Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY8996

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
11/03297
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1081
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8996
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Art. 285 Sr, waarbij de HR herhaalt HR LJN AT3659. Strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/243
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03297

Mr. Machielse

Zitting 27 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 11 juli 2011 ter zake van 1. primair "Poging tot moord", 2. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" en 3. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.

2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Onder 2 is ten laste van verdachte bewezenverklaard dat

"hij te Voorhout, op 23 juni 2009, een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III te weten een patroon 9mm, voorhanden heeft gehad."

3.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in dat verdachte op de avond van 23 juni 2009 op de [a-straat 1] te Voorhout [betrokkene 1], zijn ex-echtgenote, in de deuropening van haar woning heeft beschoten. Verdachte belde aan, [betrokkene 1] deed de voordeur open en verdachte haalde meteen een vuurwapen tevoorschijn, dat eruit zag als een pistool, zei dat hij haar en [betrokkene 2], hun dochter, ging vermoorden en schoot (bewijsmiddel 5, de verklaring van getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting van 20 juni 2011). [Betrokkene 1] liep verschillende schampschot- en inschotverwondingen op aan haar armen en in haar rechterborst. Aannemelijk is dat alle letsels zijn toe te schrijven aan één projectiel uit een vuurwapen dat is gefragmenteerd doordat het eerst een metalen horlogeband trof. Bij onderzoek in de woning op de [a-straat 1] te Voorhout is op 26 juni 2009 in de rubberen deurmat voor de voordeur een koperkleurige huls, kaliber 9 millimeter Luger, merk S&B aangetroffen. Dit laatste blijkt uit bewijsmiddel 20, het proces-verbaal technisch sporenonderzoek.

3.4. Volgens de toelichting op het middel volgt uit de bewijsconstructie niet (zonder meer) dat verdachte op 23 juni 2009 een vuurwapen van de categorie III voorhanden heeft gehad, omdat dit alleen is af te leiden uit de verklaring van getuige [betrokkene 1], die niet kan worden gelijkgesteld aan een wapendeskundige.

3.5. Het hof heeft voor het bewijs naast deze verklaring ook gebezigd het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek, inhoudende dat op de plaats delict een huls, kaliber 9 mm Luger, merk S&B is aangetroffen, welk proces-verbaal is opgemaakt door verbalisanten die uit hoofde van hun functie ter zake deskundig geacht moeten worden en wier deskundigheid door de verdediging niet is betwist.

Het hof heeft uit het aantreffen van de huls afgeleid dat verdachte in ieder geval een vuurwapen heeft gebruikt. Een vuurwapen is volgens art. 1, aanhef en onder 3, WWM immers een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Vuurwapens van categorie III zijn vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°. Dat het wapen waarmee is geschoten valt in subcategorie 6 is uitgesloten. Dat er automatisch mee zou kunnen worden gevuurd is onwaarschijnlijk omdat men dan moet denken aan machinepistolen zoals een Uzi. Van een wapen als bedoeld in subcategorie 3 lijkt geen sprake te zijn omdat het slachtoffer het wapen als een pistool heeft herkend.

Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 1] en genoemd proces-verbaal, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte op 23 juni 2009 een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad.

Derhalve faalt het middel.

4.1. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3, voor zover inhoudende dat verdachte [betrokkene 1] met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd, onvoldoende met redenen is omkleed.

4.2. Onder 3 is aan verdachte tenlastegelegd dat

"hij op of omstreeks 23 juni 2009 te Voorhout en/of Leiden, althans in Nederland, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik je moeder eerst doden of jou?" en/of "Jij mag het zeggen: jij of je moeder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

4.3. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

"hij op 23 juni 2009 te Voorhout, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik je moeder eerst doden of jou?" of "Je mag het zeggen: jij of je moeder", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

Dit is gekwalificeerd als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

4.4. De steller van het middel voert het volgende aan. De tekst van de tenlastelegging kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat verdachte een tweetal personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk één van de bedoelde personen, [betrokkene 2], dreigend een aantal woorden toe te voegen. Wordt een zodanig tenlastegelegd feit bewezenverklaard, dan zal uit de bewijsmiddelen moeten kunnen volgen dat degene aan wie de woorden zijn toegevoegd de andere persoon daarvan in kennis heeft gesteld. Toegepast op de onderhavige zaak: uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] op de hoogte is geraakt van de dreigende woorden die verdachte tegen [betrokkene 2] heeft geuit, en dat is niet geval.

Indien het hof de in bewijsmiddel 5 opgenomen verklaring van getuige [betrokkene 1], inhoudende dat toen zij de voordeur voor verdachte opendeed hij een wapen tevoorschijn haalde en zei dat hij haar en [betrokkene 2] ging vermoorden, voor het bewijs van dit feit heeft willen bezigen, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. De tenlastelegging is immers toegesneden op uitlatingen van verdachte tegen [betrokkene 2] en niet op hetgeen verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd, aldus de steller van het middel.

4.5. Voor zover hier van belang, houden de gebezigde bewijsmiddelen het volgende in. [Betrokkene 2] heeft op 23 juni 2009 rond 21.00 uur bij haar moeder, [betrokkene 1], gebeld met haar vader, verdachte. Zij heeft hem in dat gesprek gezegd dat zij zou gaan trouwen met haar vriend. [Betrokkene 2] gaf vervolgens de telefoon aan haar moeder, die aan verdachte vertelde dat de vriend van [betrokkene 2] een Aleviet was. Verdachte ontstak in woede en verbrak de verbinding. Ongeveer tien minuten later belde verdachte terug op de huistelefoon. [Betrokkene 2] nam op en hoorde verdachte schreeuwen: "Wie wil er dood, jij of je moeder?". Ook schreeuwde hij dat hij eraan kwam. Na een half uur werd er aangebeld en hoorden moeder en dochter de stem van verdachte op de intercom. [Betrokkene 1] stuurde [betrokkene 2] uit veiligheid naar de badkamer en zij spraken af dat als er iets zou zijn, [betrokkene 2] op haar mobiele telefoon de politie zou bellen. [Betrokkene 1] deed de voordeur open voor verdachte. Hij schreeuwde tegen [betrokkene 1] dat hij haar en [betrokkene 2] ging vermoorden en loste een schot op haar. Toen [betrokkene 2] de knal van het schot hoorde heeft zij 112 gebeld.

Het hof heeft in het bestreden arrest geen nadere bewijsoverweging aan dit feit gewijd.

4.6. Ik stel voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer is vereist dat de bedreigde (het vreesobject) - al dan niet via een ander aan wie de bedreiging is toegevoegd (het uitingsobject) - daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Het opzet van de dader moet op deze beide elementen zijn gericht. Dat de bedreiging daadwerkelijk ter kennis is gekomen van de bedreigde hoeft niet uitdrukkelijk te worden tenlastegelegd en bewezen, maar het moet wel uit de gebezigde bewijsmiddelen zijn af te leiden.(1)

4.7. De bewezenverklaring van feit 2 impliceert dat het hof heeft aangenomen dat de bedreiging die verdachte telefonisch tegen [betrokkene 2] heeft geuit [betrokkene 1] ter ore is gekomen en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte ook daarop was gericht. Het hof heeft niet vastgesteld, doch kennelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid dat [betrokkene 2] haar moeder heeft verteld welke dreigende woorden haar vader haar door de telefoon had toegeschreeuwd. Ik meen dat het hof dit inderdaad uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Immers, verdachte heeft tijdens het eerste telefoongesprek zowel zijn dochter als zijn ex-vrouw gesproken en hij wist dus dat zij samen thuis waren, tijdens het kort daarop volgende, tweede telefoongesprek (waarin de bedreiging is geuit) waren beide vrouwen in de woning aanwezig en toen verdachte zich kort daarna meldde over de intercom hebben zij samen voorzorgsmaatregelen getroffen. [Betrokkene 2] verstopte zich in de badkamer, voorzien van een telefoon om zo nodig de alarmcentrale 112 te kunnen bellen. Naar mijn oordeel kan hieruit volgen dat zij op dat moment beiden op de hoogte waren van de telefonische bedreiging en naar aanleiding daarvan rekening hielden met een gewelddadig optreden van verdachte. Het feit dat [betrokkene 1] vervolgens wel de voordeur voor verdachte heeft geopend doet hier niet aan af. Het duidt er slechts op dat [betrokkene 1] de (verkeerde) inschatting maakte dat zij niet voor haar leven hoefde te vrezen, terwijl de geuite bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat die vrees niettemin redelijkerwijs kon ontstaan.

Steun voor het voorgaande kan worden gevonden in het in eerste aanleg gewezen vonnis, waarin de rechtbank op pagina 9 de bewezenverklaring van feit 2 mede heeft doen steunen op de verklaring van [betrokkene 1] dat zij van haar dochter heeft vernomen dat verdachte in het telefoongesprek tegen de dochter heeft gezegd: "Jij mag het zeggen: jij of je moeder?".

Derhalve faalt het middel.

5. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, omdat het hof de stukken te laat heeft ingezonden.

Het middel is terecht voorgesteld.(2) Verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep uit hoofde van de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis. Het beroep is op 14 juli 2011 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 7 mei 2012 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Aldus is de door de Hoge Raad op zes maanden gestelde inzendtermijn met bijna vier maanden overschreden. Ambtshalve constateer ik dat op dit moment reeds meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander zal moeten leiden tot een vermindering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf.(3)

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ook het tweede middel faalt naar mijn oordeel. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die aanleiding hoort te geven tot vernietiging van het bestreden arrest.

7. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 17 januari 1984, LJN AC8252; HR 7 juni 2005, LJN AT3659; HR 19 juni 2007, LJN BA3135; HR 10 februari 2009, LJN BG6562; HR 25 januari 2011, NJ 2011/224 en 226 en HR 22 maart 2011, NJ 2011/228, alle m.nt. Keijzer; en HR 22 mei 2012, NJ 2012/501 en 502, beide m.nt. Reijntjes. Zie ook Noyon/Langemeijer & Remmelink, aant. 3 bij art. 285 Sr.

2 In de toelichting op het middel wordt er eveneens terecht op gewezen dat het hof het verkorte arrest eerst op 24 april 2012 heeft aangevuld, hetgeen een overschrijding oplevert van de termijn die daarvoor is gesteld in art. 365a lid 3 Sv, op welke overschrijding de wetgever evenwel (bewust) geen sanctie heeft gesteld.

3 HR 17 juni 2008, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.