Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY8365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
12/02392
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4317
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8365
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan de boedel a.b.i. art. 341.a.1° Sr. Het in 341.a.1° Sr bedoelde onttrekken betreft alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden (vgl. HR LJN BC0813).De opvatting (waarop het middel kennelijk berust) dat een bij derden ondergebrachte zaak slechts in die zin buiten het bereik en beheer van de curator wordt gehouden indien deze zaak hetzij feitelijk is verplaatst, hetzij door de in staat van faillissement verklaarde is geleverd i.d.z.v. art. 3:115.c BW aan een ander, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/76
NJB 2013/348
RvdW 2013/209
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02392

Mr. Vegter

Zitting: 20 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingekomen.

2. Het tweede middel klaagt dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Anders dan de steller van het middel wil, voldoet de motivering wel aan de eis der wet, in het bijzonder aan art. 359, zesde lid, Sv. Voor het overige geeft het middel blijk van een miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de straftoemeting. Toepassing van artikel 80a RO ligt voor wat betreft het tweede middel daarmee zonder meer voor de hand. (2)

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou volgen dat goederen zijn onttrokken aan de boedel. Ik leg afdoening met toepassing van artikel 80a RO hier vooral aan de Raad voor om op deze wijze meer duidelijkheid te scheppen over de toepasselijkheid van de genoemde bepaling. Daarom bespreek ik het middel uitvoeriger dan bij toepassing van artikel 80a RO verwacht kan worden. Opmerking verdient dat over de in het middel aangesneden problematiek niet veel jurisprudentie bestaat en dat met inhoudelijke bespreking van het middel dus mogelijk de rechtsontwikkeling is gediend. Daar tegenover staat echter dat het middel berust op een opvatting die eisen stelt die het recht niet kent als bedoeld in rechtsoverweging 2.3.2 van HR 11 september 2012, LJN BX0146.

4. De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 341, aanhef onder a sub 1º, Sr. Die bepaling beoogt onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, te treffen waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden.(3) Goederen kunnen zowel rechtens als feitelijk aan de boedel worden onttrokken.(4)

5. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben doen voorkomen dat in 2003 de koop/verkoop en overdracht van zogenaamde WKK-machines heeft plaatsgevonden - terwijl deze overeenkomst daadwerkelijk in januari 2005 tot stand is gekomen - en dit ook als zodanig in de boekhouding hebben verwerkt. Het middel gaat (schriftuur onderdeel 2.6) ervan uit dat van feitelijke onttrekking van de machines geen sprake kan zijn geweest. Omdat de machines zich bij derden bevonden en dit na de (vermeende) overdracht nog steeds deden, hebben de machines geen verplaatsing ondergaan en is er dus geen sprake van onttrekking aan de boedel, aldus de toelichting op het middel. Daarmee wordt een eis aan onttrekking aan de boedel (te weten feitelijke verplaatsing) gesteld die het recht niet kent. Het middel dat uitgaat van een te beperkte uitleg van (feitelijke) onttrekking aan de boedel, kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak, waarin reeds op 6 november 2012 een aan deze conclusie gelijkluidend standpunt is bepaald, hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/03523) waarin eveneens heden wordt geconcludeerd.

2 Het gaat m.i. namelijk nogal ver om hier (uitvoerig) uiteen te zetten dat en waarom de LOVS-oriëntatiepunten ook zien op faillissementsfraude en voorts dat het Hof het benadelingsbedrag inderdaad op 800.000 euro kon stellen, ook al is dat uiteindelijk niet daadwerkelijk aan de boedel onttrokken. Er is immers wel sprake van een voltooid delict en is het niet aan verdachte te danken dat het geld behouden is gebleven voor schuldeisers.

3 HR 26 februari 2008, LJN BC0813, NJ 2008/148.

4 C.M. Hilverda, Faillissementsfraude, 2009, p. 257.