Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BY0572

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
12/02463
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2012:BV5025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY0572
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling minderjarige. Procespartijen verzoekschriftprocedure, belanghebbenden. Kostenveroordeling ten gunste van belanghebbende, art. 289 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/60
NJB 2013/251
RvdW 2013/174
JWB 2013/46
JBPR 2013/27 met annotatie van Mr. G. van Rijssen
JPF 2013/62
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/02463

Mr. Huydecoper

Zitting van 12 oktober 2012

Conclusie inzake

[De vader]

verzoeker tot cassatie

tegen

[De moeder]

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. In cassatie gaat het alleen om de vraag, of het hof in de in cassatie bestreden beschikking met recht en op deugdelijke gronden een kostenveroordeling ten laste van de verzoeker tot cassatie, [de vader], en ten gunste van de verweerster, [de moeder], heeft uitgesproken. Deze beperkte inzet van het geschil in cassatie rechtvaardigt een tot het uiterste beknopte weergave van de feiten.

2. De zaak waarin het hof tot oordelen werd geroepen betrof een hoger beroep van [de vader] tegen een beschikking van de rechtbank waarbij ondertoezichtstelling, op de voet van art. 1:254 BW, werd uitgesproken terzake van de minderjarige [de zoon], geboren in april 2008, uit een (inmiddels geëindigde) relatie tussen de partijen in cassatie. Het Bureau Jeugdzorg Limburg (BJZ) werd daarbij tot gezinsvoogd benoemd.

De minderjarige [de zoon] is door [de vader] erkend, en de partijen oefenen gezamelijk het ouderlijk gezag uit.

3. Het verzoek tot ondertoezichtstelling was gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming in Maastricht, en de beide ouders werden in de desbetreffende zaak als belanghebbende aangemerkt en opgeroepen. Zij zijn ook beide verschenen. Zij bleken tegen de ondertoezichtstelling als zodanig geen bezwaar te hebben, maar [de vader] voerde aan dat de gezinsvoogdij daadwerkelijk zou moeten worden uitgeoefend vanuit de vestiging van het BJZ in Maastricht, en niet vanuit de vestiging van BJZ in Heerlen - Kerkrade. Met de medewerkers van die vestiging zou geen goede relatie bestaan, en daarom zou, daar komt het op neer, bij inschakeling van (medewerkers van) die vestiging geen goede uitvoering van de ondertoezichtstelling verwacht mogen worden.

4. In de eerste aanleg werd het verzoek, als gezegd, toegewezen, waarbij de rechtbank overwoog dat het de voorkeur had, de gezinsvoogdij vanuit de vestiging Maastricht van BJZ te effectueren.

Namens [de vader] werd hoger beroep ingesteld. Dat strekte er (alleen) toe dat de beslissing van de rechtbank zou worden vernietigd en dat expliciet bepaald zou worden dat de gezinsvoogdij (door BJZ) vanuit de vestiging Maastricht van BJZ uitgeoefend moest worden.

5. In de bestreden beschikking heeft het hof geoordeeld dat de wet geen ruimte biedt om een tot gezinsvoogd benoemd BJZ een aanwijzing zoals namens [de vader] verdedigd te geven; en dat [de vader] daarom in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Het hof merkte tevens het hoger beroep aan als misbruik van procesrecht, en sprak (zoals overigens namens [de moeder] was geopperd) een kostenveroordeling uit ten laste van [de vader] en in het voordeel van [de moeder].

6. Zoals ik al opmerkte, wordt in het cassatieberoep dat, overigens tijdig(2) en regelmatig, namens [de vader] is ingesteld, alleen het oordeel over de kostenveroordeling bestreden(3).

Van de kant van de in cassatie opgeroepen belanghebbenden is alleen namens [de moeder] een verweerschrift ingediend.

In het cassatierekest is, zoals regelmatig gebeurt, een voorbehoud gemaakt ten aanzien van aanvulling van het middel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel beschikbaar zou zijn geworden; maar van deze mogelijkheid is niet daadwerkelijk gebruik gemaakt.

Bespreking van het cassatiemiddel

7. Zoals al even ter sprake kwam, bestrijdt het middel niet de oordelen van het hof ten aanzien van de (niet-)ontvankelijkheid van het appel en het feit dat het handhaven van het appel als misbruik van procesrecht werd gekwalificeerd. Alleen het oordeel over de proceskostenveroordeling wordt aangevochten.

8. In de conclusie voor HR 10 december 2010, RvdW 2010, 1472, rechtspraak.nl LJN BO3344 schreef A-G Wesseling-Van Gent:

"2.18. Art. 289 Rv, dat op grond van art. 362 Rv van overeenkomstige toepassing is op rekestprocedures in hoger beroep, bepaalt dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. Hoewel het in familierechtelijke procedures gebruikelijk is dat de proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt, is de rechter echter niet tot compensatie verplicht. Hij kan dus een partij in de proceskosten van de wederpartij veroordelen, bijvoorbeeld als hij of zij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet.

Het is aan het inzicht van de rechter overgelaten een kostenveroordeling uit te spreken, zodat deze discretionaire bevoegdheid terzake van de feitelijke rechter in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dit geldt eveneens ten aanzien van de vraag of en, zo ja, op welke wijze de kosten zullen worden gecompenseerd als bedoeld in art. 237 Rv(4).

De discretionaire beslissing omtrent een veroordeling in de proceskosten behoeft geen motivering(5). Dat kan anders zijn wanneer partijen daarover hebben gedebatteerd. Wanneer het oordeel wordt gemotiveerd, dan moet die motivering uiteraard begrijpelijk zijn."

(Ik wijs er, ter voorkoming van misverstand, op dat de hieronder weergegeven voetnoten 4 en 5 tekstueel uit de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent zijn overgenomen, maar dat zij in de oorspronkelijke conclusie anders genummerd waren. Mijn vaardigheid in het tekstverwerkingsprogramma reikt niet zo ver, dat ik de oorspronkelijke nummering zou kunnen herstellen.)

9. Met de zojuist aangehaalde schets van het toepasselijke recht kan ik mij geheel verenigen(6). Voor de onderhavige zaak lijkt mij dan vooral van belang de vingerwijzing, dat de rechter tot een proceskostenveoordeling kan besluiten wanneer de desbetreffende partij nodeloos aanleiding tot het maken van kosten heeft gegeven. Het is dat geval, dat het hof in deze zaak kennelijk voor ogen heeft gestaan.

10. Het middel strekt er, als ik het goed lees, toe dat de in dit geval uitgesproken kostenveroordeling ten gunste van [de moeder] rechtens niet mogelijk zou zijn dan wel nadere motivering zou behoeven omdat [de moeder] niet als de effectieve wederpartij van [de vader] zou mogen worden aangemerkt en/of omdat [de moeder] het appel van [de vader] niet effectief zou hebben tegengesproken (zodat [de vader] ten opzichte van [de moeder] niet als "verliezende partij" zou mogen worden aangemerkt).

11. Ik denk dat dit betoog niet behoort te worden aanvaard. In de eerste plaats denk ik dat de ruime, discretionair uit te oefenen bevoegdheid die de wet de rechter in art. 289 Rv. toekent, ook ruimte biedt om, wanneer een verzoeker/appellant nodeloos heeft veroorzaakt dat een belanghebbende kosten heeft opgelopen, een kostenveroordeling ten gunste van die belanghebbende uit te spreken, ook als de belanghebbende in kwestie het standpunt van de verzoeker/appellant niet inhoudelijk heeft bestreden. Dat feit doet er immers niet aan af dat de betrokkene door het initiatief van de verzoeker/appellant nodeloos is gebracht in een positie waarin hij (naar men mag aannemen: redelijkerwijs) kosten heeft gemaakt.

12. En in de tweede plaats is het zo dat het hof heeft kunnen aannemen dat de positie die [de vader] in hoger beroep betrok, van de kant van [de moeder] niet ongeclausuleerd werd gesteund dan wel aanvaard. In het verweerschrift namens [de moeder] in appel wordt er op gewezen dat aanwijzing van een functionaris in Maastricht voor de daadwerkelijke begeleiding van de gezinsvoogdij slechts onder bepaalde voorwaarden acceptabel was, en is een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de medewerking van [de vader] (aan bepaalde ten aanzien van de minderjarige voorgenomen pedagogische maatregelen). Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de moeder] zich daar in dezelfde zin uitgelaten; met dien verstande dat zij tevens aangaf dat zij geen gunstige uitkomst verwachtte(7) én ook, dat aanspraak werd gemaakt op een kostenveroordeling.

13. Dat zo zijnde kon het hof ook in zijn beoordeling betrekken, dat [de moeder] wel degelijk in de appelprocedure een eigen standpunt verdedigde, dat niet onverkort met het namens [de vader] verdedigde standpunt spoorde; en kon ook dat ertoe bijdragen, dat het hof een kostenveroordeling ten aanzien van de nodeloos ondernomen appelprocedure als passend aanmerkte.

14. In de klacht wordt nog een beroep gedaan op art. 243 Rv.; maar zoals van de kant van [de moeder] terecht is opgemerkt, was die bepaling al geschrapt toen de onderhavige verzoekschriftprocedure in gang werd gezet. Al daarom kan aan deze klacht voorbij worden gegaan.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie rov. 3.1 van de bestreden beschikking.

2 De beschikking van het hof is van 14 februari 2012. Het cassatierekest is op 14 mei 2012 ingediend.

3 Ik merk volledigheidshalve op dat een kostenveroordeling een voldoende belang oplevert om een beroep in cassatie te rechtvaardigen, HR 22 september 2006, NJ 2007, 188, JBPr 2007, 56 m.nt. F.J.H. Hovens, rov. 3.2.2. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2009, nr. 183; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 81, p. 83 - 84; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 48, i.h.b. p. 113.

4 Zie HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651, mijn conclusie vóór deze beschikking onder 2.3-2.6 alsmede mijn conclusie vóór HR 11 juli 2008, LJN BD3422, onder 2.6 en 2.7.

5 Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, art. 289, aant. 2 (Schaafsma-Beversluis); HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 68.

6 Die schets strookt ook met een eenstemmige literatuur: Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Schaafsma-Beversluis, art. 289, aant. 2 en 3; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Van Mierlo, 2012, art. 289, aant. 2; Den Hartog Jager, (Echt)scheidingsprocesrecht, 2010, nr. 241; Visser, EB 2010, 2; Zon, EB 2008, 20. Zie ook Van Mierlo-Bart, Parlementaire Geschiedenis van de Herziening van het Burgerlijk Procesrecht (etc.), 2002, p. 450. In HR 6 oktober 2006, NJ 2006, 656 m.nt. Wortmann, rov. 3.4.2 werd de beoordeling van de in dat geval gegeven kostenveroordeling (wel) als ontoereikend aangemerkt.

7 Letterlijk: "Ik wist op de voorhand dat dit niet zou gaan lukken."