Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ3666

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
12/02551
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ3732
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ3666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Partneralimentatie. Vaststelling behoefte. Welstand van partijen tijdens huwelijk. Verzoek op de voet van art. 843a Rv tot afgifte bescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/196

Conclusie

12/02551

mr. Keus

Zitting 25 januari 2013

Conclusie inzake:

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Het gaat in deze alimentatiezaak om de vraag of het hof bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw naar behoren met de welstand van partijen tijdens het huwelijk rekening heeft gehouden en of het hof daarbij bepaalde huurinkomsten van man als aanwijzing voor die welstand buiten beschouwing kon laten, zonder in te gaan op een op art. 843a Rv gebaseerd verzoek van de vrouw, strekkende tot afgifte van bescheiden met betrekking tot die inkomsten.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 31 december 2002 te 's-Gravenhage gehuwd. Uit hun huwelijk is op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] de thans nog minderjarige [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) geboren. De minderjarige verblijft thans bij de vrouw. Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende dat partijen de vermeerdering van hun vermogens die tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden bij helfte zullen verdelen.

1.2 Bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De door partijen onderling getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het aan de beschikking van de rechtbank gehechte ouderschapsplan, is in de beschikking opgenomen, met dien verstande dat de tekst van artikel 4.1, ter vervanging van de in het ouderschapsplan opgenomen tekst, als volgt luidt: "[de minderjarige] brengt per vier weken drie weekenden door bij de vader van vrijdag 12.00 uur tot maandag 8.30 uur. Met ingang van het schooljaar 2011-2012 brengt [de minderjarige] per vier weken drie weekenden door bij de vader van vrijdag 17.00 uur tot maandag 8.30 uur. In beide gevallen zal de vader [de minderjarige] op vrijdag ophalen en hem op maandag naar school brengen."

1.3 Voorts is bepaald dat de man, telkens bij vooruitbetaling, met ingang van 24 augustus 2010 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 879,- per maand zal voldoen aan de vrouw. De door de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud te betalen uitkering is met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 900,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Ten slotte is bepaald dat de man zich zal inspannen de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldleningen bij ING en het Nationaal Restauratiefonds. De beschikking is, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.4 De behandeling van het verzoek tot vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden is bij de beschikking van 17 mei 2011 aangehouden.

1.5 Bij beroepschrift van 11 augustus 2011 en aanvullend beroepschrift van 16 augustus 2011 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 mei 2011. De man heeft ter zake een verweerschrift ingediend.

1.6 De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.7 Bij beschikking van 3 november 2011 heeft de rechtbank bepaald dat de man ter zake van de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden geen bedrag aan de vrouw is verschuldigd. Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en is het meer of anders verzochte afgewezen.

1.8 Bij beroepschrift van 28 november 2011 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 november 2011. De man heeft ter zake geen verweerschrift ingediend, maar mondeling verweer gevoerd.

1.9 Bij beschikking van 22 februari 2012 heeft het hof, beschikkende in beide beroepszaken, de beschikking van 17 mei 2011 vernietigd voor zover het de hoogte van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 7 oktober 2011 op € 1.436,- per maand bepaald. Het hof heeft het beroep van de vrouw betreffende de zorgregeling en de ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige verworpen. De behandeling met betrekking tot het verzoek tot vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is door het hof aangehouden. Wel heeft het hof bepaald dat de man in samenwerking en samenspraak met de vrouw makelaar [de makelaar] opdracht geeft om de waarde van de woning aan de [a-straat 1a en 1b] te 's-Gravenhage in verhuurde staat voor het deel dat niet bewoond wordt door de man, en in onverhuurde staat voor het deel dat bewoond wordt door de man per 31 mei 2010 te taxeren en wel zodanig dat de vrouw in de gelegenheid is de taxatie bij te wonen, en dat partijen gezamenlijk de kosten van deze taxatie dragen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de proceskosten is aangehouden.

1.10 Bij verzoekschrift van 21 mei 2012, op diezelfde dag ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de vrouw tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend en de Hoge Raad daarin verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De vrouw heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld (I-V), waarvan de middelen I, II en V in subonderdelen zijn verdeeld.

Inleiding

2.2 De onderhavige zaak heeft betrekking op de hoogte van partneralimentatie. Met betrekking tot alimentatie voor bloed- en aanverwanten bepaalt art. 1:397 lid 1 BW dat bij de bepaling van het verschuldigde bedrag met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon rekening wordt gehouden. Met betrekking tot alimentatie na echtscheiding bepaalt art. 1:157 lid 1 BW dat de rechter aan de (voormalige) echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot levensonderhoud heeft noch zich in redelijkheid kan verwerven, ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Aanvankelijk was gedacht partneralimentatie evenals alimentatie voor bloed- en aanverwanten van behoefte en draagkracht afhankelijk te stellen, maar de wetgever heeft willen benadrukken dat óók met niet-financiële omstandigheden(2) rekening mag worden gehouden(3).

2.3 Volgens vaste rechtspraak zijn de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen, voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst(4). Aan deze oordelen kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld(5). Zij moeten echter wel zodanig zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, en in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan(6). De rechter is niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, maar uit de beschikking moet wel voldoende blijken van welke gegevens de rechter bij de vaststelling van de alimentatie is uitgegaan(7). De motiveringseisen gaan niet zover dat de rechter, indien partijen van verschillende draagkrachtberekeningen zijn uitgegaan, moet aangeven welke draagkrachtberekening hij aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd(8), of dat hij moet motiveren waarom hij bij het vaststellen van alimentatie "in hoge mate" is afgeweken van het resultaat van een door een partij uitgevoerde draagkrachtberekening(9).

2.4 De draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt bepaald door de financiële middelen (inkomen en vermogen) die de onderhoudsplichtige ter beschikking staan en de uitgaven die ten laste van deze middelen komen(10). Bij het vaststellen van de financiële middelen kan de rechter eveneens rekening houden met inkomen dat redelijkerwijs in de naaste toekomst kan worden verworven. Als uitgangspunt geldt voorts dat ook vermogen relevant kan zijn, niet slechts met het oog op rendement of andere inkomsten daaruit, maar ook omdat het onder omstandigheden redelijk kan zijn dat tijdelijk op eigen vermogen wordt ingeteerd. Dat laatste beperkt zich niet tot het geval dat de alimentatieplichtige het in eigen hand heeft of hij voldoende inkomen verwerft om een bepaalde alimentatie te kunnen betalen en evenmin tot het geval dat van "bijzondere omstandigheden" sprake is(11). Het oordeel van de feitenrechter dat onder de omstandigheden van het geval intering op vermogen kan worden gevergd, betreft uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden en de controle in cassatie is daarom beperkt(12).

2.5 De rechter moet rekening houden met alle uitgaven en alle omstandigheden die voor de bepaling van de draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn(13). Het gewicht van de factoren zal door de feitenrechter moeten worden bepaald in het licht van alle omstandigheden van het geval(14), waaronder de betrokken belangen(15). Op de draagkracht van een onderhoudsplichtige zijn in beginsel al diens schulden van invloed, ongeacht of die schulden zijn ontstaan voor of na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan. De rechter kan grond aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar dient dan wel voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die hem tot zodanig oordeel heeft geleid(16). Te denken valt aan schulden, die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of om schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen(17). Aan het uitgangspunt dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht doet niet af dat een schuld is aangegaan na de echtscheiding, noch de omstandigheid dat een schuld niet is aangegaan om huwelijkse schulden af te lossen(18).

2.6 Het Rapport alimentatienormen bevat aanbevelingen voor het uniform berekenen van alimentatie. De aanbevelingen uit het rapport zijn in de praktijk bepalend voor de wijze waarop de rechter alimentatie berekent. Het is vaste rechtspraak dat deze aanbevelingen, hoe wenselijk zij op zichzelf ook zijn(19), geen recht in de zin van art. 79 RO vormen(20). Het is dan ook aan de rechter overgelaten of een kwestie zich voor toepassing van de aanbevelingen van het rapport leent; hij hoeft niet te motiveren waarom hij van die aanbevelingen afwijkt(21).

2.7 In het Rapport alimentatienormen wordt aanbevolen om in standaard-gevallen de behoefte van de vrouw niet te baseren op een door de vrouw over te leggen behoeftebegroting, maar te relateren aan een percentage van 60% van het voormalige gezinsinkomen. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat het hanteren van 60% van het voormalige netto gezinsinkomen als (enige) maatstaf onjuist is nu de behoefte moet worden bepaald met inachtneming van de door partijen aangevoerde omstandigheden(22). Het rapport houdt met deze rechtspraak van de Hoge Raad echter (nog) geen rekening(23).

Bespreking van de klachten

2.8 Middel I klaagt over het onbehandeld laten van grief 2 van de vrouw. Die grief was gericht tegen de navolgende overweging op p. 5 van de beschikking van de rechtbank:

"De rechtbank zal voor de bepaling van de hoogte van de behoefte van de vrouw voornoemde behoeftelijst tot uitgangspunt nemen en daarbij de door de man betwiste posten afzonderlijk bespreken. De rechtbank stelt hierbij voorop dat voor het vaststellen van de hoogte van de behoefte van de vrouw niet relevant is wat de lasten van partijen waren gedurende het huwelijk, maar dat moet worden uitgegaan van de huidige daadwerkelijke inkomsten en lasten van de vrouw (HR 3 september 2010, LJN 09/03637(24))."

Het middel memoreert dat de vrouw in grief 2 had aangevoerd

- dat de rechtbank een onjuiste interpretatie van voormeld arrest heeft gegeven nu op grond daarvan rekening moet worden gehouden met onder meer de hoogte en aard van de inkomsten tijdens het huwelijk, hetgeen een aanwijzing is voor de welstand waarin partijen leefden (punt 7);

- dat de rechtbank heeft miskend dat rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden, te weten reguliere inkomsten, uitgaven, welstand huwelijk, inkomsten uit vermogen, forfaitair rendement vermogen, mogelijkheid tot vermogensvorming en pensioenopbouw (punt 8);

- dat de rechtbank ten onrechte de concrete behoeftelijst als uitgangspunt heeft genomen en dat de behoeftebepaling daarmee niet correct is (punt 9);

- dat de vrouw al jarenlang tevergeefs vraagt om verifieerbare gegevens van de huurinkomsten van de man en tot op heden slechts een zelfgemaakte "jaarrekening" over 2010 is verstrekt (punt 10);

- dat de vrouw op deze wijze geen adequate alimentatieberekening kan maken en daarom vraagt de man te gelasten de cijfers alsnog in het geding te brengen (punt 11);

- dat bewijzen van de lasten van de woning niet zijn verstrekt en door de rechtbank dan ook niet kunnen worden vastgesteld (punt 12).

2.9 Onderdeel I.1 betoogt dat de omvang van het appel door de grieven wordt bepaald. Binnen het door de grieven ontsloten gebied wordt de zaak echter in volle omvang naar de appelrechter ter behandeling overgeheveld. Hieruit volgt dat de appelrechter de voorgedragen grieven dient te behandelen dan wel moet motiveren waarom hij niet aan een behandeling toekomt(25). Door grief 2 ongemotiveerd onbehandeld te laten heeft het hof het grievenstelsel miskend en is zijn oordeel, zonder nadere toelichting die ontbreekt onbegrijpelijk en met onvoldoende redenen omkleed.

2.10 Voor het geval het hof de grief niet heeft behandeld omdat het heeft gemeend dat de vrouw daarbij geen belang had nu de grief niet tot vernietiging zou leiden, getuigt zijn oordeel volgens onderdeel I.2 van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het bepalen van de behoefte moet immers met alle omstandigheden rekening worden gehouden, waaronder derhalve ook de welstand tijdens het huwelijk, voor welke welstand een aanwijzing kan worden gevonden in onder meer de inkomsten tijdens het huwelijk(26). Daarnaast is grief 2 essentieel voor de vordering van de vrouw ter zake van de aan de welstand gerelateerde behoefte.

2.11 Voor zover, mede in het licht van de eerste alinea van rov. 25, in het oordeel van het hof ligt besloten dat gedurende het huwelijk geen inkomsten uit verhuur zijn ontvangen zodat deze bij de bepaling van de welstand geen rol spelen, betoogt onderdeel I.3 onder verwijzing naar grief 7, die het hof eveneens ongemotiveerd onbehandeld zou hebben gelaten en waarover middel II klaagt, dat de vrouw bij memorie van grieven onder 38 heeft aangevoerd dat de man geen verificatoire bescheiden heeft overgelegd waaruit blijkt hoeveel huurinkomsten hij vanaf 2006 heeft ontvangen en welke de lasten van de woning zijn vanaf dat jaar, en dat zij in haar petitum in appel vervolgens uitdrukkelijk heeft verzocht de man ex art. 843a Rv te gelasten alle verificatoire bescheiden ter zake van, kort gezegd, de huurinkomsten vanaf 2004 te produceren. Dit betekent dat gegrondbevinding van middel II de kennelijke conclusie van het hof dat er gedurende het huwelijk geen (positieve) inkomsten uit verhuur waren, raakt, en wel omdat het hof zonder de behandeling van grief 7 niet tot deze conclusie had kunnen komen. Daarbij komt volgens het onderdeel dat de vrouw de relevantie van de jaarrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2010, die een negatief exploitatieresultaat tonen, uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist. Het door de vrouw overgelegde overzicht van een financieel planner waaruit volgt dat, uitgaande van de verstrekte cijfers door de man, de netto huurinkomsten in 2010 rond de € 25.000,- moeten belopen - productie 2 bij de pleitnota in eerste aanleg - heeft de man bij verweerschrift in appel niet betwist. Daarnaast heeft de vrouw de echtheid van de jaarrekening 2010 betwist. In het licht van deze gemotiveerde stellingen van de vrouw, is de voornoemde kennelijke conclusie van het hof tevens onbegrijpelijk.

2.12 De onderdelen, die steeds als uitgangspunt kiezen dat het hof de tweede grief van de vrouw onbehandeld heeft gelaten, missen feitelijke grondslag. Het hof heeft onder het opschrift "Behoefte/behoeftigheid van de vrouw" onder meer als volgt overwogen:

"10. Volgens de vrouw heeft de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 3 september 2010 (LJN: BM7050) verkeerd geïnterpreteerd. De vrouw betoogt dat met alle relevante door partijen aangevoerde omstandigheden rekening moet worden gehouden, ofwel: reguliere inkomsten, uitgaven, welstand ten tijde van het huwelijk, inkomen uit vermogen, forfaitair rendement uit vermogen, mogelijkheid tot vermogensvorming en de mogelijkheid tot pensioenopbouw. (...)

12. Het hof overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Evenals de rechtbank heeft gedaan, zal het hof de behoeftelijst van de vrouw als uitgangspunt nemen voor de bepaling van haar behoefte. Het op pagina 6 in de bestreden beschikking genoemde bedrag van totaal € 1.289,09(27) per maand staat als niet weersproken vast. De vrouw kan zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de huur, vakantiereserveringen, advocaatkosten, kosten paardrijden, pensioenkosten en vermogensvorming. Het hof zal deze posten hierna bespreken.

(...)

18. Het hof zal geen rekening houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 200,- per maand aan vermogensvorming. De vrouw heeft niet aangegeven en evenmin onderbouwd in hoeverre de welstand van partijen tijdens hun huwelijk haar de mogelijkheid van vermogensvorming zou hebben verschaft."

Het hof heeft de tweede grief van de vrouw niet slechts behandeld, maar die grief ook gehonoreerd, en wel in die zin dat het van een andere maatstaf dan de rechtbank is uitgegaan. Terwijl de rechtbank van opvatting was dat voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw in het geheel niet relevant is welke de lasten van partijen ten tijde van het huwelijk waren, heeft het hof in rov. 12 geoordeeld dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Het is in overeenstemming met de door het hof gekozen maatstaf (en met de rechtspraak van de Hoge Raad waaraan deze maatstaf is ontleend) dat (ook) het hof de behoeftelijst van de vrouw tot uitgangspunt heeft genomen. De bedoelde maatstaf impliceert immers niet dat die behoeftelijst irrelevant zou zijn, maar dat de daarop opgevoerde lasten moeten worden beoordeeld in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder de welstand van partijen tijdens hun huwelijk, waarvoor de hoogte en de aard van hun inkomsten en uitgaven tijdens het huwelijk een aanwijzing kunnen vormen. Dat het hof deze benadering daadwerkelijk heeft gevolgd, blijkt onder meer uit rov. 18, waarin het hof de door de vrouw in haar behoeftelijst opgevoerde post ter zake van vermogensvorming heeft beoordeeld aan de hand van de vraag of (de vrouw heeft aangegeven en onderbouwd in hoeverre) de welstand van partijen tijdens hun huwelijk haar de mogelijkheid van vermogensvorming zou hebben verschaft.

2.13 Overigens geldt, anders dan het middel betoogt, dat de appelrechter niet steeds is gehouden op alle grieven afzonderlijk te responderen. Met name in alimentatiezaken kan zich voordoen dat de appelrechter aan de hand van nieuwe, in appel aangevoerde gegevens behoefte en/of draagkracht van partijen opnieuw vaststelt en zich in dat verband van afzonderlijke tegen de beslissing in eerste aanleg geformuleerde grieven "losmaakt", in die zin dat hij zich niet uitdrukkelijk en gemotiveerd rekenschap ervan geeft of elk van die afzonderlijke grieven terecht was voorgedragen. Ook in het licht van het grievenstelsel is dat niet ontoelaatbaar(28).

2.14 Middel II is gericht tegen het onbehandeld laten door het hof van grief 7 van de vrouw. De vrouw heeft de rechtbank volgens het middel onder meer verzocht de man op de voet van art. 843a Rv te gelasten tot afgifte van documenten betreffende de inkomsten uit verhuur en de exploitatieoverzichten van het pand aan de [a-straat 1a en 1b] te Den Haag vanaf 2004. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat de man alle door de vrouw verlangde informatie heeft verschaft, zodat de vrouw niet langer belang daarbij heeft. In haar grief 7 heeft de vrouw hierover geklaagd. Zij heeft met betrekking tot de inkomsten uit verhuur onder meer het volgende aangevoerd:

- de man heeft geen verificatoire bescheiden overgelegd waaruit blijkt hoeveel huurinkomsten hij heeft ontvangen vanaf 2006 en wat de lasten zijn vanaf dat jaar (punt 38);

- hij heeft van de huurovereenkomsten (kennelijk is hier bedoeld: huurinkomsten; LK) alleen bankafschriften over 2010 overgelegd (punt 38);

- op basis van deze gegevens is van de exploitatieoverzichten geen chocola te maken (punt 38);

- de overweging van de rechtbank is tegenstrijdig nu geen bankafschriften over 2006 tot en met 2009 zijn overgelegd (punt 38);

- de rechtbank miskent dat deze gegevens tevens van invloed zijn op de behoefte (punt 39).

Daarnaast heeft de vrouw volgens het middel aangevoerd dat de man een zelf gemaakte jaarrekening van zijn Stichting heeft overlegd, terwijl vaststaat dat de man de inkomsten uit verhuur op zijn eigen rekening ontvangt. In haar petitum van het appelschrift heeft de vrouw het hof ten slotte verzocht de man te gelasten verificatoire bescheiden over te leggen, waaronder bankafschriften, ter zake van de inkomsten uit verhuur alsmede exploitatieoverzichten van de [a-straat 1a en 1b] vanaf 2004.

2.15 Onderdeel II.1 klaagt, onder verwijzing naar onderdeel I.1, dat het hof, door grief 7 ongemotiveerd onbehandeld te laten, ook hier het grievenstelsel zou hebben miskend en zijn oordeel onvoldoende met redenen zou hebben omkleed.

2.16 Voor het geval het hof van oordeel zou zijn geweest dat het hof de grief niet heeft behandeld omdat deze niet tot vernietiging zou kunnen leiden, klaagt onderdeel II.2, onder verwijzing naar onderdeel I.2, dat het hof ook hier blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven, daar bij het bepalen van de behoefte met alle omstandigheden rekening dient te worden gehouden, waaronder de welstand tijdens het huwelijk, waarvoor een aanwijzing kan worden gevonden in (onder meer) de inkomsten tijdens het huwelijk.

2.17 Voor het geval het hof zou hebben geoordeeld dat de vrouw bij de gevraagde gegevens geen belang zou hebben omdat deze haar reeds zijn verstrekt, is dat oordeel volgens onderdeel II.3 onbegrijpelijk, nu in de procedure vaststaat dat tot en met het jaar 2009 geen verificatoire bescheiden zijn geproduceerd en alleen over 2010 (een deel van de) verificatoire bescheiden in de vorm van bankafschriften zijn aangeleverd.

2.18 De klachten van het middel missen in zoverre feitelijke grondslag, dat het hof in rov. 25, zij het in het kader van zijn overwegingen met betrekking tot de draagkracht van de man, heeft geoordeeld dat "uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij het hof genoegzaam is gebleken dat de inkomsten uit verhuur volledig worden besteed aan de kosten (van de verhuur) van voornoemd pand." Dit oordeel impliceert dat het verzoek van de vrouw tot afgifte van bescheiden met betrekking tot de inkomsten uit verhuur van de woning aan de [a-straat 1a en 1b] te 's-Gravenhage, tegen de afwijzing van welk verzoek de zevende grief van de vrouw was gericht, niet (meer) ter zake dienend is, omdat de vrouw bij afgifte van die bescheiden geen belang (meer) heeft. Ik verwijs daarvoor naar rov. 30, waarin het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat, "gezien het vorenoverwogene", (onder meer) grief 7 geen bespreking meer behoeft, nu zij niet tot een andersluidend oordeel kan leiden.

Het getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof het op art. 843a Rv gestoelde verzoek niet toewijsbaar heeft geacht, (kennelijk) op grond dat de niet-winstgevendheid van het monumentenpand, die de vrouw, mede aan de hand van de gevraagde bescheiden, wil betwisten, reeds genoegzaam vaststaat. De exhibitieplicht van art. 843a Rv geldt niet als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Daarbij is blijkens de wetsgeschiedenis mede gedacht aan het geval dat bewijs van de betrokken feiten ook langs andere weg kan worden verkregen. Aan de memorie van toelichting ontleen ik de navolgende passage(29):

"Onder omstandigheden zullen redenen die zijn aangevoerd tegen een verplichting tot verstrekking van stukken minder zwaar wegen dan de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling. Hierbij komt het in beginsel erop aan of een partij een onredelijk (of: 'unfair') voordeel geniet, of haar wederpartij een dito nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet (als bewijsmiddel) beschikbaar komt. De enkele interesse van een partij is in geen geval voldoende. In het algemeen zal aangenomen kunnen worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook gewaarborgd is indien bewijs van de onderwerpelijke feiten redelijkerwijs ook langs andere weg, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, kan worden verkregen."

Ook in de memorie van toelichting bij het aanhangige wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden(30) wordt de hiervoor bedoelde en aan art. 843a Rv verbonden beperking bevestigd:

"Op grond van het bestaande artikel 843a lid 4 Rv kan geen beroep op het recht worden gedaan als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van afschrift van de bescheiden is gewaarborgd. Het recht op afschrift van bescheiden lijkt daarmee ondergeschikt te zijn aan andere bewijsmiddelen, waaronder het (voorlopige) getuigenverhoor en het (voorlopig) deskundigenbericht. Het wetsvoorstel brengt daarin verandering. Buiten twijfel wordt gesteld dat het recht op afschrift van bescheiden niet langer een soort ultimum remedium is, maar op gelijke voet met andere bewijsmiddelen staat."

Ten slotte wijs ik op een beschikking, waarbij de Hoge Raad, eveneens in een alimentatiezaak waarin het hof een verzoek op grond van art. 843a Rv niet ter zake dienend had geoordeeld omdat de betrokken partij reeds een deel van de gevraagde bescheiden had gekregen en voor het overige omdat zij geen belang daarbij had, het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO heeft verworpen(31).

2.19 Anders dan onderdeel II.3 betoogt, is het oordeel van het hof omtrent de niet-winstgevendheid van de exploitatie van het monumentenpand niet onbegrijpelijk op de enkele grond dat tot en met het jaar 2009 geen verificatoire bescheiden in de vorm van bankafschriften zijn overgelegd en alleen over 2010 (een deel van de) verificatoire bescheiden in de vorm van bankafschriften zijn aangeleverd. De man, die heeft uiteengezet dat de exploitatie van het in 2004 aangekochte monumentenpand steeds verliesgevend is geweest door hoge rentelasten en grote tegenvallers bij de restauratie, als gevolg waarvan de man in de periode 2004-2010 grote investeringen uit eigen vermogen en arbeidsinkomen heeft moeten doen(32), heeft andere verificatoire bescheiden dan de volgens de vrouw ontbrekende bankbescheiden in het geding gebracht. Die andere bescheiden, voor zover hier van belang, worden in het verweerschrift in cassatie onder 2.6 opgesomd:

"- aangifte IB 2006 (productie 1 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september).

- aanslag IB 2006 (productie 2 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september). Inkomstenbelasting box 3 nihil.

- aangifte IB 2009 (productie 6 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september). Inkomstenbelasting box 3 nihil.

- concept aangifte IB 2010 (productie 27 in het geding gebracht bij brief van 2 maart 2011). Inkomstenbelasting box 3 nihil.

- aangifte IB 2010 (productie 38 in het geding gebracht bij brief van 11 maart 2011). Inkomstenbelasting box 3 nihil.

- jaaropgaven 2009 en 2010 (producties 6 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september en producties 21 t/m 24 in het geding gebracht bij brief van 2 maart 2011).

- aanslag WOZ 2010 (WOZ-waarde € 1.050.00(33)), productie 17 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september.

- aanslag WOZ 2011 (WOZ-waarde € 1.039.00(34), productie 36 in het geding gebracht bij brief van 2 maart 2011).

- jaarrekeningen 2007, 2008 en 2009 (productie 5 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken d.d. 29 september); 2007 vermeldt WOZ-waarde € 900.900; 2008 vermeldt WOZ-waarde € 1.050.000; 2009 vermeldt WOZ-waarde € 1.050.000.

- jaarrekening 2010 (productie 39, in het geding gebracht bij brief van 11 maart 2011 aan de rechtbank en nogmaals overgelegd (aangevuld d.d. 29/9/2011) als productie 6 bij verweerschrift in appel); vermeldt WOZ-waarde € 1.039.000.

- bankafschriften over het jaar 2010 inzake huurinkomsten en kosten monumentenpand (onderdeel van productie 39, in het geding gebracht bij brief van 11 maart 2011).

- Jaaropgaven 2010 inzake ING-hypotheek (vermeldt een restschuld van € 1.091.000,00 en een bedrag van € 53.783,36 aan betaalde rente) en hypotheek Nationaal Restauratiefonds (saldi van respectievelijk € 97.000,00, € 85.432,99 en € 44.790,15)."

In het licht van de door de man betrokken stellingen en de door hem overgelegde bescheiden is het oordeel van het hof dat "uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij het hof genoegzaam is gebleken dat de inkomsten uit verhuur volledig worden besteed aan de kosten (van de verhuur) van voornoemd pand", óók bij ontbreken van de door de vrouw verlangde bankafschriften, niet onbegrijpelijk, evenmin als het kennelijk daaraan door het hof verbonden oordeel dat de vrouw geen belang bij de afgifte van de door haar verzochte bescheiden (meer) heeft(35). Ook de stelling van de vrouw dat de man (een) zelf gemaakte jaarrekening betreffende de exploitatie heeft overgelegd terwijl vaststaat dat de man de inkomsten uit verhuur op zijn eigen rekening ontvangt, leidt niet tot een andere conclusie. Uit de stellingen van de man en de door hem overgelegde bescheiden(36) valt genoegzaam op te maken dat de jaarrekeningen zijn vastgesteld door het bestuur van de Stichting Voorhoeve (hierna: de Stichting), die met het toezicht op het beheer van het monumentenpand is belast. Dat de man het monumentenpand voor eigen rekening exploiteert en de huurinkomsten op zijn eigen bankrekening ontvangt (zoals de man overigens zelf heeft uiteengezet(37)), doet, anders dan de bedoelde stelling van de vrouw suggereert, aan de vaststelling van de betrokken jaarrekening(en) (niet door de man maar) door het bestuur van de Stichting niet af.

Wat betreft het ontbreken van een voldoende belang van de vrouw bij afgifte van de gevraagde stukken teken ik nog aan dat in de optiek van haar cassatieberoep een mogelijk positief exploitatieresultaat van het monumentenpand tijdens het huwelijk hooguit van belang is als aanwijzing voor de huwelijkse welstand van partijen, die op haar beurt als één van de toetsstenen voor de door de vrouw op haar behoeftelijst opgevoerde posten dient. Het valt niet zonder meer in te zien voor welke van die posten een dergelijke aanwijzing tot een substantieel andere beoordeling zou hebben geleid. In dit verband is ook niet verwonderlijk dat het hof de kwestie van de huurinkomsten heeft besproken, niet in het kader van de behoefte van de vrouw, maar in het kader van de draagkracht van de man, in welk laatste kader een eventueel batig exploitatiesaldo van het monumentenpand direct van betekenis zou zijn(38). Waar de door het hof berekende draagkracht van de man de voor de vrouw bepaalde behoefte overtreft, zou een te laag ingeschatte draagkracht van de man in elk geval niet tot een beperking van het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag hebben geleid en zou de vrouw ook in zoverre belang bij afgifte van de gevraagde bescheiden missen.

2.20 Middel III betoogt dat gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten ook een aantal andere rechtsoverwegingen raakt. Het zou gaan om rov. 18 waarin het hof heeft geoordeeld dat geen rekening met een bedrag voor vermogensvermeerdering wordt gehouden nu de vrouw de welstand tijdens huwelijk niet heeft onderbouwd(39), rov. 19 waarin het hof de behoefte van de vrouw heeft vastgesteld, alsmede rov. 22 waarin het hof de hoogte van de aanvullende behoefte heeft berekend, rov. 23 waarin het hof nogmaals heeft verwezen naar de vastgestelde aanvullende behoefte, rov. 27 waarin het hof nogmaals de aanvullende behoefte heeft vermeld en tot vernietiging van de bestreden beschikking heeft geconcludeerd, alsmede het dictum in de zaak met zaaknummer 200.092.117/01 en 200.092.119/01, voor zover het de hoogte van de partneralimentatie betreft.

2.21 Waar geen van de voorgaande klachten slaagt, worden ook de door het middel genoemde rechtsoverwegingen niet door die klachten gevitieerd.

2.22 Middel IV klaagt dat onderdeel II ook rov. 25 raakt. Daarin overwoog het hof:

"Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met inkomsten uit verhuur van de woning aan de [a-straat 1a en 1b] te 's-Gravenhage, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij het hof genoegzaam is gebleken dat de inkomsten uit verhuur volledig worden besteed aan de kosten (van de verhuur) van voornoemd pand."

Zonder te hebben geoordeeld over grief 7, waarin heeft de vrouw heeft geklaagd over de afwijzing van het verzoek ex art. 843a Rv, kon het hof volgens het middel immers niet tot de hiervoor geciteerde conclusie komen. In middel II heeft de vrouw geklaagd over het onbehandeld laten van grief 7, waarin zij op de voet van art. 843a Rv om afgifte van verificatoire bescheiden inzake de huurovereenkomsten(40) heeft verzocht. In het licht van dit alles zou volgens middel IV rov. 25 onbegrijpelijk zijn.

2.23 Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat het hof grief 7 zonder kenbare motivering onbehandeld heeft gelaten. Het hof heeft blijkens rov. 30 geoordeeld dat, "(g)ezien het vorenoverwogene", grief 7 geen bespreking meer behoeft, omdat die grief en de grieven 8 en 10 "niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel". Kennelijk heeft het hof hiermee tot uitdrukking willen brengen dat, waar het ontbreken van een positief exploitatiesaldo van het monumentenpand reeds genoegzaam is gebleken, het verzoek van de vrouw niet (meer) ter zake dienend is, omdat de vrouw bij afgifte van de gevraagde bankafschriften met betrekking tot de huurinkomsten van de man geen belang (meer) heeft. Zoals bij de bespreking van middel II reeds aan de orde kwam, is dat oordeel niet onbegrijpelijk; dat geldt temeer nu het enkele feit dat (naar de vrouw kennelijk wil aantonen) de man huurinkomsten heeft genoten, allerminst uitsluit dat van een exploitatietekort als gevolg van hoge rentelasten en tegenvallers bij de restauratie sprake was. Dat het hof grief 7 niet nader heeft besproken, tast, anders dan het middel verdedigt, de begrijpelijkheid van rov. 25 dan ook niet aan.

2.24 Middel V klaagt eveneens over rov. 25. Nadat het middel een samenvatting heeft gegeven van het partijdebat met betrekking tot de huurinkomsten van de man, klaagt onderdeel V.1 dat het hof niet tot het oordeel had kunnen komen dat bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met inkomsten uit verhuur behoeft te worden gehouden. Door aan te nemen dat uit de gedingstukken en het uit het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de inkomsten uit verhuur volledig aan de kosten worden besteed, heeft het hof in het licht van het partijdebat en in het licht van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof volgens het onderdeel een onbegrijpelijk, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt ongemotiveerd oordeel gegeven. Het hof zou bovendien ten onrechte hebben nagelaten te responderen op de in het onderdeel onder b gememoreerde, volgens het onderdeel essentiële stellingen van de vrouw dat de stukken van de Stichting relevantie missen nu de Stichting de monumentenwoning niet zelf exploiteert en ook geen bankrekening heeft, en dat de jaarrekening 2010 bovendien "zelf gemaakt" is.

2.25 Het onderdeel heeft het ook meer uitgebreid weergegeven partijdebat als volgt kort samengevat:

"Heel kort samengevat komen de stellingen van de vrouw op het volgende neer:

a. De man geeft geen openheid van zijn inkomsten uit verhuur, hij weigert daarvan verificatoire bescheiden te verschaffen en hem moet worden gelast deze te verschaffen.

b. De stukken van de Stichting missen relevantie nu deze de woning niet exploiteert en ook geen bankrekening heeft. De jaarrekening 2010 is bovendien 'zelf gemaakt'.

c. De cijfers worden integraal betwist.

d. De netto-inkomsten uit verhuur worden op 25.000 euro geschat.

Heel kort samengevat komen de stellingen van de man op het volgende neer:

e. De woning speelt bij de draagkracht geen rol want deze staat onder beheer van de Stichting die de opbrengst ten doel heeft.

f. Overlegging van bankafschriften voegt niets toe want de jaarrekening is daarvan het resultaat en de man behoeft niet meer stukken over te leggen."

Hieraan heeft onderdeel nog toegevoegd dat de man blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof bij die gelegenheid geen andere mededelingen over de huurinkomsten heeft gedaan.

2.26 Het onderdeel verduidelijkt niet waarom in het licht van het partijdebat en van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof onbegrijpelijk zou zijn dat volgens het hof genoegzaam is gebleken dat de inkomsten uit verhuur volledig worden besteed aan de kosten (van de verhuur) van het monumentenpand. Kern van het betoog van de man (overigens niet weergegeven in de korte samenvatting van het onderdeel maar wel in het onderdeel onder ii, eerste alinea, in fine) was dat het pand ondanks de verhuur een jaarlijks negatief resultaat oplevert; daarbij heeft de man, zoals eerder gememoreerd (zie hiervóór onder 2.19), een verband gelegd met de hoge rentelasten en grote tegenvallers bij de restauratie. Het bestreden oordeel is niet reeds onbegrijpelijk, omdat het hof, in plaats van de (op het ontbreken van een exact inzicht in de huurinkomsten toegespitste) stellingen van de vrouw, de (gedocumenteerde en op het totale exploitatieresultaat toegespitste) stellingen van de man heeft gevolgd.

Overigens is het een weinig zuivere weergave van het standpunt van de man dat de woning bij de draagkracht geen rol zou spelen, omdat deze onder beheer zou staan van de Stichting "die de opbrengst ten doel heeft". De man heeft nergens gesteld dat de woning onder beheer van de Stichting zou staan en evenmin dat de Stichting "de opbrengst ten doel heeft". De man heeft in zijn verweerschrift op zelfstandige verzoeken onder 12 gesteld dat het beheer van het pand onder toezicht van de Stichting staat, dat de Stichting het beheer van het pand zal overnemen na overlijden van de man en dat de Stichting als doelstelling heeft "beheer van het gebouw en opbrengst alsmede optreden als bewindvoerder over de nalatenschap van de man". Evenmin is juist dat de man heeft gesteld dat het monumentenpand vanwege het (vermeende) beheer door de Stichting bij de draagkrachtberekening buiten beschouwing moet blijven. Volgens de man moet het pand bij de draagkrachtberekening buiten beschouwing blijven, omdat - zoals onder 12 gesteld en onder 13 nader uitgewerkt en met producties onderbouwd - het pand geen inkomensbron is, dat wil zeggen: geen positief exploitatieresultaat oplevert.

2.27 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, ook niet voor zover het klaagt over het passeren van essentiële stellingen van de vrouw. Anders dan de vrouw heeft gesteld, heeft het hof de stukken van de Stichting kennelijk wél relevant geacht. Overigens valt niet in te zien waarom het die stukken aan relevantie zou ontbreken, nu het monumentenpand niet door de Stichting wordt geëxploiteerd en de Stichting niet over een eigen bankrekening beschikt. Dit een en ander behoeft de Stichting immers niet te beletten de jaarrekeningen met betrekking tot de exploitatie van het pand na controle vast te stellen. Wat betreft de stelling van de vrouw met betrekking tot de "zelf gemaakte" jaarrekening, geldt dat weinig duidelijk is wat de vrouw met "zelf gemaakt" bedoelt; de betrokken stelling in het beroepschrift onder 10 luidt:

"Geïntimeerde verstrekt louter een zelf gemaakte "jaarrekening" van zijn Stichting terwijl in rechte vaststaat - en door geïntimeerde erkent - dat hij de huuropbrengsten van zijn woning op zijn eigen bankrekening ontvangt."

Voor zover hier wordt bedoeld dat de genoemde jaarrekening buiten iedere bemoeienis van de Stichting is tot stand gekomen (tot welke uitleg de geciteerde tekst overigens niet dwingt), geldt dat de man een verslag van de vergadering van het stichtingsbestuur inzake de jaarrekening 2010 heeft overgelegd (als onderdeel van productie 6 van het verweerschrift in appel). Bij die stand van zaken behoefde het hof niet uitdrukkelijk op de betrokken stelling in te gaan en daaraan evenmin enige consequentie te verbinden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Bestreden beschikking, p. 3, in samenhang met de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2011, p. 3.

2 Het gaat dan om feiten of omstandigheden die meebrengen dat van een gewezen echtgenoot in redelijkheid geen alimentatie kan worden verlangd. Te denken valt aan lichamelijke mishandeling, stalking of een (extreem) kort huwelijk. Zie voor een overzicht Asser/De Boer I* (2010), nr. 628.

3 Zie voor verdere verwijzingen en de verhouding tussen de beide normen Asser/De Boer I* (2010), nr. 620.

4 HR 19 oktober 2007, LJN: BA5803, NJ 2007, 563; HR 22 september 2006, LJN: AX8848, NJ 2006, 520; HR 17 maart 2000, LJN: AA5167, NJ 2000, 313; HR 30 mei 1980, LJN: AC6912, NJ 1981, 111, m.nt. EAAL; HR 11 oktober 1968, LJN: AC2120, NJ 1969, 5, m.nt. GJS.

5 HR 19 oktober 2007, LJN: BA5803, NJ 2007, 563; HR 1 februari 2002, LJN: AD6629, NJ 2002, 184; HR 26 juni 1998, LJN: ZC2691, NJ 1998, 672; HR 24 november 1995, LJN: ZC1896, NJ 1996, 260.

6 HR 19 oktober 2007, LJN: BA5803, NJ 2007, 563; HR 10 oktober 2003, LJN: AI0366, NJ 2004, 37; HR 29 juni 2001, LJN: AB2376, NJ 2001, 495; Personen- en familierecht, art. 1:397, aant. 1 sub b (S.F.M. Wortmann).

7 HR 22 september 2006, LJN: AX8848, NJ 2006, 520; HR 17 maart 2000, LJN: AA5167, NJ 2000, 313.

8 HR 23 september 1983, LJN: AC8102, NJ 1984, 90.

9 HR 5 oktober 1984, LJN: AG4871, NJ 1985, 87.

10 HR 19 december 2008, LJN: BG5253, NJ 2009, 24; HR 12 december 2008, LJN: BF7412, NJ 2009, 13; HR 29 mei 1981, LJN: AG4201, NJ 1981, 397; Asser/De Boer I* (2010), nrs. 624-627; Personen- en familierecht art. 1:397, aant. 1 sub b (S.F.M. Wortmann).

11 HR 1 februari 2002, LJN: AD6629, NJ 2002, 184; HR 27 maart 1992, LJN: ZC0560, NJ 1992, 395; Asser/De Boer I* (2010), nr. 625; vgl. ook M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), p. 700-701, over de relevantie van de bestemming van het betrokken vermogen.

12 HR 1 februari 2002, LJN: AD6629, NJ 2002, 184; HR 27 maart 1992, LJN: ZC0560, NJ 1992, 395. Vgl. echter HR 28 januari 2011, LJN: BO7113, NJ 2011, 56, rov. 3.3: "In de beschikking van het hof ontbreekt een toereikend gemotiveerde verwerping van de met het oog op de vaststelling van de draagkracht van de man als essentieel te beschouwen stelling van de vrouw dat in de gegeven omstandigheden van de man kan worden verwacht dat hij inteert op zijn vermogen, welk vermogen, anders dan waarvan het hof kennelijk is uitgegaan, niet slechts bestond uit de na verkoop van de apotheek opgebouwde beleggingsportefeuille, maar ook uit de volgens de vrouw aanzienlijke overwaarde van het woonhuis."

13 HR 25 november 1994, LJN: ZC1558, NJ 1995, 286, m.nt. JdB; HR 7 oktober 1994, LJN: ZC1479, NJ 1995, 59; HR 15 juli 1985, LJN: AC4261, NJ 1986, 566, m.nt. JCS.

14 HR 15 juli 1985, LJN: AC4261, NJ 1986, 566, m.nt. JCS; HR 29 mei 1981, LJN: AG4201, NJ 1981, 397.

15 HR 25 november 1994, LJN: ZC1558, NJ 1995, 286, m.nt. JdB; HR 15 juli 1985, LJN: AC4261, NJ 1986, 566, m.nt. JCS; HR 29 mei 1981, LJN: AG4201, NJ 1981, 397.

16 HR 11 juli 2008, LJN: BD1843, NJ 2008, 402; HR 10 december 1999, LJN: AA3843, NJ 2000, 4; HR 20 oktober 1995, LJN: ZC1854, NJ 1996, 91; HR 1 februari 1991, LJN: ZC0138, NJ 1991, 323; HR 26 oktober 1979, LJN: AC6705, NJ 1980, 270, m.nt. EAAL; HR 29 september 1978, LJN: AC6360, NJ 1979, 143; Asser/De Boer I* (2010), nr. 626; Personen- en familierecht art. 397, aant. 1 sub b (S.F.M. Wortmann).

17 HR 29 september 1978, LJN: AC6360, NJ 1979, 143.

18 HR 11 juli 2008, LJN: BD1843, NJ 2008, 402; HR 1 februari 1991, LJN ZC0138, NJ 1991, 323.

19 Vgl. HR 18 november 2011, LJN: BU4937, NJ 2012, 127, m.nt. S.F.M. Wortmann (cassatie in belang der wet).

20 HR 23 januari 1998, LJN: ZC2559, NJ 1998, 365; HR 1 november 1991, LJN: ZC0400, NJ 1992, 30. Zie over de verhouding tussen het Rapport alimentatienormen en de rechtspraak van de Hoge Raad J. van Duijvendijk-Brand, Hoge Raad houdt alimentatierechter (nog) bij de les, NJB 2012, 822, p. 926-932, alsmede B.M. Dijksterhuis, Rechters normeren de alimentatiehoogte. Een empirisch onderzoek naar rechterlijke samenwerking in de Werkgroep Alimentatienormen (1975- 2007) (2008), p. 80-85.

21 HR 17 juni 1983, LJN: AG4619, NJ 1984, 35.

22 HR 3 september 2010, LJN: BM7050, NJ 2010, 473, rov. 3.4, waarin wordt verwezen naar HR 19 december 2003, LJN: AM2379, NJ 2004, 140.

23 Zie daarover B.M. Dijksterhuis, Rechters normeren de alimentatiehoogte. Een empirisch onderzoek naar rechterlijke samenwerking in de Werkgroep Alimentatienormen (1975- 2007) (2008), p. 84-85.

24 De rechtbank vermeldt hier kennelijk abusievelijk het zaaknummer in plaats van het LJN-nummer (LJN: BM7050).

25 Dit zou volgen uit HR 25 februari 2000, LJN: AA4990, NJ 2000, 311 (het middel verwijst abusievelijk naar NJ 2001, 311).

26 Het onderdeel verwijst hier naar HR 3 september 2010, LJN: BM7050, NJ 2010, 473, en HR 19 december 2003, LJN: AM2379, NJ 2004, 140.

27 Het gaat hier om het totaal van de door de man niet of onvoldoende betwiste posten op de behoeftelijst van de vrouw.

28 Vgl. HR 26 maart 1999, LJN: ZC2877, NJ 1999, 430, rov. 3.3 in fine.

29 Zie de memorie van toelichting, geciteerd in A.I.M. van Mierlo en F.M. Bart, Parlementaire Geschiedenis Burgerlijk Procesrecht (2002), p. 503. Kritisch over de benadering van art. 843a Rv als laatste redmiddel is o.a. J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (2010), p. 28.

30 Kamerstukken II 2011/12, 33 079, nr. 3, p. 2. Zie voor een bespreking van het wetsontwerp J. Ekelmans, Het inzagerecht verbeterd?, NTBR 2012, p. 49-58.

31 HR 2 december 2011, LJN: BT2918, RvdW 2011, 1504.

32 Zie in het bijzonder pleitnota eerste aanleg onder 17 en 25.

33 Lees € 1.050.000.

34 Lees € 1.039.000.

35 Zie in dit verband ook rov. 30: "Gezien het vorenoverwogene behoeven de door de vrouw opgevoerde zevende, achtste en tiende grond betreffende het overleggen van financiële bescheiden door de man en het benoemen van een forensisch accountant geen bespreking meer nu zij niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel."

36 Zie onder meer de verslagen van de vergaderingen van het stichtingsbestuur, overgelegd als (onderdeel van) prod. 5 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken en prod. 6 bij het verweerschrift in appel.

37 Zie onder meer de pleitnota van mr. De Werd in eerste aanleg, onder 32 en 34.

38 Het hof heeft zich in rov. 25 beperkt tot de vraag of al dan niet inkomsten uit de verhuur van het monumentenpand bij de bepaling van de draagkracht in aanmerking dienden te worden genomen; daarnaast kan uiteraard ook niet-renderend vermogen bij de bepaling van de draagkracht een rol spelen, maar dat is in rov. 25 niet aan de orde.

39 Dat is niet (exact) wat het hof heeft overwogen; het hof heeft overwogen dat "(d)e vrouw (...) niet (heeft) aangegeven en evenmin heeft onderbouwd in hoeverre de welstand van partijen tijdens hun huwelijk haar de mogelijkheid van vermogensvorming zou hebben verschaft."

40 Kennelijk worden ook hier in plaats van huurovereenkomsten huurinkomsten bedoeld.