Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY5678

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
11/01306
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9993
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY5678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. De HR herhaalt de relevante overwegingen t.a.v. voorbedachte raad uit HR LJN BR2342. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vooral belang toegekend aan de "geruime tijd" die de verschillende in de bewijsoverweging nader omschreven handelingen van de verdachte in beslag hebben genomen en aan het ontbreken van enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging en aan de aanwezigheid van aanwijzingen voor het tegendeel. Aldus heeft het Hof zijn oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/186
NBSTRAF 2013/84
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01306

Mr. Vellinga

Zitting: 13 november 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte telkens een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Namens verdachte hebben mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, en mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01306 en 11/01309. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

5. De verdachte, die gedetineerd is, heeft op 7 april 2010 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 8 december 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Zowel het één als het ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

6. Het middel slaagt.

7. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

8. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 22 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen in het lichaam en het hoofd met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken en gesneden en de hand van [slachtoffer] met een tie-wrap vastgebonden aan een motorblok, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

9. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs van de voorbedachte raad overwogen:

"Moord

Voor bewezenverklaring van het voor moord vereiste voorbedachten rade is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op de bloedbeeldanalyse en de aard en hoeveelheid van de toegebrachte letsels moet worden aangenomen dat de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte geruime tijd in beslag hebben genomen. Bovendien zijn er momenten te onderscheiden waarop de verdachte had kunnen afzien van verder handelen dan wel had kunnen optreden om erger te voorkomen, bijvoorbeeld op het moment dat het slachtoffer het kantoor uitvluchtte. Nu de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer meermalen de vlucht hebben belet, hem over de grond hebben meegesleept naar het motorblok, hem uiteindelijk daaraan hebben vastgebonden en het slachtoffer aldaar, terwijl hij nog in leven was, nog verder letsel hebben toegebracht staat voor het hof vast dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Het hof heeft noch uit het dossier noch uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld enige aanwijzing bekomen dat het handelen door de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Dat daarvan sprake zou zijn is ook van de zijde van de verdediging niet aangevoerd. Het hof merkt op dat daarentegen uit het dossier alsook uit het optreden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een beeld van de verdachte naar voren komt als iemand die onder alle omstandigheden emotieloos en koelbloedig opereert.

Het hof is, alles afwegend, van oordeel dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer]."

10. Aan de kennelijk moeilijk bevonden markering van de met "voorbedachte raad" aangeduide grens tussen doodslag en moord heeft de wetgever uitgebreid aandacht besteed, en wel vooral bij de behandeling van art. 287 Sr. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn conclusie bij HR 22 februari 2005, LJN AR5714, nrs. 176-187. In de parlementaire stukken draagt de omschrijving van "voorbedachte raad" een tweeledig karakter. Enerzijds geeft de wetgever inhoud aan het begrip voorbedachte raad als omvattende die gevallen waarin sprake is van "een tijdstip van kalm overleg, van bedaard nadenken". Anderzijds wordt aan de voorbedachte raad inhoud gegeven door uiteen te zetten wanneer niét van voorbedachte raad sprake is: gevallen waarin is gehandeld in een opwelling. Het komt in de ogen van de wetgever aan op de gemoedsbeweging van de dader.(1)

11. Dit tweeledig karakter vinden we terug in de literatuur. Aanvankelijk wordt de nadruk gelegd op het kalm beraad en rustig overleg. Van Hamel -Van Dijck(2) beschrijft, dat de vorming van een besluit kan verlopen in "gemoedsrust, een stemming die bedaard overleg toelaat; dan heet het opzet gevormd te zijn "met voorbedachten raad" (praemeditatio, préméditation, Ueberlegung)"; is het besluit gevormd in "gemoedsberoering, een stemming die de gelegenheid tot zoodanig overleg uitsluit" dan is van voorbedachte raad geen sprake. In dezelfde geest spreekt Simons(3) van voorbedachte raad, wanneer de dader zijn besluit tot het plegen van de strafbare handeling in kalm overleg heeft gevormd, zich daarbij reekenschap heeft gegeven van de beteekenis en de gevolgen zijner daad. Deze opvatting werd ook in de rechtspraak wel aangehangen.(4) Zo overwoog de Hoge Raad in een arrest van 2 december 1940, W 1941, 293, dat (...) de door de wet geëischte voorbedachte raad duidelijk tot uitdrukking komt in de slotwoorden der bewezenverklaring, waarin wordt gezegd, dat de tevoren feitelijk omschreven opzettelijke levensberooving is gepleegd "na kalm beraad en rustig overleg", hetgeen niet anders beteekenen kan, dan dat requirant, ingevolge het beraamde plan om van der Horst te dooden, na zich in eene gemoedsstemming van kalm en rustig nadenken reekenschap te hebben gegeven van de betekenis van de daad en de gevolgen daarvan, tot de uitvoering is overgegaan."

12. Ruim twintig jaar later neemt Langemeijer(5) afstand van een omschrijving van voorbedachte raad die daadwerkelijk rustig beraad inhoudt: "Bij doodslag zijn besluit en uitvoering één geheel, bij moord zijn zij gescheiden door een tijdsruimte die nadenken en overleg omtrent de uitvoering, maar ook omtrent het laten varen van het voornemen toelaat. Daarom behoeft nog niet te worden aangetoond dat in dit tijdperk werkelijk kalm en in koelen bloede over het besluit is nagedacht: voorbedachte raad is zeer zeker denkbaar in een geval waarin het besluit door hartstocht is opgewekt en onder invloed van denzelfden hartstocht de uitvoering voorbereid en gedaan is. Indien er slechts tijd tot nadenken is geweest, is de duur van den tijd tusschen de opvatting en de uitvoering van het voornemen verder niet van belang".(6) Latere schrijvers(7) sluiten zich bij deze opvatting aan. Die opvatting werd vaste rechtspraak, zij het dat aan de duur van de periode voor nadenken in de rechtspraak niet zwaar wordt getild.

13. De Hoge Raad achtte voor bewezenverklaring van voorbedachte raad voldoende, dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daar rekenschap van heeft gegeven.(8) Daarmee werd de voorbedachte raad niet afdoende beschreven. Zoals de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van toelichting laat zien kan ook in geval er wel tijd tot nadenken is geweest toch van doodslag sprake zijn, zoals wanneer iemand "in drift ontstoken tot het feit besluit en het, zonder nog tot kalmte te zijn teruggekeerd, uitvoert."(9) Hoewel de Hoge Raad soms te kennen gaf aan het ontbreken van een hevige gemoedsopwelling waarde te hechten(10) kwam in de door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf voor het bewijs van voorbedachte raad de nadruk te eenzijdig te liggen op de tijd om na te denken. Die eenzijdigheid vond, zo laten Gaarthuis(11) en Bakker(12) zien, ook uitdrukking in uitspraken van Rechtbanken en Hoven.

14. Na een wat tweeslachtig HR 28 februari 2012, LJN BR2342(13), waarin enerzijds aan de oude formule werd vastgehouden (rov. 2.7.1), deze anderzijds werd gerelativeerd (rov. 2.7.3) heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 juni 2012, LJN BW8678(14) de knoop doorgehakt: voor voorbedachte raad moet - mede - vaststaan dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De Hoge Raad overwoog:

"2.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven."

Deze overweging vertoont een opvallende overeenkomst met het hiervoor onder 10 gesignaleerde tweeledig karakter van de omschrijving van voorbedachte raad in de parlementaire stukken die ten grondslag lagen aan het Wetboek van Strafrecht.

15. De vraag rijst hoe deze "formule" moet worden gelezen: vormt deze een beschrijving van de inhoud van het begrip 'voorbedachte raad' of gaat het hier om eisen waaraan de bewijsvoering van voorbedachte raad moet voldoen? Ik houd het op het laatste. De Hoge Raad spreekt van 'Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan ...' en niet, zoals in HR 25 maart 2003, LJN AE9049, rov. 3.6, 'Voorbedachte raad is aanwezig indien ...'. Bovendien gaat de Hoge Raad, na erop gewezen te hebben dat het bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten, verder:

"De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld."

16. In navolging van Gaarthuis en Bakker ten aanzien van de rechtspraak vóór het arrest van 28 februari 2012, LJN BR2342 neemt Keulen in zijn noot(15) bij HR 28 februari 2012, LJN BR2342 en HR 19 juni 2012, LJN BW8678 aan dat de opvatting van de Hoge Raad meebrengt dat voorbedachte raad is geworden tot een objectief begrip. Daarbij wordt er echter aan voorbijgegaan dat de Hoge Raad niet spreekt over de inhoud van de voorbedachte raad maar over de eisen die aan het bewijs van voorbedachte raad worden gesteld en voorts dat de Hoge Raad er uitdrukkelijk op wijst dat handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling in de weg staat aan het bewijs van de voorbedachte raad. Bij dat laatste past niet dat voorbedachte raad een objectief begrip is. Een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is immers uitgesproken subjectief van aard en kan dus als zodanig niet in de weg staan aan het bewijs van voorbedachte raad wanneer dit een objectief begrip zou zijn. Naar zijn inhoud is voorbedachte raad dus - uiteindelijk - een subjectief begrip, een begrip dat iets zegt van de geestestoestand van de dader voorafgaand aan en/of tijdens het plegen van het feit.

17. Voor voorbedachte raad geldt hetzelfde als voor andere morele bestanddelen van een delict: deze kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden. Voor wat betreft het bewijs van voorwaardelijk opzet wijs ik op HR 25 maart 2003, LJN AE9049, rov. 3.6 slot - 'Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard', voor wat betreft het bewijs van de culpa op het befaamde "sprongetje" van Remmelink, hierin bestaande dat uit het objectief bezien gevaarlijke (onvoorzichtige) gedrag kan worden geconcludeerd tot subjectieve onvoorzichtigheid.(16) Een dergelijk 'sprongetje' bestaat bij het bewijs van de voorbedachte raad hierin dat in beginsel uit het feit dat gelegenheid tot beraad heeft bestaan kan worden afgeleid dat enige vorm van beraad heeft plaatsgevonden, zij het dat die conclusie bij aanwijzingen voor het tegendeel, in het bijzonder handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling niet (zonder meer) kan worden getrokken. Zo wordt reeds in het Verslag van de Tweede Kamer over het voorgestelde Wetboek van Strafrecht vergiftiging genoemd als een wijze van levensberoving die zelden zonder voorbedachte raad wordt gepleegd, zij het dat dit niet onmogelijk is.(17)

18. De Hoge Raad laat weten dat aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, "bepaaldelijk" eisen worden gesteld, en wel onder meer omdat aan voorbedachte raad een strafverzwarend gevolg is verbonden. Daarmee correspondeert de rechtspraak over voorbedachte raad met die over roekeloosheid. Ook aan het bewijs van roekeloosheid worden mede met het oog op het strafverzwarende gevolg bepaaldelijk eisen gesteld.(18)

19. De nadruk die de Hoge Raad thans legt op de eisen die aan het bewijs van de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid worden gesteld is mede ingegeven door een in de ogen van de Hoge Raad onjuiste uitleg van zijn rechtspraak waarin die eisen worden onderschat en dus mogelijk te lichtvaardig tot voorbedachte raad wordt besloten. Dit begrijp ik aldus dat het zo mag zijn dat voor bewijs van voorbedachte raad voldoende is dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, maar dit niet zo mag worden opgevat dat wanneer die gelegenheid heeft bestaan van voorbedachte raad sprake is, voorbedachte raad dus zou bestaan in louter het bestaan van bedoelde gelegenheid. Het signaal dat de Hoge Raad hier afgeeft doet denken aan HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252, m.nt. G. Knigge (Winssen), waarin de Hoge Raad duidelijk maakte dat - anders dan wel uit zijn rechtspraak werd afgeleid - een enkele verkeersovertreding voor bewijs van de culpa als bedoeld in art. 6 WVW1994 niet zonder meer voldoende was maar dat daarvoor verschillende factoren van belang waren, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

20. De eerste vraag die nu onder ogen moet worden gezien is of het Hof, overwegende:

"Voor bewezenverklaring van het voor moord vereiste voorbedachten rade is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven."

blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof beperkt zich in deze overweging immers tot de voor het bewijs van voorbedachte raad vereiste gelegenheid en laat zich hier - anders dan de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 14 aangehaald arrest van 19 juni 2012 - niet uit over het tevens vereiste ontbreken van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daar staat tegenover dat het Hof, zoals vereist, wel onder ogen ziet of de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarom blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting ook al geeft de aangehaalde overweging niet meer de juiste stand van het recht weer.

21. De volgende vraag is hoe de Hoge Raad in concreto met zijn nieuwe rechtspraak omgaat. In het hiervoor genoemde arrest van 19 juni 2012 viel de Hoge Raad over een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering van de voor poging tot moord vereiste voorbedachte raad omdat deze gezien vanuit de vraag of de verdachte had gehandeld in een hevige gemoedsbeweging niet van ondergeschikte betekenis was:

"2.4. In de nadere bewijsoverweging over de voorbedachte raad heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, in welk verband het Hof onder meer heeft overwogen: "De verdachte is, nadat [slachtoffer 1] zich uit zijn greep had losgemaakt, naar de boxgang gelopen en heeft daar het kapmes gepakt, dat, naar zijn zeggen, in krantenpapier gewikkeld achter de deur stond. Nu de verdachte heeft gesteld dat het kapmes in krantenpapier was gewikkeld kan het niet anders zijn dan dat hij het mes toen aldaar heeft moeten uitpakken. Nadat de verdachte aldus het kapmes had gepakt en van de krant had ontdaan, is hij vervolgens met dat mes de boxgang uitgelopen en heeft hij [slachtoffer 1] vervolgens met het kapmes geslagen toen ze wegliep."

Het Hof heeft onder de gebezigde bewijsmiddelen als bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] evenwel onder meer opgenomen: "Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] met zijn linkerhand bij haar arm vastpakte en haar een stukje naar achteren trok. Ik zag dat hij met zijn rechterhand de boxingang inging en vanuit een hoekje een groot kapmes pakte. Ik schat dat het kapmes ongeveer 80 cm lang was. Ik zag dat hij het mes hief en met de platte kant van het mes in de richting van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag dat het mes met de platte kant [slachtoffer 1] raakte in haar halsstreek aan haar linkerzijde. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich probeerde los te rukken, maar dat hij haar vasthield bij haar arm en nog een keer met het hakmes een verticale 'kappende' beweging maakte, nu in de richting van haar borst. Deze keer zag ik dat dit met de scherpe zijde van het mes gebeurde, de snijkant dus. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich had losgerukt en dat zij richting de geparkeerde auto's liep."

's Hof overweging met betrekking tot het uitpakken door de verdachte van het kapmes en de eerste slag die hij met dat mes toebracht aan het slachtoffer strookt niet met de verklaring dienaangaande van [slachtoffer 2]. De bewijsvoering is daarom - op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is - innerlijk tegenstrijdig."

In HR 9 oktober 2012, LJN BX8087 kwam de Hoge Raad voor de vraag te staan of de overweging van het Hof tegemoet kwam aan de eisen die de Hoge Raad thans aan het bewijs van de voorbedachte raad stelt. Het Hof had in het kader van het bewijs van moord overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde voorbedachte raad zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof gaat daarbij uit van de volgende aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

Verdachte, die in Egypte is geboren als [A], is in 1988 onder de naam [B], als politiek vluchteling uit Irak, naar Nederland gekomen. Uit het dossier blijkt dat deze laatstgenoemde gegevens (naam en land van herkomst) vals zijn. Verdachte trouwt in 1995/1996 in Egypte met [C]. Zij krijgen in 1997 een zoon, [D]. In 1998 komt [C] naar Nederland. [C] en verdachte krijgen samen nog drie kinderen.

In 2001 wordt het huwelijk tussen verdachte en [C] voor de wet ontbonden. Hun islamitische huwelijk blijft wel bestaan. Vanaf de scheiding staan ze op verschillende adressen ingeschreven, zij blijven echter feitelijk op één adres, [a-straat 1] te Groningen, wonen.

Vanaf januari 2010 wil [C] niet meer dat verdachte aan de [a-straat] slaapt. Verdachte woont sinds die tijd aan de [b-straat 1] in Groningen, waar hij overigens sinds 2001 al stond ingeschreven. In verband met het werk van [C] past verdachte overdag na schooltijd wel op de kinderen in het huis aan de [a-straat].

Op zondag 21 maart 2010 haalt verdachte 's ochtends rond 10:00 uur de twee middelste kinderen op om ze naar de moskee te brengen, waar zij Arabische les krijgen. Als verdachte terugkomt van de moskee laat hij zijn oudste zoon [D] aan zijn moeder vragen of verdachte tot 12:00 uur bij haar in het huis aan de [a-straat] mag wachten, totdat de kinderen vrij zijn. [C] laat weten dit niet te willen. Na deze mededeling besluit de verdachte [D] ook naar de moskee te brengen. Daarna is verdachte op enig moment naar de woning aan de [a-straat] teruggegaan. Hij is vervolgens de woning met geweld, door een ruit van de voordeur in te slaan, binnengedrongen. In de keuken van de woning heeft de verdachte het mes in handen, [C] vlucht het balkon op, de verdachte volgt haar.

[C] heeft vanaf 10:17 tot 10:52 uur onafgebroken gebeld met haar collega [E]. Deze hoort aan het eind van het gesprek een knal, alsof er iets breekt, waarop de verbinding plotseling wordt verbroken. Omstreeks 11:08 uur krijgt de meldkamer van de Regiopolitie Groningen een eerste melding van wat eerst wordt aangemerkt als de mishandeling van [C].

Omwonenden zien [C] op het balkon staan, alleen, schreeuwend en hangend over (de reling van) het balkon. Vervolgens komt verdachte het balkon op. Verdachte maakt slaande, dan wel stekende bewegingen naar [C], naar later blijkt met een mes in zijn hand. Even later ligt [C] als gevolg van het op haar uitgeoefende geweld op de vloer van het balkon. Verdachte, die voorovergebogen over haar heen zit of staat, blijft slaande/stekende bewegingen maken. Al die tijd blijft [C] gillen. Dit steken duurt enige minuten. Daarna houdt het gegil op. Verdachte loopt even later naar buiten waar hij een paar minuten later wordt aangehouden. Als medewerkers van de politie en even later de ambulancemedewerkers bij [C] arriveren, is zij nog in leven. De ruit van de voordeur blijkt inderdaad kapot. Zij verlenen uit alle macht eerste hulp aan [C], maar dit blijkt tevergeefs. Om 11:40 uur wordt haar dood geconstateerd.

Uit sectie op het lichaam blijkt van 25 scherprandige perforaties aan hoofd, borst, rug, hals en armen, waarvan een deel met substantieel snijletsel. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld. Enkele van de letsels gingen gepaard met onder andere samenvallen van beide longen en algeheel bloedverlies. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de hierdoor opgetreden weefselschade door bloedverlies en functieverlies van de longen. Gezien het feit dat alle letsels hebben bijgedragen aan het bloedverlies, hebben al deze letsels een bijdrage geleverd aan het intreden van de dood.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat - hoewel er aanwijzingen zijn voor het tegendeel - uit de gebeurtenissen van de weken, dagen en uren vóór de steekpartij niet onomstotelijk blijkt van een vooropgezet plan van verdachte om [C] van het leven te beroven.

Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is het voor een bewezenverklaring van voorbedachten raad echter niet noodzakelijk dat verdachte daadwerkelijk rustig heeft nagedacht alvorens zijn besluit uit te voeren en tot de levensberovende handelingen over te gaan. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat (vanuit een geobjectiveerd perspectief bezien) komt vast te staan dat verdachte voorafgaand aan of gedurende het toebrengen van de verwondingen die de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt de tijd heeft gehad om zich te beraden over zijn genomen of te nemen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Deze tijdspanne kan heel kort zijn.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt, dat verdachte tussen het moment dat hij vanuit de woning met het mes naar het balkon liep waar [C] stond, op haar in begon te steken en minutenlang bleef dóórsteken, voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat de verdachte daarbij een waas voor ogen zou hebben gehad, doet hieraan niet af. Bij het tijdsaspect neemt het hof tevens in aanmerking dat uit de sectiebevindingen volgt dat al de door de verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood. Daarmee is uitgesloten de mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van gedragingen van de verdachte onmiddellijk na -zonder tijd voor beraad- het door hem genomen besluit om het slachtoffer te doden. Het hof verwerpt het verweer."

De Hoge Raad oordeelde:

"2.5. Het Hof heeft zijn oordeel echter, gelet op hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed tijdens het steken, terwijl aan zijn oordeel over de voorbedachte raad niet afdeed "de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid dat de verdachte daarbij een waas voor ogen zou hebben gehad". Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld."

Opnieuw laat de Hoge Raad zien te hechten aan een deugdelijk onderbouwd oordeel over het ontbreken van mogelijke contra-indicaties voor bestaan van voorbedachte raad.

22. Ten slotte moet de vraag onder ogen worden gezien of in het arrest van het Hof is voldaan aan de huidige eisen die aan motivering van voorbedachte raad worden gesteld. In het onderhavige geval heeft het Hof in de eerste plaats uiteengezet dat en waarom de verdachte de gelegenheid had om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven. Dat oordeel is, ook al gaat het hier om gelegenheid tijdens het uitoefenen van geweld op het slachtoffer, niet onbegrijpelijk nu de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer meermalen de vlucht hebben belet, hem over de grond hebben meegesleept naar het motorblok, hem uiteindelijk daaraan hebben vastgebonden en het slachtoffer aldaar, terwijl hij nog in leven was, nog verder letsel hebben toegebracht. Vervolgens heeft het Hof zich er rekenschap van gegeven dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging:

"Het hof heeft noch uit het dossier noch uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld enige aanwijzing bekomen dat het handelen door de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Dat daarvan sprake zou zijn is ook van de zijde van de verdediging niet aangevoerd."

Dat oordeel scherpt het Hof nog aan door erop te wijzen dat verdachte iemand blijkt te zijn die onder alle omstandigheden emotieloos en koelbloedig opereert. Naar mijn oordeel voldoen de overwegingen van het Hof dus aan de eisen die in de jongste rechtspraak aan het bewijs van voorbedachte raad worden gesteld.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft toegewezen tot een hoger bedrag dan de Rechtbank hoewel deze benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd.

25. In de onderhavige zaak is sprake van twee benadeelde partijen, [benadeelde partij 2] (echtgenote van het slachtoffer) en [benadeelde partij 1] (moeder van het slachtoffer).

26. [Benadeelde partij 2] heeft oorspronkelijk een bedrag van € 9491 gevorderd, [benadeelde partij 1] een bedrag van € 10.808,11. De Rechtbank heeft de vordering van [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van € 2.648 en de vordering van [benadeelde partij 1] geheel toegewezen (€ 10.808,11). [Benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn in hoger beroep verschenen. Zij hebben zich niet opnieuw voor het gehele bedrag van hun vorderingen gevoegd zodat hun vorderingen in hoger beroep voortduren voor zover zij in eerste aanleg zijn toegewezen (art. 421 lid 2 Sv).

27. Het Hof heeft aan [benadeelde partij 2] toegewezen een bedrag van € 10.808,11, aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 2.648. Het Hof heeft dus in strijd met het bepaalde in art. 421 lid 2 Sv aan [benadeelde partij 2] een hoger bedrag toegewezen dan het bedrag waarvoor haar vordering in hoger beroep ingevolge art. 421 lid 2 Sv voortduurde.

28. In aanmerking genomen dat het Hof aan de benadeelde partijen dezelfde bedragen heeft toegewezen als de Rechtbank moet worden aangenomen dat het Hof bij de toewijzing van de vorderingen de namen van de benadeelde partijen heeft verwisseld.

29. Nu het totaal aan door het Hof toegewezen bedragen niet verschilt van het totaal aan door de Rechtbank toegewezen bedragen leidt verdachte door deze verwisseling van namen geen enkel financieel nadeel. Derhalve heeft de verdachte bij het middel geen rechtens te beschermen belang.

30. Het middel faalt en kan worden afgedaan op de voet van art. 81RO.

31. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Smidt II, p. 431.

2 G.A. van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrecht, vierde druk, bewerkt door J.V. van Dijck, 1927, p. 310.

3 D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche strafrecht, eerste deel, vijfde druk, 1927, p. 247.

4 Zo uitgesproken door de Officier van Justitie te Winschoten A.A. Cnopius, De voorbedachte raad van art. 289 Swb., Tijdschrift voor Strafrecht 1916, p. 301-321, in het bijzonder p. 316.

5 T.J. Noyon, Het Wetboek van Strafrecht, vijfde druk, 1949, bewerkt door G.E. Langemeijer, p. 100.

6 Zo ook H.B. Vos, Leerboek van het Nederlandsch Strafrecht, tweede druk, 1947, p. 137, en D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, vierde druk, 1968, p.109.

7 NLR art. 289 Sr, aant. 1a (suppl. 101), J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, 2003, p. 252.

8 HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002, 208. In deze laatste uitspraak en in HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280 wordt met hantering van dit criterium de (impliciete) verwerping van het verweer dat sprake was van een plotselinge gemoedsopwelling voldoende bevonden. Demeersseman, a.w., p. 14 e.v., noemt rechtspraak van voor 1886, waarin voor de voor moord vereiste "premeditatie" voldoende werd geacht dat de verdachte het plan had een ander aan te vallen.

9 Smidt II, p. 431.

10 O.a. HR 11 juni 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002, 208, HR 25 januari 2000, NJ 2000, 280 en HR 22 februari 2005, LJN AR5714, rov. 4.4.

11 R.S.T. Gaarthuis, Voorbedachte raad: een objectief vereiste?, DD 2009, p. 1142-1158.

12 F.S. Bakker, Voorbedachte raad, DD 2011, p. 220-246.

13 NJ 2012, 518, m.nt. B.F.Keulen onder NJ 2012, 519. Die tweeslachtigheid klinkt ook nog door in het commentaar van De Hullu op dit arrest: J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2012, vijfde druk, p. 250, 251.

14 NJ 2012, 519, m.nt. B.F.Keulen.

15 NJ 2012, 519.

16 J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, Arnhem: Gouda Quint bv 1996, vijftiende druk, p. 239. Zie ook A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf, diss. Groningen 2008, p. 62.

17 Smidt II, p. 432.

18 HR 22 mei 2012, LJN BU2016, HR 12 juni 2012, LJN BW7948 en HR 3 juli 2012, LJN BW4254.