Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY7755

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2013
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
12/04547
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY7755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ-zaak. Verzoek om contra-expertise; machtiging voortgezet verblijf, omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/105
JWB 2013/17
JVGGZ 2013/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04547

Mr. F.F. Langemeijer

19 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over het passeren van een verzoek om een second opinion of contra-expertise. Daarnaast gaat het om de termijn waarvoor de machtiging tot voortgezet verblijf is verleend, in relatie tot de omstandigheden van het geval.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 27 januari 2012 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geboren in 1983, hierna: betrokkene) een voorwaardelijke machtiging(1) verleend met een geldigheidsduur tot 18 juli 2012.

1.2. De waarnemend geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis (Arkin/Inforsa FPK te Amsterdam) heeft op 27 juni 2012 besloten betrokkene in dat ziekenhuis te doen opnemen op de grond dat hij zich niet aan de door de rechtbank gestelde voorwaarden heeft gehouden. Als gevolg van deze beslissing is de voorwaardelijke machtiging voor de resterende duur van haar looptijd omgezet in een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging(2).

1.3. Bij inleidend verzoekschrift van 17 juli 2012 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene (art. 15 Wet Bopz). Bij dit verzoek was een verklaring d.d. 16 juli 2012 gevoegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis, die betrokkene met het oog daarop heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater]. In deze verklaring (rubriek 3.c) is als diagnose opgenomen: "schizoaffectieve stoornis" (schizofrenie) en "zwakbegaafdheid". Tevens heeft de officier van justitie afschriften overgelegd van het behandelingsplan en van de medische aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz.

1.4. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 13 augustus 2012, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de behandelend arts mw. Hoek en een verpleegkundige. Bij beschikking van 13 augustus 2012 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor het tijdvak tot 14 augustus 2013. De rechtbank overwoog onder meer dat een ambulante behandeling op dit moment nog niet mogelijk is; voor de toekomst zijn (met de behandelaar) afspraken gemaakt. De rechtbank zag geen aanleiding om de duur van de machtiging te beperken, zoals namens betrokkene was verzocht. Bij betrokkene is onvoldoende sprake van een consistente bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 klaagt over het ontbreken van een kenbare beslissing van de rechtbank op een door betrokkene gedaan verzoek om een second opinion (contra-expertise(3)). Ter toelichting op deze klacht is, onder meer, gewezen op art. 8 lid 6 Wet Bopz(4) en op de maatstaf in HR 29 april 2005 (LJN: AS5978)(5). Deze maatstaf luidt:

"De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten".(6)

2.2. Blijkens het proces-verbaal (blz. 1) heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard dat hij geen verstandelijke handicap heeft en: "Ik wil mijn medicatie nemen. Ik wil ook een second opinion vragen om te kijken of er iets aan de hand is." Blijkens hetzelfde proces-verbaal (blz. 3) heeft de raadsvrouwe in haar pleidooi aan het eind van de mondelinge behandeling primair verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen: met een voorwaardelijke machtiging zou kunnen worden volstaan. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht de duur van de machtiging te beperken. Ik kom daarop terug bij de behandeling van het tweede middelonderdeel. Meer subsidiair heeft de raadsvrouwe gesteld dat betrokkene zelf aangeeft dat hij een behandeling wil. Betrokkene ziet wel in dat sprake is van een stoornis, maar vraagt zich af of de diagnose klopt: hij betwist de genoemde 'zwakbegaafdheid' en 'schizo-affectieve stoornis'. Op een uitdrukkelijke vraag van de raadsvrouwe aan betrokkene of hij een second opinion zou willen, heeft betrokkene ter zitting geantwoord: "Ik heb geen tijd om hier te wachten op een second opinion". Daarop heeft de raadsvrouwe de rechtbank laten weten dat zij geen meer subsidiair verzoek doet. In de beschikking (blz. 1) is deze gang van zaken kort weergegeven.

2.3. Onderdeel 1.1 klaagt dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting indien de rechtbank de opmerking van betrokkene niet heeft aangemerkt als een verzoek om een contra-expertise. Subsidiair, voor het geval de rechtbank de aangehaalde verklaring van betrokkene wel heeft opgevat als een verzoek om een contra-expertise, klaagt onderdeel 1.2 onder a dat de rechtbank in strijd met de maatstaf uit het arrest van 29 april 2005, en zelfs in strijd met de algemene minimumnorm voor de motivering van rechterlijke beslissingen(7), ongemotiveerd aan dit verzoek is voorbijgegaan. Voor het geval dat de verwijzing door de rechtbank naar paragraaf 2 van hoofdstuk II Wet Bopz de afwijzing van het verzoek zou moeten dragen, klaagt onderdeel 1.2 onder b dat die motivering niet toereikend is.

2.4. Deze klachten veronderstellen ten onrechte dat ten tijde van de beslissing van de rechtbank nog steeds een verzoek om een contra-expertise voorlag. Zij missen daarom feitelijke grondslag. De uitlating van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling ("Ik wil ook een second opinion vragen") was voldoende concreet om te worden beschouwd als een verzoek om een second opinion (contra-expertise; tegenonderzoek) door een door een andere niet bij de behandeling betrokken psychiater. Aan het slot van de behandeling, tijdens haar pleidooi, heeft de raadsvrouwe echter aanleiding gezien om uitdrukkelijk aan betrokkene de vraag voor te leggen of hij een second opinion wilde. Het antwoord van betrokkene op die vraag heeft de raadsvrouwe aanleiding gegeven om aan de rechtbank mede te delen dat zij geen meer subsidiair verzoek indient, hetgeen in de context niet anders kan betekenen dan dat zij geen verzoek om een tegenonderzoek deed. Tegen deze achtergrond is het niet in strijd met de aangehaalde rechtsregels, en is het evenmin onbegrijpelijk, dat de rechtbank in de motivering van haar beslissing geen aandacht meer heeft gegeven aan het door betrokkene niet gehandhaafde verzoek om een second opinion.

2.5. In onderdeel 1.3 heeft de steller van het middel op voorhand rekening gehouden met deze tegenwerping. Dit middelonderdeel behelst de klacht dat de verklaring van betrokkene, dat hij geen tijd had om op een second opinion te wachten en met rust gelaten wilde worden, niet een afdoende grondslag biedt voor de gevolgtrekking dat betrokkene uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand deed van een hem toekomend recht op een contra-expertise. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat niet te snel mag worden afgeweken van het bepaalde in art. 8 lid 6 Wet Bopz(8).

2.6. Artikel 8 lid 6 bepaalt niet dat de rechter steeds een contra-expertise gelast tenzij de betrokkene daarvan uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Uit de wet vloeit voort dat de officier van justitie bij het verzoekschrift (onder meer) een verklaring overlegt van de geneesheer-directeur die de betrokken patiënt heeft doen onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Indien de patiënt geen genoegen neemt met het resultaat van dat medisch onderzoek, kan hij desgewenst zelf een deskundige inschakelen, zich laten onderzoeken en daarover rapport laten uitbrengen. De patiënt kan een door hemzelf ingeschakelde deskundige - en trouwens ook de psychiater die het eerste rapport heeft uitgebracht - ter zitting door de rechter laten horen. Hierbij geldt de maatstaf van art. 8 lid 6, tweede volzin, Wet Bopz. Van deze mogelijkheden heeft betrokkene geen gebruik gemaakt. Een patiënt die het oneens is met de door de officier van justitie overgelegde medische verklaring heeft nog een andere mogelijkheid: hij kan de rechtbank verzoeken gebruik te maken van haar bevoegdheid om ambtshalve een deskundige te benoemen voor het doen van een (tegen)onderzoek, bijvoorbeeld een onderzoek naar de stoornis van de geestvermogens, het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gestelde gevaar of een ander relevant onderzoeksthema. De in alinea 2.1 geciteerde maatstaf van HR 29 april 2005 brengt inderdaad mee dat de rechter niet te snel aan een dergelijk verzoek voorbij mag gaan.

2.7. Blijkens het zesde lid kan de rechtbank een onderzoek door deskundigen bevelen. Hieruit volgt dat art. 8 lid 6 Wet Bopz niet een verplichting voor de rechter meebrengt om een tegenonderzoek te gelasten als daartoe geen verzoek is gedaan of een ingediend verzoek desgevraagd niet is gehandhaafd. Nu het verzoek om een second opinion - na ruggespraak tussen de raadsvrouwe en haar cliënt - uiteindelijk niet is gehandhaafd, behoefde de rechtbank niet meer op dat verzoek in te gaan. Het was niet nodig dat het verzoek uitdrukkelijk en ondubbelzinnig werd ingetrokken. Onderdeel 1.3 faalt.

2.8. Onderdeel 2 heeft betrekking op de geldigheidsduur van de machtiging. Ingevolge art. 17 lid 3 Wet Bopz heeft een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening, onverminderd de mogelijkheid van een eerder ontslag uit het ziekenhuis op grond van art. 48 - 49 Wet Bopz(9). De rechtbank heeft deze bepaling toegepast.

2.9. Onderdeel 2.1 onder (i) klaagt dat een redelijke wetstoepassing met inachtneming van het door wettelijke termijnen beschermde belang van betrokkene meebrengt dat de machtiging tot voortgezet verblijf in dit geval niet mocht worden verleend voor een langere termijn dan één jaar na de datum waarop de vorige machtiging is verstreken, derhalve hoogstens tot 18 juli 2013 (in plaats van: tot 14 augustus 2013). Een verweer van deze strekking is in eerste aanleg niet gevoerd. Niettemin kan in beginsel in cassatie worden geklaagd over eventuele overschrijding van de wettelijke maximumduur van de machtiging. In de toelichting op deze klacht wordt verwezen naar rechtspraak van de Hoge Raad over een (te) laat aangevraagde machtiging tot voortgezet verblijf(10).

2.10. De wettekst veronderstelt dat de officier van justitie het verzoekschrift tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf indient tijdens de zesde of de vijfde week vóór de datum waarop de geldigheidsduur van de lopende verblijfsmachtiging verstrijkt. De rechtbank beslist binnen vier weken over dat verzoek (art. 17 lid 1 resp. lid 2 Wet Bopz). Worden deze bepalingen nageleefd, dan is de machtiging tot voortgezet verblijf beschikbaar kort vóór de datum waarop de lopende verblijfsmachtiging eindigt. In de praktijk gebeurt het wel eens, dat het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf op het laatste nippertje wordt ingediend of zelfs nadat de geldigheidsduur van de lopende machtiging al is verstreken. De wetgever heeft hiervoor een voorziening getroffen in art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz: tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe, verleent de geneesheer-directeur hem ontslag uit het ziekenhuis zodra de geldigheidsduur van de lopende verblijfsmachtiging is verstreken, tenzij vóór het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging(11). In het laatste geval verleent de geneesheer-directeur ontslag:

a. zodra door de rechter op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf;

b. zodra de wettelijke termijn voor het geven van de beschikking is verstreken(12).

2.11. In dit geval heeft de rechtbank overeenkomstig de wet binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift beslist. Indien, zoals in dit geval, de officier van justitie later dan in de zesde of vijfde week vóór het einde van de lopende verblijfsmachtiging zijn verzoek bij de rechtbank heeft ingediend, maar nog wel vóór de datum waarop de lopende machtiging verstrijkt, mag de rechtbank de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf op minder dan één jaar na dagtekening van haar beschikking stellen; zij behoeft dat niet te doen.

2.12. Indien de officier van justitie nalaat vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende verblijfsmachtiging een aansluitende machtiging te verzoeken, verleent de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis, tenzij de patiënt het verblijf vrijwillig voortzet. Een te laat, d.w.z. na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging, ingediend verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf kan volgens de rechtspraak worden toegewezen, maar dan moet de rechtbank - gelet op het door wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokken patiënt - het aantal dagen tussen de datum waarop de voorgaande machtiging is verstreken en de datum waarop de (nieuwe) machtiging tot voortgezet verblijf ingaat in mindering brengen op de termijn waarvoor de machtiging tot voortgezet verblijf volgens de wet ten hoogste kan worden verleend(13).

2.13. In de toelichting op de klacht wordt bepleit dat de in alinea 2.11 bedoelde regel en de in alinea 2.12 bedoelde regel gelijk worden getrokken, in die zin dat ook wanneer de officier van justitie tijdig, d.w.z. vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, een verzoekschrift heeft ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (zoals in deze zaak het geval is), het aantal dagen tussen de datum waarop de voorgaande machtiging is verstreken (in casu: 18 juli 2012) en de datum waarop de machtiging tot voortgezet verblijf ingaat (in casu: 13 augustus 2012) in mindering moeten worden gebracht op de termijn waarvoor de machtiging tot voortgezet verblijf volgens de wet ten hoogste kan worden verleend (in casu: in mindering moeten worden gebracht op de maximumtermijn van één jaar na dagtekening).

2.14. Dit pleidooi vindt geen steun in de rechtspraak tot dusver. De bepleite rechtsopvatting acht ik bezwaarlijk te verenigen met het stelsel van art. 48 en art. 54 Wet Bopz: uit die bepalingen valt op te maken dat de betrokken patiënt in de tussenliggende periode niet in een juridisch vacuüm verkeert, maar dat de verstreken verblijfsmachtiging nog enige tijd nawerking heeft als titel voor een onvrijwillig verblijf in het ziekenhuis, mits de officier van justitie vóór de datum waarop de lopende machtiging verstrijkt een verzoekschrift tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf bij de rechtbank heeft ingediend. De wetgever heeft hiermee afstand genomen van het systeem in de vroegere Krankzinnigenwet(14). Ik zie niet een noodzaak om de beide categorieën gelijk te trekken. Om deze reden ben ik van mening dat onderdeel 2.1 onder (i) faalt.

2.15. Onderdeel 2.1 onder (ii) behelst de klacht dat de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf in dit geval nog korter zou moeten zijn, namelijk ten hoogste zes maanden. Hiermee zou volgens de toelichting op deze klacht een gelijkstelling worden bereikt met de termijn waarvoor een eerste voorwaardelijke machtiging kan worden verleend, die aansluit op een voorlopige machtiging(15).

2.16. Over deze klacht kan ik kort zijn: de rechtbank heeft uitdrukkelijk vastgesteld dat een ambulante behandeling van betrokkene nog niet mogelijk is. Er is geen voorwaardelijke machtiging verleend. De in het middel genoemde omstandigheden geven geen reden om de termijn waarvoor de machtiging tot voortgezet verblijf ten hoogste kan worden verleend gelijk te stellen met de termijn waarvoor een voorwaardelijke machtiging ten hoogste had kunnen worden verleend.

2.17. Onderdeel 2.2 heeft betrekking op het volgende. In eerste aanleg heeft de raadsvrouwe subsidiair - voor het geval dat een machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend - aan de rechtbank verzocht de duur van de machtiging te beperken om de volgende reden: "Het staat zwart op wit dat betrokkene over een maand met ontslag kan. De machtiging kan voor bijvoorbeeld zes maanden worden afgegeven. Dan kan verder worden gekeken." De opmerking van de raadsvrouwe over hetgeen 'zwart op wit' staat slaat kennelijk terug op een passage in het overgelegde behandelingsplan, welke luidt:

"Wat is er nodig om met ontslag te kunnen?

1. starten met cisordinoldepot.

2. als het depot goed aanslaat, dat wil zeggen dat u niet meer zo druk bent, geen dreigende uitspraken of gedrag laat zien en goed begeleidbaar bent, kunt u in principe na een maand met ontslag, dwz na 2 x depot en op de dag van ontslag het derde depot."(16)

2.18. De rechtbank heeft op dit verweer gerespondeerd met de volgende overwegingen:

"De rechtbank meent dat een ambulante behandeling op dit moment nog niet mogelijk is. Voor de toekomst zijn afspraken gemaakt. Deze zijn neergelegd in het behandelingsplan. Als betrokkene zich aan de afspraken houdt hoeft hij niet voor een lange duur in de kliniek te blijven. Betrokkene zal eerst moeten aantonen dat hij zich aan deze afspraken houdt voordat hij de kliniek kan verlaten. De rechtbank ziet geen aanleiding de duur van de machtiging tot voortgezet verblijf te beperken."

Anders dan in het middelonderdeel wordt betoogd, kan deze redengeving de beslissing dragen. De aangehaalde passage in het behandelingsplan doet daaraan niet af: de mededeling dat betrokkene "in principe na een maand met ontslag" kan, is niet onvoorwaardelijk. Ook de in dit middelonderdeel genoemde omstandigheden geven geen reden om de termijn waarvoor de machtiging tot voortgezet verblijf ten hoogste kan worden verleend gelijk te stellen met de termijn waarvoor een voorwaardelijke machtiging ten hoogste had kunnen worden verleend. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie art. 14a Wet Bopz.

2 Zie art. 14d lid 2 Wet Bopz.

3 In het middel worden de termen 'second opinion' en 'contra-expertise' (tegenonderzoek) naast en door elkaar gebruikt. In het algemeen is contra-expertise een ruimere term: de aangewezen deskundige verricht eigen feitenonderzoek en verbindt daar een of meer conclusies aan. Bij een second opinion is nieuw feitenonderzoek niet vereist: de aangewezen tweede deskundige mag zijn eigen conclusies verbinden aan het door de eerste deskundige verzamelde feitenmateriaal. Het criterium voor afwijzing van een verzoek om een second opinion is niet anders dan dat voor afwijzing van een verzoek om een volledig nieuw onderzoek door een deskundige.

4 Op de behandeling van een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf is artikel 8 van overeenkomstige toepassing; zie art. 17 lid 2 Wet Bopz.

5 NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W. Dijkers, rov. 3.3.1.

6 Zie nadien nog: HR 14 september 2007 (LJN: BA8455), BJ 2008/8; HR 18 april 2008 (LJN: BC6545), BJ 2008/23 m.nt. red.; HR 27 juni 2008 (LJN: BD3702), BJ 2008/48; HR 5 september 2008 (LJN: BD7071), BJ 2008/56; HR 4 december 2009 (LJN: BK1617), BJ 2010/1 m.nt. WD; HR 12 februari 2010 (LJN: BK8104), BJ 2010/6; zie echter ook: HR 18 september 2009 (LJN: BJ2675), BJ 2009/45 m.nt. red. Ter vergelijking: in het strafprocesrecht geldt voor het weigeren van een verzoek om contra-expertise een enigszins anders geformuleerde maatstaf: HR 19 juni 2007 (LJN: BA2104), NJ 2008/169 m.nt. Y. Buruma, rov. 7.3.

7 HR 4 juni 1993 (LJN: ZC0986), NJ 1993/659 m.nt. DWFV.

8 Vgl. T&C Personen- en familierecht, 2010, aant. 6 bij art. 8 Wet Bopz (P. Vlaardingerbroek).

9 Zie over de term 'na haar dagtekening': HR 8 juni 2007 (LJN: BA3535), NJ 2007/323, BJ 2007/35 m.nt. W.Dijkers. De wettelijke mogelijkheden voor een langere geldigheidsduur dan één jaar (art. 17 lid 4, art. 18 en art. 19 Wet Bopz) zijn in deze zaak niet aan de orde.

10 Zie cassatierekest blz. 8. Van belang zijn: HR 4 november 1994, NJ 1995/126; HR 19 januari 1996, NJ 1996/604 m.nt. JdB; HR 23 februari 1996, NJ 1996/618 m.nt. JdB; HR 6 oktober 2006, NJ 2007/257, BJ 2006/47 m.nt. WD.

11 Daarom doet de officier van justitie aan de geneesheer-directeur mededeling van het indienen van een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf: zie art. 16 lid 3 in verbinding met art. 6 lid 3 Wet Bopz. Zie ook art. 54 Wet Bopz.

12 Van een verlenging van deze termijn op de voet van art. 48 lid 2 Wet Bopz is in deze zaak geen sprake.

13 Kritisch over deze jurisprudentie: noot van W. Dijkers onder HR 17 november 2006 (LJN: AZ0141), BJ 2007/1, alinea 6, en onder HR 12 juni 2009 (LJN: BI6249), BJ 2009/34, alinea 2.

14 Zie hierover de conclusie voor HR 8 juni 2007 (LJN: BA3535), NJ 2007/323, BJ 2007/35 m.nt. WD, alinea's 2.19 e.v.

15 Vgl. HR 18 april 2008 (LJN: BC6548), BJ 2008/24.

16 Behandelingsplan d.d. 26 juli 2012, blz. 1. Cisordinol, met de werkzame stof zuclopentixol, behoort tot de antipsychotica en kan in de vorm van tabletten of in depotvorm (injectie) worden toegediend.