Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY5917

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
12/02811
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4182
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY5917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Meerderjarigenbewind; art. 1:431 e.v. BW. Mogelijkheid om geschil over door bewindvoerder te betalen bedragen voor verzorging aan rechter voor te leggen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/117
JWB 2013/36
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknrs. 12/02811 en 12/02812

Mr. Huydecoper

Zitting van 26 oktober 2012

Conclusie inzake

1. [Verzoekster 1]

2. [Verzoekster 2]

3. [Verzoeker 3]

4. [Verzoekster 4]

verzoekers tot cassatie

Belanghebbenden:

Kompas Zuidlaren B.V. (zaaknr. 12/02811)

en

[Verweerster] (zaaknr. 12/02812)

Feiten(1) en procesverloop

1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

- de verzoeksters tot cassatie onder 1 en 2, [verzoekster 1 en 2], zijn tweelingzusters. Zij zijn geboren in 1970. Zij lijden beide aan een psychiatrische aandoening en zij hebben een verstandelijke handicap. Zij wonen sinds hun geboorte bij hun ouders, de verzoekers tot cassatie onder 3 en 4.

- Over [verzoekster 1] en [verzoekster 2] is zowel meerderjarigenbewind als mentorschap ingesteld(2). De in het hoofd van deze conclusie genoemde belanghebbenden zijn laatstelijk aangesteld als bewindvoerder en mentor respectievelijk.

- De verzoekers tot cassatie enerzijds en de bewindvoerder anderzijds hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de bedragen die wegens het verschaffen van kost en inwoning ten laste van de middelen van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] aan de ouders zouden moeten worden betaald, en over het voor [verzoekster 1] en [verzoekster 2] (aan de ouders(3)) ter beschikking te stellen zakgeld en kleedgeld.

- Een geschil dat is ontstaan tussen de verzoekers tot cassatie en de mentor, betreft de weigering van de mentor om - vanwege het feit dat haar onvoldoende gegevens ter beoordeling van het desbetreffende verzoek werden verstrekt - een zogenaamde CIZ-indicatie aan te vragen(4).

2. Zowel [verzoekster 1] en [verzoekster 2] als de ouders hebben verzoeken tot de (kanton)rechter gericht, strekkend tot vaststelling van bedragen die de bewindvoerder terzake van de door de ouders ten behoeve van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] gepresteerde zorg (inclusief "kost en inwoning") uit de aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] ter beschikking staande middelen zou moeten betalen, en tot vaststelling van het ten behoeve van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te besteden zak- en kleedgeld; alsmede verzoeken die ertoe strekten dat de mentor zou worden opgedragen, een CIZ-indicatie aan te vragen.

3. In de eerste aanleg heeft de kantonrechter de verzoeken, strekkend tot het vaststellen van de door de bewindvoerder ten behoeve van, kort gezegd, de verzorging van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] te betalen bedragen en tot vaststelling van bedragen wegens zakgeld en kleedgeld, gedeeltelijk gehonoreerd. De verzoeken gericht op handelend optreden van de mentor, werden niet gehonoreerd.

4. Het namens de betrokkenen in de verschillende zaken ingestelde hoger beroep had in beide gevallen geen succes. Ik vermeld, ter vermijding van mogelijk misverstand, dat het hof in de zaak betreffende de bewindvoerder twee verzoeken heeft onderscheiden, en ook "gesplitst" behandeld en beoordeeld, namelijk: een verzoek van de kant van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] betreffende de bewindvoerder; en een verzoek namens de ouders, gericht tegen (de bewindvoerder als wettelijk vertegenwoordiger van) [verzoekster 1] en [verzoekster 2].

5. Er is, in de aldus van elkaar te onderscheiden drie zaken, namens de in het hoofd van deze conclusie genoemde verzoekers cassatieberoep ingesteld(5). Het cassatieberoep in de zaak met nr. 12/02811 betreft de kwesties tussen de verzoekers tot cassatie en de bewindvoerder (met inbegrip van de aan het slot van de vorige alinea vermelde bijzonderheid), de zaak met nr. 12/02812 de kwestie betreffende de mentor.

6. Er wordt van de kant van de bewindvoerder en de mentor in cassatie geen verweer gevoerd. Wel heeft de mentor bij brief van 19 juli 2012 een door een psychiater opgesteld onderzoeksrapport van 14 mei 2012 aan de Hoge Raad gestuurd. Dit rapport bevat geen informatie die voor de beoordeling van de cassatieklachten van belang is, zodat ik voorbij kan gaan aan het feit dat de Hoge Raad volgens mij geen kennis kan nemen van gegevens die op deze wijze - namelijk: zonder de tussenkomst van een advocaat - te zijner kennis worden gebracht.

7. In de cassatierekesten wordt het voorbehoud gemaakt, dat nadere klachten kunnen worden aangevoerd nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep beschikbaar is geworden. De advocaat van de verzoekers tot cassatie heeft bij brief van 19 juni 2012, met toezending van een kopie van dit proces-verbaal, een nadere toelichting op de klachten van het middel gegeven.

8. Omdat de onderhavige zaken in een vrij aanzienlijk aantal opzichten met elkaar verband houden, dacht ik er goed aan te doen, ze in één conclusie te bespreken. De verschillen tussen de zaken zijn intussen wel van dien aard, dat een afzonderlijke bespreking van beide (groepen van) zaken aangewezen is.

Bespreking van de middelen in zaaknr. 12/02811 (bewind)

9. In deze zaak heeft het hof de verschillende van de kant van de verzoekers tot cassatie geldend gemaakte verzoeken vooral daarom niet voor honorering vatbaar geacht, omdat volgens het hof de wet geen basis voor deze verzoeken bood.

Dat was volgens het hof het geval omdat, als het om de namens [verzoekster 1] en [verzoekster 2] gedane verzoeken ging, de wet er niet in voorziet dat een machtiging gevraagd kan worden voor een beheershandeling wanneer de bewindvoerder weigert, die te verrichten. Voor geschillen over zulke handelingen heeft de wetgever geen specifieke rechtsgang willen bieden.

10. Het voorgestelde cassatiemiddel houdt in paragraaf I.3b, tweede subalinea een klacht in tegen wat ik zojuist als de kern van het door het hof gegeven oordeel weergaf. Die klacht strekt ertoe dat een redelijke wetsuitleg zou meebrengen dat rechthebbenden (inclusief: de ouders) wél een geschil als het onderhavige aan de (kanton)rechter zouden moeten kunnen voorleggen.

11. Deze klacht lijkt mij echter ongegrond.

Om te beginnen is het, denk ik, in het algemeen zo dat wanneer de wet bepaalde bevoegdheden toekent en er over de toepassing van die bevoegdheden geschil ontstaat, men slechts dan een beroep op de rechter kan doen om te beoordelen of hij, rechter, het met de beslissing van de met een bevoegdheid beklede partij eens is, als de wet expliciet in die mogelijkheid voorziet.

Anders en misschien wat eenvoudiger gezegd: er bestaat geen algemene regel die inhoudt dat men de juistheid van de beslissingen van met bevoegdheden beklede personen - als men daar belang bij heeft - aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen.

12. Wel brengen algemene regels van burgerlijk (proces-)recht mee dat men een met bevoegdheden beklede persoon er op kan aanspreken dat die door de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent onrechtmatig handelt, dan wel overigens een aan de desbetreffende bevoegdheid verbonden verplichting (jegens de betrokkene) schendt.

Wij hebben dan "gewoon" te doen met een civielrechtelijke geschil over de al-dan-niet nakoming van door het recht erkende plichten. Maar dat is iets wezenlijk anders, dan dat de rechter zou mogen worden gevraagd te oordelen over wat hij, rechter, vindt van de door de bevoegde persoon gedane zaken - men zou kunnen zeggen: om ten aanzien van het beleid van de bevoegde persoon, als een soort "beroepsinstantie" op te treden.

13. Wat ik zojuist heb neergeschreven strekt er toe, dat de wet een dergelijke algemene mogelijkheid niet kent, en slechts in bepaalde specifieke gevallen op deze voet een vorm van controle op de uitoefening van wettelijke bevoegdheden openstelt - vaak ook met een specifieke, daarop toegesneden rechtsgang.

In het geval van meerderjarigenbewind (en mentorschap) stelt de wet deze mogelijkheid niet open - althans niet in de vorm die namens de verzoekers tot cassatie wordt verdedigd(6). Aan de hand van het zojuist betoogde denk ik dat het niet zo is dat die mogelijkheid, hoewel niet bij de wet voorzien, hier toch moet worden aangenomen.

14. Voor het geval van meerderjarigenbewind geldt het zojuist gezegde overigens in meer uitgesproken mate. Voor dat geval heeft de wetgever immers, blijkens de Parlementaire geschiedenis, er welbewust van afgezien, een geschillenregeling in het leven te roepen waarin geschillen tussen de rechthebbende en de bewindvoerder over het beheer van de bewindvoerder, ter beslissing aan de rechter konden worden voorgelegd.

15. De hierover gevoerde Parlementaire discussie is erin uitgemond dat er, in art. 1:438 lid 2 BW, wel in is voorzien dat de rechthebbende met "vervangende" machtiging van de rechter over onder het bewind vallende goederen kan beschikken(7) - en dat langs die weg de rechter tot oordelen kan worden uitgenodigd als er een geschil betreffende de beschikking over zulke goederen is -; maar dat voor beheersdaden (inclusief het nalaten daarvan) geen geschillenregeling wordt geboden.

Geschillen hierover kunnen wel langs de weg van de door de bewindvoerder af te leggen rekening en verantwoording aan rechterlijke toetsing worden onderworpen, en eventueel langs de weg van een verzoek om ontslag van de bewindvoerder (art. 1:445 BW en art. 1:448 lid 2 BW); maar de wet strekt er dus toe (wat mij betreft dus: in aansluiting op het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat ik in alinea's 11 - 13 heb verdedigd), dat een dergelijk geschil niet rechtstreeks aan de rechter kan worden voorgelegd(8).

Dat staat aan aanvaarding van deze klacht - de klacht van subparagraaf I.3b van het middel - in de weg.

16. Subparagraaf I.3b voert nog terloops aan dat het ontbreken van een geschillenregeling zoals die de verzoekers tot cassatie voor ogen staat, zou moeten gelden als strijdig met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.

Deze mogelijkheid is in de hiervóór aangehaalde Parlementaire geschiedenis onder ogen gezien, maar niet aannemelijk geacht, met name omdat meningsverschillen als de onderhavige langs de weg van rechterlijke controle op de rekening en verantwoording van de bewindvoerder, dan wel langs de weg van een ontslagverzoek, (in voldoende mate) aan de rechter konden worden voorgelegd(9).

Het ligt volgens mij niet op de weg van de rechter om een afweging die de wetgever hier op gronden die mij geenszins onaannemelijk lijken heeft gemaakt, als ondeugdelijk van de hand te wijzen.

17. Wat de verdere klachten betreft: het cassatiemiddel begint met een met I genummerde algemene klacht(10), die wordt uitgewerkt en toegelicht in vijf genummerde subparagrafen. Ik bespreek deze subparagrafen achtereenvolgens.

18. Onder I.1a. wordt geklaagd dat het hof zou hebben miskend dat het namens de ouders in appel verdedigde verzoek er mede toe zou strekken dat er vaststellingen ten aanzien van de bewindvoerder q.q. zouden worden gedaan.

Ik denk dat bij deze klacht geen belang bestaat. De klacht laat immers onverlet het oordeel van het hof (in rov. 16) dat een verzoek, strekkend tot vaststelling van een verplichting als hier bedoeld, niet op de wet berust en daarom niet voor (beoordeling en) toewijzing in aanmerking komt. Het lijkt mij evident dat het hof de hier aanvaarde regel ook toepasselijk achtte op de variant die thans in cassatie wordt benadrukt.

Zoals in alinea's 10 - 15 hiervóór werd gezegd, lijkt het oordeel van het hof waarnaar ik hier verwijs, mij juist.

19. Afgezien daarvan lijkt deze klacht mij ook niet doeltreffend. Het in hoger beroep namens de ouders betrokken standpunt kon door het hof zeer wel zo worden uitgelegd, dat in materieel opzicht de vaststelling van een betalingsverplichting ten laste van de rechthebbenden - dus ten laste van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] - werd beoogd; waarbij de bewindvoerder als de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokkenen werd aangemerkt. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep laat trouwens blijken dat een van de raadslieden van de huidige verzoekers tot cassatie desgevraagd expliciet heeft verklaard, dat de in hoger beroep betrokken positie zo moest worden begrepen(11).

20. Dat is mede daarom aannemelijk, omdat in hoger beroep (en ook in de eerste aanleg) niets werd aangevoerd dat ertoe strekte dat de bewindvoerder anders dan in die hoedanigheid - hier dus: als de beheerder van de vermogensrechtelijke belangen van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] en als hun wettelijke procesvertegenwoordiger in de onderhavige procedure(s) - in de zaak werd betrokken(12). Er werd met name niets aangevoerd dat erheen tendeerde dat de bewindvoerder in persoon (althans: anders dan in hoedanigheid, en in dat opzicht: voor rekening van [verzoekster 1] en [verzoekster 2]) de verplichtingen waarop de verzoeken betrekking hadden, zou moeten nakomen.

21. Voor de klachten in subparagrafen I.1b en I.1c geldt mutatis mutandis hetzelfde: het daar gestelde doet niet af aan het in alinea 9 hiervóór bedoelde oordeel, dat volgens mij in cassatie tevergeefs wordt bestreden; en voor het overige is goed te begrijpen dat het hof de in hoger beroep betrokken posities zo heeft verstaan, als dat blijkens de beschikking(en) van het hof is gebeurd(13).

De in subparagraaf I.1c verdedigde stelling dat het in deze zaak (mede) zou gaan om het aangaan van een obligatoire overeenkomst tussen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] en hun ouders, is bovendien in de eerdere instanties niet aan de orde geweest. Een dergelijke stelling kan niet voor het eerst in cassatie worden beoordeeld. Ook dat staat aan aanvaarding van deze klacht in de weg.

22. In subparagraaf I.2a wordt geklaagd dat het hof ambtshalve onder ogen zou hebben gezien, dat de kantonrechter zou hebben miskend dat de in geding zijnde verzoeken als niet op de wet gegrond moesten worden aangemerkt.

De klacht lijkt te veronderstellen dat het hof op deze grond de beslissing van de kantonrechter zou hebben vernietigd dan wel beperkt; maar dat heeft het hof niet gedaan. In dat opzicht betreft het hier overwegingen ten overvloede, bij de bestrijding waarvan de verzoekers tot cassatie daarom geen belang hebben.

23. De klachten uit subparagrafen I.2b en I.2c berusten op woordenspel. Anders dan hier wordt gesuggereerd, heeft het hof niet miskend dat de aan het hof voorgelegde verzoeken ertoe strekten dat de beslissing van de eerste aanleg zou worden vernietigd (alleen) voor zover het namens de betrokkenen verzochte niet was toegewezen. De hier bestreden overwegingen van het hof strekken er (slechts) toe dat het in eerste aanleg wél toegewezene in appel door geen van de betrokkenen ter discussie werd gesteld, en daarom ook door het hof niet zou worden herbeoordeeld. Het hof heeft dus in materieel opzicht gehandeld, helemaal zoals het in deze subalinea's wordt verdedigd.

Wat dat betreft geldt dan ook, dat ook hier geen belang bestaat bij het in cassatie aangevoerde.

24. Ook de klacht in subparagraaf I.3a merk ik aan als woordenspel; en ook hier ontbreekt bij die klacht belang.

Het eerste is het geval, omdat mij evident lijkt dat de verzoekers tot cassatie aan de ene kant, en de bewindvoerder aan de andere kant, van mening verschilden over de vraag, welke bedragen terzake van kost en inwoning, zakgeld en kleedgeld er moesten worden betaald. In dat licht bezien is irrelevant of men de opstelling van de bewindvoerder kwalificeert als "weigering", dan wel als anderszins negatief.

Ik meen overigens dat het hof de door de bewindvoerder betrokken positie zeer wel als "weigering" kon kwalificeren.

25. Het tweede is het geval omdat ook hier geldt, dat de in cassatie opgeworpen bezwaren de in alinea 9 hiervóór weergegeven basis voor het oordeel van het hof onverlet laten (en zoals eerder bleek, meen ik dat het in die alinea bedoelde oordeel in cassatie tevergeefs wordt bestreden).

Eenmaal gegeven dat de wet geen ruimte biedt voor de hier geldend gemaakte verzoeken, doet de kwalificatie die het hof aan de opstelling van de bewindvoerder heeft gegeven, verder niet meer terzake.

26. In subparagraaf I.3b wordt opnieuw een standpunt betrokken dat in de eerdere instanties - en in elk geval in de appelinstantie - niet aan de orde is geweest. Er is niets aangevoerd dat ertoe tendeerde dat rekening en verantwoording van het beheer van de bewindvoerder werd verlangd, of dat diens ontslag werd nagestreefd. Men kan de rechters van de feitelijke aanleg in gemoede niet verwijten dat zij geen aanleiding zagen, zich in deze kwesties te begeven(14).

De klacht aan het slot van subparagraaf I.3b. heb ik al eerder onderzocht, en als ongegrond beoordeeld.

27. Subparagraaf I.4 houdt de klacht in dat het hof ten aanzien van het verzoek van de ouders ambtshalve toepassing zou hebben moeten geven aan art. 69 Rv., oftewel de als "wisselbepaling" bekend staande regeling.

Deze klacht ziet eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld, dat de ouders niet hadden gesteld dat er een verplichting tot betaling (door [verzoekster 1] en [verzoekster 2]) jegens de ouders niet zou worden nagekomen. Ik begrijp dat zo, dat het hof meende dat het geschil dat overigens in een dagvaardingsprocedure zou hebben moeten worden beslist, hier niet aan de orde werd gesteld. Ook hier betreft het een aan de "feitelijke" rechter voorbehouden uitleg van de partijstandpunten; en bij die uitleg komt de toepassing van art. 69 Rv. waar de klacht op ziet, allicht niet aan de orde(15).

28. Subalinea 5 betreft het oordeel van het hof over de namens de verzoekers tot cassatie verzochte veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.

Hier kan ik de steller van het middel toegeven, dat de desbetreffende overweging van het hof misschien niet optimaal duidelijk geformuleerd is.

Niettemin meen ik dat deze overweging voldoende duidelijk - zij het dus enigszins versluierd- aangeeft wat het hof heeft bedoeld; en meen ik dat de overweging, gelezen zoals die moet worden verstaan, door de klacht tevergeefs wordt bestreden.

29. Zoals ik de overweging van het hof begrijp, worden daarin twee dragende gronden voor de afwijzing van het verzochte gegeven: ten eerste neemt het hof in de aanvang van rov. 18 tot uitgangspunt dat een kostenveroordeling (in het voordeel van de verzoekers tot cassatie) niet in aanmerking komt omdat de verzoeken die in hoger beroep aan de orde waren als niet op de wet gegrond worden afgewezen; en aansluitend daarop wordt overwogen dat veroordeling van de bewindvoerder in de kosten niet in aanmerking komt omdat de verzoeken deze niet als partij betreffen.

30. De klacht wijst er met enig recht op dat het hof hier spreekt van "formele partij"; en dat die aanduiding tot misverstand aanleiding kan geven omdat de bewindvoerder wel in die hoedanigheid (namelijk zowel in de hoedanigheid van bewindvoerder als, in aansluiting daarop, in de hoedanigheid van processuele vertegenwoordiger van de belangen van de materiële partijen [verzoekster 1] en [verzoekster 2]) in de zaak is betrokken. Uit dien hoofde zou aanduiding van de bewindvoerder als "formele procespartij" wel gerechtvaardigd zijn.

31. Het lijkt mij echter, zoals ik al aangaf, duidelijk dat het hof dit niet heeft miskend, en dat het hof met de hier aangevochten aanduiding (dus) iets anders bedoelt. Wat het hof bedoeld heeft, ligt al besloten in het in alinea's 19 en 20 hiervóór opgemerkte: er was in deze zaak niets aangevoerd dat ertoe strekte dat de bewindvoerder anders dan in die hoedanigheid terzake van de gepretendeerde betalingsverplichtingen mocht worden aangesproken; waarin besloten ligt dat die verplichtingen, voor zover die aannemelijk zouden zijn, (slechts) de materiële partijen, dus [verzoekster 1] en [verzoekster 2], aangingen.

Met dat gegeven voor ogen verbaast niet, dat er geen aanleiding kon zijn voor een kostenveroordeling ten laste van de bewindvoerder (een kostenveroordeling die dan niet per saldo ten laste van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zou komen, wat de kennelijke bedoeling van de verzoekers tot cassatie was).

32. Op die manier gelezen is de hier bestreden overweging in de beide dragende onderdelen daarvan noch rechtens onjuist noch onvoldoende begrijpelijk.

Ik wijs er, ongetwijfeld ten overvloede, op dat voor het slagen van deze klacht nodig zou zijn dat de beide door mij als dragend aangemerkte gedachten uit de overweging van het hof, met succes worden aangetast. Het zal duidelijk zijn dat dat volgens mij niet het geval is.

Bespreking van de middelen in zaaknr. 12/02812 (mentorschap)

33. Hiervóór is besproken dat de beschikbare rechtsbronnen als het gaat om de wettelijke regeling voor de beslechting van geschillen betreffende meerderjarigenbewind, een duidelijk en ook eenduidig beeld laten zien (zie de vindplaatsen in voetnoot 8).

Voor het wettelijke instituut van het mentorschap gaat dat niet in dezelfde mate op.

34. Ik herinner er aan dat het in deze zaak gaat om verzoeken die zich keren tegen het feit dat de mentor niet bereid bleek, een verzoek om een indicatie van het CIZ te doen (wat de mentor daarmee argumenteert, dat haar onvoldoende gegevens worden verstrekt om een dergelijk verzoek verantwoord te kunnen doen).

35. Het hof heeft in rov. 10 van zijn in deze zaak bestreden beschikking geoordeeld in die zin, dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van (vervangende) rechterlijke toestemming wanneer de mentor niet bereid blijkt een tot zijn verantwoordelijkheid te rekenen rechtshandeling te verrichten; en dat dat ook in deze zaak tot afwijzing van de op een dergelijke uitkomst gerichte verzoeken moet leiden.

36. Het hof heeft ongetwijfeld gelijk waar het overweegt dat de wet nergens in de door de verzoekers beoogde mogelijkheid voorziet; maar anders dan in het geval van bewind, bevat de wet, en bevatten ook de verdere rechtsbronnen, niet de bij bewind wél aanwezige stellige aanwijzingen dat de wet zich er effectief tegen verzet dat geschillen tussen de mentor en diens "pupil" langs deze weg aan de rechter worden voorgelegd(16).

Ik herinner op deze plaats echter aan het in alinea's 11 - 13 hiervóór opgemerkte: (ook) als de wet zwijgt over de mogelijkheid, voor belanghebbenden, om van de rechter een oordeel te vragen over de juistheid van de handelwijze van iemand die rechtens bepaalde bevoegdheden uitoefent, geldt als uitgangspunt dat dat niet "zomaar" kan.

37. Dan nu de concrete klachten die in deze zaak worden voorgedragen. Het gaat dan, na een algemeen geformuleerde inleidende klacht, om twee klachten onder nrs. I en II voorgesteld(17), met een onderverdeling in genummerde subparagrafen. Ik zal de klachten op het voetspoor van de subparagrafen bespreken.

38. Subparagraaf I.1 verwijt het hof dat dat zou hebben miskend dat de handeling van de mentor waarover de partijen strijden, namelijk het vragen van een indicatie van het CIZ, niet slechts een rechtshandeling van niet-vermogensrechtelijke aard is maar dat die rechtshandeling mede, en vooral, geldelijke - en daarmee vermogensrechtelijke - consequenties beoogt.

Er lijkt mij echter geen twijfel mogelijk dat het hof wél heeft begrepen, en bij zijn oordeel ook in aanmerking heeft genomen, dat de in geding zijnde indicatie bedoeld was om een aanspraak op een PGB onder de AWBZ te verwezenlijken. Het oordeel van het hof strekt er dus klaarblijkelijk toe dat ook voor een daarop gerichte (en voor het overige: niet-vermogensrechtelijke) rechtshandeling geldt, dat de wet niet toelaat dat het oordeel van de mentor daarover rechtsreeks ter toetsing aan de rechter wordt voorgelegd.

39. Subparagraaf I.2 verdedigt dat het hof had moeten aannemen dat hier wél een mogelijkheid bestaat om de desbetreffende handeling (of het uitblijven daarvan) rechtstreeks ter toetsing aan de rechter voor te leggen; de klacht doet daarbij een beroep op (analogische) toepassing van art. 1:438 lid 2 BW.

40. Zoals ik in alinea's 11 - 16 hiervóór heb besproken en zojuist al even in herinnering bracht, meen ik dat de wet als uitgangspunt hanteert, dat er geen ruimte is om geschillen over het beleid van bewindvoerders of mentoren rechtstreeks ter toetsing aan de (kanton-)rechter voor te leggen. Voor het geval van de bewindvoerder is, bij de totstandkoming van art. 1:438 BW, expliciet onder ogen gezien dat men die mogelijkheid niet wilde bieden In het verlengde daarvan meen ik dat een beroep op analogische toepassing van de uit art. 1:438 BW blijkende normen, de verzoekers tot cassatie geen baat kan brengen. Het is immers niet aannemelijk dat toepassing van deze norm bij analogie in het kader van mentorschap, andere uitkomsten gaat opleveren dan bij de gevallen van bewind waar die voor geschreven is.

41. Daarom: ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat het uitgangspunt dat ik in de alinea's 11 - 13 hiervóór heb verdedigd niet juist is: het dringt zich als bepaald onaannemelijk op, dat de in art. 1:438 BW tot uitdrukking komende regels ertoe zouden strekken dat, wanneer alleen bewind is ingesteld, over een desbetreffend besluit géén geschil (rechtstreeks) aan de rechter mag worden voorgelegd, maar dat dat geheel anders zou zijn wanneer er tevens een mentorschap van toepassing is en de desbetreffende handeling dus door de werking van art. 1:458 BW tot de bevoegdheid van de mentor is gaan behoren.

42. Aan de hand van de hiervóór ten beste gegeven beschouwingen kom ik ertoe, de klacht van subparagraaf I.1 als ongegrond te beoordelen.

De klacht van subparagraaf I.2 komt neer op nadere beargumentering van een analogische toepassing van art. 1:438 BW op het onderhavige geval. Die klacht lijkt mij eveneens onverenigbaar met mijn hiervóór verdedigde opvatting(en).

43. Subparagraaf I.3 ontleent argumenten aan de bijzondere toezichtregeling die in art. 1:459 BW is neergelegd. Voor dit betoog is het in alinea's 20, 21 en 26 hiervóór besprokene van overeenkomstige toepassing: het gaat hier om een argument dat in feitelijke aanleg niet is aangevoerd, en dat niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan komen.

Ik wil overigens niet onvermeld laten dat de uit art. 1:459 BW blijkende regeling mij lijkt te bevestigen wat ik hiervóór heb verdedigd: de wet voorziet hier in een specifieke en betrekkelijk "lichte" vorm van rechterlijke controle op het beleid van de mentor. Daarmee onverenigbaar lijkt mij dan, aan te nemen dat er een ongeschreven regel bestaat die een wezenlijk andere en ingrijpendere vorm van controle - door een rechtstreeks beroep op de rechter - mogelijk zou maken(18).

44. Subparagraaf I.4 verdedigt dat het hof niet ambtshalve het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de gedane verzoeken had mogen "aankaarten". Ik denk dat die klacht de regel van art. 25 Rv., die ertoe strekt dat de rechter het geldende recht ambtshalve toepast, miskent.

45. Subparagraaf I.5 stemt inhoudelijk overeen met subparagraaf I.4 van het middel in zaaknr. 12/02811, zie alinea 27 hiervóór. Ik meen dat de klacht om overeenkomstige redenen faalt: ook hier geldt dat er geen vordering valt aan te wijzen die namens de verzoekers tot cassatie was ingesteld en die voor toepassing van art. 69 Rv. in aanmerking kon komen. Hier wijst het middel ook niet een dergelijke vordering aan (en vermeldt het (dus) ook niet, waar men in de stukken feitelijke grondslag daarvoor zou kunnen aantreffen).

46. Subparagraaf I.6 betreft de beoordeling van de namens de verzoekers tot cassatie in appel verzochte kostenveroordeling. Hierover heeft het hof in dezelfde zin geoordeeld als in de zaak met nr. 12/02811. De opmerkingen die ik in alinea's 28 - 32 heb gemaakt zijn hier van geheel overeenkomstige toepassing.

47. Onder II voert het middel klachten aan die ertoe strekken dat het rechtens wél zo zou zijn dat ouders van een onder mentorschap geplaatste persoon - althans in omstandigheden als in deze zaak aan de orde - ontvankelijk zijn in een verzoek dat ertoe strekt, dat de mentor door hem aan de dag gelegd beleid bij de uitvoering van het mentorschap moet "bijstellen".

48. In het licht van het in alinea's 38 - 42 hiervóór besprokene zal duidelijk zijn dat ik denk dat deze klachten ongegrond zijn; en ook dat de verzoekers tot cassatie daarbij geen belang hebben.

Het hiervóór besprokene strekt er immers toe dat de wet in het algemeen geen plaats biedt voor het voorleggen, aan de rechter, van meningsverschil over de juistheid van beleidsbeslissingen van een mentor, en dat er in deze zaak niets is aangevoerd dat toepassing van een uitzondering op dit uitgangspunt kan rechtvaardigen.

49. Het in de vorige alinea gestelde geldt voor degene op wie een ingesteld mentorschap van toepassing is; maar dat moet dan, misschien zelfs: a fortiori, gelden voor andere betrokkenen. Het zou vergaand ongerijmd zijn wanneer de wet geen ruimte zou bieden voor een onder mentorschap gestelde om de juistheid van beslissingen van de mentor rechtstreeks ter toetsing aan de rechter voor te leggen, maar wanneer die ruimte er wél zou zijn voor andere betrokkenen - die daarmee in materieel opzicht hetzelfde zouden kunnen bereiken dat de wet in het andere geval nu juist niet mogelijk wil maken.

50. Eenmaal aangenomen dat de wet de hiervóór verdedigde inhoud heeft, doet het er niet meer toe of, zoals in subparagraaf II.1 wordt aangevoerd, de ouders als belanghebbenden in de zin van art. 798b lid 2 Rv. kunnen worden aangemerkt. De wet beoogt de ouders de hier door hen gewenste rechtsgang niet te bieden. Daar zou het feit dat zij als belanghebbenden in de zin van het aangehaalde wetsartikel kunnen gelden, geen verandering in brengen.

51. Ik merk ten overvloede op dat de analogische toepassing van de rechtsleer uit HR 11 februari 2002, NJ 2002, 463 m.nt. JdB waartoe het hof heeft besloten, mij juist lijkt. Ook als de wet wel de ruimte zou bieden voor een verzoek tot "machtiging" in verband met de weigering van een mentor om een bepaalde handeling te verrichten, denk ik dat het systeem van rechtsbescherming voor bewind (ook hier) voor het mentorschap overeenkomstige toepassing verdient. Maar nu het hier veronderstelde geval volgens mij in deze zaak niet aan de orde is, veroorloof ik mij om de hier neergeschreven mening niet nader te onderbouwen.

52. De vraag of het hiervóór besprokene meebrengt dat de ouders in hun verzoeken niet-ontvankelijk waren dan wel dat die verzoeken hadden moeten worden afgewezen, kan blijven rusten. De ouders missen belang bij een onderzoek daarnaar in cassatie, nu dat onderzoek geen betere uitkomst van de zaak voor hen kan opleveren.

53. Ook de in subparagrafen II.2 en II.3 voorgedragen klachten stuiten op (een of meer) van de hiervóór besproken tegenwerpingen af.

Dat brengt mij ertoe, alle in deze zaak aangevoerde klachten als ongegrond te beoordelen.

Conclusie

Ik concludeer dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden.

1 Vooral ontleend aan rov. 1 - 5 van de in cassatie bestreden beschikking onder nr. 200.093.615 en rov. 8 - 10 van de in cassatie bestreden beschikking onder nrs. 200.092.869 en 200.100.931.

2 De daartoe strekkende beslissingen hebben geleid tot HR 8 juli 2011, RvdW 2011, 910, rechtspraak.nl LJN BQ3892. De in die zaak namens de huidige verzoekers tot cassatie ingestelde cassatieverzoeken werden met toepassing van art. 81 RO verworpen.

3 De hier vermelde bijstelling berust niet op een vaststelling van het hof; zie echter het namens de verzoekers tot cassatie in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep op de derde bladzij onder "Mr. Van Asperen" gestelde.

4 Met deze afkorting wordt bedoeld een indicatie, af te geven door het Centrum Indicatiestelling Zorg. Deze instelling beoordeelt namens het Ministerie van VWS de aanspraak van betrokkenen op verstrekkingen onder de AWBZ. In het kader van deze wet werd een aantal jaren ten behoeve van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] een zogenaamd persoonsgebonden budget (PGB) betaald, en wel aldus, dat de gelden in feite ter beschikking van de ouders stonden. (Deze gegevens blijken niet uit de eerder aangehaalde rechtsoverwegingen van het hof. Ik ontleen ze aan het verzoekschrift in eerste aanleg, eerste bladzij.)

5 Dat is tijdig en regelmatig gebeurd. De in cassatie bestreden beschikkingen van het hof zijn van 6 maart 2012. De cassatierekesten zijn op 6 juni 2012 per telefax ingekomen, terwijl op 7 juni "reguliere" rekesten ter griffie zijn ingediend.

6 Zoals het hof in rov. 10 van zijn beschikking die in zaaknr. 12/02812 wordt bestreden heeft overwogen, kan men bijvoorbeeld het beleid van een mentor wel ter discussie stellen in een procedure gericht op het ontslag van de mentor (en hebben de verzoekers tot cassatie die mogelijkheid ook al beproefd, althans daartoe stappen gezet).

7 Met "beschikken" wordt in dit verband bedoeld het verrichten van goederenrechtelijke rechtshandelingen, zie Personen- en Familierecht (losbl.), Jansen, art. 438, aant. 2, met verdere bronverwijzingen.

8 Kamerstukken II 1979 - 1980, 15 350, nr. 5, p. 2 - 4; zie ook HR 11 januari 2002, NJ 2002, 463 m.nt. JdB en alinea's 2.8 - 2.10 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent vóór die beslissing; Personen- en Familierecht (losbl.), Jansen, art. 438, aant. 4; Wortmann - Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2012, nr. 170; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Koens, 2011, art. 1:438, aant. 1; Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaags personen- en familierecht, 2011, nr. 13.3.5; Asser/De Boer 1*, 2010, nr. 1162; Van Mourik - Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2009, nr. 255; Luijten, Het Nederlandse personen- en familierecht deel 1, 1997, p. 185 - 186.

9 Ik voeg toe dat dat ook kan langs de weg van de "gewone" civiele procedure, aan de hand van de in alinea 12 hiervóór genoemde gegevens.

10 Er is echter geen verdere - bijvoorbeeld met II genummerde - klacht.

11 Zie opnieuw de derde bladzij van dat proces-verbaal, onder "Mr. Van Asperen".

12 Het appelrekest bevat uitsluitend materieel-inhoudelijke argumenten, die ertoe strekken dat andere bedragen zouden moeten worden vastgesteld dan in de eerste aanleg was gebeurd. Op de vraag wie precies als formele en materiële partijen worden aangemerkt, wordt in het geheel niet ingegaan. Het was daarom aan het hof overgelaten, zich daarover een oordeel te vormen.

13 Ik herinner er ten overvloede aan dat de uitleg van het door dan wel namens partijen in een feitelijke instantie aangevoerde, aan de rechters in feitelijke aanleg is voorbehouden, zie o.a. Asser, Civiele cassatie, 2011, nr. 4.7.3.4; Asser Procesrecht / Veegens-Korthals Altes - Groen (2005), nr. 103.

14 Deze klacht strekt er overigens mede toe, de afweging die de wetgever blijkens de alinea's 14 en 15 hiervóór heeft gemaakt, "onderuit te halen". De klacht bedoelt immers kennelijk, dat de rechter de door art. 1:441 BW en 1:445 BW geboden mogelijkheden zou mogen - en zelfs moeten - benutten om alsnog de weg naar de rechter te openen, die de wetgever nu juist aan de hand van een weloverwogen afweging heeft willen afsluiten. Het zal duidelijk zijn waarom ik een dergelijke uitleg van de wet niet wil aanbevelen.

15 Deze klacht neemt overigens met recht tot uitgangspunt dat waar wél aanleiding bestaat voor toepassing van art. 69 Rv., de rechter die bepaling ambtshalve behoort toe te passen, zie bijvoorbeeld HR 1 april 2005 NJ 2005, 348, rechtspraak.nl LJN AS5824, rov. 3.3.

16 Wel lees ik in de passage uit Kamerstukken I 1993 - 1994, 22 474, nr. 316b, p. 5 (die in subparagraaf I.3 van het middel wordt aangehaald) een bevestiging voor de hierna te bespreken gedachte, namelijk: dat moet worden aangenomen dat de wet niet voorziet in de vorm van beroep op de rechter ten aanzien van handelen van de mentor, die namens de verzoekers tot cassatie wordt verdedigd.

Zie voor gegevens betreffende de hier geldende regels overigens Personen- en Familierecht (losbl.), Jansen, art. 453, aant. 2 en 3; Wortmann - Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2012, nr. 171c; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Koens, 2011, art. 1:453, aant. 1 en 2; Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaags personen- en familierecht, 2011, nr. 13.4.6; Asser/De Boer 1*, 2010, nrs. 1183h - 1183m; Van Mourik - Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2009. nr. 264; Luijten, Het Nederlandse personen- en familierecht deel 1, 1997, p. 189 - 190.

17 Deze klacht wordt ingeleid met een mededeling die ertoe strekt dat "de moeder" zich niet met de beslissing van het hof kan verenigen; maar nu overigens duidelijk is dat geklaagd wordt namens alle verzoekers tot cassatie, merk ik dit als een schrijffout aan.

18 De wet voorziet nog op andere plaatsen in (verwijzingen naar) specifieke regels voor geschillen, zie bijvoorbeeld art. 1:453 lid 5 BW. Ook die verwijzingen dragen ertoe bij dat ik het onaannemelijk vind dat daarnaast een algemene, ongeschreven mogelijkheid zou bestaan om onenigheid over het beleid van de mentor aan de rechter voor te leggen.