Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ0291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
12/03008
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1960
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ0291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht. Betwisting en inroeping van staat; art. 1:209-211 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/210

Conclusie

12/03008

Mr. F.F. Langemeijer

25 januari 2013

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

[Verweerder]

In deze familierechtelijke procedure, die volgt op een eerdere doch vergeefse poging tot ontkenning van het vaderschap van de wettige vader van de betrokken verzoeker, gaat het om een betwisting respectievelijk inroeping van staat.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in de bestreden beschikking onder 1 - 5. Deze houden het volgende in:

1.1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) is op [geboortedatum] 1950 te Curaçao geboren, staande het huwelijk van [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

1.1.2. In 1990 is [verzoeker] ermee bekend geworden dat vermoedelijk niet [betrokkene 2], maar [betrokkene 1] zijn biologische vader was. [Betrokkene 1] is op 1 oktober 2003 overleden.

1.1.3. In het rapport van een DNA-onderzoek in het Leids Universitair Medisch Centrum d.d. 5 januari 2006 is geconcludeerd dat [verzoeker] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het kind is van [betrokkene 1].

1.1.4. [Verzoeker] heeft bij het Gerecht in Eerste Aanleg te Curaçao een verzoek ingediend tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [betrokkene 2]. Het Gerecht heeft bij beschikking van 21 juni 2006 hem in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Bij eindbeschikking van 20 februari 2007 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba de bestreden beschikking bevestigd, waarna [verzoeker] cassatieberoep heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 11 juli 2008 verworpen(1).

1.2. Bij verzoekschrift van 13 maart 2009 heeft [verzoeker], inmiddels naar Nederland verhuisd, aan de rechtbank Zwolle-Lelystad verzocht de betwisting van zijn staat (als zoon van [betrokkene 2]) en de inroeping van zijn staat (als zoon van [betrokkene 1]) gegrond te verklaren. Tevens heeft hij verzocht de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de Nederlandse Antillen te bevelen zijn, [verzoeker]s, geboorteakte dienovereenkomstig te corrigeren. Bij beschikking van 7 oktober 2009 is verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]), de wettige erfgenaam van wijlen [betrokkene 1], aangemerkt als belanghebbende.

1.3. Bij beschikking van 17 juni 2011 heeft de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Bij beschikking van 15 maart 2012 heeft het hof de beschikking van 17 juni 2011 vernietigd en het inleidend verzoek alsnog afgewezen(2). Daarbij heeft het hof het volgende overwogen:

"(...)

De betwisting van staat

14. [Verzoeker] heeft verzocht de betwisting van zijn afstamming volgens zijn geboorteakte als zoon van [betrokkene 2] gegrond te verklaren. Dit verzoek heeft [verzoeker] gebaseerd op artikel 1:209 BW, welk artikel bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Het hof stelt voorop dat een drietal niveaus van persoonlijke staat van elkaar moeten worden onderscheiden.

De persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet

15. Het eerste niveau is de persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet. Tussen partijen is niet in geschil dat de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens de wet 'zoon van [betrokkene 2]'. is, nu [verzoeker] staande het huwelijk van zijn moeder en [betrokkene 2] is geboren. De persoonlijke staat volgens de wet kan slechts veranderen door een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Hiertoe staan [verzoeker] evenwel na de onherroepelijke beschikking van de Hoge Raad van 11 juli 2008 geen rechtsmiddelen meer ter beschikking. Zijn persoonlijke staat volgens de wet staat dan ook vast.

De persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte

16. De persoonlijke staat die volgt uit de wet wordt vastgelegd in een akte. Met de akte van geboorte kan de staat volgens de wet worden bewezen. Blijkens de in eerste aanleg overgelegde geboorteakte is de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens zijn geboorteakte eveneens die van zoon van [betrokkene 2] De persoonlijke staat van [verzoeker] volgens zijn geboorteakte stemt derhalve overeen met de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens de wet. Dat de akte overigens onjuist is, is gesteld noch gebleken. De stelling van [verzoeker] dat de vermelding van [betrokkene 2] als vader van [verzoeker] in de geboorteakte vals is passeert het hof, nu de ten tijde van de geboorte van [verzoeker] geldende vaderschapsregel immers met zich meebracht dat [betrokkene 2] werd aangemerkt als de juridische vader van [verzoeker] en als zodanig in de geboorteakte diende te worden vermeld.

De persoonlijke staat die men bezit

17. Bij het ontbreken van een persoonlijke staat volgens de wet, dan wel een discrepantie tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte, bezit men ook een staat. Bezit van staat kan worden afgeleid uit de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt en die er naar zijn uiterlijke vorm op duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking tot iemand staat (HR 7 november 2003, NJ 2004, 98, m.nt. SW).

De beoordeling

18. Naar het oordeel van het hof kan van een betwisting van staat als bedoeld in artikel 1:209 BW in casu geen sprake zijn. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de staat van [verzoeker] zowel volgens de wet als volgens zijn geboorteakte die van 'zoon van [betrokkene 2]' is. Slechts indien er een discrepantie zou bestaan tussen de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens de wet en de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens zijn geboorteakte, kan sprake zijn van een betwisting van staat. Het bezit van staat zou in casu ook uitsluitend in dat geval een rol van betekenis spelen in de beoordeling van het verzoek. Deze systematiek is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met het uitgangspunt dat een kind in beginsel slechts één juridische vader kan hebben.

19. Anders dan [verzoeker] stelt, biedt naar het oordeel van het hof artikel 1:209 BW - naast de procedure voor de ontkenning van het vaderschap van artikel 1:200 BW - aan een kind geen mogelijkheid om zijn persoonlijke staat volgens de wet aan te tasten, gelet op de wetsystematiek en de bedoeling van de wetgever.

20. Op grond van het voorgaande zal het verzoek van [verzoeker] om betwisting van zijn afstamming volgens de geboorteakte gegrond te verklaren worden afgewezen."

Met betrekking tot de inroeping van staat overwoog het hof het volgende:

"21. [Verzoeker] heeft verder verzocht de inroeping van zijn werkelijke staat als zoon van [betrokkene 1] gegrond te verklaren en dit verzoek gebaseerd op artikel 1:211 BW. Het hof stelt voorop dat met het inroepen van staat in artikel 1:211 BW wordt gedoeld op de inroeping van de persoonlijke staat volgens de wet. Nu de persoonlijke staat van [verzoeker] volgens de wet vast staat, zoals overwogen onder rechtsoverweging 15, kan van een inroeping van staat geen sprake zijn. Het hof zal daarom ook [verzoeker]s verzoek om de inroeping van zijn werkelijke staat gegrond te verklaren, afwijzen.

22. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Curaçao te bevelen om zijn geboorteakte te corrigeren.

(...)"

1.5. [Verzoeker] heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Ter inleiding enkele opmerkingen vooraf. De staatprocedure is een procedure waarbij burgerlijke staat van een persoon wordt betwist of wordt ingeroepen (art. 1:209 - 211 BW). Een verzoek tot gegrondverklaring van een inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen, zo volgt uit art. 1:210 BW. Een inroeping of betwisting van staat gaat veelal gepaard met een verzoek tot aanpassing van de registers van de burgerlijke stand, als bedoeld in art. 1:24 e.v. BW(3).

2.2. Het in rov. 15 - 17 door het hof gemaakte onderscheid tussen een drietal niveaus van persoonlijke staat vindt steun bij Saarloos(4). Deze auteur onderscheidt: a) de persoonlijke staat die volgt uit de wet en wordt opgetekend in een geboorteakte; b) de persoonlijke staat die volgt uit de geboorteakte, welke akte tot doel heeft de persoonlijke staat in het maatschappelijk verkeer te kunnen bewijzen; c) de persoonlijke staat die men bezit. Bezit van staat is de uiterlijke vorm van een zekere familiebetrekking, kenbaar uit feiten en omstandigheden die afzonderlijk of in onderling verband de bedoelde verwantschap staven(5). Bij het ontbreken van een geboorteakte kan de afstammingsrelatie zo nodig worden bewezen door middel van bezit van staat(6). Bezit van staat is ook van belang indien de staat volgens de geboorteakte zou worden betwist. De staat van een persoon volgens zijn geboorteakte behoort overeen te stemmen met zijn staat volgens de wet. De geboorteakte kan echter onvolledig of onjuist zijn(7).

2.3. Op grond van art. 1:209 BW kan de afstamming volgens de geboorteakte door een ander dan het kind niet worden betwist indien het kind een staat overeenkomstig deze akte heeft. Het kind zelf kan zijn staat wél betwisten, bijvoorbeeld op grond van de stelling dat een valse geboorteaangifte is gedaan(8). Art. 1:209 BW is niet van toepassing indien de staat volgens de geboorteakte overeenstemt met de staat volgens de wet; een eventueel afwijkend bezit van staat is dan irrelevant(9). De regeling in Boek 1 BW laat onverlet dat verbetering kan worden verzocht van evidente fouten of misslagen in de geboorteakte(10).

2.4. Tegenbewijs tegen de geboorteakte van het kind kan niet de afstamming van de (toenmalige) echtgenoot van de moeder betreffen. Wil men die afstamming aantasten, dan kan dit slechts langs de weg van de ontkenning geschieden(11). Het verzoek tot gegrondverklaring van een inroeping of betwisting van staat mag niet worden verward met een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap: dat laatste verzoek is gericht op verbreking van een (vaststaande) familierechtelijke betrekking. In art. 1:209 resp. in art. 1:211 BW gaat het om een andere vraag: het bewijs van of de betwisting van het bestaan van een familierechtelijke betrekking(12).

2.5. Middel I klaagt onder 1 dat het oordeel in rov. 15 en 19, dat art. 1:209 BW [verzoeker] geen mogelijkheid biedt om zijn staat volgens de wet (als wettige zoon van [betrokkene 2]) aan te tasten, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Met name zou het hof hebben miskend:

- dat de procedure voor ontkenning van het vaderschap en de staatprocedure onafhankelijk van elkaar kunnen worden toegepast,

- dat de staat zoals deze volgens de geboorteakte en de wet luidt, ook kan worden aangetast via een procedure op grond van art. 1:209 BW en

- dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest, aan het niet tijdig voeren van een procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap het rechtsgevolg te verbinden dat een kind zijn afstamming niet langer zou kunnen betwisten en zijn werkelijke staat niet kan inroepen (subonderdeel I.1.4). Dit laatste strookt volgens de toelichting op de klacht niet met de regel van art. 1:210 BW noch met art. 8 EVRM.

2.6. Deze rechtsklacht faalt. Zoals gezegd kan de afstamming van het kind ten opzichte van de (toenmalige) echtgenoot van de moeder uitsluitend worden aangetast via een procedure tot ontkenning van het vaderschap. Het oordeel dat art. 1:209 BW [verzoeker] geen mogelijkheid biedt om zijn staat volgens de wet aan te tasten, is evenmin in strijd met (de gedachte achter) art. 1:210 BW. Het hof heeft met dit oordeel niet miskend dat de procedure voor de ontkenning van het vaderschap en de staatprocedure onafhankelijk van elkaar kunnen worden gevoerd: deze procedures hebben betrekking op verschillende onderwerpen. De niet-tijdig gevoerde procedure tot ontkenning van het vaderschap van [betrokkene 2] heeft tot gevolg dat het voeren van een staatprocedure in dit geval geen zin meer heeft: de staat die [verzoeker] volgens de wet heeft en de staat die hij volgens zijn geboorteakte heeft stemmen overeen; de staat die hij volgens de wet heeft kan niet door de rechter worden gewijzigd. Zoals het hof in rov. 18 overweegt, is er slechts ruimte voor een betwisting van staat indien discrepantie bestaat tussen de staat volgens de wet en de staat volgens de geboorteakte. Dat is op zich niet in strijd met art. 8 EVRM. De vraag of de bij wet beperkte termijn waarbinnen een verzoek tot gegrondverklaring van het vaderschap kan worden ingediend in overeenstemming met art. 8 EVRM is, is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

2.7. De klacht onder I.2 keert zich tegen de overweging dat de geschetste systematiek in overeenstemming is met het uitgangspunt dat een kind in beginsel slechts één juridische vader kan hebben (rov. 18 aan het slot). Volgens de klacht heeft het hof miskend dat de betwisting van staat volgens de geboorteakte niet de procedure tot ontkenning van het vaderschap uitsluit, omdat beide regelingen uiteindelijk tot hetzelfde rechtsgevolg leiden: namelijk de aantasting van het bestaande juridisch vaderschap. De mogelijkheid via een procedure op grond van art. 1:209 BW de staat aan te tasten brengt volgens [verzoeker] niet het uitgangspunt in gevaar dat men slechts één juridische vader kan hebben. Het gestelde onder I.7 vormt een herhaling van deze klacht.

2.8. Het middelonderdeel is voorwaardelijk voorgesteld. De overweging, dat de geschetste systematiek in overeenstemming is met het uitgangspunt dat een kind in beginsel slechts één juridische vader kan hebben, is niet te beschouwen als een grond die het oordeel zelfstandig draagt (naast hetgeen in rov. 18 daaraan voorafgaat). Bij gebrek aan belang bij het bestrijden van een niet-dragende overweging leidt de klacht niet tot cassatie. Overigens geeft de aangevallen overweging niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.9. De klacht onder I.3 keert zich tegen het oordeel in rov. 15 en 19, dat een betwisting van staat in dit geval niet mogelijk is, voor zover het hof hierbij doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het feit dat de termijn voor een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap is verstreken. Volgens het middelonderdeel is dat oordeel in strijd met de wetssystematiek en met de bedoeling van de wetgever, althans onbegrijpelijk in het licht van [verzoeker]s stelling dat in het onderhavige geval de rechtstreeks betrokkenen (de familie [van verzoeker]) uitdrukkelijk geen bezwaar hebben gemaakt tegen de betwisting door [verzoeker] van de afstamming volgens zijn geboorteakte of tegen de eerdere ontkenning van het vaderschap van [betrokkene 2]. Ter toelichting is opgemerkt dat de rechtszekerheid in dit geval niet wordt geschaad en dat het belang van het kind ([verzoeker]) wordt geschaad indien gewicht wordt gehecht aan de (verstreken) termijn voor de ontkenning van het vaderschap.

2.10. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel dat betwisting van staat in dit geval niet mogelijk is, gegrond op de omstandigheid dat de staat van [verzoeker] volgens de wet en de staat van [verzoeker] volgens de geboorteakte dezelfde zijn. Daaruit volgt dat de verlangde betwisting van staat niet mogelijk is. De omstandigheid dat de termijn voor ontkenning van het vaderschap is verstreken, heeft bij dát oordeel geen rol gespeeld.

2.11. De klacht onder I.4 herhaalt de klacht onder I.1, ditmaal ten aanzien van rov. 17 en 18. Daarnaast stelt het middelonderdeel - onder verwijzing naar HR 21 december 2007, NJ 2008/321 en HR 7 september 2003, NJ 2004/98 - dat deze overwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van 'betwisting van staat' in de zin van art. 1:209 e.v. BW en de jurisprudentie. Ter toelichting op deze klacht is (onder I.4.1 - I.4.3) opgemerkt dat - in tegenstelling tot hetgeen het hof overweegt - niet relevant is of de persoonlijke staat volgens de wet ontbreekt dan wel een discrepantie bestaat tussen de staat volgens de geboorteakte en die volgens de wet.

2.12. Ook beschouwd in het licht van de aangehaalde uitspraken, heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat van een succesvolle betwisting van staat slechts sprake kan zijn indien een discrepantie bestaat tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de staat volgens de geboorteakte (rov. 18) en dat aantasting van de afstamming van het kind van de echtgenoot van de moeder hier uitsluitend kan geschieden langs de weg van de procedure voor de ontkenning van het vaderschap (rov. 19). In de uitspraak van 7 september 2003 is toepassing gegeven aan de regel dat de afstamming niet door een derde kan worden betwist indien de staat volgens de geboorteakte overeenstemt met de staat volgens de wet. In de uitspraak van 21 december 2007 (zie rov. 3.6 daarvan) kon het op art. 1:209 BW gebaseerde verzoek niet worden toegewezen omdat niet was gesteld dat de in de geboorteakte vermelde gegevens onjuist waren. De gevolgtrekking die [verzoeker] in dit middelonderdeel maakt vindt daarom geen steun in deze uitspraken.

2.13. De klacht onder I.5 is gericht tegen rov. 17 en 18, voor zover zij inhouden dat [verzoeker] niet de staat van zoon van [betrokkene 1] kan bezitten omdat een persoon uitsluitend een staat kan bezitten indien de persoonlijke staat volgens de wet ontbreekt dan wel discrepantie bestaat tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de staat zoals die uit de geboorteakte volgt. Volgens [verzoeker] heeft het hof alsdan miskend dat men de drie genoemde staten (nl. wet/geboorteakte/bezit) naast elkaar kan hebben.

2.14. Deze klacht mist feitelijke grondslag: het hof heeft niet geoordeeld dat [verzoeker] niet een staat kan bezitten die afwijkt van zijn staat volgens de wet en de staat zoals die volgt uit de geboorteakte. Het oordeel van het hof houdt slechts in dat een dergelijk afwijkend bezit van staat niet kan leiden tot een succesvolle betwisting van staat.

2.15. De klacht onder I.6 is gericht tegen rov. 17 en 18, voor zover het hof de stelling van [verzoeker] dat hij de staat bezit van zoon van [betrokkene 1] inhoudelijk heeft beoordeeld en tot het oordeel is gekomen dat daarvan geen sprake is. Voor dat geval klaagt [verzoeker] dat het hof aan de ter onderbouwing van die stelling door hem aangevoerde concrete omstandigheden zonder motivering is voorbijgegaan, met het gevolg dat het oordeel onbegrijpelijk is. De klacht mist m.i. feitelijke grondslag. Het hof heeft het door [verzoeker] gestelde bezit van staat niet inhoudelijk beoordeeld. In zijn redenering kwam het hof aan dat argument van [verzoeker] niet meer toe.

2.16. Onderdeel I.7 is al besproken. De klacht onder I.8 houdt het volgende in:

"Het oordeel van het hof in rov. 21 inhoudende dat met het inroepen van staat in artikel 1:211 BW wordt gedoeld op de inroeping van staat volgens de wet, zodat het verzoek van [verzoeker] eveneens moet worden afgewezen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van art. 1:211 BW. Uit de wetsystematiek en jurisprudentie waarin Uw Raad een omschrijving heeft gegeven van het begrip "staat" volgt dat dit art. 1:211 BW het verlengstuk is van art. 1:209 BW en de daarin bedoelde 'bezit van staat'. De betwisting van staat ex art. 1:209 BW door het kind gaat immers gepaard met een verzoek tot correctie van de geboorteakte, conform de staat die men bezit. Dit betekent dat een verzoek tot inroeping van staat die men bezit (naast de betwisting van de staat volgens de geboorteakte) ook betrekking heeft op de staat volgens de geboorteakte ná de verzochte correctie. Het hof had het petitum van [verzoeker] dus in de voorafgaande zin moeten uitleggen, zodat zijn oordeel om deze reden tevens zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is."

2.17. Naar de kern genomen komt rov. 21 erop neer dat van een inroeping van staat geen sprake kan zijn wanneer de staat volgens de wet van de betrokken persoon al vast staat. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met [verweerder] begrijp ik de motiveringsklacht van het onderdeel aldus, dat [verzoeker] het hof verwijt dat het niet heeft begrepen dat hij zich wenste te beroepen op 'zijn werkelijke staat' na toewijzing van de door hem verzochte correctie van de geboorteakte. Uitgaande van die lezing van het middelonderdeel, treft ook de motiveringsklacht geen doel: de door [verzoeker] verzochte correctie van de geboorteakte is afgewezen, zodat hij bij de klacht belang mist.

2.18. De veegklacht onder I.9, gericht tegen rov. 20, 22 en 24 en het dictum, mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft hier geen bespreking.

2.19. Middel II is voorgedragen voor zover het hof in rov 14 (en daarop voortbouwende overwegingen) heeft bedoeld dat [verzoeker] zijn verzoek uitsluitend had gebaseerd op zijn bezit van staat als zoon van [betrokkene 1]. Onder II.1 klaagt het middelonderdeel over miskenning van de devolutieve werking van het hoger beroep; onder II.2 over het ongemotiveerd passeren van essentiële stellingen van [verzoeker]. Ter toelichting heeft [verzoeker] gesteld dat het hof na vernietiging van de beschikking van de rechtbank verplicht was om het inleidend verzoek van [verzoeker] opnieuw te behandelen en daarbij acht te slaan op alle gronden waarop het verzoek was gebaseerd. Het verzoek was ook gebaseerd op art. 8 EVRM en het daaruit voortvloeiende recht van [verzoeker] op bescherming van zijn 'private life' en 'family life'.

2.20. Beide klachtonderdelen falen. Het hof heeft de stellingen van [verzoeker] omtrent art. 8 EVRM kennelijk niet opgevat als een zelfstandige grondslag van zijn verzoek. Dat oordeel berust op een aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitleg van de gedingstukken en is in het licht van diezelfde gedingstukken niet onbegrijpelijk. [Verzoeker] heeft zijn stellingen omtrent art. 8 EVRM telkens ingebed in zijn beroep op het bepaalde in de artikelen 1:209 en 1:211 BW. Het bestaan van 'family life' en 'private life' vormde slechts één van de gronden waarop [verzoeker] zijn verzoek tot gegrondverklaring van de betwisting van staat en tot inroeping van zijn 'werkelijke' staat baseerde(13). In de procedure bij het hof heeft [verzoeker] wel gesproken over een schending van art. 8 EVRM, maar in ander verband, namelijk: voor het geval dat zijn verzoek zou worden afgewezen terwijl (naar zijn mening) aan alle wettelijke vereisten voor een betwisting resp. inroeping van staat was voldaan(14). Waar het hof het inleidend verzoek heeft afgewezen op de grond dat niet aan de vereisten voor betwisting van de afstamming of voor het inroepen van staat is voldaan, behoefde het hof op die vraag niet nader in te gaan. Hieruit volgt dat het hof niet de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, noch (voor toe- of afwijzing essentiële) stellingen onbesproken heeft gelaten.

2.21. Voor zover [verzoeker] in de procedure bij het hof wél zou hebben beoogd een zelfstandig beroep op artikel 8 EVRM te doen, en zijn stellingen aldus moeten worden gelezen dat aan deze bepaling het recht kan worden ontleend om de juridische werkelijkheid met de biologische werkelijkheid in overeenstemming te brengen, falen de beide onderdelen bij gebrek aan belang. Niet alleen is de staatprocedure daartoe niet het geëigende instrument, maar bovendien heeft [verzoeker] een mogelijkheid daartoe gehad in de ontkenningsprocedure. Voor zover het hof de stellingen van [verzoeker] al in voornoemde zin had moeten opvatten, zou het hof deze stellingen slechts kunnen verwerpen.

2.22. De klacht onder II.3, gericht tegen de hierop voortbouwende beslissingen in rov. 15 - 24, mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking. Aan het slot van het verweerschrift heeft [verweerder] verzocht om een proceskostenveroordeling in cassatie. De wet biedt hiertoe de mogelijkheid: art. 419 lid 4 in verbinding met art. 429 Rv(15). De veelal overeenkomstig toegepaste regel in art. 237 lid 1 Rv (compensatie van kosten tussen bepaalde familieleden) laat het ter discretie van de rechter(16). Aangezien in dit geding niet zozeer het behoud van de familieband voorop staat - [betrokkene 1] is reeds lang overleden -, maar in het debat vooral de erfrechtelijke gevolgen de aandacht hebben getrokken, is er inderdaad wat voor te zeggen de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de cassatieprocedure te laten dragen. Ook in het cassatieverzoekschrift is die hoofdregel voorop gesteld ("kosten rechtens").

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 HR 11 juli 2008 (LJN: BD0663), NJ 2009/454 m.nt. Th.M. de Boer.

2 Hof Leeuwarden 15 maart 2012 (LJN: BW1960), JPF 2012/94 m.nt. P. Vlaardingerbroek.

3 Vgl. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 751; dezelfde auteur in diens annotatie onder HR 21 december 2007 (LJN: BB5084), NJ 2008/321; P. Vlaardingerbroek, in: Kluwers Personen- en Familierecht, art. 1:209 BW, aant. A; S.F.M. Wortmann, annotatie onder HR 7 november 2003 (LJN: AI0360), NJ 2004/98.

4 K.J. Saarloos, 'Bezit van staat' of het wormvormig aanhangsel van het Nederlandse afstammingsrecht, WPNR 2006/6654, blz. 123-129.

5 Vgl. HR 7 november 2003 (LJN: AI0360), NJ 2004/98 m.nt. S.F.M. Wortmann (bezit van staat is aanwezig indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander). Zie ook: Asser/De Boer 1* 2010, nr. 753.

6 Vgl. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 751;M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2009, nr. 189.

7 Vgl. J. de Boer in diens annotatie onder HR 21 december 2007 (LJN: BB5084), NJ 2008/321.

8 M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2009, nr. 189; P. Vlaardingerbroek, in: Kluwers Personen- en Familierecht, art. 1:209 BW, aant. 1; dezelfde auteur in: Het hedendaagse personen- en familierecht, 2011, blz. 211-212.

9 HR 21 december 2007 (LJN: BB5084), NJ 2008/321 m.nt. J. de Boer, JPF 2008/56, m.nt. P.Vl. Zie verder Asser/De Boer 1* 2010, nr. 752 en K.J. Saarloos, WPNR 2006/6654, reeds aangehaald, blz. 129.

10 HR 7 november 2003 (LJN: AI0360), NJ 2004/98 m.nt. S.F.M. Wortmann.

11 Vgl. de conclusie onder 2.23 voor HR 21 december 2007 (LJN: BB5084), NJ 2008/321, onder verwijzing naar A.A.L. Minkenhof, Over de rechtspositie van het onwettige kind, WPNR 1957/4494, blz. 253-256, Asser/De Ruiter, 1974, Deel I, blz. 78 en afwijkend Ch. Petit, Hoofdtrekken van het Nederlands Familierecht, 1970, blz. 192. Zie voorts: K.J. Saarloos, WPNR 2006/6654, reeds aangehaald, blz. 129.

12 Asser/De Boer 1* 2010, nr. 754, P. Vlaardingerbroek, in: Kluwers Personen- en Familierecht, art. 1:210, aant. 1.

13 Bijvoorbeeld het verzoekschrift in eerste aanleg onder 2.16.

14 Antwoordakte in eerste aanleg d.d. 24 februari 2011 onder 2.15 en 2.22.

15 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 191-192.

16 Vgl. HR 3 juni 1994, NJ 1995/562 m.nt. WMK, rov. 3.4.