Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY5709

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
11/05350 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY5709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van verdachte en het belang dat niet alleen verdachte maar ook de samenleving hebben bij een doeltreffende en spoedige berechting. ’s Hofs afwijzing op de grond dat in de gegeven omstandigheden niet voldoende is gebleken dat het belang van verdachte bij uitstel van de behandeling ttz. zwaarder moet wegen dan het belang bij een spoedige en doeltreffende berechting is, mede gelet op hetgeen ter staving van het aanhoudingsverzoek is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/74
RvdW 2013/207
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05350 J

Mr. Machielse

Zitting 13 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 29 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 2011, waarbij verdachte ter zake van "mishandeling, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie en waarbij de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis.

2. Mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en heeft tezamen met mr. A.W.J. van Galen, eveneens advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen.

3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 november 2011 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De voorzitter doet mededeling van een brief van de raadsman van de verdachte d.d. 28 november 2011, inhoudende een verzoek tot aanhouding aangezien de verdachte vóór 28 november 2011 niet op de hoogte was van de datum van de terechtzitting en verhinderd is ter terechtzitting te verschijnen in verband met haar stage, alsmede nu de raadsman onvoldoende voorbereidingstijd heeft gehad.

De raadsman licht het aanhoudingsverzoek mondeling toe:

De verdachte was wel op de hoogte van de zittingsdatum - zij het in een laat stadium - maar loopt momenteel stage. Ik persisteer bij mijn verzoek tot aanhouding. De reden voor appel zit met name in de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij door de kinderrechter in eerste aanleg. Het is niet gelukt om voorafgaand aan de behandeling van de zaak overleg te plegen met mijn cliënt. Ik heb haar en haar moeder gisteren telefonisch gesproken.

Het gaat verder goed met cliënt. Ik weet niet wat haar stage inhoudt, maar het gaat om een vanuit school aangestuurde stage. Ze vindt het moeilijk om op haar stageplek uit te leggen dat ze voor de rechter moet verschijnen.

Desgevraagd door de advocaat-generaal deelt de raadsman mede dat hij door de verdachte slechts gemachtigd is om aanhouding te verzoeken en niet uitdrukkelijk gemachtigd is om de verdediging te voeren.

De advocaat-generaal deelt mede:

Het aanhoudingsverzoek dient mijns inziens te worden afgewezen. De oproeping van de verdachte voor deze terechtzitting is geldig betekend. Ik acht het dan ook ongeloofwaardig dat de verdachte eerst gisteren op de hoogte was van de zittingsdatum. Daarnaast heeft de verdediging voldoende tijd gehad om deze zaak voor te bereiden, des te meer omdat de huidige raadsman dezelfde is als de raadsman die de verdachte in eerste aanleg bijstond.

Voor wat betreft hetgeen de raadsman heeft opgemerkt met betrekking tot de stage van de verdachte stel ik mij op het standpunt dat deze strafzaak prioriteit zou moeten hebben.

Ik verzoek u het aanhoudingsverzoek af te wijzen en requireer tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.

De raadsman reageert:

De advocaat-generaal neemt een erg formeel standpunt in. De verdachte heeft mij persoonlijk medegedeeld dat zij tot gisteren niet op de hoogte was van de zittingsdatum. Dat zij er vandaag voor kiest om stage te lopen in plaats van naar de zitting te komen betekent niet dat zij verkeerde prioriteiten stelt. Mijn cliënt doet geen afstand van haar recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn. Zij is pas sinds kort meerderjarig.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen aangezien uit de akte uitreiking blijkt dat de oproeping van de verdachte voor de zitting op 20 oktober 2011 rechtsgeldig - aan de griffier - is betekend en er op diezelfde datum een afschrift is verzonden naar het gba-adres van de verdachte. Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting van heden verklaard dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum. Niet is gebleken dat zij niet in staat is om ter terechtzitting van heden te verschijnen. Het recht van de verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn kon worden uitgeoefend. Het hof houdt het er dan ook voor dat de verdachte ervoor heeft gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Naar het oordeel van het hof is er voldoende ruimte geweest om - eventueel namens de verdachte - ter terechtzitting van heden de verdediging te voeren."

3.3 De steller van het middel betoogt dat de overweging van het hof dat verdachte ervoor heeft gekozen niet ter terechtzitting te verschijnen te rigide is en geen rekening houdt met het feit dat verdachte het moeilijk vond op haar stageplek uit te leggen dat zij voor de rechter moest verschijnen. Daarbij speelde een grote rol dat verdachte pas de dag voor de terechtzitting op de hoogte raakte van het feit dat de behandeling van haar zaak de volgende dag zou plaatsvinden. Bovendien voert de steller van het middel aan dat er geen ruimte is geweest om ter terechtzitting de verdediging te voeren, nu de raadsman niet de mogelijkheid heeft gehad voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting overleg te plegen met verdachte en hij slechts gemachtigd was om aanhouding te verzoeken. Zo het hof al op grond van enige belangenafweging had kunnen komen tot de gewraakte beslissing, had het expliciet blijk moeten geven van deze belangenafweging en moeten motiveren waarom deze onder de gegeven omstandigheden tot de gegeven beslissing moest leiden.

3.4 Naar vaste jurisprudentie dient de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.(1) De redenen die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd, zijn van belang voor de beslissing die de rechter heeft te nemen. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aan het verzoek om aanhouding ten grondslag gelegde redenen aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding.(2) Een dergelijke beoordeling is in cassatie slechts beperkt toetsbaar.

3.5 De stukken van het geding houden onder meer in een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 29 november 2011 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Uit de akte van uitreiking behorend bij deze dagvaarding blijkt dat:

- de dagvaarding op 3 oktober 2011 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te Alphen aan den Rijn, omdat aldaar niemand werd aangetroffen, en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor en

- de dagvaarding op 11 oktober 2011 met de akte is teruggezonden aan de afzender, waarna de dagvaarding op 20 oktober 2011 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres.

3.6 Aan de akte van uitreiking is gehecht een GBA-overzicht betreffende verdachte, gedateerd 27 september 2011, waaruit blijkt dat het "huidig GBA-adres" van verdachte vanaf 16 oktober 2001 betreft [a-straat 1] te Alphen aan den Rijn. Bij de stukken van het geding is geen GBA-overzicht opgenomen van recentere datum aan de hand waarvan het hof heeft kunnen verifiëren of verdachte op de dag van aanbieding van de appèldagvaarding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de GBA was ingeschreven op dit in de appèldagvaarding vermelde adres. Dit gebrek behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu uit een uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) van 14 maart 2012, welke is opgevraagd in verband met de betekening van de aanzegging in cassatie als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, volgt dat verdachte sinds 16 oktober 2001, en aldus op de dag van aanbieding van de appèldagvaarding en tenminste vijf dagen nadien, is ingeschreven op het in de appèldagvaarding vermelde adres. Het in de bestreden uitspraak tot uitdrukking gebrachte oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, is dan ook juist.(3)

3.7 Het hof heeft vastgesteld dat de oproeping van verdachte correct is betekend en dat verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum. Deze constateringen zijn van belang voor de vaststelling dat de betekening correct is geweest, maar dragen nog niet de beslissing om het verzoek om aanhouding af te wijzen. De geldigheid van de betekening is geen toereikend argument om een aanhoudingsverzoek af te wijzen. De advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat verdachte eerst een dag voor de zittingsdatum ervan op de hoogte is gekomen dat zij moest verschijnen in hoger beroep. Voorts heeft de advocaat verklaard dat verdachte geen afstand heeft gedaan van haar recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn. Ik kan daaruit niet anders dan concluderen dat volgens de advocaat verdachte haar aanwezigheidsrecht heeft willen uitoefenen. Het hof heeft dit betoog van de advocaat gepasseerd door te overwegen dat niet is gebleken dat verdachte niet in staat was om ter terechtzitting te verschijnen en heeft daaraan de conclusie verbonden dat verdachte dus ervoor heeft gekozen niet aanwezig te zijn. Het heeft er de schijn van dat het hof zich op het standpunt heeft gesteld dat alleen wanneer het volstrekt onmogelijk is om te verschijnen mag worden aangenomen dat van het aanwezigheidsrecht geen afstand is gedaan. Dat gaat te ver.(4) Daarbij neem ik in ogenschouw wat de advocaat heeft gezegd over de achtergrond van de afwezigheid van verdachte en het feit dat op verdachte nog het minderjarigenstrafrecht van toepassing was. Het oordeel van het hof dat er voldoende ruimte is geweest om de verdediging te voeren, staat op gespannen voet met het feit dat de advocaat daartoe niet gemachtigd was. Naar mijn mening heeft het hof onvoldoende doen blijken de belangen die hier een rol spelen, zoals enerzijds het belang van de aanwezigheid van de jeugdige verdachte, anderzijds het belang bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, tegen elkaar te hebben afgewogen op een wijze die ook recht doet aan hetgeen de advocaat naar voren heeft gebracht.

3.8 Het middel lijkt mij gegrond te zijn.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 26 januari 1999, LJN: ZD1314, NJ 1999, 294; HR 5 januari 2010, LJN: BK2145, NJ 2010, 176 m.nt. Schalken; HR 18 januari 2011, LJN: BO6127, NJ 2011, 48; HR 8 mei 2012, LJN: BU7334, NJ 2012, 325.

2 HR 9 mei 2000, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge.

3 HR 4 november 1997, NJ 1998, 175.

4 HR 25 januari 2011, LJN BO6482.