Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY8964

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
11/01286
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8964
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/241
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01286

Mr. Aben

Zitting: 27 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 februari 2011 de verdachte wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. S.R. Baetens, advocaat te Veldhoven, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. C.M. Brouwers, advocaat te Horst, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, het preliminaire verweer betreffende de betekening van de inleidende dagvaarding heeft verworpen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De akte van uitreiking gehecht aan de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de rechtbank te Roermond van 23 april 2010 houdt in dat die dagvaarding op 25 maart 2010 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats A] en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 8 april 2010 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, waarbij is voldaan aan de vijf-dagentermijn.(1) Deze akte vermeldt voorts dat op 8 april 2010 een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar voornoemd adres van de verdachte.

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 april 2010 houdt in dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen(2) en dat de rechtbank op vordering van de officier van justitie verstek heeft verleend tegen de verdachte. Vervolgens heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden en is de verdachte bij vonnis van 7 mei 2010 veroordeeld.(3)

(iii) Namens de verdachte heeft mr. E.H.J. Plass, advocaat te Horst, op 19 mei 2010 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 7 mei 2010.

(iv) Zowel de verdachte als diens raadsman (mr. C.M. Brouwers, advocaat te Horst) zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2011 verschenen.

5. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bij wijze van preliminair verweer(4) betoogd dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank, omdat de rechtbank niet aan de beslissing over de hoofdzaak had mogen toekomen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte is niet deugdelijk opgeroepen, althans de dagvaarding, de kennisgeving en de latere brief hebben hem nooit bereikt. De dagvaarding is volgens de akte van uitreiking ook niet in persoon aan hem overhandigd, noch aan een andere persoon op het betreffende adres. De verdachte heeft de betreffende kennisgeving niet ontvangen en daarna is ook niet de juiste procedure gevolgd, nu de griffier de betreffende mededeling niet onverwijld als gewone brief heeft toegezonden naar het adres van de verdachte noch dat heeft aangetekend op de akte van uitreiking. Bovendien kan niet worden aangetoond dat een en ander volgens de regelen der wet is gegaan, dan wel dat een en ander te wijten zou zijn aan de verdachte, aangezien de verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de brief, het afhaalbericht en de latere brief van de griffier heeft ontvangen. Daarnaast blijkt uit de door de raadsman overgelegde stukken dat de buurt waarin de verdachte woont last heeft gehad van een postbode die zijn werk niet goed uitvoert. De post werd op zeer onregelmatige wijze bezorgd, terwijl daarover een klacht is ingediend.

6. Het hof heeft dit verweer op die terechtzitting verworpen en daartoe het volgende overwogen. Het hof gaat uit van de akte, waarop staat dat de dagvaarding op 25 maart 2010 is aangeboden op het adres waar de verdachte woonde, dat aldaar een bericht is achtergelaten waarin is vermeld dat de brief kan worden afgehaald op het postkantoor, dat de dagvaarding volgens de aantekening van de baliemedewerker van het postkantoor na afloop van de wettelijk vastgestelde termijn is teruggezonden naar de afzender en dat de dagvaarding volgens de notitie van een administratief medewerker op 8 april 2010 is betekend aan de griffier en als gewone brief is verzonden naar het adres waar de verdachte woonde. Voorts zijn de documenten die door de verdediging zijn ingebracht onvoldoende om aan te nemen dat het afhaalbericht en de als gewone brief verzonden dagvaarding niet bij de verdachte zijn aangekomen.

7. De inleidende dagvaarding is op de voet van art. 588, derde lid onder c, Sv op 8 april 2010 uitgereikt aan de griffier. Voorts is op die datum een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het GBA-adres van de verdachte ([a-straat 1] in [plaats A]). Uit het GBA-overzicht betreffende de verdachte van 8 april 2010 volgt dat de verdachte ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding niet is gedetineerd en dat hij vanaf 31 oktober 1996 in de GBA staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats A]. Gelet hierop geeft het in de - hiervoor onder 6 weergegeven - overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(5) Ook in het licht van het door de raadsman van de verdachte gevoerde preliminaire verweer was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Het hof heeft dit verweer immers toereikend gemotiveerd verworpen. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden(6) doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. De door de steller van het middel naar voren gebrachte argumenten vormen naar mijn mening geen reden om af te wijken van de wettelijke betekeningsregeling en de uitleg die daaraan door de Hoge Raad in diverse arresten is gegeven.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging om onderzoek te doen naar het alcoholpromillage van het slachtoffer ([...]) ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

10. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Bij schrijven van 4 januari 2011 heeft de raadsman van de verdachte (mr. Brouwers) aan het openbaar ministerie (ressortsparket) verzocht aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) opdracht te geven tot het bepalen van het bloedalcoholgehalte in het achtergehouden bloed van het slachtoffer.(7)

(ii) In reactie op dit verzoek heeft een secretaris namens de advocaat-generaal bij schrijven van 19 januari 2011, gericht aan mr. Brouwers, medegedeeld dat zij dit verzoek afwijst, nu zij een onderzoek van het NFI naar het alcoholgehalte in het bloed van het slachtoffer niet noodzakelijk acht, aangezien uit de jurisprudentie blijkt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld van het slachtoffer de schuld van de verdachte niet opheft.

(iii) Naar aanleiding van deze afwijzing heeft de raadsman bij faxbericht van 27 januari 2011 (ontvangen op 28 januari 2011), gericht aan de secretaris van het ressortsparket, bericht dat hij erop vertrouwt dat alsnog onderzoek wordt gedaan naar het alcoholgehalte in het betreffende bloed, nu dit onderzoek wel noodzakelijk is. Ter onderbouwing heeft de raadsman betoogt dat aangenomen kan worden dat de onvoorzichtigheid van het slachtoffer zo groot is geweest dat de eventuele onvoorzichtigheid van de verdachte te gering is om hem te veroordelen, dat de Hoge Raad niet uitsluit dat de eigen schuld van het slachtoffer de schuld van de verdachte kan wegnemen, dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het slachtoffer gedronken had en dat dit eventueel bevrijdende bewijs in het licht van de waarheidsvinding onderzocht moet worden.

(iv) In reactie op dit faxbericht heeft de secretaris namens de advocaat-generaal bij faxbericht van 31 januari 2011 (ontvangen op 1 februari 2011), gericht aan mr. Brouwers, medegedeeld dat zij geen aanleiding ziet om haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

(v) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte - ter onderbouwing van zijn verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden - verzocht het openbaar ministerie opdracht te geven het afgenomen bloed van het slachtoffer te onderzoeken op alcoholinname.(8) De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het is niet uitgesloten dat het slachtoffer in kennelijke dronkenschap zijn fiets heeft bestuurd, nu uit de verklaring van zijn vriendin blijkt dat hij in ieder geval vijf tot zes flessen bier op had. Indien het slachtoffer beugelflesjes Grolsch (van een halve liter) zou hebben gedronken, betekent dit dat hij in korte tijd zo'n twaalf glazen bier heeft gedronken, zodat op het moment van het ongeluk nog acht tot tien glazen bier invloed hebben uitgeoefend op zijn gedrag. Bovendien zouden andere personen, die op het desbetreffende feestje aanwezig waren, later tegen de moeder van het slachtoffer hebben verklaard dat hij meer drank op had dan de genoemde vijf à zes flesjes bier. Daarnaast sluit de jurisprudentie niet uit dat eigen schuld van het slachtoffer tot het afwezig zijn van alle schuld bij de verdachte kan leiden. Het betreffende onderzoek is noodzakelijk, nu aangenomen kan worden dat de onvoorzichtigheid van het slachtoffer zo groot is geweest dat de eigen eventuele onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om hem te veroordelen. Voorts zijn er voldoende aanwijzingen dat het slachtoffer had gedronken. Ten slotte dient - mede gelet op de positie van het slachtoffer op de weg (links) - dit eventueel bevrijdende bewijs in het licht van de waarheidsvinding onderzocht te worden.(9)

(vi) Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder het hoofd "bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" in reactie op dit verzoek geoordeeld dat het verzoek als niet noodzakelijk wordt afgewezen, nu een dergelijk onderzoek tegen de achtergrond van hetgeen het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen (mede naar aanleiding van het door de raadsman gevoerde verweer) heeft overwogen niet relevant is voor enige te nemen beslissing in de onderhavige zaak.

11. Het bij schrijven van 4 januari 2011 gedane, bij faxbericht van 27 januari 2011 herhaalde en op de terechtzitting in hoger beroep gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om onderzoek te laten verrichten naar het alcoholgehalte in het bloed van het slachtoffer, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(10)

12. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek geoordeeld dat het instellen van een onderzoek naar het alcoholgehalte van het bloed van het slachtoffer niet noodzakelijk is. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel terecht niet.

13. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek enkel aangevoerd dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het slachtoffer had gedronken, dat de jurisprudentie niet uitsluit dat de eigen schuld van het slachtoffer kan leiden tot afwezigheid van schuld bij de verdachte en dat de onvoorzichtigheid van het slachtoffer zo groot is geweest dat de eigen onvoorzichtigheid van de verdachte te gering was om hem te veroordelen.

Voorts is dit verzoek gedaan ter onderbouwing van het door de raadsman - blijkens zijn in hoger beroep overgelegde pleitnota - gevoerde verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden, nu de verdachte geen enkele verkeersovertreding heeft begaan en hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de plotselinge en onverwachte manoeuvre van de fietser (het slachtoffer), die onverlicht aan de linkerzijde van de weg heeft gereden en die wellicht (als gevolg van de alcohol) in een zodanige "kennelijke" staat verkeerde dat een andere weggebruiker met de handelwijze die daaruit wellicht volgde geen rekening hoefde te houden.(11) Het hof heeft dit verweer onder het hoofd "bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" terecht en toereikend gemotiveerd verworpen door te oordelen dat er sprake is geweest van zeer onvoorzichtig gedrag van de verdachte zoals bewezen is verklaard, nu de verdachte zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie en hij niet achter de fietser is gebleven totdat er een mogelijkheid kwam om deze aan de linkerzijde te passeren maar heeft geprobeerd de fietser met onverminderde snelheid aan de rechterzijde te passeren. Het hof heeft daartoe immers het volgende overwogen: De verdachte moet de fiets van het slachtoffer op vijftig meter afstand hebben gezien. De verdachte heeft op enig moment voorafgaande aan de botsing zijn voertuig naar de rechterzijde van de weg gestuurd, terwijl hij dit bewust heeft gedaan om de fietser aan de rechterkant te passeren. Het slachtoffer heeft zijn fiets naar rechts gestuurd op het moment dat hij de hem van achteren naderende auto van de verdachte kennelijk heeft bemerkt. Gelet op de geldende verkeersregels mocht de fietser erop rekenen dat hij links zou worden ingehaald en had de verdachte er rekening mee moeten houden dat de fietser zijn voertuig naar de rechterzijde van de rijbaan zou manoeuvreren.

14. Gelet op hetgeen hiervoor onder 13 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat het verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het alcoholgehalte van het bloed van het slachtoffer als niet noodzakelijk wordt afgewezen nu een dergelijk onderzoek tegen de achtergrond van hetgeen het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft overwogen niet relevant is voor enige te nemen beslissing in de onderhavige zaak, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof immers niet gehouden tot een nadere motivering.(12)

15. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof bij de afwijzing van het verzoek is voorbijgegaan aan het feit dat de fietser een verkeersfout heeft gemaakt door aan de linkerkant van de weg te fietsen en dat het hof heeft verzuimd een eventueel nog grotere verkeersfout van de fietser - te weten dat hij zodanig veel alcohol had genuttigd dat hij onberekenbaar was in het verkeer - te doen onderzoeken, geldt het navolgende. In het algemeen geldt dat het verweer dat de vereiste causaliteit tussen een verwijtbare gedraging van de verdachte en een verkeersongeluk ontbreekt omdat het ongeluk mede zou zijn veroorzaakt door de schuld van de verkeersdeelnemer die daarvan uiteindelijk het slachtoffer is geworden, weinig kans van slagen heeft. Weliswaar kan het aspect van medeschuld een rol spelen bij de hoogte van een eventuele schadevergoeding maar het causale verband wordt niet snel verbroken door onvoorzichtigheid van het slachtoffer of derden.(13) De eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, heft de schuld aan de zijde van de verdachte niet op.(14) Bovendien heeft het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen overwogen dat hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd zijn weerlegging vindt in hetgeen het hof in die overwegingen heeft overwogen, terwijl het hof - zoals hiervoor onder 13 is uiteengezet - het door de raadsman gevoerde verweer (niet kan worden bewezen dat de verdachte onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden) terecht en toereikend gemotiveerd heeft verworpen.

16. Het middel faalt.

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het aan de akte van uitreiking gehechte GBA-overzicht betreffende de verdachte van 8 april 2010 houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en dat hij vanaf 31 oktober 1996 in de GBA staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats A]. Ook bij zijn verhoor door de politie op 15 maart 2009 heeft de verdachte als adres opgegeven [a-straat 1] in [B] (LB). In dit verband kan worden opgemerkt dat [plaats A] een woonkern is van de Nederlands-Limburgse gemeente [B].

2 Uit de inhoud van dit proces-verbaal volgt dat op die terechtzitting evenmin een raadsman van de verdachte is verschenen. Overigens blijkt uit de stukken van het geding niet dat zich in eerste aanleg namens de verdachte een raadsman heeft gesteld dan wel dat aan hem een raadsman is toegevoegd.

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt als adres van de verdachte eveneens [a-straat 1] in [plaats A].

4 Bij schrijven van 1 februari 2011, gericht aan het hof, heeft de raadsman dit verweer reeds aangekondigd. Dit schrijven is blijkens een daarop geplaatste stempel op 2 februari 2011 bij het hof ingekomen.

5 Vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Schalken, rov. 3.15.

6 Volgens de steller van het middel is de postbezorger net zomin beëdigd als de verdachte en is het woord van de verdachte evenveel waard als de stukken van de betekeningsprocedure, terwijl bij twijfel een en ander in het voordeel van de verdachte dient uit te vallen. Voorts zou het maatschappelijk onaanvaardbaar zijn dat de verdachte in de strafprocedure wordt geacht negatief bewijs te leveren van hetgeen hij stelt maar dat het openbaar ministerie geen positief bewijs hoeft te leveren maar slechts opmerkingen hoeft te maken of stukken hoeft te overleggen die de kracht van de tegensprekingen van de verdachte niet overstijgen. De regels ter zake van het betekenen zijn weliswaar gevolgd maar deze procedurele en inhoudelijke vereisten zijn niet geschikt om een effectieve uitoefening van de verdedigingsrechten van de verdachte te waarborgen ex art. 6 EVRM. Ten slotte rust er op het openbaar ministerie een inspanningsverplichting om ervoor te zorgen dat de dagvaarding de verdachte in persoon bereikt, terwijl het openbaar ministerie in dit geval slechts heeft voldaan aan de minimumeisen maar niet kan verzekeren dat alle inspanningen zijn verricht.

7 De raadsman heeft op diezelfde datum een afschrift van dit schrijven verzonden naar de griffie van het hof. Blijkens een daarop geplaatste stempel is dit schrijven op 5 januari 2011 bij het hof ingekomen.

8 Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman, nadat de verdachte over het feit is ondervraagd, reeds aangegeven dat hij het verzoek om onderzoek te laten verrichten naar het alcoholgehalte in het bloed van het slachtoffer handhaaft.

9 Pleitnota in hoger beroep van 2 februari 2011, p. 5-6 (onder 20).

10 Vgl. HR 15 januari 2008, LJN BA7888, NJ 2008/609, m.nt. Mevis, rov. 4.3.

11 Pleitnota in hoger beroep van 2 februari 2011, p. 2-7 (onder 5 t/m 24).

12 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, LJN BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

13 Vgl. HR 11 december 2001, LJN AD5285, NJ 2002/62, rov. 3.4 en HR 2 mei 1989, NJ 1989/719, m.nt. Van Veen, rov. 6.2.

14 Vgl. Van der Hulst in C.P.M. Cleiren & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, aant. 8 bij art. 6 Wegenverkeerswet 1994 onder verwijzing naar hof 's-Hertogenbosch 29 oktober 2003, LJN AN8706, VR 2004/64.