Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ1477

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
13/00256
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Verzoek voorlopige machtiging op de voet van art. 2 Wet Bopz. Stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 1 lid 1, aanhef en onder d, Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2013/22 met annotatie van Red
NJB 2013/894
JWB 2013/211

Conclusie

13/00256

Mr. F.F. Langemeijer

8 februari 2013

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch

In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend. Is voldaan aan de wettelijke vereisten m.b.t. een stoornis van de geestvermogens en het daaruit voortvloeiende gevaar?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 21 september 2012, heeft de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Bopz)(1). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 14 september 2012 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 4] en de geneesheer-directeur.

1.2. Op 11 oktober 2012 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en zijn raadsvrouw, de eerste geneeskundige (de arts voor verstandelijk gehandicapten [betrokkene 2]), de behandelaar (de psycholoog [betrokkene 1]) en de zorgcoördinator ([betrokkene 3]). Daarna heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden, ingaande op 11 oktober 2012(2).

1.3. Namens betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Een faxcopie van het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 14 januari 2013, op 15 januari 2013 gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende cassatieverzoekschrift. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1. In de aanhef van de beschikking staat dat de uitspraakdatum 11 oktober 2012 is. Deze datum valt samen met die van de mondelinge behandeling. Aan het slot vermeldt de beschikking dat deze is uitgesproken op 12 oktober 2012. In het cassatieverzoekschrift is uitdrukkelijk uitgegaan van 12 oktober 2012 als uitspraakdatum. Indien de beschikking is uitgesproken op 11 oktober 2012 zou het cassatieberoep te laat zijn ingesteld.

2.2. Uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat de beschikking in elk geval niet terstond na sluiting van de mondelinge behandeling is uitgesproken: de rechter heeft bij het sluiten van de mondelinge behandeling aan de aanwezigen medegedeeld dat "de uitspraak zo spoedig mogelijk volgt". Op grond hiervan en van de vermelding aan het slot van de beschikking kan worden aangenomen dat de beschikking eerst op 12 oktober 2012 is uitgesproken. Het cassatieverzoek is in dat geval tijdig ter griffie van de Hoge Raad ingekomen(3).

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Een voorlopige machtiging kan worden verleend ten aanzien van een persoon die gestoord is in zijn geestvermogens. Daartoe is onder meer vereist dat, naar het oordeel van de rechter, de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken (art. 2 lid 1, onderscheidenlijk lid 2 Wet Bopz). Onderdeel 1 van het middel heeft betrekking op het vereiste van een stoornis; onderdeel 2 op het voor een machtiging vereiste gevaar.

3.2. In de geneeskundige verklaring is als diagnose gesteld: "Lichte verstandelijke handicap bij een man met middelen misbruik (cocaïne, cannabis). Het middelen misbruik is in huidige context in remissie" (4). In rubriek 5 van de geneeskundige verklaring is het hiervan te duchten gevaar omschreven als 'gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen'(5). Dit gevaar is toegelicht als volgt: "Patiënt is makkelijk beïnvloedbaar en heeft een zwak normbesef, dit in combinatie met zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand, maken hem kwetsbaar voor terugval in middelengebruik. In het verleden is er sprake geweest van recidiverende verwervingscriminaliteit."

3.3. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen:

"De geneeskundige verklaring maakt melding van de diagnose stoornis door gebruik van middelen en een licht verstandelijke handicap. Ter zitting hebben de behandelend psycholoog [betrokkene 1] en de AVG tevens eerste geneeskundige [betrokkene 2] erop gewezen, dat niet de verstandelijke handicap maar de zeer gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling van betrokkene doet veroorzaken dat hij bijna zeker weer zal vervallen in veelvuldig crimineel gedrag. Deze aanlegstoornis beheerst het recidiverend crimineel gedrag van betrokkene. Hoewel de psychiater deze stoornis niet in de geneeskundige verklaring benoemt als een diagnose maar wel uitdrukkelijk wijst op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand in combinatie met een zwak normbesef en in verband brengt met de recidiverende verwervingscriminaliteit, neemt de rechtbank aan dat hier sprake is van een stoornis als bedoeld in de BOPZ."

3.4. Onderdeel I van het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte een stoornis van de geestvermogens heeft aangenomen, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd. Volgens de toelichting, die verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de verklaringen van de daarbij aanwezige deskundigen, was de psychiater voor zijn diagnose gebonden aan de diagnostische criteria zoals die in de DSM IV staan vermeld en kan een stoornis die zelfs niet in de DSM IV vermeld staat niet gelden als een stoornis in de zin van de Wet Bopz. Daarnaast is volgens het middelonderdeel onduidelijk waarop de rechtbank het oordeel baseert dat de gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling van betrokkene ertoe zal leiden dat hij bijna zeker weer zal vervallen in veelvuldig crimineel gedrag. Uit het dossier blijkt immers niet dat betrokkene, sinds hij werd opgenomen in het kader van een ISD-maatregel(6), zich heeft schuldig gemaakt aan verwervingscriminaliteit.

3.5. Art. 1 lid 1 Wet Bopz omschrijft een stoornis van de geestvermogens als: een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Een verstandelijke handicap (gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens) kan een stoornis van de geestvermogens zijn in de betekenis die de Wet Bopz daaraan geeft(7). In dit verband is van belang dat in hetzelfde artikellid onder 'psychiatrisch ziekenhuis' mede wordt begrepen: een door Onze Minister als zwakzinnigeninrichting aangemerkte zorginstelling. De Wet Bopz hanteert daarmee een andere omschrijving dan de DSM-IV. De DSM-IV is (de vierde versie van) een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen, uitgegeven door de American Psychiatric Association(8). De DSM-IV geldt binnen de psychiatrie als een gezaghebbend classificatiesysteem voor de diagnostiek. Anders dan de toelichting op het cassatiemiddel veronderstelt, was de rechtbank niet gebonden aan de omschrijvingen van de DSM-IV. De omstandigheid dat een bepaalde stoornis is vermeld in de DSM-IV kan vanzelfsprekend bijdragen tot het oordeel dat sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz, maar is daarvoor geen vereiste(9).

3.6. Het oordeel dat in dit geval sprake is van een stoornis is feitelijk van aard en daarmee voorbehouden aan de rechtbank(10). De rechtbank heeft geen rechtsregel geschonden door in dit geval een stoornis van de geestvermogens aan te nemen. Het oordeel is toereikend gemotiveerd: de verwijzing naar de geneeskundige verklaring kan het oordeel dragen dat hier sprake is van een verstandelijke handicap(11). De rapporterend psychiater [betrokkene 4] was bij de mondelinge behandeling niet aanwezig. De rechtbank heeft, niet onbegrijpelijk, de door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ter zitting afgelegde verklaringen opgevat in die zin dat zij niet in twijfel trekken dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, maar dat er discussie mogelijk is over het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het te duchten gevaar. Dat oorzakelijk verband komt aan de orde in het kader van onderdeel II. De slotsom is dat onderdeel I faalt.

3.7. Onderdeel II is gericht tegen het vervolg van de onder 3.3 geciteerde overweging:

"Het gevaar bestaat dat betrokkene zich daardoor weer zeer veelvuldig zal schuldig maken aan winkel- en fietsdiefstallen. In dat kader is betrokkene tot voor kort geruime tijd opgenomen geweest in een ISD-inrichting. Tevens heeft de behandelaar er op gewezen dat betrokkene zeer beïnvloedbaar is en bijna zeker in het criminele circuit zal worden misbruikt. Daarnaast is er sprake van het risico van maatschappelijke teloorgang mede als gevolg van de grote kans dat betrokkene weer verdovende middelen gaat gebruiken."

3.8. Het onderdeel behelst drie motiveringsklachten(12):

a. in het licht van de gedingstukken, met name de in het cassatierekest genoemde verklaringen, is onbegrijpelijk dat de rechtbank dit gevaar aanwezig heeft geacht;

b. onbegrijpelijk is dat de rechtbank meent dat dit een gevaar in de zin van de Wet Bopz is;

c. onbegrijpelijk is waarop het oordeel berust dat oorzakelijk verband bestaat tussen de vermeende stoornis en het gevaar.

3.9. Wat betreft de klachten onder a en b: al geruime tijd is in discussie of een opneming op grond van de Wet Bopz kan worden ingezet bij de bestrijding van overlast, waaronder overlast door zogenaamde 'kleine criminaliteit' indien deze (mede) wordt veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens(13). Voor 'veelplegers' bestaat reeds de mogelijkheid van een door de strafrechter op te leggen ISD-maatregel, die - volgens art. 38m Sr - in voorkomend geval mede ertoe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van een verslavings- of andere problematiek. Een ISD-maatregel geldt voor ten hoogste twee jaren (art. 38n Sr). Een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft in de regel een permanent karakter. Tegen de achtergrond hiervan kan ik me voorstellen dat bij betrokkene en zijn advocaat een - gezonde - argwaan bestaat tegen een verzoek van de officier van justitie om een machtiging te verlenen tot onvrijwillige opneming in het kader van de Wet Bopz van een verstandelijk gehandicapte, enkel op grond van gevaar voor kleine criminaliteit (in Bopz-terminologie: 'gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen').

3.10. Kennelijk heeft de rechtbank dit probleem onderkend. Blijkens haar motivering heeft de rechtbank zich niet beperkt tot gevaar voor anderen (in de vorm van winkel- en fietsdiefstallen e.d.). De rechtbank heeft daarnaast uitdrukkelijk gelet op het te duchten gevaar voor betrokkene zelf. De rechtbank vermeldt (i) dat betrokkene zeer beïnvloedbaar is en bijna zeker in het criminele circuit zal worden misbruikt; (ii) het risico van maatschappelijke teloorgang(14). Hiermee is voor de lezer niet onbegrijpelijk waarom de rechtbank deze risico's heeft aangemerkt als een 'gevaar' in de Wet Bopz. De motiveringsklacht onder b faalt. Overigens is in het middelonderdeel eraan voorbij gezien dat een rechtsoordeel niet met succes kan worden aangevallen door middel van een motiveringsklacht.

3.11. De motiveringsklacht onder a gaat niet op. Het door de rechtbank genoemde recidivegevaar is rechtstreeks ontleend aan de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst. Het risico van misbruik (ten koste van betrokkene zelf) baseert de rechtbank op informatie van de behandelaar ter zitting. Daarmee is deze vaststelling voor de lezer begrijpelijk; zij vindt bovendien steun in de geneeskundige verklaring. De kwalificatie "gevaar voor maatschappelijke teloorgang" is weliswaar niet door de rapporterende psychiater gebezigd, maar heeft de rechtbank geredelijk uit de rapportages, waaronder de geneeskundige verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater, in combinatie met de verklaringen ter zitting kunnen afleiden. Nu het cassatiemiddel niet specifiek ingaat op deze kwalificatie, laat ik het bij deze constatering.

3.12. Met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar (de motiveringsklacht onder c), legt het cassatiemiddel niet de vinger op een bepaalde motiveringsfout. Meer in het algemeen is geklaagd over onbegrijpelijkheid van de beslissing tegen de achtergrond van het in eerste aanleg gevoerde verweer (blz. 5 van het cassatierekest). De omstandigheid dat betrokkene gedurende zijn detentie zich niet schuldig heeft gemaakt aan verwervingscriminaliteit, noopte de rechtbank niet tot een nadere motivering om haar beslissing begrijpelijk te doen zijn. De in eerste aanleg aangevoerde omstandigheid dat betrokkene aangeeft de goede kant op te willen met ambulante begeleiding, noopte evenmin tot een verder gaande redengeving. Hetzelfde geldt voor de inschatting dat betrokkene bijna zeker in het criminele circuit zal worden misbruikt. Een toekomstverwachting als deze laat zich moeilijk bewijzen. De beschikking is zodanig gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Uit de geneeskundige verklaring heeft de rechtbank kunnen opmaken dat betrokkene gemakkelijk beïnvloedbaar is en een zwak normbesef heeft en dat dit in combinatie met zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand hem kwetsbaar maakt voor een terugval in middelengebruik indien de verzochte machtiging uitblijft. De verklaringen ter zitting hieromtrent van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], door de rechtbank gerelateerd, zijn hiermee niet in strijd. Het oordeel van de rechtbank m.b.t. het oorzakelijk verband sluit aan bij hetgeen is vermeld in de aanvraag Rechterlijke Machtiging d.d. 21 augustus 2012 van de behandelaar [betrokkene 1](15). Hij sloot af met de mededeling:

"Wanneer de huidige intensieve 100% monitoring weg zou vallen, neemt de kans op ontoelaatbaar delictgedrag en fors polydrugsgebruik (vanwege de hoge mate van kwetsbaarheid, beïnvloedbaarheid en gevoeligheid voor verslaving), maatschappelijke verloedering en algehele fysieke en psychische verwaarlozing direct toe en wordt de kans op acting out groter."

Hoewel in een samenloop van mogelijke oorzaken een spanningsveld ligt bij de vaststelling van het oorzakelijk verband, ben ik per saldo van mening dat de motiveringsklacht onder c geen doel treft. Aldus faalt onderdeel II.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Uit het begeleidend schrijven maak ik op dat betrokkene, die op grond van een strafrechtelijke verblijfstitel zou zijn gedetineerd tot 7 oktober 2012, ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in het kader van zijn detentie was geplaatst in een afdeling van een instelling voor verstandelijk gehandicapten van stichting A. Zie hierover ook het cassatierekest blz. 3 - 4.

2 Ervan uitgaande dat de beschikking op 12 oktober 2012 is uitgesproken - waarover hieronder nader -, zou de voorlopige machtiging met terugwerkende kracht zijn verleend. In cassatie is hierover niet geklaagd (zie art. 419, lid 1, in verbinding met art. 429, lid 2, Rv).

3 Nu 12 januari 2013 op een zaterdag valt, wordt de beroepstermijn verlengd tot 14 januari 2013 (art. 1 Algemene termijnenwet).

4 Zie rubriek 4 d (blz. 3) van de geneeskundige verklaring.

5 Vgl. art. 1, lid 1, onder f onder 3, Wet Bopz.

6 De afkorting ISD staat voor: inrichting voor stelselmatige daders. De plaatsing in een zodanige inrichting is geregeld in art. 38m - 38u Sr; het verblijf in art. 44b - 44q Penitentiaire beginselenwet.

7 R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Bopz, 2004, blz. 15 - 23; De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant 2.4.7 op art. 2 (W. Dijkers).

8 De afkorting staat voor: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; in de loop van 2013 wordt een vijfde versie verwacht. Zie ook: R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Bopz, 2004, blz. 32 - 33; actuele informatie over de DSM IV is o.a. te vinden via wikipedia.

9 Of de rapporterend psychiater gebruik heeft gemaakt van de DSM-IV blijkt niet met zoveel woorden uit het rapport. In het schrijven d.d. 21 augustus 2012 van de behandelaar [betrokkene 1] aan de officier van justitie (blz. 2) is een DSM-IV classificatie uit 2011 m.b.t. betrokkene overgenomen.

10 Vgl. HR 18 december 2012 (LJN: BY5355, strafzaak), rov. 3.4.

11 De rechtbank heeft het gebruik van verdovende middelen niet beschouwd als een stoornis, maar wel, in haar voorlaatste overweging, betrokken bij de vraag naar het gevaar. Zie over stoornis van de geestvermogens en verslaving: HR 23 september 2005 (LJN: AU0372), BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate; HR 5 oktober 2007 (LJN: BB3321), BJ 2007/44 m.nt. W. Dijkers.

12 Cassatierekest blz. 5.

13 Zie onder meer: J. Legemaate, Vrijheidsbeneming in het geval van (ernstige) overlast t.g.v. gezondheidsproblemen, NJCM-bulletin 2002/7, blz. 849 - 863; D. van Toor en W. Duijst, De last van overlast, NJB 2008, blz. 1344 - 1348; H.L. Kaal e.a., Een complex probleem. Passende zorg voor verslaafde justitiabelen met co-morbide psychiatrische problematiek en een lichte verstandelijke handicap, WODC 2009 (www.wodc.nl, Cahier 2009/11).

14 Art. 1 lid 1 Wet Bopz spreekt van: het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat.

15 Zie blz. 3 resp. blz. 5.