De Molensteen aangevoerd dat [verweerder] c.s. op de bij uitstek als weidegrond geschikte pachtgronden akkerbouwgewassen hebben geteeld. Dit verwijt dat redelijkerwijs niet kan worden beschouwd als een uitwerking van een reeds in de opzegging gebezigd verwijt, moet buiten beschouwing blijven omdat volgens art. 7:369 lid 2 BW de verpachtster slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De opzeggingsgrond, die wordt genoemd in art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW kan derhalve niet leiden tot toewijzing van de vordering van De Molensteen.

Ook het beroep op de opzeggingsgrond van art. 7:370 lid 1, aanhef en onder c, BW wijst het hof af. Het verzet van [verweerster 2] en [verweerder 1] tegen opzegging van de pachtovereenkomst, dat ertoe strekt het gebruik van de gronden op basis van de pachtovereenkomst te continueren, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. In de procedure die leidde tot de vastlegging van de pachtovereenkomst is bovendien gebleken dat de bij De Molensteen betrokkenen "zich de risico's van een verpachting hadden gerealiseerd", aldus het hof in rov. 3.7.

5. Het cassatieberoep

5.1 De Molensteen heeft bij dagvaarding van 16 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. Er is een middel aangevoerd dat bestaat uit twee onderdelen. [Verweerder 1] en [verweerster 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De advocaten van beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven.

5.2 Het van toepassing worden op 1 september 2007 van de nieuwe procesrechtelijke bepalingen voor pachtzaken (art. 1019j-1019 Rv.), welke bepalingen cassatieberoep niet uitsluiten, heeft alleen gevolg voor op of na die datum ingestelde procedures. Nu de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt bij dagvaarding van 16 december 2009 zijn deze bepalingen van toepassing en geldt het cassatieverbod uit art. 134 van de op 1 september 2007 ingetrokken Pachtwet niet meer, zodat het cassatieberoep in deze zaak - waarin op de laatst mogelijke dag cassatieberoep is ingesteld - ontvankelijk is (vgl. HR 11 september 2009, LJN BI6942, RvdW 2009, 1012; HR 29 januari 2010, BK4933, RvdW 2010, 225).

6. Bespreking van het cassatiemiddel

6.1 Onderdeel I neemt, terecht, tot uitgangspunt dat krachtens art. 7:369 lid 2 BW slechts op de gronden vermeld in de opzegging kan worden gevorderd dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de pachtovereenkomst zal eindigen. Het hof heeft deze bepaling echter volgens het onderdeel te restrictief uitgelegd, waar het aanneemt dat de grond van art. 7:370 lid 1, aanhef en onder a, BW in de opzegbrief reeds tot in detail moet zijn uitgewerkt.

6.2 Vooropgesteld dient te worden dat het voorschrift van art. 7:368 BW, waarin staat dat de opzegging op straffe van nietigheid de gronden dient te vermelden die tot de opzegging hebben geleid, en dat van art. 7:369 lid 2 BW dat de verpachter op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de pachtovereenkomst eindigt, ertoe strekken dat de pachter aan de hand van de in de opzegging vermelde gronden kan bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen (W.L. Valk in: A.H.T Heisterkamp en W.L. Valk, Pachtrecht, derde druk, 2013, art. 7:369 BW aant. 3; Hof Arnhem 22 november 2011, LJN BU7762). Met inachtneming van het voorgaande zal de verpachter de gronden voor opzegging tijdens de procedure dan ook maar zeer beperkt mogen wijzigen of aanvullen (vgl. ook: Asser/Snijders, Pacht, 7-III, 2009, nr. 196). De ratio van deze bepaling stemt overeen met die van art. 7:295 BW (zie HR 13 juni 2008, LJN BC6116, NJ 2008/338).

In het onderhavige geval is de opzeggingsgrond in het geheel niet geconcretiseerd in de opzeggingsbrief, nu deze volstaat met de vermelding dat de pachter zich in zijn bedrijfsvoering niet als een goed pachter heeft gedragen en niet vermeldt - zoals in de procedure pas voor het eerst is aangevoerd - dat de pachter wordt verweten op bij uitstek als weidegrond geschikte pachtgronden akkerbouwgewassen te hebben geteeld. Het hof heeft derhalve niet de desbetreffende opzeggingsgrond buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet tot in detail is uitgewerkt - zoals door het onderdeel wordt verondersteld - maar omdat deze in het geheel niet is uitgewerkt, waardoor de pachter niet kon bepalen of hij het op deze grond op een procedure wil laten aankomen. Dit met een waardering van de feiten verweven oordeel van het hof is onjuist noch onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.

6.3 Onderdeel II klaagt onder a erover dat het hof door in rov 3.9 te overwegen dat alleen beëindiging van de verpachtingen De Molensteen perspectief oplevert in financiële zin de kern van het betoog van De Molensteen onjuist heeft weergegeven. Dit betoog, dat volgens het onderdeel nader is toegelicht in de inleidende dagvaarding op pagina 4 derde alinea van onderen, komt erop neer dat De Molensteen als gevolg van de verpachting volstrekt insolvabel is geworden, daardoor geen zaken meer kan doen en dat diens bedrijf al jaren stil ligt. De klacht faalt. De vermelding door het onderdeel van de vindplaats in de gedingstukken is onjuist, zodat het onderdeel niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Voorts gaat het hier om een niet-onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken die is voorbehouden aan de feitenrechter. Niet valt immers in te zien dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de overweging van het hof dat alleen beëindiging van de verpachting financieel perspectief biedt aan De Molensteen en de stelling van De Molensteen dat haar voortbestaan op het spel staat.

6.4 Onderdeel II onder b strekt ten betoge dat het hof weliswaar in rov. 3.9 en 3.10 van het bestreden arrest de belangen van De Molensteen bespreekt en in rov. 3.11 de belangen van [verweerder] c.s., maar nergens de belangen tegen elkaar afweegt. In rov. 3.12 en 3.13 volgt dan de beslissing dat de belangenafweging niet in het voordeel van de Molensteen uitvalt, aldus het onderdeel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Na een bespreking en waardering van de belangen van partijen in rov. 3.9-3.11 volgt de in rov. 3.13 besloten liggende belangenafweging door het hof.

6.5 Onderdeel II onder c klaagt erover dat het hof ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan het op de belangen van [verweerder] c.s. betrekking hebbende verweer dat volgens het onderdeel de kern vormde van het incidenteel hoger beroep. Voorts heeft het hof het door De Molensteen in haar pleitnota in hoger beroep gedane bewijsaanbod gepasseerd, aldus het onderdeel. Van het door het onderdeel bedoelde verweer wordt geen vindplaats genoemd in de processtukken. De door het onderdeel genoemde pleitnota bevat geen bewijsaanbod. Het in de memorie van antwoord opgenomen bewijsaanbod is zo algemeen dat het hof daarop niet behoefde in te gegaan. Het onderdeel faalt derhalve.

6.6 Onderdeel II onder d strekt ten betoge, dat het hof geen overweging heeft gewijd aan het feit dat partijen hebben gedwaald bij de verwachting dat een bestemmingswijziging op korte termijn zou plaatsvinden. De rechtbank had deze omstandigheid wel in haar belangenafweging betrokken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom deze omstandigheid het hof tot een ander oordeel had moeten brengen. Bovendien is het voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, welke belangen hij in zijn afweging betrekt en hoe hij deze tegen elkaar afweegt.

7. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Wnd. A-G.