Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY8371

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
12/03523
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4314
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8371
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 lid 1 RO met verwijzing naar LJN BY8365.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/216
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03523

Mr. Vegter

Zitting: 20 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende vijf middelen van cassatie ingekomen.

2. Het derde middel bedoelt kennelijk te klagen dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid omdat daaruit niet zou volgen dat goederen zijn onttrokken aan de boedel.

3. De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 341, aanhef onder a sub 1º, Sr. Die bepaling beoogt onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, te treffen waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden.(2) Goederen kunnen zowel rechtens als feitelijk aan de boedel worden onttrokken.(3)

4. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben doen voorkomen dat in 2003 de koop/verkoop en overdracht van zogenaamde WKK-machines heeft plaatsgevonden - terwijl deze overeenkomst daadwerkelijk in januari 2005 tot stand is gekomen - en dit ook als zodanig in de boekhouding hebben verwerkt. Het middel gaat (schriftuur onderdeel 2.6) ervan uit dat van feitelijke onttrekking van de machines geen sprake kan zijn geweest. Omdat de machines zich bij derden bevonden en dit na de (vermeende) overdracht nog steeds deden, hebben de machines geen verplaatsing ondergaan en is er dus geen sprake van onttrekking aan de boedel, aldus de toelichting op het middel. Daarmee wordt een eis aan onttrekking aan de boedel (te weten feitelijke verplaatsing) gesteld die het recht niet kent. Het middel dat uitgaat van een te beperkte uitleg van (feitelijke) onttrekking aan de boedel, kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

5. Het eerste middel, dat klaagt dat het Hof de preliminaire verweren van de verdachte volledig heeft genegeerd en onbesproken heeft gelaten, mist feitelijke grondslag nu uit de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat dergelijke verweren (tijdig) zijn gevoerd. Het tweede middel, dat klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet-ondertekende geschriften geen geschrift in de zin van art. 225 Sr kunnen zijn en 's Hofs motivering in strijd met de wet is, stelt eisen die het (straf)recht niet kent. Het vierde middel, dat klaagt dat het Hof heeft nagelaten het verweer dat het faillissement niet onvermijdelijk dan wel niet voorzienbaar was te behandelen dan wel zonder nadere motivering heeft verworpen, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het Hof heeft dit verweer onder C.3.1 gemotiveerd verworpen. Het vijfde middel, dat klaagt over de strafmotivering, geeft blijk van een miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de straftoemeting.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak, waarin reeds op 6 november 2012 een - behalve wat betreft het derde middel - gelijkluidend standpunt is bepaald, hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/02392) waarin eveneens heden wordt geconcludeerd.

2 HR 26 februari 2008, LJN BC0813, NJ 2008/148.

3 C.M. Hilverda, Faillissementsfraude, 2009, p. 257.