Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY8329

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
11/02714
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0683
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8329
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR 81 lid 1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/213
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/02714

Mr. Hofstee

Zitting: 20 november 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 8 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, wegens - kort gezegd - een vijftal afpersingen, waarvan twee gepleegd door twee of meer verenigde personen, diefstal, diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen, medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, zaaksvernieling, bedreiging met zware mishandeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/02843P en 11/02714. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens het niet onverwijld vernietigen van geheimhoudergesprekken van verzoeker met een verschoningsgerechtigde, meer specifiek een advocaat, althans dat het Hof onbegrijpelijk dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd dat dit vormverzuim in het vooronderzoek niet de consequentie van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging dient te dragen, zodat het arrest in zoverre niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed. Volgens de steller van het middel zijn de belangen van verzoeker wel degelijk geschaad, omdat de geheimhoudergesprekken zes jaar lang hebben kunnen bestaan en nooit in het Hyacint-dossier terecht zouden zijn gekomen wanneer zij meteen waren vernietigd.

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof op 22 en 25 maart 2011(1) is namens verzoeker - kort samengevat - een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, nu het Openbaar Ministerie in strijd met art. 218 Sv in verbinding met art. 126aa Sv niet onverwijld maar, wat het onderhavige Hyacint-onderzoek betreft, ruim 1,5 jaar later en dus pas na aanvang van het geding in hoger beroep 66 transcripties van opgenomen en uitgeluisterde geheimhoudergesprekken tussen verzoeker en verschoningsgerechtigden heeft doen vernietigen, waarbij komt dat de "Trompet-taps" zes jaar in de desbetreffende dossiers hebben gezeten en nooit in het Hyacint-dossier terecht zouden zijn gekomen wanneer deze taps meteen waren vernietigd.

6. Het Hof heeft dit verweer in het arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Geheimhoudersgesprekken

Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het niet tijdig vernietigen van geheimhoudergesprekken.

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Het dossier in de onderhavige strafzaak wordt aangeduid als de Hyacintzaak. Daarnaast is sprake van de zogenaamde Trompetzaak, waarin ook enkele personen een rol spelen, die in de Hyacintzaak voorkomen, onder wie verdachte. Uit het dossier en het proces-verbaal van [verbalisant 1], teamleider van het onderzoek Hyacint van 8 februari 2011 blijkt dat binnen het onderzoek Hyacint een aantal geselecteerde tapgesprekken uit het Trompetonderzoek is gebruikt. [Verbalisant 1] verklaart in eerdergenoemd proces-verbaal dat dit geen geheimhoudergesprekken betreffen.

Op verzoek van de toenmalige raadsman heeft het hof bij tussenarrest van 2 september 2009 aan het onderhavige dossier de uitgewerkte telefoontaps in de zaak Trompet voor zover betrekking hebbend op gesprekken tussen verdachte en aangevers en gesprekken tussen verdachte en de bij de tenlastelegging 16/7150999-06 betrokken personen laten toevoegen.

De toenmalige raadsman heeft ter zitting van 19 augustus 2009 verzocht een aanvullend proces-verbaal te laten opmaken omtrent de vraag of er in de onderhavige zaak geheimhoudergesprekken zijn of kunnen zijn gebruikt voor de sturing van het onderzoek in de zaak en waarom deze niet tijdig zijn vernietigd. Voorts heeft hij toen verzocht om een scan in de Trompetzaak naar geheimhoudergesprekken.

Bij proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2010 heeft verbalisant [verbalisant 1], zijnde destijds teamleider, aangegeven hoe de opsporing en behandeling van geheimhoudergesprekken alsmede de vernietiging van deze gesprekken verliep binnen het onderzoek in de zaak Hyacint en aangegeven dat de communicatie met geheimhouders niet is gebruikt voor sturing.

In het proces-verbaal van [verbalisant 2] van 30 juni 2009 inzake geheimhoudergesprekken wordt gerelateerd dat de politie Utrecht op 22 september 2008 een onderzoek is gestart naar de aanwezigheid in haar registers van geheimhoudergesprekken, ook wel aangeduid als narooiactie danwel schoningsactie, waarbij werd gezocht op een groot aantal trefwoorden.

In het kader van deze schoningsactie is zoals blijkt uit het proces-verbaal van [verbalisant 3] van 6 januari 2010 onder meer onderzoek gedaan naar de telecommunicatie in de zaak Trompet. Hieruit zijn 61 gesprekken naar voren gekomen die mogelijk betrekking hadden op geheimhouders. Bij de stukken bevindt zich een bevel vernietiging van 1 december 2009 van de officier van justitie, alsmede een proces-verbaal van vernietiging van [verbalisant 4] van de politie Utrecht waaruit blijkt dat deze gesprekken op 20 januari 2010 zijn vernietigd.

Bij de schoningsactie in de zaak Hyacint zijn zoals blijkt uit het proces-verbaal van [verbalisant 5] politie Utrecht op 19 februari 2009, 5 gesprekken naar voren gekomen, waaraan geheimhouders deelnamen.

Voorts bevindt zich bij de stukken een bevel vernietiging van de officier van justitie van 23 februari 2009 en wordt in eerder genoemd proces-verbaal gerelateerd dat de gesprekken ter voldoening van het bevel van de officier van justitie op 25 februari 2009 zijn verwijderd en vernietigd.

Bij proces-verbaal van 8 februari 2011 heeft de officier van justitie mr M.A.J.M. Vuylsteke aangegeven dat hij in navolging van het proces-verbaal van 4 januari 2010 bevestigt dat de opgespoorde geheimhoudergesprekken niet zijn gebruikt voor sturing van het onderzoek. In aanvulling hierop heeft [verbalisant 1], bij proces-verbaal van 8 februari 2011 aangegeven dat de geselecteerde gesprekken uit de Trompetzaak geen geheimhoudergesprekken betreffen. Voor wat betreft de zaak Hyacint heeft hij nader aangegeven welke 5 gesprekken bij de schoningsactie zijn aangetroffen en dat deze gesprekken, als zijnde niet relevante gesprekken niet aan het dossier waren toegevoegd en niet gebruikt zijn voor sturing in het onderzoek.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat zowel in het Hyacintonderzoek als in het Trompetonderzoek in strijd met de wettelijke regelingen is gehandeld door geheimhoudergesprekken op te nemen en deze niet terstond te vernietigen. Op grond hiervan staat vast dat er sprake is geweest van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld. Het hof acht dat een zeer ernstig verzuim.

Voor wat betreft het Trompetonderzoek kan hierbij de kanttekening worden gemaakt dat slechts een (zeer) beperkt deel van de daarin getapte telefoongesprekken is gebezigd in het kader van de onderhavige zaak. Van dat beperkt aantal geselecteerde gesprekken is aangegeven dat dit geen geheimhoudergesprekken betreft. Pas lopende de procedure in hoger beroep is op verzoek van de verdediging een bredere selectie van tapgesprekken aan het dossier toegevoegd, maar daarvan is niet gebleken dat hierbij geheimhoudergesprekken zaten.

Anders dan door de verdediging is bepleit is het hof van oordeel dat het genoemde op zich ernstige verzuim in de onderhavige zaak niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.

Allereerst is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een verzuim waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. De hiervoor geschetste handelwijze van politie en openbaar ministerie kan naar het oordeel van het hof, ondanks de ernst van het geconstateerde verzuim, niet worden aangemerkt als een doelbewuste of grove veronachtzaming van verdachtes belangen. Er is geen reden om aan te nemen dat door of vanwege het openbaar ministerie is aangestuurd op het afluisteren van geheimhouders of dat doelbewust een situatie is geschapen waarin opsporingsambtenaren langer dan is toegestaan kennis konden nemen van de inhoud van communicatie met geheimhouders. De enkele omstandigheid dat de vernietiging soms geruime tijd in beslag heeft genomen maakt dit niet anders. Dit zou anders kunnen zijn wanneer aan deze communicatie ontleende informatie in het opsporingsonderzoek is gebruikt. Hieromtrent is van de zijde van de politie en het openbaar ministerie aangegeven dat dit niet is gebeurd. Aanwijzingen voor het tegendeel heeft het hof niet gevonden.

Ten slotte merkt het hof op dat sprake is geweest van een groot aantal getapte gesprekken. Ook bij een omvangrijk onderzoek mag het niet voorkomen dat geheimhoudergesprekken niet meteen worden vernietigd. Wanneer dat echter door een verzuim achterwege blijft ten aanzien van een (zeer) beperkt aantal geheimhoudersgesprekken betekent dat nog niet dat er sprake is van een grootschalig en stelselmatig inbreuk maken op het verschoningsrecht, en kan dat verzuim dus evenmin de door de verdediging bepleite gevolgtrekking rechtvaardigen.

Voorts merkt het hof op dat het hof de lezing van de raadsman van een aantal passages uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 8 februari 2011 niet onderschrijft.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er evenmin sprake is van een situatie dat het openbaar ministerie dusdanig heeft gehandeld dat daarmee het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt zoals bedoeld in het door de verdediging aangehaalde zogeheten Karman-arrest.

Het hof is daarentegen wel van oordeel dat het vormverzuim dusdanig ernstig is dat het gecompenseerd kan en dient te worden, in geval van bewezenverklaring, door verlaging van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim."

7. Ingevolge het bepaalde in art. 126aa, tweede lid, Sv worden processen-verbaal die mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van art. 218 Sv zou kunnen verschonen, niet in het procesdossier gevoegd en dienen deze stukken in beginsel onverwijld te worden vernietigd.(2) Het verschoningsrecht is een afgeleide van het beroepsgeheim. Onder de verschoningsgerechtigden als bedoeld in art. 218 Sv is onder meer de advocaat in de uitoefening van zijn beroep begrepen. Wat de stukken betreft, gaat het onder meer om de schriftelijke uitwerking (transcriptie) van opgenomen zaaksgerelateerde telefoongesprekken (tapverbalen) tussen de verdachte en diens advocaat. In dat geval prevaleert in beginsel de bescherming van het verschoningsrecht boven de waarheidsvinding.

8. Niet is te voorkomen dat in de rechtspraktijk vertrouwelijke communicatie tussen de verdachte en diens advocaat door middel van de telefoontap wordt opgenomen. Even onvermijdelijk is het dat politie en justitie kennis van de inhoud van die gesprekken nemen. Met dit gegeven houdt de "Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders" rekening. In onderdeel A.5 van deze Instructie valt te lezen dat de officier van justitie beoordeelt of de inhoud van de communicatie mededelingen bevat gedaan aan of door een geheimhouder. Dat de officier van justitie en de politie van de inhoud van geheimhoudergesprekken kennis hebben genomen, wil nog niet zeggen dat deze kennis wordt gebruikt in het verdere opsporingsonderzoek ten aanzien van de verdachte, ook al wordt dan wel in de woorden van Knigge in zijn annotatie onder EHRM 25 maart 1998, LJN AD4192, NJ 2001, 459 een erg zware wissel getrokken op het vermogen van politie en justitie om de geheime gegevens onder de pet te houden.

9. Waarheidsvinding en verschoningsrecht staan in strafzaken op gespannen voet met elkaar. Zo ook met betrekking tot het geheimhoudergesprek, een onderwerp waarover in het licht van het regiem van art. 126aa Sv in verbinding met art. 218 Sv regelmatig discussie wordt gevoerd in de rechtszaal en in de vakliteratuur. Waar vervalt de plicht tot vernietiging en opent zich de mogelijkheid tot voeging? En vooral: wat zit daartussenin? Is er sprake van erosie van het verschoningsrecht? Overtreedt de overheid in haar drang naar misdaadbestrijding haar eigen regels? Hoe de vraag ook wordt geformuleerd, in de beantwoording daarvan is leidraad dat de verdachte en zijn raadsman erop moeten kunnen vertrouwen dat hun onderlinge communicatie over de strafzaak 'veilig' is. Dit individuele belang staat ook in de rechtspraak van de Hoge Raad centraal.(3)

10. Naar de Hoge Raad in diverse arresten heeft uiteengezet, beoogt het in art. 126aa, tweede lid, Sv neergelegde voorschrift het belang te beschermen dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen. Gegevens die vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv en die zijn verkregen door toepassing van art. 126m Sv, dienen onmiddellijk te worden vernietigd, zodat is verzekerd dat deze geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Indien in strijd met het bepaalde in art. 126aa Sv het in het voorbereidend onderzoek opgenomen geheimhoudergesprek dan wel de transcriptie daarvan niet (onverwijld) is vernietigd, levert dit een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv op. Of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, wordt door de rechter beoordeeld. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren, nu immers het rechtsgevolg door deze factoren zal moeten worden gerechtvaardigd.(4) Als een in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg komt de verklaring tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.(5)

11. Laat ik vooropstellen dat het Hof niet heeft geoordeeld dat verzoeker door de gang van zaken met betrekking tot de geheimhoudergesprekken niet in zijn belangen is geschaad. Integendeel. Anders dan de steller van het middel lijkt te suggereren, heeft het Hof in zoveel woorden overwogen dat hier sprake is van een "zeer ernstig verzuim".

12. Vervolgens heeft het Hof met inachtneming van de hier geldende rechtspraak van de Hoge Raad zich afgevraagd welk rechtsgevolg in de zin van art. 359a Sv aan dat verzuim dient te worden verbonden. Zo ver om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, heeft het Hof niet willen gaan. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat, naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld, het niet aannemelijk is geworden dat met de handelwijze van politie en Openbaar Ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak. Niet is het Hof gebleken dat door of vanwege het Openbaar Ministerie is aangestuurd op het afluisteren van geheimhouders of dat doelbewust een situatie is geschapen waarin opsporingsambtenaren langer dan is toegestaan kennis konden nemen van de inhoud van communicatie met geheimhouders. Evenmin is het Hof gebleken dat de informatie die uit deze gesprekken is voortgekomen op enigerlei wijze in het opsporingsonderzoek is gebruikt. Aldus kon het Hof, zoals het heeft gedaan, tot het oordeel komen dat verzoeker ten aanzien van het ondervonden nadeel uit het verzuim voldoende wordt gecompenseerd door middel van strafvermindering, eveneens een in art. 359a (eerste lid aanhef en onder a) Sv omschreven rechtsgevolg.

13. De overweging van het Hof inhoudende dat er geen sprake is van een situatie dat het Openbaar Ministerie dusdanig heeft gehandeld dat daarmee het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals bedoeld in het door de verdediging aangehaalde Karman-arrest, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wijs ik op de zeer uitzonderlijke(6) en met de onderhavige zaak onvergelijkbare casus in het Karman-arrest. Ook in zoverre is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het horen van de Officier van Justitie en de teamleider in het Hyancint-onderzoek niet noodzakelijk was, aangezien de omstandigheden waarover de getuigen dienden te worden gehoord zich in een vergevorderd stadium van het reeds aanhangig zijnde appel hebben geopenbaard en daarbij het noodzakelijkheidcriterium niet zodanig heeft toegepast dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang, althans is dat oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.

16. Uit de stukken van het geding blijkt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende. Op 5 januari 2009 vangt de eerste terechtzitting in hoger beroep aan, gevolgd door een aantal andere terechtzittingen en tussenarresten van het Hof. Eerst in zijn aan het Hof gerichte brief van 31 januari 2011 heeft de raadsman verzocht om het horen van de (zaaks)officier van Justitie over het vernietigen van de geheimhoudergesprekken. In het bijzonder wil de raadsman weten of en hoe lang deze stukken in het dossier hebben gezeten, wat de inhoud van deze stukken is geweest en of aan de hand van deze stukken is 'gestuurd' in het opsporingsonderzoek. In de antwoordbrief van 10 maart 2011 wordt de raadsman meegedeeld dat het Hof het op voorhand niet noodzakelijk acht de zaaksofficier van Justitie als getuige te horen. Aan deze brief is een afschrift gehecht van een op verzoek van het Hof opgemaakt proces-verbaal van de zaaksofficier van Justitie d.d. 8 februari 2011 met betrekking tot de in het verzoek van de raadsman geformuleerde vragen. Dit proces-verbaal houdt in navolging van een eerder opgemaakt proces-verbaal van (teamleider, EH) [verbalisant 1] van 4 januari 2010 de bevestiging in dat: "opgespoorde geheimhoudersgesprekken gedurende het onderzoek volgens door hem beschreven procedure werden gedetecteerd, aan mij (de officier, EH) voorgelegd en vernietigd" en: "De via deze procedure gedetecteerde geheimhoudersgesprekken zijn niet gebruikt voor sturing van het onderzoek". In reactie daarop heeft de raadsman in zijn schrijven van 13 maart 2011 gepersisteerd bij zijn verzoek tot het horen van de zaaksofficier van Justitie (omdat, aldus de raadsman, met het door deze opgemaakte proces-verbaal niet al zijn vragen zijn beantwoord) en daaraan toegevoegd het verzoek om de leider en tactisch coördinator van het opsporingsonderzoek ([verbalisant 1]) als getuige te horen. Blijkens het schrijven van 15 maart 2011 blijft het Hof bij zijn standpunt dat het op voorhand niet noodzakelijk wordt geacht de zaaksofficier van Justitie als getuige te horen. Voorts wordt daarin de raadsman meegedeeld dat hetzelfde vooralsnog geldt voor de leider en tactisch coördinator van het onderzoek.

17. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman op de terechtzitting van 22 en 25 maart 2011 opnieuw het verzoek gedaan de zaaksofficier van Justitie en de tactisch coördinator van het opsporingsonderzoek te horen over de gang van zaken met betrekking tot de geheimhoudergesprekken. Ten aanzien van dit verzoek heeft het Hof in zijn arrest van 8 april 2011 het volgende overwogen:

"Verzoeken van de verdediging

Voorafgaand aan de terechtzitting en herhaald ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht getuigen te horen, te weten de officier van justitie mr M.A.J.M. Vuylsteke en de rechercheur die de leiding over het onderzoek heeft gehad en de tactische beslissingen heeft genomen.

Het hof acht daartoe de noodzaak niet aanwezig, gelet op de reeds in het dossier beschikbare informatie, waaronder het proces-verbaal van mr M.A.J.M. Vuylsteke en de processen-verbaal van de teamleider in het Hyacintonderzoek [verbalisant 1]. Beiden hebben hierin vastgelegd dat er niet aan de hand van geheimhoudergesprekken is gestuurd. Het hof heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat in afwijking van deze uitlatingen, er wel informatie uit geheimhoudergesprekken zou zijn gebruikt ter sturing. De verdediging heeft zich ook niet op het bestaan van dergelijke aanwijzingen beroepen. De enkel niet nader onderbouwde suggestie van de raadsman dat die mogelijkheid zou kunnen bestaan, is daartoe niet toereikend. Het verzoek wordt afgewezen."

18. Met zijn schriftelijke verzoeken tot het horen van de getuigen heeft de raadsman zich weliswaar vóór aanvang van de terechtzitting tot het Hof gericht, maar dat neemt niet weg dat een dergelijk verzoek niet al in de appelschriftuur is gedaan. Dat betekent dat hier het noodzakelijkheidcriterium als bedoeld in art. 418, derde lid, Sv van toepassing is. Aldus heeft het Hof bij de afwijzing van het verzoek de juiste maatstaf gehanteerd.

19. Het is evenwel zo - en de steller van het middel wijst daar terecht op - dat de eis van een eerlijke procesvoering onder bepaalde omstandigheden kan meebrengen dat het noodzakelijkheidcriterium dusdanig wordt opgerekt dat het niet meer wezenlijk verschilt van de ruimer en voor de verdachte gunstiger maatstaf van het zogenoemde 'verdedigingsbelang'. Bijvoorbeeld indien het belang van het horen van een getuige is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur.(7) Corstens wijst in dat verband op het geval dat op het moment dat de appelschriftuur moet worden ingediend het uitgewerkte vonnis van de rechtbank nog niet beschikbaar is en de verdediging niet kon weten "of en in hoeverre de rechtbank op verklaringen van de desbetreffende getuigen leunt".(8)

20. In de onderhavige zaak is kennelijk pas in de loop van de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker in hoger beroep de verdediging gebleken dat in het procesdossier zich een aantal niet-vernietigde geheimhoudergesprekken dan wel transcripties daarvan bevonden. In ieder geval kan het er in cassatie voor worden gehouden dat de raadsman van verzoeker hiervan pas op de hoogte is geraakt - en dus dat het belang van de verdediging bij het horen van de getuigen pas zichtbaar werd - ver nadat de termijn voor het indienen van de appelschriftuur was verstreken. Dat betekent naar het mij voorkomt dat hier zich het geval voordoet dat het noodzakelijkheidcriterium in de bedoelde verruimde zin dient te worden toegepast.

21. Uit de motivering van het oordeel van Hof meen ik te kunnen afleiden dat het Hof die ruime toepassing aan het noodzakelijkheidcriterium heeft gegeven. Het Hof heeft immers het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen omdat uit de inhoud van het strafdossier, in het bijzonder uit de door de verzochte getuigen opgemaakte processen-verbaal, blijkt dat het opsporingsonderzoek niet door de geheimhoudergesprekken is gestuurd, en omdat het Hof voor het tegendeel geen aanwijzingen heeft gevonden.

22. In het licht van het vorengaande getuigt het oordeel van het Hof dat het horen van de getuigen niet noodzakelijk is niet van een verkeerde rechtsopvatting. Tevens is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat in dat oordeel besloten ligt dat enig rechtens te respecteren belang van de verdediging bij het horen van die getuigen niet aan de orde is nu, naar het Hof heeft vastgesteld, de door de verdediging opgegeven vragen voldoende zijn beantwoord in de processen-verbaal van de zaaksofficier van Justitie en de teamleider.

23. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

24. Beide middelen falen en kunnen, lijkt mij, beide worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op de zitting van 22 maart 2011 deelt de verdediging mee dat zij het Hof wenst te wraken. Nadat het wrakingverzoek is afgewezen, wordt op 25 maart 2011 het onderzoek ter terechtzitting hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking.

2 Tenzij de rechter-commissaris een daartoe strekkende machtiging heeft afgegeven tot voeging van deze stukken in het procesdossier. Deze uitzondering doet zich hier niet voor, en laat ik daarom verder buiten beschouwing.

3 Zo al HR 12 januari 1999, LJN ZD1402, NJ 1999/290 (rov. 3.3). Zie over de vertrouwensrelatie tussen verdachte en arts HR 2 oktober 2007, LJN BA5632, NJ 2008/374 (rov. 3.5) m.nt. Legemaate.

4 Zie over vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv het overzichtsarrest van HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 m.nt. Buruma.

5 Zie HR 11 oktober 2011, LJN BR0552, NJ 2011/505 (rov. 2.3.1). Vgl. ook HR 2 oktober 2007, LJN BA5632, NJ 2008/374 en HR 16 juni 2009, LJN BH2678, NJ 2009/603 m.nt. Borgers.

6 Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, zevende druk, 2011, p. 732-733.

7 HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 (rov. 3.4.2) m.nt. Mevis. Vgl. ook HR 7 december 2010, LJN BN2370, NJ 2010/682.

8 Corstens, a.w., p. 797/798.