Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY6311

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
12/01932
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY6311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Nakoming overeenkomst; afgifte van uitgegeven aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/175
JWB 2013/50
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/01932

mr J. Spier

Zitting 2 november 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

1. In deze zaak heeft [eiser], namens zich zelf, tijdig beroep in cassatie doen bezorgen. Dat beroep is gericht tegen de drie door het Haagse Hof gewezen arresten. Tegen [verweerder] is verstek verleend.

2.1 De schier eindeloze reeks klachten is goeddeels onbegrijpelijk. Niet alleen omdat vrijwel geen enkele zin loopt, maar ook en vooral omdat veelal wordt volstaan met één of meer oprispingen of krachttermen waarin tegen (één of meer arresten van) het Hof wordt gefulmineerd. Bovendien voldoen de klachten niet aan de daaraan te stellen eisen omdat:

a) niet wordt aangegeven tegen welke oordelen deze zijn gericht;

b) niet, laat staan met enige precisie of duidelijkheid wordt aangegeven waarom het Hof het recht zou hebben geschonden of waarom zijn oordeel onbegrijpelijk zou zijn;

c) niet met enige nauwkeurigheid uit de doeken wordt gedaan waar bepaalde stellingen waar [eiser] zich mogelijk op probeert te beroepen in feitelijke aanleg zijn geëtaleerd.

2.2 [Eiser] ziet er verder aan voorbij dat

a) in cassatie geen plaats is voor feitelijke nova;

b) de Hoge Raad geen (derde) feitenrechter is.

3. Hier en daar wordt, naar het lijkt, een rechtsklacht afgevuurd. Voor zover deze klachten al feitelijke grondslag hebben (dat wil zeggen: aansluiten bij wat het Hof heeft overwogen) zijn ze evenwel zo in het oog springend ongefundeerd dat het onnodig lijkt dat per klacht uit te schrijven.

4. In de klachtenbrij ontwaar ik twee rode draden: [verweerder] kon de vordering niet op eigen naam instellen, respectievelijk [verweerder] is in de loop van het geding in appel van hoedanigheid gewisseld. Zie met name de onderdelen 8, 16, 25, 30 en 31 (hoewel onbegrijpelijk), 33, 34 zomede 38 (hoewel nauwelijks te doorgronden).

5. Deze klachten falen m.i. Onderdeel 16 doet beroep op een stelling van [verweerder] in de mvg waarin hij - naar het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen en kort gezegd - aangeeft dat hij (ook bij het instellen van de vordering) optrad als vertegenwoordiger van Comos International N.V.; daarop wijzen ook de stellingen die het Hof weergeeft in rov. 2.8 van zijn arrest van 22 maart 2011. Het middel doet geen beroep op enige stelling van [eiser] waarin dit wordt ontkend.

6. Het Hof is er kennelijk - en in cassatie niet bestreden - vanuit gegaan dat [verweerder] ook in prima al optrad namens Comos, zij het zonder daar expliciet melding van te maken. Dat wordt evenmin bestreden.(1)

7. Ingevolge de rechtspraak van Uw Raad is de onder 5 en 6 vermelde handelwijze van [verweerder] geoorloofd.(2) Maar zelfs als dat anders zou zijn, zou dat [eiser] niet kunnen baten omdat de enige, telkens terugkerende, klacht op dit punt is gelegen in de wisseling van hoedanigheid. In 's Hofs visie was daarvan, zoals we zojuist hebben gezien, evenwel geen sprake.(3) De anders luidende klachten ontberen daarmee feitelijke grondslag.

8. Op het voorafgaande loopt ook de vrij duistere stuitingsklacht (onderdeel 25) stuk.

9. Ten slotte trof ik nog een aantal klachten aan die scharnieren om 's Hofs oordeel over het voorshands bewezen achten van het door [verweerder] te leveren bewijs als bedoeld in rov. 2.8-2.10 van zijn arrest van 22 maart 2011; zie met name de onderdelen 12, 19, 22 (hoewel schier onbegrijpelijk), 28, 30 en 32. Voor zover het middel daartegen inbrengt dat de bewijslast op [verweerder] rust, miskent het dat het Hof daarvan is uitgegaan. Voor zover het aanvoert dat het Hof niet tot zijn wél gevelde oordeel had mogen komen, miskent het dat

a) de feitenrechter op dit punt grote vrijheid heeft (het gaat immers om feitelijke waarderingen), terwijl

b) het Hof bovendien zijn oordeel ampel heeft gemotiveerd (rov. 2.12-2.14).

10. Omdat over de onder 4 vermelde klachten en de bespreking onder 6 kan men verschillend oordelen, afhankelijk van de lezing van het desbetreffende arrest. Daarom wordt niet geconcludeerd tot toepassing van art. 81 lid 1 RO. Zou Uw Raad mijn lezing onderschrijven dan is afdoening op de voet van deze bepaling alleszins mogelijk.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Blijkens rov. 7.8 van het vonnis van de Rechtbank van 20 mei 2009 heeft [verweerder] er bij pleidooi op gewezen dat hij optrad "in zijn hoedanigheid van haar bestuurder".

2 Zie reeds HR 21 oktober 1988, LJN AD0490, NJ 1989/83 en HR 26 november 2004, LJN AP9665, NJ 2005/41. Zie nader ook de conclusie van mijn ambtgenote Wesseling-Van Gent voor HR 22 oktober 2004, LJN AP1435, NJ 2006/202 H.J. Snijders onder 2.5-2.11.

3 Op zich is een dergelijke wisseling rechtens inderdaad problematisch; zie HR 21 november 2003, LJN AJ0498, NJ 2004/130; Hugenholtz/Heemskerk (2012) nr. 26.