Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ4188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
12/05535
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ4188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1, onder b, en lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/229

Conclusie

12/05535

Mr. L. Timmerman

Zitting 8 maart 2013

Conclusie inzake:

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie,

(hierna samen: [verzoeker] c.s.)

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 [Verzoeker] c.s. heeft op 6 augustus 2012 een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank Haarlem.

1.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekers schulden hebben aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) van € 450 en € 2.349,38. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld te goeder trouw zijn geweest. Gelet op de omvang van de schuld, ook ten opzichte van de totale schuldenlast, heeft de rechtbank het verzoek tot toelating afgewezen op grond van art. 288 lid 1 sub b Fw. Gronden voor toepassing van art. 288 lid 3 Fw waren gesteld noch gebleken.

1.3 Verzoekers zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam, stellende dat de schuld aan het CJIB voornamelijk is ontstaan omdat de verzekeringsmaatschappij de verzekering van hun auto niet goed had afgehandeld. In 2010 zouden zij teveel premie hebben betaald (voor een vernietigde bromfiets), waarbij zij de verzekeringsmaatschappij hebben verzocht de restitutie te verrekenen met de openstaande premies voor de auto. [Verzoeker] c.s. ging ervan uit dat de auto verzekerd was en meent dat hem van het ontstaan van deze schuld geen verwijt kan worden gemaakt.

1.4 De zaak is op 20 november 2012 mondeling behandeld.

Bij arrest van 27 november 2012 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

1.5 [Verzoeker] c.s. is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1 Het verzoekschrift bevat drie middelen, elk bestaand uit meerdere ongenummerde alinea's. Middelen I en II zijn gericht tegen r.o. 2.2-2.3 van het bestreden arrest, welke luiden als volgt:

"2.2. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

2.3. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] c.s. daarin niet zijn geslaagd. Vast is komen te staan dat [verzoeker] c.s. een aanzienlijke schuld aan het CJIB hebben wegens meerdere verkeersovertredingen, waaronder het (herhaaldelijk) onverzekerd rijden met een voertuig. Hetgeen [verzoeker] c.s. hierover naar voren hebben gebracht is onvoldoende om aan te nemen dat hen ten aanzien van die schuld geen verwijt treft. Weliswaar meenden [verzoeker] c.s. aanspraak te kunnen maken op een restitutie waarmee de premie voor de verzekering van een auto zou kunnen worden betaald, maar zoals [verzoeker] ter zitting heeft erkend, hebben zij nimmer een bevestiging van de verzekeringsmaatschappij gekregen dat de premies door middel van verrekening zouden zijn betaald. Desondanks zijn [verzoeker] c.s. in de onverzekerde auto blijven rijden, ook nadat daarvoor een boete was opgelegd. Bovendien hebben [verzoeker] c.s., naar uit het door mr. Neefjes ter zitting overgelegde overzicht openstaande vorderingen d.d. 13 augustus 2012 volgt, nog andere openstaande verkeersboetes waarvoor geen verontschuldiging valt aan te wijzen."

2.2 Middel I betoogt dat het hof in r.o. 2.2 jo 2.3 ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] c.s. er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof zou er ongemotiveerd van uit zijn gegaan dat de verzekeringsmaatschappij een bevestiging van verrekening zou sturen. Ook had het hof volgens het middel moeten uitsplitsen en onderbouwen welke waarde het hechtte aan de andere openstaande verkeersboetes, omdat dit een verschil had kunnen maken in de keuze tussen toepassing van de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 sub b Fw in plaats van art. 288 lid 1 sub b FW.

2.3 Het middel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting: de afwijzingsgronden van art. 288 lid 2 Fw zijn sinds 1 januari 2008 niet facultatief meer, maar imperatief. Nu het bestaan van de verkeersovertredingen en de daarvoor opgelegde boeten door [verzoeker] c.s. verder niet wordt betwist, faalt de klacht.

2.4 Middel II klaagt dat het hof geen verschil heeft aangebracht tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2], ten onrechte, nu onduidelijk is of [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Deze klacht vormt een novum dat niet voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen: zij is grotendeels feitelijk van aard en viel niet binnen de rechtsstrijd in appel. Op het hof rustte niet de plicht de kwestie ambtshalve te onderzoeken. Ook middel II faalt derhalve.

2.5 Middel III tenslotte is gericht tegen r.o. 2.4 en 2.5:

"2.4 Ook ziet het hof, hoewel hier geen beroep op is gedaan, thans geen gronden om over te gaan tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw, nu [verzoeker] cs. onvoldoende hebben aangetoond dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben. Daarbij is mede van belang dat [verzoeker] cs. weliswaar gebruik maken van budgetbeheer, maar nog niet, althans niet aantoonbaar, een begin hebben gemaakt met het aflossen van hun schulden, zoals die aan het CJIB. De omstandigheid dat [verzoeker] sinds vier maanden een betaalde baan heeft, is daarnaast nog van te korte duur om aan te kunnen nemen dat hiermee nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende is gewaarborgd.

2.5. Het voorgaande neemt niet weg dat indien [verzoeker] c.s. op termijn (met overlegging van bewijsstukken) kunnen aantonen dat de schuld aan het CJIB is betaald en hun leven een stabiele wending heeft genomen, zij over enige tijd nogmaals een verzoek kunnen indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling."

Het middel betoogt dat het hof ten onrechte overweegt en oordeelt dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gebruik maken van budget beheer, maar dat zij nog niet (aantoonbaar) een begin hebben gemaakt met het aflossen van hun schulden Het hof zou met deze overwegingen doel en strekking van art. 288 lid 3 Fw miskennen: niet het aflossen van schulden of het daarmee begonnen zijn is daarvoor doorslaggevend, maar het onder controle krijgen en hebben van de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden.

2.6 Het middel berust op een te beperkte lezing van het bestreden arrest.

Onbestreden is immers de vaststelling in r.o. 2.4 dat [verzoeker] c.s. geen beroep heeft gedaan op art. 288 lid 3 Fw. Het hof heeft op basis van de voorliggende feiten dus ambtshalve beoordeeld of voldoende aannemelijk was dat [verzoeker] c.s. de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Het hof heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gevonden om dit oordeel te rechtvaardigen; de wel gezette stappen hadden nog geen tastbare resultaten opgeleverd (r.o. 2.4). Wanneer de stappen in de toekomst wel tot tastbare resultaten leiden, mag [verzoeker] c.s. overigens opnieuw een verzoek indienen (r.o. 2.5). Het hof heeft dus niet geoordeeld dat (een begin van) afbetaling de enige wijze is waarop [verzoeker] c.s. aannemelijk kan maken dat bedoelde omstandigheden onder controle zijn, maar slechts dat dit een van de wijzen is waarop controle kan worden aangetoond.

In het licht van het (zeer beperkte) dossier is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Nu [verzoeker] c.s. op dit punt niets had gesteld, behoefde het ook geen nadere motivering.

2.7 Ik meen dat het cassatieberoep faalt, en geef Uw Raad in overweging het af te doen met gebruikmaking van art. 81 RO.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het p-v van de verhoren in raadkamer van de rechtbank Haarlem van 20 september 2012 en het vonnis van die rechtbank van 9 oktober 2012, alsmede het p-v van mondelinge behandeling van het hof Amsterdam van 20 november 2012 en het arrest van dit hof van 27 november 2012.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 30 november 2012, overeenkomstig de in art. 292 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.