Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ0163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
11/02845
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU7549
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ0163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Echtscheiding. Onrechtmatige daad. Vordering tot vernietiging echtscheidingsconvenant. Bedrog? Misbruik van omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/197
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 11/02845

Mr. P. Vlas

Zitting, 25 januari 2013

Conclusie inzake:

[De vrouw]

(hierna: de vrouw(1))

tegen

[De man]

(hierna: de man)

1. In deze zaak waarin partijen onder meer strijden over de vernietigbaarheid van een echtscheidingsconvenant wegens bedrog en misbruik van omstandigheden, klaagt de vrouw in cassatie erover dat het hof de vordering uit onrechtmatige daad heeft verworpen, omdat de vrouw ter zake onvoldoende zou hebben gesteld. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.(2) Partijen waren sinds 27 oktober 1972 gehuwd in gemeenschap van goederen. In 2006 hebben partijen contact gezocht met een advocaat om een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding te doen en voor het opstellen van een echtscheidingsconvenant dat door partijen op 2 november 2006 is ondertekend. Op 6 december 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, die op 21 december 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. In het echtscheidingsconvenant was vermeld dat de koopsompolissen bij partijen genoegzaam bekend waren. De tot het privévermogen van partijen behorende panden aan de [a-straat 1] en een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] (door partijen aangeduid als 'de schuur' en de 'winkel' en hierna gezamenlijk aangeduid als 'de panden') waren niet in het echtscheidingsconvenant vermeld.

4. De vrouw heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd de panden toe te scheiden aan de man en hem te veroordelen tot betaling van de helft van de waarde van de panden aan de vrouw en tot het verstrekken van inzage in de waarde van de tot de gemeenschap behoord hebbende koopsompolissen. Bij vonnis van 11 november 2009 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage alle vorderingen afgewezen.

5. In hoger beroep heeft de vrouw primair gevorderd de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wegens dwaling, misbruik van omstandigheden en/of bedrog te vernietigen en de verdeling alsnog vast te stellen, en subsidiair schadevergoeding, nader op te maken bij staat, in verband met onrechtmatig handelen van de man jegens de vrouw bij de verdeling, en meer subsidiair toewijzing van de in eerste instantie ingestelde vorderingen tot afrekening over de overgeslagen goederen en inzage in de koopsompolissen.

6. Bij arrest van 22 februari 2011 heeft het hof 's-Gravenhage het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof heeft het beroep op vernietiging wegens benadeling bij de verdeling in de zin van art. 3:196 BW verworpen, omdat dit beroep is gedaan buiten de in art. 3:200 BW genoemde termijn en derhalve is verjaard (rov. 4-15). In het kader van de vordering tot vernietiging wegens bedrog en misbruik van omstandigheden is het hof in rov. 16-25 uitvoerig ingegaan op diverse feiten en omstandigheden en heeft het hof geconcludeerd dat van bedrog of misbruik van omstandigheden geen sprake is (rov. 26).

7. Vervolgens is het hof kort ingegaan op het door de vrouw voor het eerst in appel gedane beroep op onrechtmatig handelen van de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw heeft nagelaten te onderbouwen waaruit het onrechtmatig handelen bestaat en welke gevolgen dit heeft gehad, zodat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht en het beroep op onrechtmatige daad dan ook niet slaagt (rov. 28).

8. De vrouw heeft (tijdig) cassatie ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna de man nog een conclusie van dupliek heeft ingediend.

9. Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 28 waarin het hof heeft geoordeeld dat de vrouw heeft nagelaten te onderbouwen waaruit het onrechtmatig handelen bestaat en welke gevolgen dit heeft gehad. Volgens de vrouw getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting over art. 111 lid 2 sub d Rv en dient onder stelplicht te worden verstaan een duidelijke omschrijving van de vordering, met zowel een feitelijke als juridische onderbouwing daarvan. Tevens acht de vrouw het bestreden oordeel in het licht van de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk.(3)

10. De klachten falen. De uitleg van de stukken van partijen in feitelijke instantie is voorbehouden aan de rechter in feitelijke aanleg.(4) De vrouw heeft in de memorie van grieven en ook bij pleidooi geen helder onderscheid gemaakt tussen haar verschillende vorderingen, die alle op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben. In cassatie worden geen klachten aangevoerd tegen rov. 16 t/m 27, waarin het hof het beroep op bedrog en misbruik van omstandigheden heeft verworpen. Bij de beoordeling van dat beroep heeft het hof diverse stellingen van de vrouw als onvoldoende onderbouwd beschouwd en de stellingen van de man als onvoldoende gemotiveerd betwist. In een procedure waarin een beroep wordt gedaan op de vernietigbaarheid van een rechtshandeling, lag het op de weg van de vrouw goed te onderbouwen waarom daarnaast sprake van een onrechtmatige daad zou zijn. In dit licht is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en is van strijd met art. 111 lid 2 sub d Rv geen sprake.

11. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In het bestreden arrest is in de weergave van de naam van de vrouw abusievelijk een fout geslopen. Ik ga uit van de naam zoals deze is vermeld in de cassatiedagvaarding en in het vonnis in eerste aanleg.

2 Zie voor de feiten rov. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2009, waarvan het hof 's-Gravenhage in zijn arrest van 22 februari 2011 is uitgegaan.

3 De vrouw verwijst naar de memorie van grieven, p. 3-5 en naar de pleitnota, p. 2.

4 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 103; Asser, Civiele cassatie, 2011, nr. 4.7.3.4.