Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ1468

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
11/05592
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wanprestatie, onrechtmatige daad; onoordeelkundig medisch handelen; waardering deskundigenbericht. Door rechter benoemde deskundigen; partijdeskundige. Motiveringsplicht rechter (HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1303
JWB 2013/247
JA 2013/99
JBPR 2013/42 met annotatie van mw. mr. H.L.G. Wieten
JIN 2013/117 met annotatie van L.F. Dröge
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/05592

mr. Wuisman

Roldatum: 8 februari 2013

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaten: mrs. S. Kousedghi en B.J. van Dorp,

tegen:

1. STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA h.o.d.n. Dr. Horaxio E. Oduber Hospitaal

2. [Verweerder 2]

3. [Verweerder 3],

verweerders in cassatie,

advocaat: mr. N.T. Dempsey.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In de onderhavige, al lang lopende zaak van medische aansprakelijkheid, staan onder meer de volgende, hier kort weergegeven, feiten vast((1)):

(i) Bij de op 17 februari 1993 voortijdig geboren verzoeker tot cassatie (hierna ook [verzoeker] te noemen) heeft zich op 1 juni 1993 een 'apparently life threatening event' ('alte') voorgedaan. Na hem 's nachts omstreeks 1.00 uur nog zonder (waarneembare) problemen te hebben gezien, trof de moeder van [verzoeker] hem 's ochtends tussen 7.00 en 7.30 uur aan op zijn buik liggend, niet ademend en lijkbleek. De moeder is onmiddellijk met [verzoeker] naar het ziekenhuis van verweerster in cassatie sub 1 (hierna: het Hospitaal) gegaan. Na aankomst aldaar omstreeks 7.40 uur is aan [verzoeker] zuurstof toegediend, waarna zijn toestand even stabiliseerde. Omstreeks 9.00 uur deed zich bij [verzoeker] echter weer een met zuurstofgebrek gepaard gaand incident voor. Later op de ochtend is hij van de kinderafdeling naar de afdeling intensive care overgebracht.

(ii) Vanaf 4 juni 1993 is [verzoeker] behandeld door verweerder in cassatie sub 3 (kinderarts; hierna: [verweerder 3]).

(iii) Vanaf 3 juni 1993 heeft zich bij hem een stridor ontwikkeld die tot respiratoire insufficiëntie leidde. In de periode 3 juni tot en met 15 juni 1993 en ook vanaf 14 juli 1993 heeft periodiek toediening van zuurstof plaatsgevonden.

(iv) Op 14 juni 1993 is verweerder in cassatie sub 2 (KNO-arts; hierna: [verweerder 2]) in consult geroepen, die een inwendig onderzoek van het strottenhoofd heeft uitgevoerd.

(v) Op 26 althans eind juni 1993 is een schedelechografie gemaakt, die niet op beeld is vastgelegd maar waarvan wel een op 29 juni 1993 gedateerd verslag is opgemaakt.

(vi) Vanaf 29 juni 1993 zijn 'intrekkingen' geconstateerd en daarna zijn periodes van zeer hoge of zeer lage hartslag, blauwachtige verkleuring van de huid dan wel zeer wit zien en neusvleugelen gezien.

(vii) Op 19 juli 1993 is [verzoeker] naar het Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam overgebracht. Bij opname is bij hem een lichte cerebrale functiestoornis vastgesteld. Vanaf 1 augustus 1993 heeft zich ook daar een toenemende inspiratoire stridor ontwikkeld. Bij een bronchoscopisch onderzoek op 4 augustus 1993 is een circulaire stenose ontdekt. Er heeft toen een spoed-tracheotomie plaatsgevonden. Op 6 augustus 1993 is een CT-scan uitgevoerd. [Verzoeker] is tot 30 november 1993 in het Sophia Ziekenhuis gebleven.

(viii) [Verzoeker] is wegens opgelopen ernstige hersenbeschadiging geestelijk en lichamelijk ernstig gehandicapt. Hij verblijft in een aangepaste woonomgeving.

1.2 De ouders van [verzoeker], optredende als zijn wettelijke vertegenwoordigers, zijn op 5 maart 2003 een procedure tegen de drie verweerders in cassatie gestart bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het GEA). Zij hebben gevorderd dat voor recht wordt verklaard (a) dat verweerders in cassatie wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad jegens [verzoeker] hebben gepleegd door - kort gezegd - hem na de opname in het Hospitaal en vooral in de periode na 29 juni 1993 gebrekkig en oordeelkundig te behandelen, en (b) dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [verzoeker] geleden en nog te lijden, in een schadestaatprocedure vast te stellen schade.

1.3 Verweerders in cassatie hebben de vordering bestreden. Zij betwisten dat er sprake is geweest van een gebrekkige en onoordeelkundige behandeling in het Hospitaal en bovendien dat er een causaal verband bestaat tussen de verleende behandeling en de bij [verzoeker] opgetreden ernstige hersenbeschadiging. Die is volgens hen toe te schrijven aan de voorvallen die [verzoeker] op 1 juni 1993 hebben getroffen.

1.4 Bij tussenvonnis van 20 april 2005 benoemt het GEA drie deskundigen, aan wie onder meer de volgende twee vragen ter beantwoording worden voorgelegd:

1. Is de huidige hersenschade van [verzoeker] mede veroorzaakt (a) door de 'alte' die op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden, dan wel (b) door zuurstoftekort in de periode die is gelegen tussen 1 juni 1993 en 19 juli 1993, dan wel (c) door zuurstoftekort dat is opgetreden na opname in het Sophia Ziekenhuis in Rotterdam op en na 19 juli 1993? Waarop baseert u uw antwoord?

2. Zo ja, in welke mate is de huidige hersenschade (mede) door een van de onder (1) sub (a), (b) of (c) genoemde situaties ontstaan?

1.5 De beantwoording van deze vragen in het op 14 februari 2007 door de rechtbank ontvangen deskundigenrapport van 2 februari 2007 vat het GEA in rov. 2.3 van zijn eindvonnis van 2 april 2008 aldus samen:

"De beoordeling door de deskundigen van het causaal verband luidt, samengevat, (antwoord vragen 1 en 2) dat een groot deel van de hersenbeschadiging bij [verzoeker] te wijten is aan de ALTE op 1 juni 1993 's ochtends vroeg tot het moment van zuurstoftoediening op de Eerste Hulp en dat vervolgens het op diezelfde dag om 9.00 plaatsgevonden incident op de kinderafdeling, lijkend op dat van thuis, een tweede ernstig beschadigende moment is geweest. Er is nadien, hoogstwaarschijnlijk vanwege gebeurtenissen van 10 juli tot 14 juli 1993, sprake geweest van additionele hersenschade. Er is geen aanwijzing dat nog sprake is geweest van toegevoegde hersenschade op of na 19 juli 1993 in het Sophia Ziekenhuis te Rotterdam. De deskundigen schatten dat 80-90% van de hersenschade in de situatie op 1 juni 1993 is ontstaan, 10 tot 20% in de situatie tussen 10 juli tot 14 juli 1993 en 0% vanaf 19 juli 1993. Hieraan voegen de deskundigen toe dat 80-90% gelet op de aard van de schade een klinisch ernstige toestand betreft en dat 10-20% aan de morbiditeit een weinig relevante verergering toevoegt."

Het deskundigenbericht, ook voor wat betreft het hiervoor weergegeven antwoord op de twee vragen, is door de ouders van [verzoeker] bestreden in hun conclusie na deskundigenbericht van 16 mei 2007. Zij stellen zich op het standpunt dat de gehele, althans nagenoeg gehele hersenschade veroorzaakt moet zijn in de periode na 21 juni 1993 en met name in de periode tussen 10 en 14 juli 1993.((2)) Het GEA neemt echter de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundigen inzake het causaal verband over en vindt daarin al aanleiding de tegen verweerders in cassatie ingestelde vordering af te wijzen.

1.6 De ouders van [verzoeker] stellen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het GHvJ) en voeren in een aparte memorie van grieven 22 grieven aan.

1.7 Eerst laat het GHvJ zich naar aanleiding van daarop gerichte grieven door een deskundige voorlichten omtrent de vraag of het medisch dossier van [verzoeker], dat tijdens zijn verblijf in het Hospitaal is opgebouwd, aan de daaraan te stellen maatstaven voldoet. In zijn eindarrest van 20 september 2011 komt het GHvJ op basis van het uitgebrachte deskundigenbericht tot de conclusie, dat er geen sprake is van een zodanige onvoldoende informatieverschaffing en/of incompleetheid van het medisch dossier van [verzoeker] dat daaraan in het kader van de bewijslastverdeling gevolgen moeten worden verbonden en dat bijgevolg de grieven 1 t/m 8 en 15 falen. Na beoordeling en verwerping van ook de overige grieven beslist het GHvJ tot bevestiging van de bestreden vonnissen van het GEA.

1.8 [Verzoeker], die tijdens de procedure in appel meerderjarig is geworden, heeft zelf met een op 20 december 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig tegen het eindvonnis van het GHvJ cassatieberoep ingesteld.((3)) Alleen het Hospitaal en Cabenda hebben een verweerschrift ingediend. De verschenen partijen hebben hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten. Daarna heeft [verzoeker] nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Op blz. 9 t/m 13 van het verzoekschrift worden over zeven onderdelen verdeeld klachten aangevoerd. Die klachten worden eerst op blz. 5 t/m 9 van het verzoekschrift tot cassatie ingeleid. Die inleiding komt neer op een schets van hoe de slotsom van de deskundigen dat de hersenschade voor 80-90% of meer moet zijn veroorzaakt op 1 juni 1993, door de ouders op twee punten is bestreden met een beroep op antwoorden, die [betrokkene 1], kinderneuroloog, in een brief van hem van 15 mei 2007 (productie 8 bij de conclusie na deskundigenbericht van 16 mei 2007) op hem gestelde vragen heeft gegeven. Voor zover de slotsom van de deskundigen is gebaseerd op een beoordeling van het verslag van de eind juni 1993 uitgevoerde schedelechografie, heeft [betrokkene 1] op een daarop betrekking hebbende vraag onder meer geantwoord: "Wanneer het incident dat deze schade (geheel of voor het overgrote deel) veroorzaakt heeft, op 1 juni 1993 zou hebben plaatsgevonden, dan is het onmogelijk dat op de echo van eind juni 1993 geen uitgebreidere afwijkingen gezien zijn dan in het verslag van 29 juni 1993 zijn beschreven. Men zou op een echo eind juni 1993 dan afwijkingen aan het hersenweefsel (naast de ventrikeldilatie) hebben moeten zien." Voor zover de deskundigen het kijkgedrag van [verzoeker] direct na 1 juni 1993, dat volgens de ouders toen nog normaal was, verklaren als subcorticale reacties((4)), heeft [betrokkene 1] naar aanleiding van een daarop gerichte vraag geantwoord: "De stelling uit het deskundigenrapport van 2 februari 2007 dat subcorticale visuele reacties het kijkgedrag van [verzoeker] na de ALTE kunnen verklaren, is een hypothetische bewering waar geen wetenschappelijk bewijs voor bestaat. Als [verzoeker] op 1 juni 1993 hersenbeschadiging heeft opgelopen is het zeer onwaarschijnlijk dat een corticale blindheid als gevolg daarvan zich pas op 11 juli 1993 of later presenteert. Het ontstaan van hersenbeschadiging in het gebied van de schorsvelden die met het zien belast zijn, wordt direct gevolgd door corticale blindheid."

Onderdeel I.1

2.2 In onderdeel I.1 wordt de afdoening van grief 8 in rov. 2.11.3 bestreden. Door die grief te betrekken op de vraag of er door verweerders in cassatie voldoende medische informatie is verschaft, geeft het GHvJ een onbegrijpelijke uitleg van die grief. Die grief, zo wordt gesteld, richt zich tegen het oordeel van het GEA in rov. 2.5 uit het vonnis van 2 april 2008 dat hetgeen de ouders aanvoeren tegen de conclusie van de deskundigen dat de grootste hersenschade op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden, tekortschiet, want berust niet op een (deskundige) andere uitleg van de door de deskundigen aan hun conclusie ten grondslag gelegde 'harde' gegevens maar voornamelijk op een herschikking van de klinische gegevens.

2.3 De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag - en faalt derhalve in zoverre ook - dat, zoals uit lezing van de toelichting op grief 8 blijkt, dat daar ook wordt aangevoerd dat betwisting van de door de deskundigen gebezigde 'harde' gegevens niet mogelijk was omdat van de zijde van verweerders in cassatie geen inzage in een aantal 'harde' gegevens is verstrekt.

2.4 Lezing van de toelichting op grief 8 maakt evenwel ook duidelijk dat de ouders van [verzoeker] ter bestrijding van de interpretatie door de deskundigen van de schedelechografie van eind juni 1993, op welke interpretatie de door de deskundigen getrokken conclusie inzake het ontstaan van de hersenschade per 1 juni 1993 mede berust, een beroep hebben gedaan op de uitlating van [betrokkene 1] in zijn brief van 15 mei 1993 omtrent genoemde schedelechografie dat, indien de beschadiging van de hersenen van [verzoeker] geheel of grotendeels op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden, het onmogelijk is dat op de echo van eind juni 1993 geen uitgebreidere afwijkingen zijn gezien dan in het verslag van 29 juni 1993 zijn beschreven. In het kader van grief 8 wordt aan dit punt door het GHvJ geen aandacht geschonken. Voor zover dat stoelt op een uitleg van grief 8, is die uitleg inderdaad niet begrijpelijk.

2.4.1 De onbegrijpelijke uitleg van grief 8 leidt echter wegens ontbreken van belang daarbij niet tot vernietiging van het vonnis van het GHvJ. Op de antwoorden van [betrokkene 1] in zijn brief van 15 mei 2007 wordt ter bestrijding van rov. 2.5 uit het eindvonnis van het GEA van 2 april 2008 een beroep gedaan in het verband van grief 9((5)) en grief 12((6)). Aan deze grieven schenkt het GHvJ aandacht in de rov. 2.12.1 t/m 2.12.11 respectievelijk 2.15. De onbegrijpelijke uitleg van grief 8 leidt derhalve toch niet tot een voorbijgaan door het GHvJ aan het feit dat door de ouders is bestreden het oordeel van het GEA in genoemde rov. 2.5 omtrent (de onderbouwing van) de slotsom van de deskundigen dat de hersenbeschadiging van [verzoeker] geheel althans grotendeels op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden.

Onderdelen I.2 t/m I.5

2.5 De klachten in de onderdelen I.2 t/m I.5 komen hierop neer dat het GHvJ in de rov. 2.12.6, 2.16 en 2.17 van zijn eindvonnis of elders in dat vonnis niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft gerespondeerd op die stellingen van de ouders, die stoelen op antwoorden van [betrokkene 1] in zijn brief van 15 mei 2007 en inhouden een bestrijding van de conclusie dat de bij [verzoeker] aanwezige hersenbeschadiging geheel althans grotendeels op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden en van het overnemen door het GHvJ van die conclusie.

2.6 Omtrent het motiveren door de rechter van het overnemen van een door deskundigen bereikte conclusie overweegt de Hoge Raad in rov. 3.4.5 van zijn arrest X v. Flevoziekenhuis van 9 december 2011((7)):

"Vooropgesteld moet worden dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Ingeval partijen, door zich te beroepen op de uiteenlopende zienswijzen van de door haar geraadpleegde deskundigen, voldoende gemotiveerde standpunten hebben ingenomen en voldoende duidelijk hebben aangegeven waarom zij het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige al dan niet aanvaardbaar achten, geldt het volgende. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van deze deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Volgt de rechter echter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen en dient hij zijn oordeel dan ook van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (zie voor een en ander HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74; HR 19 oktober 2007, LJN BB5172 en HR 8 juli 2011, LJN BQ3519)". (onderstreping toegevoegd).

2.7 In rov. 2.12.6 gaat het hof met zoveel woorden in op de stelling van de ouders dat zij tot 11 juli 1993 goed oogcontact met [verzoeker] hebben gehad. Verder ligt in de bespreking van grief 12 in rov. 2.15 besloten, dat het hof de stelling van de ouders in de toelichting op grief 12 onder ogen heeft gezien dat de uitslag van de schedelechografie van 29 juni 1993 aanvullend bewijs oplevert dat de hersenschade na 29 juni 1993 is ontstaan, want er zijn in deze schedelechografie geen afwijkingen aan het hersenweefsel gezien. Een en ander betekent dat de klachten in de onderdelen I.1 t/m I.5 feitelijke grondslag missen, voor zover zij inhouden dat het GHvJ niet heeft gerespondeerd op die stellingen van de ouders, die inhouden een op de antwoorden van [betrokkene 1] in zijn brief van 15 mei 2007 stoelende bestrijding van de conclusie dat de bij [verzoeker] aanwezige hersenbeschadiging geheel althans grotendeels op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden.

2.8 Maar heeft het hof ook voldoende gemotiveerd op die stellingen gerespondeerd?

2.8.1 Wat betreft de stellingen van de ouders inzake het kijkgedrag van [verzoeker] direct na 1 juni 1993, zij houden - mede gelet op het antwoord van [betrokkene 1] ter zake - in (a) dat het blijven vertonen door [verzoeker] van visuele reacties na 1 juni 1993 niet valt te verklaren, zoals de deskundigen doen en in navolging van hen ook het hof, uit subcorticale visuele reacties, aangezien dergelijke visuele reacties bij de mens nimmer zijn aangetoond, en (b) dat derhalve het blijven vertonen door [verzoeker] van visuele reacties aantoont dat er op 1 juni 1993 nog geen hersenbeschadiging is opgetreden. In rov. 2.12.6 merkt het hof op: "De GEA-deskundigen hebben in hun rapport over dit oogcontact bij Vraag 1(b) onder 2. onder meer opgemerkt: "Het argument dat [verzoeker] in de periode tot 10 juli wel keek en volgde (indien dat inderdaad het geval was), pleit dus geenszins voor de aanwezigheid van hersenschade'. Het Hof begrijpt hieruit dat het antwoord op de vraag tot wanneer er al dan niet oogcontact is geweest, van onvoldoende belang is bij de onderhavige problematiek." Hiermee ontkracht het GHvJ niet ten volle de zojuist genoemde stellingen van de ouders. Het GHvJ gaat nl. niet in op de door hen opgeworpen vraag of het door de ouders waargenomen kijkgedrag van [verzoeker] direct na 1 juni 1993 wel te verklaren valt uit subcorticale visuele reacties. In dat type visuele reactie zoeken de deskundigen de verklaring voor het waargenomen kijkgedrag van [verzoeker] en tevens de weerlegging van het door de ouders ingenomen standpunt dat uit het door [verzoeker] vertoonde kijkgedrag volgt dat van een ernstige hersenbeschadiging reeds op 1 juni 1993 geen sprake is geweest. Dit betekent dat het hof in rov. 2.12.6 op zichzelf niet een adequaat weerwoord geeft op de stellingen van de ouders van [verzoeker] omtrent diens kijkgedrag direct na 1 juni 1993.

2.8.2 Toch kan, naar het voorkomt, niet reeds op basis van het zojuist vermelde, niet adequate weerwoord van het GHvJ worden geconcludeerd dat het overnemen van de conclusie van de deskundigen dat reeds de twee incidenten op 1 juni 1993 voor 80-90% tot de bij [verzoeker] vastgestelde hersenbeschadiging hebben geleid, stoelt op een onvoldoende motivering. De deskundigen stoelen deze conclusie immers al op andere omstandigheden, van welke andere omstandigheden de deskundigen op blz. 4, bovenaan, van hun bericht een samenvatting geven. Wat de deskundigen daarna nog opmerken over de stellingen van de ouders van [verzoeker] over het door hen waargenomen kijkgedrag van [verzoeker] direct na 1 juni 1993, draagt meer het karakter van een beschouwing die enkel nog volledigheidshalve wordt gegeven. Daarbij doen zij bovendien blijken van hun twijfel of van het gestelde, door de ouders waargenomen kijkgedrag van [verzoeker] direct na 1 juni 1993 wel kan worden uitgegaan. Zo merken zij in hun bericht op: "Van goed oogcontact met [verzoeker] in de eerste 24 u wordt nergens gesproken" (blz. 4, onder 1, tweede alinea) en "Er heeft ook geen formeel visueel onderzoek plaatsgevonden" (blz. 5, bovenaan).

2.9 Eén van de omstandigheden waarop de deskundigen hun conclusie baseren, is hun interpretatie van de schedelechografie van eind juni 1993. De hierop betrekking hebbende stellingen van de ouders houden in (a) dat, indien reeds op 1 juni 1993 een ernstige beschadiging van de hersenen zou hebben plaatsgevonden, het dan onmogelijk is dat op de echo van eind juni 1993 geen uitgebreidere afwijkingen zijn gezien dan in het verslag van 29 juni 1993 beschreven, en (b) dat het ontbreken van die uitgebreidere afwijkingen erop wijst dat er van een op 1 juni 1993 plaatsgevonden hebbend ernstige hersenbeschadiging geen sprake is geweest.

2.9.1 Ook op de inhoud van deze stellingen van de ouders gaat het GHvJ niet expliciet in. Dat levert, zo schijnt het toe, echter geen tekort aan motivering op. Lezing van het antwoord van de deskundigen op blz. 2 en 3 van hun bericht op vraag 1(a) maakt duidelijk dat de interpretatie van de schedelechografie slechts een omstandigheid uit een hele reeks van omstandigheden is, waarop de deskundigen hun conclusie omtrent het moment van het ontstaan van de ernstige hersenbeschadiging bij [verzoeker] baseren. Er bestaat een samenhang tussen die omstandigheden in die zin dat, nadat de deskundigen alle omstandigheden in onderlinge samenhang en verband hebben bezien, zij te samen hen tot de conclusie voeren dat de geconstateerde ernstige hersenbeschadiging bij [verzoeker] voor 80-90% reeds op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden. De genoemde stellingen van de ouders van [verzoeker] met betrekking tot de interpretatie van de schedelechografie houden niet in of maken in ieder geval niet duidelijk dat de deskundigen tot hun conclusie niet op de zojuist vermelde voet hebben kunnen komen. Bij deze stand van zaken bestond er voor het GHvJ geen aanleiding om expliciet nader op genoemde stellingen van de ouders van [verzoeker] in te gaan. Het GHvJ kon volstaan met het zich zonder nadere toelichting scharen achter de door de deskundigen op basis van een geheel van omstandigheden bereikte conclusie.

2.10 Het hiervoor onder 2.6 t/m 2.9.1 gestelde voert tot de slotsom dat de onderdelen I.2 t/m I. 5 geen doel treffen.

Onderdeel I.6

2.11 Onderdeel I.6 bevat een klacht die betrekking op de kwestie van het door de ouders direct na 1 juni 1993 nog waargenomen kijkgedrag van [verzoeker]. Zoals hierboven onder 2.8.1 uiteengezet, is dat een kwestie waaraan geen betekenis valt toe te kennen voor de door de deskundigen getrokken en door het GHvJ overgenomen conclusie, dat de bij [verzoeker] aanwezige ernstige hersenbeschadiging al voor 80-90% op 1 juni 1993 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de klacht in onderdeel I.6 ook wegens gemis aan belang geen doel treft.

Onderdeel I.7

2.12 Nu in onderdeel I.7 uitsluitend op de voorgaande onderdelen wordt voortgebouwd en die onderdelen geen doel treffen, geldt hetzelfde voor onderdeel I.7.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie voor deze feiten met name het vonnis d.d. 25 augustus 2004, onder 2, van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.

2. Zie bijvoorbeeld de beschouwingen sub 113 t/m 124 over de oorzaken van de hersenschade en in verband hiermee ook de beschouwingen sub 70 t/m 88 over het kijkgedrag van [verzoeker] na 1 juni 1993.

3. De geestelijke toestand van [verzoeker] waarvan uit de stukken blijkt, doet de vraag rijzen of [verzoeker] wel zonder een wettelijke vertegenwoordiger in rechte kan optreden.

4. Reacties die niet vanuit de hersenschors zelf maar vanuit een neutraal circuit daaronder worden aangestuurd. Zie het deskundigenrapport van 2 februari 2007, blz. 4, vraag 1 (b), sub 2.

5. Zie met name de eerste drie alinea's van de toelichting op de grief.

6. Zie met name de derde alinea van de toelichting op de grief.

7. HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011, 599.