Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY7927

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2013
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
11/05402
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2063
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY7927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Vordering tot schadevergoeding na strafvervolging die niet tot veroordeling heeft geleid. Toepassing strafvorderlijke dwangmiddelen en instellen/voortzetten strafrechtelijke vervolging onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/273
JWB 2013/79
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/05402

Mr. F.F. Langemeijer

21 december 2012

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

In deze zaak is schadevergoeding gevorderd na toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen en na een strafvervolging die niet tot een veroordeling heeft geleid.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de door het hof vastgestelde feiten(1). Deze houden, enigszins verkort, het volgende in:

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna kortweg: eiser) houdt zich bezig met projectontwikkeling, waartoe hij zich mede bedient van verscheidene, hem toebehorende besloten vennootschappen die (onder meer) zijn naam dragen.

1.1.2. In de periode van 29 mei 2002 - 10 mei 2005 is eiser strafrechtelijk vervolgd voor belastingfraude (valsheid in geschrift/onjuiste BTW-aangifte). De vervolging had betrekking op drie transacties m.b.t. onroerende zaken in de periode 1999-2000. Deze worden door het hof aangeduid als: "transactie [A]", "transactie [B]" en "transactie [C]".

1.1.3. Met betrekking tot de "transactie [A]" d.d. 15 september 2000 werd eiser verdacht van valsheid in geschrift (in het bijzonder: de vermelding van een te lage koopsom in het desbetreffende koopcontract) en de daarmee verband houdende aangifte omzetbelasting voor een te laag bedrag. M.b.t. deze zaak is op 29 mei 2002 een gerechtelijk vooronderzoek tegen eiser geopend, hebben op 3 juni 2002 huiszoekingen plaatsgevonden, is begin juni 2002 uitlevering van stukken gevorderd en is eiser van 25 tot 27 juni 2002 in verzekering gesteld geweest.

1.1.4. Met betrekking tot de "transactie [B]" d.d. 11 augustus 1999 werd eiser verdacht van het (opzettelijk) achterwege laten van BTW-aangifte bij de verkoop van het desbetreffende perceel. Hiermee was een bedrag gemoeid van f 5.957,-.

1.1.5. Met betrekking tot de "transactie [C]" werd eiser eveneens verdacht van het (opzettelijk) achterwege laten van BTW-aangifte bij de verkoop van het desbetreffende perceel. Hiermee was een bedrag gemoeid van f 34.125,-.

1.1.6. In geen van deze gevallen heeft de vervolging tot een strafrechtelijke veroordeling geleid.

1.1.7. Wat betreft de "transactie [A]" heeft de officier van justitie bij brief van 10 oktober 2002 bericht eiser niet verder te zullen vervolgen ter dier zake, waarna op 9 december 2002 het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten.

1.1.8. Wat betreft de "transactie [B]" en de "transactie [C]" is op 10 december 2002 een kennisgeving van verdere vervolging uitgegaan. Ten aanzien van deze zaken is eiser gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg. Bij vonnis van 28 januari 2004 heeft de rechtbank de officier van justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd omdat de vervolging had plaatsgevonden in strijd met de ATV-richtlijnen, in die zin dat het daarin voorgeschreven tripartite overleg niet had plaatsgevonden(2).

1.1.9. De officier van justitie is van genoemd vonnis van 28 januari 2004 in hoger beroep gegaan. Het hoger beroep is door het O.M. ingetrokken op 10 mei 2005, volgens de onbestreden weergave van de raadsman van eiser: omdat op grond van de ATV-richtlijnen aan de zaak te weinig prioriteitspunten konden worden toegekend om tot strafvervolging over te gaan.

1.1.10. In het voorjaar van 2007 heeft het arrondissementsparket te Middelburg verzocht de justitiële gegevens van eiser aan te passen aan het genoemde vonnis van 28 januari 2004, waarna in het register de niet-ontvankelijkverklaring van het O.M. is opgenomen en tevens dat deze onherroepelijk is.

1.1.11. Het gerechtshof te 's-Gravenhage (strafraadkamer) heeft bij beschikking van 3 mei 2007 het verzoek van eiser tot toekenning van een vergoeding op grond van art. 591a Sv (kosten van rechtsbijstand) afgewezen. Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat eiser zelf geen kosten van rechtsbijstand in de strafzaak heeft gedragen, nu alle declaraties van de raadsman zijn voldaan door [D] B.V.(3).

1.1.12. Bij deze beslissing heeft de strafraadkamer van het hof uitdrukkelijk(4) geen acht geslagen op een op 22 juni 2005 getekende overeenkomst tussen eiser en [D] B.V., waarin onder meer het volgende is bepaald:

"[Eiser] is jegens VGP verplicht de hoofdsom (hof: in deze overeenkomst becijferd op € 168.431) af te lossen binnen veertien dagen nadat [eiser] uit hoofde van de procedure ex artikel 591/591a Wetboek van Strafvordering ten laste van 's Rijks kas aan [eiser] te vergoeden bedrag heeft ontvangen." en:

"De hoofdsom of het restant daarvan is zonder schriftelijke ingebrekestelling te allen tijde onmiddellijk opeisbaar."

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 10 juli 2006 heeft eiser gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat (een orgaan van) de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld:

(a) door (m.b.t. de "transactie [A]") vanaf 29 mei 2002 eiser strafrechtelijk te vervolgen;

(b) door (m.b.t. de "transactie [B]" en de "transactie [C]") de vervolging voort te zetten in de periode tussen 10 december 2002 en mei 2005;

(c) door op 3, 25, 26 en 27 juni 2002 strafvorderlijke dwangmiddelen jegens eiser toe te passen(5);

(d) door in de strafzaak een overzichtsproces-verbaal van de FIOD d.d. 30 oktober 2002 voor hem achter te houden tot 1 april 2004, terwijl dit proces-verbaal wel aan de rechtbank was overhandigd(6).

Eiser verlangde daarnaast een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van deze onrechtmatige handelingen geleden en nog te lijden schade alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente.

1.3. Aan zijn vorderingen heeft eiser samengevat ten grondslag gelegd dat, achteraf beschouwd, de verdenking van strafbare feiten m.b.t. deze drie transacties ten onrechte heeft bestaan. Wat betreft de "transactie [B]" en de "transactie [C]" is volgens eiser tevens sprake van strijdigheid van de vervolgingsbeslissing met een publiekrechtelijke rechtsnorm: enerzijds omdat van meet af aan een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken, hoewel dit voor een vervolging wordt vereist, anderzijds omdat de vervolging is geschied in strijd met de ATV-richtlijnen en beginselen van een behoorlijke procesorde, te weten door het uitblijven van het voorgeschreven driehoeksoverleg en de daaraan gekoppelde toetsing van de voorgenomen vervolging aan prioriteitspunten(7).

1.4. De Staat heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 27 september 2006 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage een comparitie van partijen gelast. Naar aanleiding daarvan heeft eiser opgaaf gedaan van de zijns inziens geleden of nog te lijden schade. Hij heeft gesteld dat de schade in totaal € 13.622.744,- bedraagt, bestaande uit inkomensschade van € 6.238.000,- (de helft van de door [eiser] en [E] B.V. in 2005 en 2006 misgelopen winst) en overige vermogensschade tot een bedrag van € 7.384.744,-(8).

1.5. Bij vonnis van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank de vorderingen van eiser afgewezen. De rechtbank heeft daarbij in rov. 4.1 als toepasselijke maatstaf gehanteerd(9):

"dat (...) van het onrechtmatig instellen of voortzetten van een strafrechtelijke vervolging of het onrechtmatig toepassen van dwangmiddelen slechts sprake is indien

a) de strafvervolging is ingesteld of voortgezet of deze dwangmiddelen zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten, dan wel indien

b) achteraf uit het strafdossier - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking op grond waarvan de strafvervolging is ingesteld of het dwangmiddel is toegepast, ten onrechte heeft bestaan."

In de gedingstukken en de bestreden uitspraak is het eerste criterium ook wel aangeduid als de A-grond, het tweede als de B-grond van de vordering.

1.6. Met betrekking tot de "transactie [A]", waar uitsluitend de B-grond was aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank uit het strafdossier niet gebleken dat de verdenking achteraf beschouwd ten onrechte heeft bestaan. De vervolging te dier zake en de toepassing van de dwangmiddelen tussen 29 mei 2002 en 9 december 2002 zijn niet onrechtmatig geweest (rov. 4.2 - 4.4 Rb). Met betrekking tot de "transactie [B]" en de "transactie [C]" is naar het oordeel van de rechtbank evenmin uit het strafdossier gebleken dat de verdenking achteraf beschouwd ten onrechte heeft bestaan (rov. 4.6 Rb). Wat betreft de aangevoerde A-grond achtte de rechtbank de stelling van eiser niet juist dat van meet af aan elk redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken (rov. 4.7 Rb). Daarentegen heeft de rechtbank eiser wel gevolgd in zijn stelling dat de vervolging onrechtmatig was wegens strijd met de ATV-richtlijnen. De rechtbank nam in aanmerking dat bij verdenking van fiscale fraude het primaat ligt bij de bestuurlijke handhaving en dat een strafvervolging slechts het sluitstuk is. De "transactie [B]" en de "transactie [C]" leveren onvoldoende prioriteitspunten op om een strafvervolging te rechtvaardigen. Toen besloten werd tot vervolging m.b.t. deze twee transacties was de beslissing om eiser niet verder te vervolgen ter zake van strafbare feiten bij de "transactie [A]" reeds genomen. Een reden om af te wijken van de ATV-richtlijnen is in dit geding niet gesteld of gebleken (rov. 4.8 Rb). Ten slotte verwierp de rechtbank het verwijt van eiser dat onrechtmatig een overzichtsproces-verbaal is achtergehouden (rov. 4.9 Rb). Dit laatste blijft hier verder onbesproken. Dat geldt ook voor het oordeel over de gestelde weigering om de justitiële registers tijdig aan te passen (rov. 4.10 - 4.11 Rb).

1.7. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding, heeft de rechtbank overwogen dat deze slechts voor toewijzing in aanmerking kan komen indien komt vast te staan dat het gaat om schade die eiser lijdt als gevolg van de strafvervolging m.b.t. de "transactie [B]" of de "transactie [C]" (rov. 4.14 Rb). Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser gestelde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het geen schade van eiser zelf betreft (rov. 4.15 - 4.18 Rb).

1.8. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft bij tussenarrest van 1 maart 2011 de zaak naar de rol verwezen opdat eiser zich zou uitlaten over bepaalde schadeposten. In dit tussenarrest heeft het hof dezelfde maatstaf gehanteerd als de rechtbank (rov. 7). Met betrekking tot de "transactie [A]" heeft het hof zich aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de vervolging en de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen (rov. 8). M.b.t. de "transactie [C]" deelde het hof het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van uit het strafdossier gebleken onschuld (de B-grond). De grief slaagde voor een gedeelte, omdat m.b.t. de "transactie [B]" wel sprake is van uit het strafdossier gebleken onschuld (rov. 9). Het hof stelde zich de vraag of de vervolging m.b.t. de "transactie [B]" onrechtmatig was op de A-grond. Anders dan de rechtbank beantwoordde het hof die vraag ontkennend (rov. 11)(10).

1.9. Vervolgens is het hof in het tussenarrest ingegaan op de door eiser gestelde schade (rov. 20 - 28). Het hof achtte het evenals de rechtbank gewenst en mogelijk de schade vast te stellen zonder verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure. Daarbij heeft het hof de "transactie [A]" en de "transactie [C]" buiten beschouwing gelaten (rov. 22). Ten aanzien van de "transactie [B]" heeft het hof eiser in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over bepaalde schadeposten, waaronder de gestelde kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de vraag wie deze kosten heeft gedragen (rov. 26).

1.10. Na aktewisseling heeft het hof bij eindarrest van 23 augustus 2011 (LJN: BT2063) het bestreden vonnis bekrachtigd, behoudens voor zover daarbij een bedrag van € 5.000,- wegens kosten van rechtsbijstand van eiser in verband met zijn vervolging m.b.t. de "transactie [B]" is afgewezen. Het hof heeft, te dien aanzien opnieuw recht doende, de Staat veroordeeld genoemd bedrag aan eiser te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.

1.11. Eiser heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen het tussenarrest en het eindarrest. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. De omstandigheid dat de strafrechter (raadkamer) een verzoek tot toekenning van een vergoeding op gronden van billijkheid als bedoeld in art. 90 lid 1 Sv in verbinding met art. 591a Sv heeft afgewezen, is geen beletsel om bij de burgerlijke rechter alsnog een vordering tot schadevergoeding in te stellen op grond van onrechtmatige overheidsdaad(11). De door de rechtbank en het hof gebezigde maatstaf, ontleend aan rov. 3.3 van het arrest-Begaclaim(12), is in dit cassatieberoep niet bestreden(13). Deze criteria hebben zowel betrekking op schade ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel als op schade als gevolg van een vervolging die niet tot een veroordeling heeft geleid.

Middel I: klachten over de feitenvaststelling

2.2. Middel I heeft betrekking op rov. 6 van het tussenarrest, waarin het hof grief 1 verwierp. In deze grief werd geklaagd over onvolledige feitenvaststelling door de rechtbank. Het eerste onderdeel (cassatiedagvaarding onder 1) bestrijdt de overweging dat er geen aanwijzingen zijn dat ook de vennootschap, [D] B.V., is vervolgd. De toelichting (onder 2) vermeldt dat deze vennootschap in bepaalde documenten in de strafzaak als verdachte is aangemerkt.

2.3. Deze klacht mist belang, omdat zij is gericht tegen een overweging ten overvloede ("Nu er bovendien geen aanwijzingen zijn dat deze vennootschap is vervolgd ..."). Daarnaast mist de klacht feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 6 heeft onderkend dat deze vennootschap aanvankelijk ook als verdachte is genoemd. Het middel gaat eraan voorbij dat in het strafprocesrecht een aanmerking als 'verdachte' niet hetzelfde is als een daad van vervolging; zie art. 27 Sv. Voor zover de s.t. namens eiser nadere cassatieklachten bevat, moeten deze als tardief worden gepasseerd.

2.4. In het tweede onderdeel van middel bestrijdt eiser de overweging van het hof dat de relevantie van een en ander voor de beslissing in de onderhavige zaak niet valt in te zien. Volgens de klacht zijn de hier bedoelde, door eiser aangevoerde feiten wel degelijk essentieel voor het antwoord op de vraag of de schade, waarvan in dit geding vergoeding is gevorderd, schade van eiser zelf is. De toelichting op deze klacht wijst op rov. 26 van het tussenarrest, waarin het hof van belang achtte wie de kosten van rechtsbijstand (in de strafzaak m.b.t. de "transactie [B]") aan de raadsman verschuldigd was: eiser zelf of de vennootschap ([D] B.V.). In hoger beroep zou eiser naar voren hebben gebracht dat de opdrachtbevestiging en de declaraties van de raadsman zowel op naam van eiser als op naam van de vennootschap zijn gesteld.

2.5. Met verweerder in cassatie(14) ben ik van mening dat het hof niet van belang behoefde te achten of, naast eiser zelf, ook de vennootschap ([D] B.V.) als verdachte is aangemerkt met betrekking tot de "transactie [B]". Voor de vraag of de kosten van rechtsbijstand zijn aan te merken als schade van eiser (d.w.z.: als door hemzelf geleden of nog te lijden schade), is slechts van belang of en, zo ja, in hoeverre, deze kosten voor rekening van eiser zijn gekomen of zullen komen. In rov. 26 van het tussenarrest heeft het hof op dit punt inlichtingen verzocht. In (rov. 8 van) het eindarrest heeft het hof de door eiser hieromtrent verschafte inlichtingen ontoereikend geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk voor de lezer, ook niet in het licht van hetgeen eiser hieromtrent bij memorie van grieven naar voren had gebracht. Het oordeel van het hof is niet in strijd met de regel dat bij een hoofdelijke verbintenis de betaling door de ene medeschuldenaar de bevoegdheid van deze meebrengt tot het nemen van regres op de andere medeschuldenaar (art. 6:10 BW). Evenmin geeft het oordeel blijk van miskenning van hetgeen eiser had gesteld omtrent hetgeen tussen hem en de vennootschap zou zijn overeengekomen. Het hof heeft uiteengezet dat in dit geding uitsluitend die kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen die herleid kunnen worden tot de verdediging van eiser in de strafzaak m.b.t. de "transactie [B]". Het hof zag zich geconfronteerd met declaraties voor verleende rechtsbijstand die gedeeltelijk daarop en gedeeltelijk op rechtsbijstand in andere zaken betrekking hadden. Om redenen als vermeld in rov. 8 van het eindarrest heeft het hof de schade, voor zover deze kan worden toegerekend aan het onrechtmatig handelen van de Staat bij de vervolging m.b.t. de "transactie [B]", aan de hand van de redelijkheid en billijkheid begroot op € 5.000,-. Dit causaliteitsoordeel staat los van de in het middel ingeroepen rechtsregel in art. 6:10 BW. Evenmin is het bestreden oordeel in strijd met de regel dat een verbintenis kan worden nagekomen door een ander dan de schuldenaar tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet (art. 6:30 lid 1 BW). Middel I faalt.

Middel II: de vervolging m.b.t. de "transactie [A]"

2.6. Middel II is gericht tegen rov. 8 van het tussenarrest, waarin het hof grief 2 verwierp. Deze grief had betrekking op het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de vervolging van eiser m.b.t. de "transactie [A]"(15). Het eerste middelonderdeel komt neer op de klacht dat het oordeel van het hof, dat geen sprake is van "gebleken onschuld" in vorenbedoelde zin, zich niet verdraagt met de door eiser gestelde en te bewijzen aangeboden feiten. Het tweede middelonderdeel werkt dit nader uit en klaagt dat rov. 8, waar het hof overweegt dat in het midden kan blijven in hoeverre het betoog van eiser inzake zijn onschuld uit het strafdossier blijkt, zich niet verdraagt met de in rov. 7 vooropgestelde maatstaf. Door niet te beoordelen in hoeverre de onschuld van eiser uit het strafdossier blijkt, kon het hof niet tot het oordeel komen dat geen sprake is van 'gebleken onschuld': het hof heeft immers nagelaten dit te toetsen.

2.7. De klacht dat het hof heeft nagelaten inzicht te geven in zijn gedachtegang(16), gaat niet op. Met 'gebleken onschuld' bedoelt het hof in rov. 8 niet iets anders dan de in rov. 7 aangehaalde en door eiser ingeroepen rechtsnorm (de B-grond). De verwijzing in het middelonderdeel naar de door eiser gestelde feiten, in voetnoot 12 van de cassatiedagvaarding omschreven als de paragrafen 2.2 - 2.14 van de memorie van grieven, is te weinig specifiek om tot cassatie te kunnen leiden(17). In deze paragrafen van de memorie van grieven heeft eiser gewag gemaakt van een aantal documenten waaruit eiser de gevolgtrekking maakte dat de verdenking, achteraf beschouwd, ten onrechte heeft bestaan. In rov. 8 heeft het hof niet volstaan met zijn anders luidende slotsom, maar zich uitdrukkelijk aangesloten bij hetgeen de rechtbank in rov. 4.3 had overwogen. In rov. 4.3 is de rechtbank betrekkelijk gedetailleerd ingegaan op de stellingen van eiser omtrent de bepaling van de koopprijs die in de akte was genoemd. Hetgeen eiser in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt volgens het hof geen ander licht op de zaak. In dit verband is het hof in rov. 8 op twee stellingen van eiser nader ingegaan: namelijk op de stellingen bij MvG onder 2.6 en op eisers toelichting dat hij zijn schade wel moest beperken nadat hem was gebleken dat hij na bestemmingswijziging het perceel niet in drieën mocht splitsen. Daarmee voldoet de motivering m.i. aan de door de wet daaraan gestelde eisen. Aan de bewijsvraag, dus aan het bewijsaanbod omtrent deze stellingen, kwam het hof in deze redenering niet toe.

2.8. Het tweede onderdeel van dit middel berust, naar het mij voorkomt, op een onjuiste interpretatie van de bestreden overweging. In rov. 4.3 had de rechtbank overwogen dat uit het (deels) overgelegde strafdossier blijkt dat ten tijde van de vervolgingsbeslissing de verdenking heeft bestaan dat de in de koopovereenkomst en de akte opgegeven koopsom te laag was en dat in werkelijkheid meer was betaald. Deze verdenking was hoofdzakelijk gegrond op een in opdracht van de Belastingdienst uitgevoerde taxatie, die op een aanzienlijk hogere waarde uitkwam. Het hof heeft in rov. 8 niet bedoeld dat in het midden kan blijven of de onschuld van eiser uit de uitspraak van de strafrechter of uit het strafdossier blijkt: dat zou inderdaad niet te verenigen zijn geweest met de in rov. 7 vooropgestelde maatstaf. Wat het hof in rov. 8 overweegt, is iets anders, namelijk: dat de door eiser gestelde feiten niet voldoende zijn om de (bewijskracht van de) aanzienlijk hogere taxatie van de Belastingdienst te ondergraven, waarbij het hof dan nog in het midden liet in hoeverre dit betoog van eiser ook uit het strafdossier blijkt. De slotsom is dat middel II faalt.

Middel III: de vervolging m.b.t. de "transactie [C]"

2.9. Middel III is gericht tegen rov. 9 van het tussenarrest, voor zover het hof tot het oordeel kwam dat m.b.t. de "transactie [C]" geen sprake is van een uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit het strafdossier 'gebleken onschuld' (de B-grond). De klacht houdt in dat het hof daarbij ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het beroep dat eiser zowel in de strafzaak als in deze civiele zaak had gedaan op een rapport d.d. 7 januari 2004 van de fiscaal deskundige De Ruiter(18), noch aan de omstandigheid dat de officier van justitie ten aanzien van het primair telastegelegde vrijspraak had gevorderd.

2.10. Wat het beroep van eiser op het rapport van De Ruiter d.d. 7 januari 2004 betreft, verdient opmerking dat het hof m.b.t. de "transactie [C]" tot het oordeel kwam dat deze niet was vrijgesteld van omzetbelasting (anders dan de "transactie [B]"). Vervolgens kwam het hof toe aan het subsidiaire standpunt van eiser dat ten aanzien van deze transactie een aangifte omzetbelasting onbedoeld achterwege is gebleven; dit zou te wijten zou zijn aan de fout van een ander. Het hof heeft overwogen dat deze stelling, ook indien zij feitelijk juist is, niet tot de gevolgtrekking leidt dat eisers onschuld uit het strafdossier blijkt; in de strafzaak is dit niet vastgesteld (rov. 9). Niet valt in te zien - in ieder geval geeft het middel niet aan - hoe het rapport van De Ruiter van 7 januari 2004 aan dit oordeel in de weg zou kunnen staan.

2.11. De aangevoerde omstandigheid dat de officier van justitie voor een gedeelte van het ten laste gelegde vrijspraak had gevorderd, heeft de rechtbank uitdrukkelijk in haar overwegingen betrokken; zie rov. 4.6 Rb. Eiser heeft bij memorie van grieven (punt 3.13) weliswaar opgemerkt dat gedeeltelijk vrijspraak is gevorderd nadat het rapport van De Ruiter d.d. 7 januari 2004 was overgelegd, maar hij heeft, als ik het goed zie, in appel niet gesteld dat uit deze vordering van de officier van justitie in de strafzaak zijn onschuld zou zijn gebleken ten aanzien van de "transactie [C]". Hoe dan ook, dat het hof in de derde grief van eiser geen aanleiding heeft gevonden om nadere overwegingen te wijden aan de omstandigheid dat de officier van justitie gedeeltelijk vrijspraak had gevraagd, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Voor het overige gaat het om een beoordeling die bij uitsluiting toekomt aan de rechter die over de feiten oordeelt. Middel III faalt.

Middel IV: de vervolging m.b.t. de "transactie [B]"; betekenis ATV-richtlijnen

2.12. Middel IV keert zich tegen rov. 11 van het tussenarrest. Het hof overwoog:

"Anders dan de rechtbank heeft overwogen, acht het hof de vervolging in de "transactie [B]" niet in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen (geval A). Weliswaar heeft vervolging plaatsgevonden in strijd met de ATV-richtlijnen, maar zonder bijkomende bijzondere omstandigheden, die in dit geval zijn gesteld noch gebleken, levert dit enkele feit geen strijdigheid op met de wet of met fundamentele rechtsbeginselen. Hierbij weegt mee dat de ATV-richtlijnen kennelijk niet zijn opgesteld in het belang van verdachten, maar juist om eenheid te brengen in de wijze van afdoening van fiscale fraude (zie productie 8 bij inleidende dagvaarding, blz. 1, "achtergrond") en dat de richtlijnen zelf uitdrukkelijk bepalen (bladzijde 6) dat afwijking ervan in beginsel in individuele gevallen mogelijk is. Dit leidt tot de conclusie dat de vervolging in deze transacties niet op deze grond (A) onrechtmatig beoordeeld kan worden."

2.13. Het eerste onderdeel van middel IV klaagt dat het oordeel dat de vervolging in de "transactie [B]" weliswaar in strijd was met de ATV-richtlijnen, maar - zonder bijkomende bijzondere omstandigheden - niet in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen heeft plaatsgevonden, rechtens onjuist is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de ATV-richtlijnen 'recht' vormen in de zin van art. 79 Wet RO(19). Indien het Openbaar Ministerie in een individueel geval van de ATV-richtlijnen wil afwijken, is dat volgens het middel slechts toegestaan indien die afwijking met zoveel woorden in de ATV-richtlijnen is voorzien. De overwegingen in rov. 11 kunnen volgens de klacht nimmer tot de door het hof gemaakte gevolgtrekking leiden dat geen sprake is geweest van onrechtmatige vervolging.

2.14. Het middel neemt m.i. terecht tot uitgangspunt dat de ATV-richtlijnen 'recht' als bedoeld in art. 79 RO zijn(20). De ATV-richtlijnen bevatten (...) regels (...) die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften, omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar die het Openbaar Ministerie wel op grond van beginselen van behoorlijke procesorde binden, en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast(21). De ATV-richtlijnen (per 1 januari 2001), uitgevaardigd door het College van procureurs-generaal en de Directeur-generaal van de Belastingdienst, hebben blijkens hun tekst tot doel eenheid te brengen in de wijze van afdoen van zaken: bestuurlijke afdoening of strafrechtelijke vervolging. De inleiding vermeldt: "De aard van de richtlijnen sluit niet uit dat in individuele gevallen van de richtlijnen kan worden afgeweken". De richtlijnen geven voorschriften voor de aanmelding van, kort gezegd, belastingfraudezaken, de selectie daarvan en de bespreking in het driehoeksoverleg. De ATV-richtlijnen beoogden (toen nog: aan de hand van indicatoren en prioriteitspunten) duidelijk te maken welke zaken in aanmerking komen voor een strafrechtelijke aanpak.

2.15. Bij de behandeling van strafzaken, waar het vervolgingsbeleid in verregaande mate is genormeerd door richtlijnen van het College van procureurs-generaal, kan door de verdediging worden aangevoerd dat sprake is van een vervolgingsbeletsel, omdat de vervolging heeft plaatsgevonden in strijd met een of meer bepalingen van voor het O.M. geldende richtlijnen. De consequentie die de verdediging daaraan verbindt is doorgaans een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging (art. 348 Sv). Of de schending van een O.M.-richtlijn inderdaad uitmondt in een niet-ontvankelijkverklaring, hangt af van de ernst van de normschending en van de aard en strekking van de geschonden richtlijnbepaling. De niet-ontvankelijkverklaring volgt namelijk niet rechtstreeks uit het enkele feit dat een richtlijnbepaling niet is nageleefd, maar volgt uit de schending door het O.M. van beginselen van een behoorlijke procesorde. Bij schending van een O.M.-richtlijn in aanmerking komende beginselen zijn bijvoorbeeld: het vertrouwensbeginsel(22), het beginsel van gelijke behandeling van gelijke gevallen, het beginsel van een redelijke belangenafweging en daarmee samenhangend: het willekeurverbod. Uitgangspunt is dat burgers erop mogen vertrouwen dat het O.M. zich aan de eigen beleidsregels houdt. Wat betreft de peildatum: de beoordeling of een vervolgingsbeslissing in overeenstemming met de toepasselijke richtlijnen is, geschiedt aan de hand van de omstandigheden zoals die ten tijde van het nemen van de vervolgingsbeslissing bekend waren(23).

2.16. In de jurisprudentie van de strafrechter over dit onderwerp zijn verschillende situaties te onderscheiden. Ik noem:

a. gevallen waarin de toepasselijke richtlijn zelf al voorziet in de mogelijkheid om een uitzondering te maken (voor bepaalde categorieën of voor individuele gevallen). In die situatie is er geen sprake van handelen in strijd met de richtlijn.

b. gevallen waarin de toepasselijke richtlijn weliswaar niet uitdrukkelijk voorziet in een uitzondering, maar toch een rechtvaardiging voor het niet toepassen ervan kan worden aangenomen; in zulke gevallen mag wel van de officier van justitie worden gevergd dat hij motiveert waarom hij meent dat een uitzondering moet worden gemaakt(24).

c. gevallen waarin door de officier van justitie is gehandeld in strijd met de toepasselijke richtlijn, maar het euvel nog te repareren of te compenseren is. Zo kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven, indien de officier van justitie ter terechtzitting een straf vordert die feitelijk in overeenstemming is met het transactieaanbod dat volgens de richtlijn had moeten worden gedaan, en de rechter ervan blijk geeft het verzuim van de officier van justitie bij de beslissing omtrent de strafoplegging te hebben betrokken.(25)

d. gevallen waarin door de officier van justitie weliswaar is gehandeld in strijd met de toepasselijke richtlijn, maar de geschonden norm niet strekt tot bescherming van degene die de norm inroept (relativiteitsbeginsel)(26).

e. gevallen waarin de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke richtlijn.

2.17. In de strafrechtspraak zijn in dit verband ook de ATV-richtlijnen wel aan de orde geweest. Beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen meebrengen dat de officier van justitie naar aanleiding van een verweer gemotiveerd moet uiteenzetten waarom in een individueel geval is overgegaan tot strafvervolging in plaats van die zaak fiscaalrechtelijk af te doen(27).

2.18. In het thans bestreden arrest heeft het hof, m.i. terecht, onderscheid gemaakt tussen het handelen in strijd met de ATV-richtlijnen en, anderzijds, het handelen in strijd met de wet of met een beginsel van een behoorlijke procesorde. Niet het enkele feit van het handelen in strijd met een richtlijn, maar het handelen in strijd met de wet of met een regel van ongeschreven recht is naar burgerlijk recht onrechtmatig. Uit rov. 11 volgt dat het hof in dit geval voor twee ankers is gaan liggen:

(i)de ATV-richtlijnen zijn kennelijk niet opgesteld in het belang van verdachten, maar juist om eenheid te brengen in de wijze van afdoening van fiscale fraude (met andere woorden: het hof gebruikt het relativiteitsbeginsel);

(ii)de ATV-richtlijnen bepalen dat afwijking ervan in individuele gevallen in beginsel mogelijk is.

2.19. Elk van deze gronden lijkt mij op zichzelf voldoende om de thans bestreden beslissing te dragen en geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Wat het eerste argument betreft, vermeldt par. 1 ("Inleiding en achtergrond") van de ATV-richtlijnen ingaande 1 januari 2001 dat het una via-beginsel meebrengt dat zodra een bestuurlijke boete is opgelegd, strafvervolging niet meer mogelijk is; omgekeerd kan een bestuurlijke boete niet meer worden opgelegd als een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter zitting is aangevangen of een door het O.M. voorgestelde transactie is betaald. Daarvan uitgaande, zijn het veeleer de belangen van de overheid dan die van de verdachte, welke worden beschermd door het voorschrift dat fiscale fraudezaken via het driehoeksoverleg volgens de ATV-richtlijnen moeten worden afgehandeld. Overigens signaleer ik wel een rechtseenheidsprobleem indien in strafzaken het rauwelijks dagvaarden door de officier van justitie in afwijking van de ATV-procedure als een inbreuk op de rechtsbescherming van de verdachte wordt gezien. Kennelijk overweegt daar de gedachte dat een strafvervolging een ultimum remedium is. Wat het tweede argument betreft, vermeldt par. 1 van de toepasselijke ATV-richtlijnen inderdaad: "De aard van de richtlijnen sluit niet uit dat in individuele gevallen van de richtlijnen kan worden afgeweken". Bijzonder overtuigend is dit argument echter niet, omdat in de richtlijnen onmiddellijk daarna een voorbeeld wordt genoemd van bijzondere acties van de Belastingdienst, zoals doelgroepacties. Ook par. 4 van de richtlijnen vermeldt dat "in geval van bestuursondersteunende inzet van het strafrecht" van de richtlijnen kan worden afgeweken. In het onderhavige geval is, als ik het goed begrijp, de discussie geweest of, nadat de verdenking van eiser m.b.t. de "transactie [A]" via een ATV-procedure was afgehandeld, de verdenkingen m.b.t. de beide andere transacties alsnog in een ATV-procedure moesten worden gebracht of daarzonder door de officier van justitie konden worden vervolgd.

2.20. Uit het voorgaande volgt dat het middelonderdeel niet tot cassatie leidt. Wel verdient aantekening dat het oordeel van het hof afwijkt van het (door de intrekking van het hoger beroep van de officier van justitie onherroepelijk geworden) oordeel van de strafrechter op 28 januari 2004 over de verenigbaarheid van de vervolging met een beginsel van behoorlijke procesorde. In cassatie heeft eiser niet het standpunt ingenomen dat hier sprake is van formele rechtskracht van een rechterlijk oordeel over de onrechtmatigheid van het handelen van (een orgaan van) de Staat waaraan het hof als burgerlijke rechter gebonden zou zijn.

2.21. Het tweede onderdeel van dit middel bouwt voort op de voorgaande klacht. De dagvaarding onder 25 bevat geen klacht die na het voorgaande zelfstandige betekenis heeft. Onder 26 en 27 wordt geklaagd dat het hof in het eindarrest ten onrechte niet is teruggekomen op het in het tussenarrest gegeven oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen op de A-grond. Subsidiair wordt geklaagd over het ontbreken van een motivering van het niet terugkomen op dit oordeel.

2.22. Voor het hof bestond er geen aanleiding om terug te komen op zijn in het tussenarrest gegeven oordeel. Het hof behoefde niet afzonderlijk te motiveren waarom het bij de eenmaal gegeven beslissing blijft: de motivering was reeds in het tussenarrest gegeven. De klacht stuit hierop af.

Middel V: inkomens- en andere vermogensschade

2.23. Middel V gaat over de vraag wie de gestelde inkomens- en andere vermogensschade heeft geleden. Het middel keert zich tegen rov. 24 van het tussenarrest en tegen de daarop voortbouwende rov. 1 onder (vi) en rov. 2 van het eindarrest. Het hof constateerde dat in hoger beroep vaststaat, zoals de rechtbank in haar rov. 4.17 had overwogen, dat de door eiser opgegeven schadeposten onder 1 (inkomensschade als gevolg van misgelopen winst uit een door eiser samen met een ander gedreven vennootschap) en onder 2.a (vermogensschade als gevolg van verlies bij de gedwongen verkoop in 2003 van projecten) geen eigen schade van eiser betreffen; zij komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens het middel is deze vaststelling onbegrijpelijk, omdat eiser in hoger beroep tegen dat oordeel van de rechtbank is opgekomen: het middel verwijst naar (de toelichting op) grief 7.

2.24. Grief 7 was gericht tegen de rov. 4.15 - 4.19 Rb en met name tegen het feit dat de rechtbank al was ingegaan op de vaststelling van de schade ofschoon eiser slechts vergoeding van schade, op te maken bij staat had gevorderd. In zijn toelichting (onder 7.4 van de memorie van grieven) heeft eiser opgenomen: "Ten onrechte heeft de rechtbank zich in de hoofdprocedure verdiept in de omvang van de schade, het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige handelingen en de schade, en tal van andere zaken aangaande bijzonderheden van de schade en vergoedbaarheid daarvan die niet aan de orde komen in de in de hoofdprocedure maar beoordeeld dienen te worden in de schadestaatprocedure. De rechtbank heeft daarmee een andere vordering beoordeeld dan door [eiser] bij de rechtbank ter beoordeling is ingesteld." In deze grief en in de toelichting daarop heeft het hof niet een specifieke klacht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.17, eerste zin, behoeven te lezen(28). Middel V faalt.

Middel VI - VIII: overige klachten

2.25. Middel VI keert zich allereerst tegen rov. 26 van het tussenarrest. Onder verwijzing naar het tweede onderdeel van middel I wordt geklaagd dat het hof niet heeft gemotiveerd waarop zijn oordeel berust dat de door eiser overgelegde overeenkomst onvoldoende bewijs oplevert voor eisers stelling dat hij de advocaatkosten verschuldigd is aan de vennootschap ([D] B.V.), c.q. dat deze vennootschap voor de door haar betaalde kosten regres op eiser heeft.

2.26. In de procedure bij het hof had eiser inderdaad het standpunt ingenomen dat de vennootschap de kosten van rechtsbijstand heeft voorgeschoten en dat deze kosten aan eiser kunnen worden doorberekend. Daarom beschouwt eiser in dit geding de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak als door hem geleden of nog te lijden schade. Niettemin treft het middelonderdeel geen doel. Het hof heeft de mogelijkheid van regres van de vennootschap op eiser voor voorgeschoten kosten van rechtsbijstand niet miskend. Integendeel, om die reden kon het hof aan eiser een bedrag van € 5.000,- toekennen. Zoals gezegd is de afwijzing van het grootste deel van de gedeclareerde advocaatkosten door het hof gebaseerd op de omstandigheid dat slechts dit gedeelte van de door eiser geclaimde kosten van rechtsbijstand verband houdt met verleende rechtsbijstand in de strafzaak tegen eiser m.b.t. de "transactie de Kam".

2.27. De klachten onder II - IV in dit middel zijn gericht tegen rov. 8 van het eindarrest. Daarin oordeelde het hof:

"Ad (b), de advocaatkosten.

Op [eiser] rust de stelplicht en bij betwisting daarvan de bewijslast van de door hem gestelde schade en het causaal verband met de verweten gedraging (de onrechtmatige vervolging in de "transactie [B]").

[Eiser] heeft aan deze verplichting niet voldaan. Niet alleen heeft hij op geen enkele manier de advocatendeclaraties uitgesplitst naar de wel onrechtmatig bevonden "transactie [B]" en de niet onrechtmatig bevonden "transactie [C]", maar bovendien is zijn argumentatie om 75% van de declaraties toe te rekenen aan de "transactie [B]" volstrekt onvoldoende. De gestelde fiscale ingewikkeldheid wordt reeds ondervangen doordat al deskundigenkosten zijn vergoed, terwijl de omstandigheid dat de officier van justitie ter zitting in het ene geval wel en in het andere geval niet een veroordeling heeft gevorderd onvoldoende is om een dusdanig groot percentage aan de "transactie [B]" toe te rekenen. Daarenboven verdient opmerking dat de advocatendeclaratie buitenproportioneel hoog is, gelet op de aard van het verwijt in de "transactie [B]" (BTW-fraude ten bedrage van ruim € 5.000), en de niet, althans nauwelijks bij deze transactie toegepaste dwangmiddelen, zodat het gevorderde bedrag evenmin naar redelijkheid aan deze transactie kan worden toegerekend.

Het hof zal evenwel, mede gelet op de producties 72 en 75, naar redelijkheid en billijkheid een bedrag van € 5.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van deze uitspraak, aan de "transactie [B]" toerekenen en dit bedrag als vergoeding aan [eiser] toewijzen."

2.28. De klacht komt erop neer dat het hof heeft verzuimd te motiveren waarom de door eiser gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om 75% van de advocatendeclaraties toe te rekenen aan vervolging m.b.t. de "transactie [B]". Ter toelichting verwijst eiser naar de aan het hof overgelegde declaraties en naar de omstandigheid dat noch de opdracht noch de declaraties waren uitgesplitst naar elk van de drie "transacties" waarom het in dit geding gaat. Tevens wordt geklaagd dat het hof zonder toereikende motivering het bewijsaanbod van eiser met betrekking tot de gestelde advocatenkosten heeft verworpen.

2.29. In het tussenarrest is eiser uitgenodigd om een nadere opgave te doen van de kosten van rechtsbijstand, voor zover deze betrekking hebben op de vervolging m.b.t. de "transactie [B]". In het eindarrest is het hof van oordeel dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Het hof heeft niet miskend dat de declaraties niet waren uitgesplitst. Het hof wijst in rov. 8 erop dat eiser ook na het tussenarrest niet duidelijk heeft weten te maken waarom liefst 75% van de opgegeven kosten van rechtsbijstand in de strafzaak zou moeten worden toegerekend aan de vervolging van eiser m.b.t. de "transactie [B]". Volgens het hof kan de rechtvaardiging van een dergelijk percentage en van het opgegeven bedrag niet worden gevonden in de gestelde ingewikkeldheid van de (straf-)zaak m.b.t. de "transactie [B]", noch in de vordering van de officier van justitie (tot vrijspraak). Gelet op deze redengeving, kan niet met succes worden geklaagd dat het hof de vereiste motivering van zijn beslissing achterwege heeft gelaten.

2.30. Wat de tweede klacht van dit middel betreft: nu eiser volgens het hof niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, kwam het hof logisch niet toe aan het aanbod het gestelde te bewijzen. Dit behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.

2.31. De klacht in dit middel onder III houdt in dat het hof heeft miskend dat de rechter bij de toerekening als bedoeld in art. 6:98 BW acht behoort te slaan op de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade, de mate van objectieve voorzienbaarheid, de aard van de gedraging en alle andere relevante omstandigheden.

2.32. Deze klacht faalt om dezelfde reden. Eiser had naar het oordeel van het hof niet voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van zijn standpunt dat 75% van de overgelegde advocatendeclaraties moet worden toegerekend aan de gestelde onrechtmatige daad (de vervolging m.b.t. de "transactie [B]" in strijd met de ATV-richtlijnen). Reeds op die grond komt een verplichting tot schadevergoeding niet aan de orde volgens het hof.

2.33. De vierde klacht van dit middel houdt in dat het hof niet inzichtelijk maakt waarom juist een bedrag van € 5.000,- (en niet een ander bedrag) wordt toegewezen. Volgens de klacht impliceert dit oordeel dat de stellingen van eiser met betrekking tot de hoogte van de advocaatkosten zonder nadere motivering zijn verworpen. Bovendien zou het hof hebben miskend dat aan eiser als verdachte in de strafzaak een zekere vrijheid toekomt ten aanzien van de keuze van bijstand.

2.34. Het bedrag van € 5.000,- is vastgesteld naar redelijkheid en billijkheid en toereikend gemotiveerd. Waar het hof reeds had overwogen dat eiser - hoewel in het tussenarrest tot nadere onderbouwing uitgenodigd - onvoldoende inzicht heeft verschaft in het gedeelte van de kosten van rechtsbijstand dat is toe te rekenen aan de vervolging m.b.t. de transactie "[B]", behoefde geen nadere precisering hoe het hof tot dit, ex aequo et bono vastgestelde, bedrag is gekomen. Dat het hof niet het door eiser berekende bedrag (voor de rechtsbijstand van eiser ter zake van de vervolging voor de "transactie [B]": € 99.836,64, zie rov. 4) heeft gevolgd, stond het hof vrij. De beslissing van het hof staat los van de vrije advocatenkeuze en los van de wijze waarop eiser zich in de strafzaak heeft willen laten bijstaan; het hof heeft daarover geen oordeel uitgesproken. Voor zover het middelonderdeel ervan uitgaat dat het hof de schade heeft gematigd, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing.

2.35. Middel VII keert zich tegen rov. 9 van het eindarrest, waarin het hof de gestelde inkomensschade (nl. € 3.626.623,- wegens gederfd inkomen als gevolg van reputatieverlies door de strafvervolging) heeft afgewezen op de grond dat eiser "niet, althans volstrekt onvoldoende" zijn standpunt heeft toegelicht dat hij dit inkomen is misgelopen als gevolg van de onrechtmatige vervolging ter zake van (alleen) de "transactie [B]". Het middel noemt dit oordeel onbegrijpelijk, gelet op de stellingen van eiser in hoger beroep(29).

2.36. Het hier bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door het middel aangehaalde akte, waarin de door het hof gemiste toelichting niet gegeven wordt. Omdat de klacht in de cassatiedagvaarding zelf niet verder is uitgewerkt, moet ik het bij deze constatering laten.

2.37. Middel VIII heeft betrekking op de afwijzing van de gevorderde vergoeding van immateriële schade. Het middel klaagt dat het hof de desbetreffende stellingen van eiser(30) zonder toereikende motivering heeft verworpen.

2.38. Het hof heeft in rov. 10 van het eindarrest beslist dat niet valt in te zien hoe de desbetreffende vordering tot de vervolging m.b.t. de "transactie [B]" valt te herleiden. Daarin ligt het oordeel besloten dat in de stellingen van eiser deze verbinding evenmin is gelegd. De klacht lijkt eraan voorbij te gaan dat niet slechts van belang is tot welk bedrag eiser schade heeft geleden: allereerst moest de vraag worden beantwoord of de gestelde schade is veroorzaakt door de onrechtmatige vervolging m.b.t. de "transactie [B]". Die onderbouwing heeft het hof gemist. Middel VIII faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie het tussenarrest van 1 maart 2011, onder 2.1 - 2.11. Verder verwees het hof naar de reeds door de rechtbank vastgestelde feiten.

2 Bedoeld zijn: de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten, Stcrt. 28 december 2000, nr. 251, in werking getreden op 1 januari 2001. Het bedoelde driehoeksoverleg is dat tussen het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de FIOD. De richtlijnen zijn nadien meermalen vervangen; zie laatstelijk de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010, d.d. 11 december 2009, Stcrt. 2009/20351.

3 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank gehandhaafd, voor zover daarin op grond van art. 591 Sv aan eiser een vergoeding was toegekend van € 16.674,- voor de kosten van deskundigen in de strafzaak.

4 Zie het citaat in rov. 2.18 Rb.

5 Zie alinea 1.1.3 hiervoor.

6 In hoger beroep heeft eiser zijn eis aangevuld met een gevorderde verklaring voor recht dat de Staat ook onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de kennisgeving van niet verdere vervolging en het onherroepelijke strafvonnis van de rechtbank Middelburg van 28 januari 2004 niet binnen bekwame tijd te verwerken in het justitiële antecedentenregister (zie alinea 1.1.10 hiervoor). Overigens had de rechtbank deze kwestie al meegenomen in rov. 4.10 en 4.11 Rb. In cassatie speelt deze kwestie geen rol.

7 Zie voor een uitgebreider samenvatting van eisers stellingen: rov. 3.2 Rb.

8 Te weten:

a. verliezen als gevolg van gedwongen verkoop van projecten € 7.159.746,-;

b. rechtsbijstand in de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep € 196.595,53;

c. schade als gevolg van de weigering van een verklaring van geen bezwaar € 28.402,62 plus p.m.

Zie voor een en ander: rov. 4.13 Rb; rov. 23 tussenarrest hof.

9 Onder verwijzing naar HR 13 oktober 2006 (Begaclaim; LJN: AV6956), NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken.

10 De grieven, verband houdend met het oordeel van de rechtbank betreffende het achterhouden van het overzichtsproces-verbaal en het niet tijdig bijhouden van de justitiële registers werden verworpen (rov. 12 - 18). Zij blijven hier onbesproken.

11 HR 7 april 1989 (LJN: AB9739), NJ 1989/532. Deze rechtspraak houdt mede verband met art. 5 lid 5 EVRM.

12 HR 13 oktober 2006 (LJN: AV6956), NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken, reeds aangehaald.

13 Ambtshalve wijs ik erop dat de B-grond voor onrechtmatigheid van het overheidsoptreden - hoewel door de Hoge Raad bedoeld als een extra waarborg voor de gewezen verdachte, naast de A-grond - voortdurend onder vuur ligt in verband met het risico van schending van de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Zie bijv.: EHRM 18 januari 2011 (Bok/Nederland, LJN: BP6170), NJ 2012/418. Nadien nog: EHRM 15 december 2011 (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk, appl.no. 35730/07 en 4285/08).

14 S.t. namens de Staat, blz. 5.

15 Zie rov. 4 onder (ii) en alinea 1.6 hiervoor.

16 Cassatiedagvaarding onder 13.

17 Dat is dan ook het standpunt van de Staat; s.t. onder 2.11.

18 Prod. 22 bij de inleidende dagvaarding.

19 Het middel spreekt van "art. 99 RO", maar bedoeld is: art. 79 RO (zie de s.t. namens eiser onder 3.31 en de s.t. namens de Staat onder 2.18).

20 Vgl. HR 22 februari 2000 (LJN:AA4894), NJ 2000/557 m.nt. T.M. Schalken.

21 HR 19 juni 1990 (LJN: ZC8556), NJ 1991/119 m.nt. M. Scheltema, rov. 5.1.

22 Waarover recent: HR 8 mei 2012 (LJN: BW5002).

23 HR 22 mei 2001 (LJN: AB1761), NJ 2001/698; HR 27 maart 2012 (LJN: BT2105), NJ 2012/450 m.nt. T.M. Schalken.

24 HR 18 mei 2010 (LJN: BK6942), NJ 2010/439 m.nt. T.M. Schalken; HR 28 september 2010 (LJN: BN0017), NJ 2010/535; HR 6 november 2012 (LJN: BX4991), NJ 2012/642.

25 Vgl. G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2011, blz. 204-205, verwijzend naar HR 8 oktober 2002 (LJN: AE3565), NJ 2003, 65. Zie voorts: HR 15 november 2005 (LJN: AU3126); HR 31 oktober 2006 (LJN: AY0107).

26 Bijv. HR 20 november 2012 (LJN: BY0249), NJ 2012/673.

27 Zie onder meer: HR 16 juni 2009 (LJN: BI1430, over het overleggen van stukken van de ATV-procedure in de strafzaak), NJ 2009/295; HR 8 november 2011 (LJN: BP6421), NJ 2011/539; HR 30 maart 2004 (LJN: AO1755), NJ 2004/521.

28 Bij memorie van antwoord (onder 4.7.3) heeft de Staat dan ook opgemerkt dat eiser in de toelichting op de 7e grief niet is ingegaan op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van eigen schade van eiser.

29 Het middel verwijst naar §16 t/m 21 van de akte na tussenarrest d.d. 26 april 2011.

30 Het middel verwijst naar § 22 t/m 30 van de akte na tussenarrest d.d. 26 april 2011.