Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:982

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-09-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
13/00923
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:666, Contrair
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Subjectieve vrijstelling ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb voor een AWBZ-toegelaten private thuiszorginstelling die niet zelf feitelijk zorg verleent maar bemiddelt, onderhandelt en coördineert? Temporeel dynamische vrijstelling? Grammaticale of teleologische uitleg van de wet? Werkzaamheidstoets en winstbestemmingstoets

Feiten: De belanghebbende is een door het Cvz toegelaten stichting die AWBZ-geld ontvangt ter uitvoering van de AWBZ. Zij bemiddelt en coördineert bij de thuiszorgvraag, het thuiszorgaanbod, de zorgorganisatie en de zorgfinanciering en zij vervult administratieve taken. De feitelijke thuiszorg wordt verleend door ZZP-ers. Het AWBZ-geld betaalt zij voor een groot deel aan andere bij de zorgverlening betrokken partijen, vooral aan de ZZP-ers, op basis van budgettering en nacalculatie. De belanghebbende heeft steeds exploitatie¬overschotten behaald. Zij heeft voor 2002-2005 geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan omdat zij onder meer meende subjectief te zijn vrijgesteld. De Inspecteur was een tegengestelde mening toegedaan.

De Rechtbank acht de belanghebbende niet vrijgesteld; het Hof wel.

Cassatiemiddel Staatssecretaris: Het Hof heeft ten onrechte of onbegrijpelijk geoordeeld dat (i) de belanghebbende haar winst enkel ten nutte van een algemeen belang kon aanwenden en (ii) niet is vereist dat de belanghebbende zelf de feitelijke zorg verleent.

A-G Wattel constateert dat in cassatie alleen de werkzaamheidstoets ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb en de winstbestemmingstoets ex art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb in geschil zijn. Grammaticale interpretatie van de wettekst leidt tot niet-toepassing van de vrijstelling, nu belanghebbendes werkzaamheid niet is “de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen”, maar art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb moet volgens de A-G teleologisch uitgelegd worden, en bovendien dynamisch, gezien (i) het door de wetgever gewenste maatschappelijk-dynamische karakter van de vrijstelling, (ii) de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de zorg en (iii) de jurisprudentie. Het standpunt van de Staatssecretaris dat eigen handen aan het bed vereist zijn, vloeit niet uit de wet of de wetsgeschiedenis voort. Ook belanghebbendes middellijke zorgverleningsdiensten kunnen kwalificeren. ’s Hofs oordeel geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is ’s Hofs oordeel over belanghebbendes werkzaamheid feitelijk en niet-onbegrijpelijk.

’s Hofs oordeel omtrent de winstbestemmingstoets is volgens de A-G feitelijk en daarmee in cassatie beperkt toetsbaar. Dat oordeel lijkt - uitsluitend - voor een deel van 2005 (nl. het deel na belanghebbendes statutenwijziging van 22 november 2005) onvoldoende gemotiveerd of mogelijk rechtens onjuist omdat het Hof niet heeft vastgesteld wat de statuten in die periode bepaalden over de bestemming van een overschot bij vereffening. Daaraan kan de Hoge Raad zijns inziens echter voorbij gaan op grond van art. 29e(2) AWR (‘punten van ondergeschikte aard’).

Conclusie: cassatieberoep Staatssecretaris ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2342
V-N 2014/5.22 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2628
NTFR 2014/1083 met annotatie van Mr. C. Bruijsten
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. P.J. Wattel

Advocaat-Generaal

Conclusie van 27 september 2013 inzake:

Nr. 13/00923

De Staatssecretaris van Financiën

Nrs. Rechtbank: AWB 09/5447, 09/5448, 09/5449 en 09/5450

Nrs. Gerechtshof: 11/00501, 11/00502, 11/00503, 11/00525 en 11/00531

Derde Kamer A

tegen

Vennootschapsbelasting 2002 t/m 2005

Stichting [X]

1 Inleiding

1.1

De belanghebbende is een door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) toegelaten stichting die AWBZ-geld ontvangt ter uitvoering van de AWBZ. Zij bemiddelt en coördineert bij de thuiszorgvraag, het thuiszorgaanbod, de zorgorganisatie en de zorgfinanciering en zij vervult administratieve taken. Zij heeft zelf geen handen aan het bed. De feitelijke thuiszorg wordt verleend door ZZP-ers. Het door haar ontvangen AWBZ-geld betaalt zij voor een groot deel aan andere bij de zorgverlening betrokken partijen, zoals met name de genoemde ZZP-ers, zulks op basis van budgettering en nacalculatie. De belanghebbende heeft steeds exploitatieoverschotten behaald. Zij heeft voor de litigieuze belastingjaren geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan omdat zij meende geen onderneming te drijven, niet in concurrentie te treden met belastingplichtige lichamen, haar exploitatieoverschotten aan een herbestedingsreserve te kunnen doteren, dan wel subjectief te zijn vrijgesteld. De Inspecteur was op alle vier punten een tegengestelde mening toegedaan.

1.2

In cassatie houdt de partijen nog slechts verdeeld de vraag of de belanghebbende subjectief is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.

1.3

In de geschiljaren waren ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb subjectief vrijgesteld lichamen die als instelling van weldadigheid of algemeen nut (instellingstoets) nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichten bestaande uit genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen (werkzaamheidstoets). Voor deze vrijstelling was voorts ex art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb vereist dat eventuele winst alleen ten gunste kan komen van een subjectief vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (winstbestemmingstoets).

1.4

In cassatie zijn alleen de werkzaamheidstoets en de winstbestemmingstoets in geschil. Grammaticale interpretatie van de wettekst leidt tot niet-toepassing van de vrijstelling, nu belanghebbendes werkzaamheid niet is “de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen”. Het is echter - ook volgens de Staatssecretaris - niet de bedoeling van de wetgever geweest AWBZ-thuiszorg van de vrijstelling uit te sluiten. Mijns inziens moet art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb daarom teleologisch uitgelegd worden, en bovendien dynamisch, gezien (i) het door de wetgever gewenste maatschappelijk-dynamische karakter van de vrijstelling, (ii) de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de zorg en (iii) de jurisprudentie. Des fiscus’ standpunt dat eigen handen aan het bed vereist zijn, vloeit niet uit de wet of de wetsgeschiedenis voort. Ook belanghebbendes middellijke zorgverleningsdiensten kunnen kwalificeren. ’s Hofs oordeel geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is ’s Hofs oordeel over belanghebbendes werkzaamheid feitelijk en niet-onbegrijpelijk.

1.5

Aan de winstbestemmingstoets is in beginsel voldaan als statutair voldoende duidelijk is bepaald dat eventuele jaarwinst, en bij vereffening een batig saldo, enkel ten goede kan komen aan een subjectief vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang. ’s Hofs oordeel daaromtrent is feitelijk en daarmee in cassatie beperkt toetsbaar. Zijn oordeel lijkt - uitsluitend - voor een deel van 2005 (nl. het deel na belanghebbendes statutenwijziging van 22 november 2005) onvoldoende gemotiveerd of mogelijk rechtens onjuist omdat hij niet heeft vastgesteld wat de statuten in die periode bepaalden over de bestemming van een overschot bij vereffening, maar ik meen dat u daaraan voorbij kunt gaan op grond van art. 29e(2) AWR (‘punten van ondergeschikte aard’).

1.6

Ik geef u daarom in overweging het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

2 De feiten

De uitvoering van de AWBZ

2.1

De AWBZ is een verplichte verzekering voor inwoners tegen ziektekosten die niet door de verplichte basis-ziektekostenverzekering worden gedekt en die door vrijwel niemand op te brengen zijn. Verzekerd is bijvoorbeeld zorg bij langdurige ziekte of beperking of bij hoge ouderdom. Thuiszorg werd in de litigieuze jaren bekostigd uit zowel de AWBZ als de ziektekostenverzekering. In de litigieuze jaren waren het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) en het College van Toezicht op de Zorgverzekeringen (CTZ) belast met het toezicht op de uitvoering van de AWBZ.1

2.2

Tot 2005 stelden Regionale Indicatie Organen (RIO’s) de zorgbehoefte van een thuiszorgvrager vast in een ‘indicatie’ van het aantal en de aard van de te verstrekken zorguren. Met die indicatie kon de thuiszorgvrager een toegelaten thuiszorginstelling om zorg vragen. Op 1 januari 2005 is de indicatiestelling overgegaan naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De RIO’s en het CIZ waren/zijn onafhankelijk van zowel de zorgvragers als de zorgaanbieders en ook van de feitelijke zorgverleners.

2.3

De uitvoering van de AWBZ is deels opgedragen aan de zorgverzekeraars, die voor die taak veelal aparte rechtspersonen hebben opgericht. Die rechtspersonen zijn door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bij Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering2 (ABZ) aangewezen als verbindingskantoren. De feitelijke uitvoering van de AWBZ geschiedt ingevolge het op het ABZ gegronde Aanwijzingsbesluit administratie-instellingen bijzondere ziektekosten (AAIBZ)3 regionaal door zorgkantoren. Er zijn 32 zorgregio’s. Doordat de aanwijzing van een verbindingskantoor door de Minister van VWS meer zorgregio's kan betreffen, kan één verbindingskantoor meer zorgkantoren beheren. Een zorgkantoor werkt voor alle AWBZ-verzekerden binnen zijn regio, ongeacht de zorgverzekeraar bij wie zij verzekerd zijn.

2.4

Het verbindingskantoor stemt via zijn zorgkantoren AWBZ-zorgvraag en -aanbod op elkaar af. Het koopt zorg in, sluit overeenkomsten met toegelaten4 zorgaanbieders en ziet toe op correcte besteding van het AWBZ-geld. De verbindingskantoren onderhandelen elk jaar met zorgaanbieders over het tarief per zorgsoort (huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, behandeling en verblijf) en het totale zorgvolume. In de litigieuze jaren werd het tarief vastgesteld door het CTG. Op basis van het aldus gebudgetteerde tarief worden de gebudgetteerde volumes (gerekend in zorguren) uitbetaald aan de zorgaanbieders. Het tarief wordt tevens gebruikt bij de nacalculatie: het afrekenen op basis van de werkelijk geleverde zorgvolumes. Het gebudgetteerde zorgtarief per (medische) handeling bestaat uit vele componenten. Eén van deze componenten is een opslag tot dekking van ‘aanvaardbare kosten’. Het verschil tussen de aanvaardbare kosten en de werkelijke kosten moet de zorgaanbieder aan een ‘reserve aanvaardbare kosten’ (RAK) toevoegen c.q. onttrekken.

2.5

Naast de zorgverzekeraars en de genoemde bestuursorganen bestond in de litigieuze jaren ook nog de BV Centraal Administratie Kantoor (CAK BV) dat (thans) is belast met wettelijke taken zoals het innen van eigen bijdragen van zorgvragers en het aan verzekerden betalen van tegemoetkomingen in de kosten van onder meer chronische ziekten, handicaps en psychische zorg (zie art. 49 AWBZ). Aandeelhouders van CAK BV waren de zorgverzekeraars. Met ingang van 2013 is CAK BV omgevormd tot een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan, het CAK (zie art. 48 t/m 51d AWBZ).5

De casus

2.6

Stichting [X] (de belanghebbende) is op 6 mei 1996 opgericht. Zij biedt landelijk thuiszorg aan. Haar bestuur bestond tot 9 januari 2006 uit [A], diens echtgenote [B], en [C]. Zij is ex art. 8 AWBZ (tekst t/m 2005) toegelaten als thuiszorginstelling op de markt voor AWBZ-zorg.

2.7

De belanghebbende werkt samen met - kennelijk door haar geïnitieerde - regionale steunpunten die zelfstandig werken met een eigen directie en van de belanghebbende onafhankelijke eigenaren. De steunpunten hebben zelf veelal geen AWBZ-toelating en hebben die ook niet nodig. De steunpunten informeren hun cliënten, de zorgvragers, over de mogelijkheden op (thuis)zorggebied en wat daar (administratief) bij komt kijken. Zij coördineren voor hun cliënten naast zorg in natura ook persoonsgebonden budgetten of particulier gefinancierde zorg.

2.8

De belanghebbende verleent geen feitelijke thuiszorg: die wordt verleend door zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers). Zij die als thuiszorgverlener willen werken, kunnen zich bij een steunpunt aanmelden of worden door een steunpunt benaderd. Als een zorgverlener voldoet aan de door belanghebbende en de beroepsgroep gestelde eisen met betrekking tot de verklaring van gedrag, diploma’s en dergelijke, wordt hij/zij opgenomen in een bestand van het steunpunt en de belanghebbende en kan hij/zij worden ingezet door de belanghebbende. De belanghebbende verzorgt onder meer workshops voor zorgverleners.

2.9

Wanneer een zorgvrager met een indicatie van het RIO c.q. CIZ zich meldt bij een steunpunt waarmee de belanghebbende samenwerkt, wordt door het steunpunt een beschikbare zorgverlener met de benodigde kwalificaties gezocht. De belanghebbende verleent vervolgens via het steunpunt op basis van haar AWBZ-toelating de geïndiceerde zorg in natura. Zij heeft daartoe met zorgverzekeraar Agis een thuiszorgovereenkomst in de zin van art. 15 AWBZ gesloten (de thuiszorgovereenkomst).6 De zorgverlener sluit voorts een individuele zorgverleningsovereenkomst met de zorgvrager. De zorgverlener verleent het aantal geïndiceerde uren thuiszorg en de zorgvrager tekent voor akkoord op een urenbriefje, dat de zorgverlener inlevert bij het steunpunt, dat het briefje controleert. Het urenbriefje wordt doorgezonden aan de belanghebbende, die dat nogmaals controleert. Bij akkoordbevinding betaalt de belanghebbende de afgesproken vergoeding aan de zorgverlener en een bemiddelingsvergoeding aan het steunpunt. Verleent de zorgverlener de thuiszorg niet naar tevredenheid van de zorgvrager, dan kan een klacht daarover door de klachtencommissie van de belanghebbende worden behandeld.

2.10

De belanghebbende doet de administratie die benodigd is om AWBZ-geld te ontvangen en de steunpunten en de zorgverleners te betalen. Voor de aan de zorgvrager geleverde uren thuiszorg ontvangt de belanghebbende ingevolge de thuiszorgovereenkomst van het zorgkantoor een vergoeding uit het AWBZ-fonds.

2.11

Belanghebbendes activiteiten bestaan onder meer uit:

- ( prijs)onderhandeling met de betrokken instanties, zoals zorgkantoren, het CTG en de overheid;

- nacalculaties in verband met extra zorguren ten opzichte van het aantal geplande zorguren in het voorafgaande jaar;

- zorgen voor de financiering van het thuiszorgbudget op basis van de met de betrokken instanties gemaakte afspraken;

- opbouwen en in stand houden van een netwerk van steunpunten en zorgverleners om de continuïteit van de zorg te waarborgen conform de AWBZ-normen;

- administratieve afwikkeling en publicatie van jaarstukken in overeenstemming met de eisen voor een AWBZ-thuiszorginstelling;

- gegevensverstrekking aan het CAK, dat eigen bijdragen van zorgvragers berekent en int;

- administratieve afhandeling van de door de steunpunten verleende diensten;

- administratieve afhandeling van de door de zorgverleners verleende diensten;

- voeren van de financiële administratie;

- overleg met de fiscus;

- advisering over bedrijfsvoering;

- acquisitie ten behoeve van de zorgverleners

- fungeren als aanspreekpunt voor vragen van steunpunten, van zorgverleners, en vooral van zorgvragers;

- behandeling van klachten van zorgvragers.

2.12

De belanghebbende heeft een op 9 oktober 1996 gedateerde brief van de Inspecteur ontvangen die onder meer het volgende inhoudt:

“Betreft: Beoordeling belastingplicht vennootschapsbelasting

U heeft mij het formulier teruggezonden, waarin ik informatie vroeg om de belastingplicht te kunnen beoordelen. Na beoordeling van de antwoorden deel ik u [mede] dat deze rechtspersoon niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. De reden hiervoor is dat er geen belaste activiteiten in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verricht worden.”

2.13

Sinds 14 februari 1998 is de belanghebbende een toegelaten AWBZ-thuiszorginstelling.7 Dat geeft haar de bevoegdheid tot het (doen) verlenen van AWBZ-zorg. Op basis van deze toelating mag de belanghebbende uit AWBZ-middelen gefinancierde zorg in natura (doen) verlenen aan zorgvragers.

2.14

Vanaf 1998 maakt de belanghebbende omzet. Zij heeft geen aangiftebiljetten vennootschapsbelasting gevraagd, omdat zij zich niet belastingplichtig acht. Doordat zij minder kosten maakte dan gebudgetteerd in de CTG-tarieven, realiseerde zij exploitatie-overschotten. Zij geniet de vrijstelling van omzetbelasting ex art. 11(1)(g)(2º) Wet OB.8

2.15

Op 22 oktober 1999 heeft de Inspecteur een bedrijfsbezoek bij de belanghebbende afgelegd. Dit bezoek heeft geleid tot een rapport, gedagtekend 30 november 1999, waarin onder meer is vermeld dat het doel van het bezoek was:

“inzicht te krijgen in de werkwijze en de feitelijke bedrijfsuitoefening van de Stichting.”

Belanghebbendes werkwijze kwam er volgens het rapport op neer dat

“naast het verwerven en administreren van de financiële middelen de stichting zich richt op de ondersteuning en begeleiding van zelfstandige zorgproffessionals.”

2.16

De Inspecteur is op 19 december 2002 opnieuw bij de belanghebbende op bezoek geweest, hetgeen leidde tot een rapport van 3 juni 2003. Het doel van dit bezoek was

“duidelijkheid te verschaffen wanneer freelance thuisverzorgers

- als “ondernemers voor de inkomstenbelasting”

- als “resultaatgenieters”

worden aangemerkt.”

Dit rapport gaat niet in op mogelijke vennootschapsbelastingplicht van de belanghebbende.

2.17

Na het laatste bezoek heeft de controlerende ambtenaar er een specialist vennootschapsbelasting bij gehaald. Daarna heeft de Inspecteur de belanghebbende op 13 januari 2004 bericht dat zij belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting op grond van art. 2(1)(d)9 jo. art. 4 Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb), omdat zij behartigt:

“(...) de belangen voor een beperkte groep (zelfstandige ondernemers die zorg verlenen aan patiënten), treedt min of meer op als aanspreekpunt voor deze groep (vormt een soort overkoepelende organisatie voor kennisbewaking, continuïteit, klachtenbehandeling en tariefstelling) en is een soort tussenpersoon voor financiële middelen. Deze diensten zijn ons insziens vergelijkbaar met bijvoorbeeld de diensten die worden verricht door een willekeurige assurantietussenpersoon of commercieel bemiddelingskantoor in financiële dienstverlening. Indien dergelijke ondernemingen ook in de vorm van een stichting, coöperatieve vereniging, nv of bv wordt gedreven, zijn deze ondernemingen belastingplichtig voor de vpb op grond van artikelen 2 en 4 Wet Vpb.”

De Inspecteur achtte de belanghebbende voorts noch op grond van art. 5 Wet Vpb, noch op grond van art. 6 Wet Vpb. subjectief vrijgesteld.

2.18

De belanghebbende stelde bij antwoord van 18 februari 2004 niet vennootschaps-belastingplichtig te zijn omdat zij geen onderneming drijft en niet in concurrentie treedt met vergelijkbare belastingplichtige organisaties. Zij achtte de vergelijking met financiële dienstverleners onjuist en vergeleek zichzelf met andere AWBZ-thuiszorginstellingen die ex art. 5(1)(c) Wet Vpb zijn vrijgesteld. Zij meende - ten overvloede - geen belastbare winsten te hebben omdat zij een eventueel overschot geheel aan de RAK moest toevoegen. Zij heeft daarom de uitgereikte aangiftebiljetten oningevuld geretourneerd. De Inspecteur heeft daar niet op gereageerd.10 Aanslagen over 1999 en 2000 zijn niet opgelegd omdat de termijn daarvoor was verlopen; de aanslag over 2001 is vernietigd in verband met een fout.11

2.19

Bij brief van 30 augustus 2004 heeft de Inspecteur een in 2005 aangevangen boekenonderzoek aangekondigd tot beoordeling van belastingplicht voor de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting en tot bepaling van het materiële fiscale belang.

2.20

Tot 3 maart 2005 luidde belanghebbendes doelomschrijving als volgt (art. 2 van de statuten):

“1. Het ontwikkelen en bevorderen van de privatisering van de sociaal-maatschappelijke dienstverlening, alles in de ruimste zin des woords.

2. Een eventueel batig saldo van de stichting wordt bij vereffening zoveel mogelijk besteed overeenkomstig het doel van de stichting.”

Vanaf 3 maart 2005 tot 22 november 2005 luidde de statutaire doelomschrijving (art. 2 van de statuten):

“1. De stichting heeft ten doel: het aanbieden, het uitvoeren en doen uitvoeren van en verlenen van diensten en zorgtaken op het gebied van thuisverzorging en -verpleging, daaronder mede begrepen de huishoudelijke, persoonlijke en gespecialiseerde verzorging en verpleging van ouderen, zieken en gebrekkigen en alles wat met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt en daartoe bevorderlijk kan zijn.

2. Onder het doel van de stichting wordt mede begrepen het doen van uitkeringen met een ideële of sociale strekking aan een algemeen maatschappelijk belang, zulks ter keuze van het bestuur van de stichting.”

Gedurende deze periode luidde art. 9 van de statuten, voor zover van belang:

“4. Een eventueel batig saldo van de stichting in enig boekjaar kan uitsluitend worden aangewend ten bate van de stichting zelf of van een algemeen maatschappelijk belang.

5. Het bestuur is bevoegd om voorzieningen te creëren op de voet van artikel 2:374 Burgerlijk Wetboek en om ten laste van een eventueel batig saldo reserves te creëren.”12

Art. 12(6) van de statuten luidde in deze periode als volgt:

“Het bestuur stelt bij het besluit tot ontbinding de bestemming van een eventueel batig liquidatiesaldo vast, welk batig saldo overeenkomstig het doel van de stichting wordt aangewend.”

Van 22 november 2005 tot 9 februari 2006 luidde de statutaire doelomschrijving als volgt:

“1. Het aanbieden, het (doen) uitvoeren en het (doen) verlenen van diensten en taken op het gebied van zorg in het algemeen en thuiszorg in het bijzonder, daaronder mede begrepen de huishoudelijke verzorging, verpleging en begeleiding van zorgbehoeftigen, waaronder ouderen, (chronisch) zieken en (fysieke, verstandelijke of meervoudig) gehandicapten en alles wat daarmee verband houdt.

2. Het doen van uitkeringen met een ideële of sociale strekking, dan wel ondersteuningen van sociale aard aan algemeen maatschappelijk belang, zulks ter goedkeuring van het bestuur van de stichting.”

Wat de statuten in die laatste periode bepaalden over een saldo na vereffening is niet vastgesteld door de feitenrechters. In het dossier heb ik voor andere perioden dan 3 maart 2005 tot 22 november 2005 geen volledig exemplaar van de statuten aangetroffen waaruit de bestemming van een batig saldo op te maken is.

2.21

Op 9 februari 2006 heeft de belanghebbende met terugwerkende kracht naar 1 januari 2006 haar rechtsvorm gewijzigd in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Sindsdien draagt zij de naam [G] Beheer B.V. en worden de beschreven werkzaamheden uitgeoefend door een dochtervennootschap.

2.22

In haar jaarrekeningen13 over 2003, 2004 en 2005 heeft de belanghebbende voorzien voor fiscale risico’s. Het boekenonderzoek genoemd in 2.19 heeft geleid tot een definitief rapport van 10 mei 2007 (het rapport), waarin de Inspecteur de belanghebbende ex art. 2(1)(d) Wet Vpb belastingplichtig acht voor de vennootschapsbelasting omdat zij (i) winst beoogt, (ii) niet subjectief is vrijgesteld ex art. 5 of 6 Wet Vpb omdat zij het algemeen nut niet beoogt, en (iii) een exploitatieoverschot niet aftrekbaar aan een RAK kan doteren omdat zij de RAK vrij kan besteden. Het rapport vermeldt (p. 30) de volgende bedragen aan omzet, management fees en resultaat van bedrijfsuitoefening (indien men de "voorziening fiscale risico’s” en de RAK-dotaties negeert, is de belastbare winst gelijk aan het bedrijfsresultaat):

2.23

Het rapport zegt over de RAK (p. 33):

“De RAK is een egalisatiereserve voor negatieve en positieve exploitatieresultaten. (volgens CTG) Voorts geldt dat AWBZ-middelen voor AWBZ-doeleinden moeten worden aangewend. (...). In de bespreking met AGIS is mij gebleken dat in theorie een thuiszorginstelling inderdaad zijn exploitatie-overschotten aan [de] RAK zou moeten toevoegen. In artikel 11 van [de thuiszorgovereenkomst] (...) staat over de RAK het volgende:

“Over besteding van de RAK, anders dan ter compensatie van negatieve exploitatieresultaten, dient overeenstemming te bestaan tussen thuiszorginstelling en zorgkantoor in het kader van het jaarlijks te voeren overleg.”

Zowel het zorgkantoor, als het CTG, beschikken echter niet over rechtsmiddelen om dit af te dwingen. AGIS controleert niet op de hoogte van de kosten, die de toevoeging aan de RAK beïnvloedt. Wanneer een exploitatie-overschot niet aan een RAK wordt toegevoegd of wanneer de RAK door de instelling besteed/verlaagd wordt, kan AGIS, zoal ze dit al ziet, geen actie ondernemen. AGIS beschikt niet over san[c]tiemiddelen, behalve het in een volgend jaar niet contracteren van de bewuste instelling.”

2.24

Bij de oplegging van aanslagen en verzuimboeten14 over de litigieuze jaren achtte de Inspecteur de passiefpost "voorziening fiscale risico’s" - uiteraard - niet aftrekbaar en heeft hij de dotaties aan de RAK geschrapt. De belanghebbende heeft tegen de aanslagen en boeten bezwaar gemaakt. De motivering van de bezwaarschriften is gelijk aan de argumentatie in haar brief van 18 februari 2004 aan de Inspecteur (zie 2.18).

2.25

Op basis van het rapport en een hoorgesprek heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen 2002 t/m 2005 bij uitspraak van 13 oktober 2009 afgewezen. Daartegen heeft de belanghebbende beroepen ingesteld bij de Rechtbank Haarlem (de Rechtbank).

3 Het geding in feitelijke instanties

3.1

Primair stelde de belanghebbende voor de Rechtbank dat de brief van de Inspecteur van 9 oktober 1996 (zie 2.12) het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat zij niet belastingplichtig is, en dat de Inspecteur geen redelijke termijn in acht heeft genomen indien hij geacht zou moeten worden dat vertrouwen te hebben opgezegd. Subsidiair stelde zij dat zij geen winstoogmerk had en winst redelijkerwijs ook niet viel te verwachten omdat een eventueel exploitatieoverschot aan de fiscaalrechtelijk als verplichting te beschouwen RAK moest worden toegevoegd en dat zij niet concurreerde met belastingplichtige lichamen die dezelfde activiteiten ontplooien. Meer subsidiair stelde zij te voldoen aan de voorwaarden voor subjectieve vrijstelling ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb. Nog meer subsidiair meende zij dat een eventueel exploitatieoverschot 2002 aan een herbestedingsreserve ex art. 15ba15 Wet Vpb kon worden toegevoegd, zodat de winst 2002 nihil bedroeg. Zouden al deze standpunten worden verworpen, dan maakte de belanghebbende aanspraak op (i) verrekening van verliezen 1995 t/m 2000 ad € 94.403, en (ii) investeringsaftrek ad € 29.159.

De Rechtbank 16

3.2

De Rechtbank achtte de belanghebbende in beginsel belastingplichtig:

“4.2. In de stellingen van de Inspecteur ligt het standpunt besloten dat bij belanghebbende sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die gericht is op deelname aan het economische verkeer. Aangezien zulks door belanghebbende niet is bestreden, gaat de rechtbank daarvan uit.

4.4. (...).

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende uitsluitend prestaties verricht jegens een beperkt aantal zorgvragers. Van het opereren in een besloten of interne kring is geen sprake. Iedere zorgvrager kan bij belanghebbende terecht. In beginsel kan iedere zorgverlener, mits deze aan de door belanghebbende vastgestelde normen voldoet, als ZZP’er werkzaamheden voor belanghebbende verrichten. Vaststaat dat de prestaties die door of namens belanghebbende worden verricht, geschieden tegen betaling.

4.5.

Belanghebbende heeft met haar activiteiten in de onderhavige jaren niet geringe exploitatie-overschotten behaald. Dienaangaande moet worden geoordeeld dat van incidentele voordelen geen sprake is, omdat van jaar tot jaar winst wordt gemaakt. Hieruit moet worden afgeleid dat bij belanghebbende kennelijk een winstoogmerk aanwezig is.

4.6.

Aannemelijk is geworden dat de hoogte van de behaalde exploitatieresultaten, en daarmee de hoogte van de door belanghebbende te verrichten dotaties aan de RAK, door belanghebbende zijn te beïnvloeden. In het controlerapport wordt (...) vermeld dat belanghebbende een deel van de AWBZ-inkomsten heeft gebruikt om haar bestuurders extra te belonen, hetgeen onder meer in 2003 heeft plaatsgevonden door middel van nabetaling van loon, pensioenaanspraken met terugwerkende kracht te verlenen en managementfees te verstrekken ten laste van de winst van belanghebbende komende die gedeeltelijk als winst bij de personal holdings van de bestuurders zijn terecht gekomen. Deze kosten hebben de exploitatieoverschotten verminderd.

Aangezien belanghebbende de mogelijkheid heeft de hoogte van het exploitatieresultaat te beïnvloeden en voorts het CTG noch het zorgkantoor de juridische mogelijkheden heeft dit tegen te gaan dan wel hiertegen sancties op te leggen, moet worden geoordeeld dat het saldo van de RAK in feite ter vrije beschikking staat aan belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de RAK die zij heeft gevormd voor haar een juridisch afdwingbare verplichting vormt die op enig moment dient te worden terugbetaald aan (...) het CTG en/of het zorgkantoor. De RAK kan daarom in fiscale zin niet als een reserve of voorziening worden aangemerkt. Toevoegingen daaraan kunnen niet ten laste van de winst worden aangemerkt. De RAK kan niet in de fiscale vermogensopstelling als passiefpost worden aanvaard. Daaraan doet niet af dat de toevoegingen afkomstig zijn uit AWBZ-middelen.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat belanghebbende een onderneming drijft in de zin van artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet [Vpb; PJW]. De vraag of belanghebbende in concurrentie treedt met andere ondernemers behoeft geen beantwoording meer.”

3.3

Over eventuele vrijstelling ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb overwoog de Rechtbank:

“4.10. Het oordeel dat belanghebbende een onderneming drijft in de zin van artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet brengt mee dat bij belanghebbende een commercieel belang voorop staat en niet een algemeen belang, zodat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als instelling van weldadigheid of algemeen nut, in de zin van artikel 5, lid 1, onderdeel c, van de Wet, noch dat bij belanghebbende een algemeen maatschappelijk of sociaal belang op de voorgrond staat, zodat zij niet tot de kring behoort die een herbestedingsreserve kan vormen in de zin van artikel 15ba van de Wet.”

3.4

Wel honoreerde de Rechtbank belanghebbendes beroep op opgewekt vertrouwen tot 14 januari 1004:

“4.13. Na de brief van 9 oktober 1996 hebben bezoeken bij belanghebbende plaatsgevonden die hebben geleid tot de rapporten van 30 november 1999 en 3 juni 2003. In die rapporten is geen aandacht besteed aan de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, terwijl die aangelegenheid van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met controle belaste ambtenaar had mogen ontsnappen. Derhalve moet worden geoordeeld dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de toezegging zoals neergelegd in de brief van 9 oktober 1996 ook na voormelde twee boekenonderzoeken gold.

4.14.

Dit vertrouwen is weggenomen door de inhoud van de brief van 13 januari 2004. Deze opzegging van de eerdere toezegging heeft onmiddellijke werking. Weliswaar betekent de opzegging een inbreuk op de verwachtingen van belanghebbende, doch belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, mede gelet op de aard van het geval en de aard van de toezegging, aanleiding zouden kunnen zijn de Inspecteur te verplichten aan de toezegging gedurende een zekere termijn na 13 januari 2004 eerbiedigende werking te verlenen. De stelling van belanghebbende dat haar een overgangstermijn geboden dient te worden om haar in de gelegenheid te stellen de zorgverleners niet langer als ZZP-ers de werkzaamheden te laten verrichten, maar als werknemers, kan haar niet baten, omdat zij de vrijstelling van artikel 5, lid 1, onderdeel c, van de Wet niet deelachtig is op de grond dat zij niet een algemeen nut beogende instelling is, en niet op de grond dat zij de zorgwerkzaamheden niet zelf verricht - zoals voormeld artikel eist -, doch door ZZP’ers laat verrichten.

4.15.

Dit brengt met zich dat belanghebbende vanaf 14 januari 2004 belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Aangezien geen van beide partijen zich heeft uitgelaten over de wijze waarop de belastbare winst over het jaar 2004 zou dienen te worden berekend, stelt de rechtbank de belastbare winst over dat jaar vast door middel van een breuk waarbij de teller het aantal dagen van het kalenderjaar na 13 januari (352) wordt opgenomen en in de noemer het totale aantal dagen in het jaar 2004 (366). Het belastbare bedrag wordt zodoende vastgesteld op 352/366 * € 3.696.390 = € 3.554.998.”

3.5

De Rechtbank heeft in één geschrift op 3 mei 2011 uitspraak gedaan; zij heeft de beroepen over 2002 t/m 2004 gegrond en het beroep over 2005 ongegrond verklaard. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam (het Hof).

3.6

De belanghebbende heeft bij twee afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak voor zover deze ziet op 2004 en 2005. Zij stelt dat, hoewel zij niet juridisch verplicht is de RAK terug te betalen of alleen te gebruiken voor AWBZ-verzekerde zorg, zij feitelijk wel een terugbetalingsplicht heeft omdat niet-terugbetaling ertoe kan leiden dat Agis de thuiszorgovereenkomst met haar opzegt, hetgeen haar doodsteek kan zijn. De RAK is dus niet vrij besteedbaar en moet worden aangemerkt als een fiscale reserve, voorziening of verplichting. De (na)betalingen van loon, pensioenaanspraken en management fees zijn zakelijke betalingen zijn die irrelevant zijn voor de kwalificatie van de RAK. Nu na dotatie aan de RAK geen exploitatieoverschotten resulteren, is er geen winst of winststreven, is er geen fiscale onderneming en is belastingplicht uitgesloten. Wat subjectieve vrijstelling betreft, miskent de Rechtbank dat beperkte belastingplicht ex art. 2(1)(d) Wet Vpb toepasselijkheid van een subjectieve vrijstelling niet uitsluit; zou dat wel zo zijn, zoals de Rechtbank meent, dan zijn de subjectieve vrijstellingen dode letters. De belanghebbende voldoet aan de werkzaamheidstoets (art. 5(1)(c) Wet Vpb; zie 5.3 hierna) en aan de winstbestemmingstoets (art. 4 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 197117; zie 5.7 hierna). Daaraan doet niet af dat zij (haar eigen werknemers) niet zelf de feitelijke zorg verlenen, nu die eis in wet noch wetsgeschiedenis wordt gesteld, en niet strookt met de ratio van de subjectieve vrijstelling. De Inspecteur wijst erop dat de Staatssecretaris bij besluit van 15 mei 2006 de eigen-handen-aan-het-bed-eis heeft gesteld (zie 5.10 hierna) en meent dat de belanghebbende in wezen slechts een administratieve dienstverlener is.

3.7

Ook de Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld, nl. voor zover de uitspraak ziet op 2002 t/m 2004. Hij bestrijdt dat de belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen kon hebben dat zij niet belastingplichtig was, nu de rapporten van 30 november 1999 en 3 juni 2003 juist géén standpunt over vennootschapsbelastingplicht innemen.

Het Hof 18

3.8

In hoger beroep was het geschil hetzelfde als in eerste aanleg, zij het dat de partijen ter zitting overeenkwamen dat als het Hof de belanghebbende belastingplichtig en niet subjectief vrijgesteld zou achten, de belastingplicht zou aanvangen op 14 april 2004, en het Hof vervolgens een herbestedingsreserve mogelijk zou achten, de belastbare winsten over de litigieuze jaren nihil zouden bedragen. De gemachtigde heeft blijkens het proces-verbaal ter zitting van het Hof onder meer als volgt verklaard:

“Na 1 januari 2006 is de RAK ten dele aangewend om de aanloopverliezen te financieren van deze nieuwe dochter-BV, [F] BV en om de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning mogelijk te maken. Tot en met 2005 was er geen aanwending van de RAK.”

3.9

Wat de belastingplicht betreft, was het Hof het eens met de Rechtbank:

“4.1.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen, en belanghebbende heeft dit in hoger beroep niet betwist, dat belanghebbende deelneemt aan het economische verkeer met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. Uit de statuten van belanghebbende (...) kan geen winstoogmerk bij belanghebbende worden afgeleid. Ook in hoger beroep is het geschil op dit punt derhalve toegespitst op de vraag of belanghebbende geacht moet worden naar winst te streven vanwege het structureel behalen van exploitatieoverschotten, hetgeen door de inspecteur wordt gesteld en door belanghebbende wordt betwist.

4.1.5.

Vaststaat dat belanghebbende in de onderhavige jaren structureel (ieder jaar) aanzienlijke exploitatieoverschotten heeft behaald, (…). Niet in geschil is dat deze exploitatieoverschotten voortvloeien uit AWBZ-gelden; het betreft het verschil tussen de door belanghebbende van het zorgkantoor ontvangen, naar gebudgetteerde tarieven berekende vergoedingen voor de door haar (middellijk) te verlenen AWBZ-zorg in natura en de door haar daarvoor gemaakte kosten.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende deze exploitatieoverschotten heeft beoogd, door te streven naar een efficiënte bedrijfsvoering waarbij de ABWZ-zorg wordt uitgevoerd tegen lagere kosten dan de daarvoor ontvangen (voorgecalculeerde) vergoedingen. Met deze overschotten is de continuïteit van haar organisatie beoogd en gewaarborgd.

4.1.6.

Belanghebbende stelt echter (...) dat uit het realiseren van bedoelde exploitatieoverschotten geen winststreven mag worden afgeleid, omdat deze overschotten niet aan haar ter vrije beschikking staan.

4.1.7. (...)

op grond van beleidsregels van het (toenmalige) CTG, [dienden] exploitatieoverschotten geboekt te worden op de rekening ‘Reserve Aanvaardbare Kosten’, welke is bedoeld als buffer voor het opvangen van negatieve exploitatieresultaten. Belanghebbende heeft daarop haar positieve exploitatieresultaten afgezonderd in een specifieke reserve, te weten de zogenoemde RAK. (...).

In dit verband is van belang dat belanghebbende met Agis is overeengekomen (in artikel 11 van [de thuiszorgovereenkomst] (...)) dat over de aanwending van deze RAK - anders dan ter compensatie van negatieve exploitatieresultaten - onderling overeenstemming moet bestaan. Echter, uit de onder (...) [2.23; PJW] weergegeven bespreking met Agis is op te maken dat het zorgkantoor niet over middelen beschikte om de wijze van besteding van de aan de RAK gedoteerde AWBZ-gelden in rechte af te dwingen. (...).

Alsdan komt het Hof tot de conclusie dat, zolang zij zich bezig hield met het (middellijk) verstrekken van ABWZ-gefinancierde zorgactiviteiten, voor belanghebbende rechtens dan wel in feite er geen verplichting bestond tot het op enigerlei wijze aanwenden van de RAK, afgezien van het aanzuiveren van eventuele exploitatieverliezen in toekomstige jaren. Veeleer moet worden aangenomen dat belanghebbende meer vrijheid heeft om over de RAK te beschikken, aangezien in het beroepschrift in eerste aanleg (par. 4.4) is vermeld dat belanghebbende voornemens is een deel van de RAK aan te wenden voor de bekostiging van zorg waarvoor geen AWBZ-financiering wordt ontvangen.

4.1.8.

Gelet op het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat uit het door belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2005 structureel realiseren van exploitatieoverschotten moet worden afgeleid dat belanghebbende heeft gestreefd naar het behalen van dergelijke overschotten, dat deze overschotten objectief voorzienbaar waren en dat belanghebbende op deze gronden geacht moet worden een winstoogmerk te hebben.

De omstandigheid dat deze overschotten op grond van beleidsregels dienen te worden gereserveerd voor (eventuele) verliezen in latere jaren, doet daar niet aan af (vgl. HR 6 december 1989, nr. 25.889, BNB 1990/91 en HR 17 oktober 2008, nr. 43.641, BNB 2009/36).

4.1.9.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Zo is haar stelling dat eerder ontvangen vergoedingen in de toekomst (ooit) zullen moeten worden terugbetaald indien de RAK niet wordt aangewend voor AWBZ-doeleinden, naar het oordeel van het Hof te onbepaald. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling dat het zorgkantoor de thuiszorgovereenkomst kan opzeggen bij het zonder overleg of instemming aanwending van de RAK. Belanghebbende heeft evenmin feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit kan [volgen; PJW] dat de RAK aangemerkt moet worden als, dan wel, alsnog omgezet kan worden in een (kostenegalisatie)reserve.

4.1.10.

Aan de beoordeling van de vraag of belanghebbende tevens in concurrentie treedt als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de Wet en (ook) op die grond belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, komt het Hof evenals de rechtbank niet toe.”

3.10

Over subjectieve vrijstelling dacht het Hof echter anders dan de Rechtbank. De belanghebbende voldeed volgens het Hof aan de statutaire, de werkzaamheids- en de winstbestemmingstoetsen en was daarom subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting:

“4.2.5. Belanghebbende heeft in hoger beroep terecht gesteld dat het onder 4.10 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Uit de systematiek van de Wet vloeit immers voort dat slechts wordt toegekomen aan de vraag of de zorgvrijstelling van toepassing is op een lichaam, nadat eerst de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting is vastgesteld. Aangezien een stichting (afgezien van de toepassing van artikel 4 van de Wet) slechts belastingplichtig is voor zover zij een onderneming drijft, komt de opvatting van de rechtbank erop neer dat een stichting (evenals andere (beperkt) belastingplichtigen) per definitie niet meer voor de zorgvrijstelling in aanmerking kan komen omdat zij een onderneming drijft. Daarmee zou, zoals belanghebbende terecht heeft gesteld, artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet een dode letter worden voor dergelijke beperkt belastingplichtige lichamen. Het Hof komt dan ook tot een andere wijze van beoordeling van dit geschilpunt en overweegt daartoe als volgt.

(...)

4.2.8.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende voldoet aan de zogenoemde instellingentoets van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet. Daarvoor is in de eerste plaats de statutaire doelstelling van belanghebbende van belang. Met haar doelomschrijving, verwoord in de verschillende versies van haar statuten zoals die in de onderhavige jaren van kracht waren, voldoet belanghebbende aan de voorwaarde dat zij is aan te merken als een instelling van algemeen nut als bedoeld in de zorgvrijstelling. De in de statuten genoemde primaire doelstelling (...) is naar het oordeel van het Hof rechtstreeks gericht op het bevorderen van het algemeen nut. Ook de wijze waarop belanghebbende haar statutaire doelstellig feitelijk nastreeft, is naar het oordeel van het Hof rechtstreeks gericht op het algemeen belang. Voor zover nodig verwijst het Hof in dit verband voorts naar hetgeen hierna is vermeld in het kader van de werkzaamhedentoets.

4.2.9.

Belanghebbende voldoet tevens aan de winstbestemmingstoets van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit [Vpb; PJW]. (...). Uit (...) [het rapport] blijkt dat de statuten van belanghebbende zoals deze in de jaren 2002 tot en met 2005 (in verschillende varianten) van kracht waren, aan deze voorwaarde voldoen, ook wat betreft de bestemming van een eventueel batig saldo bij vereffening.

4.2.10.

Voor de beoordeling van de vraag of de zorginstelling aan de werkzaamhedentoets voldoet acht het Hof de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van de Wet mede van belang. (...) [zie 5.1 en 5.2 hierna; PJW].

4.2.11.

Met de inwerkingtreding van de Wet ([Vpb; PJW]) is de reikwijdte van de subjectieve vrijstelling voor ‘instellingen van weldadigheid of van algemeen nut’, beperkt (...) [zie 5.3 hierna; PJW].

4.2.12. (...).

De werkzaamheden van belanghebbende die worden verricht door werknemers die, naar tussen partijen niet in geschil is, bij haar in dienst zijn hebben - kort gezegd - betrekking op het doen bemiddelen, adviseren en tot stand brengen van overeenkomsten tussen zorgverleners en zorgvragers, de organisatie van de zorgverlening waaronder het opzetten en onderhouden van een netwerk van steunpunten en hulpverleners, het verzorgen van de daarmee verband houdende financiële administratie, het bevorderen van de effectiviteit en de efficiency van de zorg, en het bewaken van het (...) kwalitatieve en kwantitatieve niveau van de met het zorgkantoor overeengekomen zorg (hierna: de organisatorisch/bestuurlijke taak).

4.2.13.

De vraag is nu of belanghebbende gelet op de hiervoor beschreven werkzaamheden voldoet aan de werkzaamhedentoets van art. 5, eerste lid aanhef en onderdeel c, ten eerste, van de Wet en - meer in het bijzonder - of daaraan in de weg staat dat de daadwerkelijke uitvoering van de taken bij de zorgvragers (hierna: de uitvoerende taak) wordt verricht door zorgverleners die niet bij belanghebbende in dienst zijn. Naar het oordeel van het Hof dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de aard van de door belanghebbende verrichte werkzaamheden, bezien in het licht van de werkzaamhedentoets.

4.2.14.

Hierbij geldt dat de uit de organisatorisch/bestuurlijke taak voortvloeiende werkzaamheden geen nevenactiviteit zijn als bedoeld in de (...) wetsgeschiedenis van artikel 5 van de Wet (zo al in een dergelijke situatie een toerekening van het resultaat aan de verschillende functies van de zorgaanbieder mogelijk zou zijn), omdat deze uitsluitend in dienst staan van de uitoefening van de uitvoerende taak.

De in artikel 5 van de Wet aangebrachte beperking van de reikwijdte van de zorgvrijstelling is dan ook niet bedoeld om een situatie als de onderhavige te onderscheiden van een situatie waarin de uitvoerende taak door zorgverleners in dienstbetrekking van belanghebbende zou worden uitgevoerd.

4.2.15.

Het standpunt van de inspecteur houdt in dat belanghebbende aan de werkzaamhedentoets zou voldoen indien de zorgverleners bij haar in dienstbetrekking zouden zijn. In dat geval zouden zowel de organisatorisch/bestuurlijke taak als de uitvoerende taak door en binnen hetzelfde lichaam worden uitgevoerd. In een dergelijke situatie kan, gelet ook op de samenhang tussen beide taken, bezwaarlijk worden geoordeeld dat de werkzaamheden van de ene taak niet en die van de andere wel aan de werkzaamhedentoets voldoen. In een dergelijke situatie is sprake van verschillende, maar met elkaar nauw verbonden taken binnen één, uitsluitend op het verlenen van zorg gerichte doelorganisatie. Het één kan niet zonder het ander en het ander kan niet zonder het één.

4.2.16.

In het onderhavige geval wordt de uitvoerende taak niet verricht door zorgverleners die bij belanghebbende in dienstbetrekking zijn, maar door derden (ZZP-ers). De door deze derden verrichte zorgwerkzaamheden kunnen niet worden beschouwd als werkzaamheden die door belanghebbende zelf worden verricht en dienen derhalve voor de vraag of belanghebbende aan de werkzaamhedentoets voldoet buiten beschouwing te worden gelaten.

4.2.17.

Het door derden laten verrichten van de uitvoerende taak leidt er evenwel niet toe dat daarmee de organisatorisch/bestuurlijke taak (welke wordt uitgevoerd door medewerkers die bij belanghebbende in dienst zijn) - ten opzichte van een situatie waarin ook de uitvoerende taak wordt uitgevoerd door medewerkers die bij de zorgverlener in dienst zijn - van aard is veranderd. Ook in het onderhavige geval staat de organisatorisch/bestuurlijke taak specifiek en ook uitsluitend ten dienste van de uitvoerende taak en is zij daarmee nauw verbonden.

De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van de zorgverleners berust (ook) in deze situatie onverminderd bij belanghebbende en het is belanghebbende die op de kwantiteit en kwaliteit ervan - onder meer door middel van een klachtenregeling - kan worden aangesproken. Ook in deze situatie zijn de met de organisatorisch/bestuurlijke taak verband houdende werkzaamheden van belanghebbende, gelet ook op hetgeen daarover in (...) [het rapport; PJW] is vermeld, zozeer ‘zorgspecifiek’ - ook de complexe regelgeving op het terrein van de (financiering van de) zorg vormt hiervoor een aanwijzing - dat zij moeten worden aangemerkt als werkzaamheden ‘welke bestaan uit (…) de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen’.

4.2.18.

De uit de organisatorisch/bestuurlijke taak voortvloeiende werkzaamheden kunnen - anders dan de inspecteur heeft betoogd - niet worden gelijkgesteld met de werkzaamheden van een willekeurige administratieve dienstverlener. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten eerste, van de Wet is - anders dan in het onder 4.2.7 aangehaalde besluit is verondersteld [zie 5.10 hierna: PJW] - ook niet bepaald dat uitsluitend een instelling van weldadigheid of algemeen nut die (in rechtstreeks contact met hulpvragers) de uitvoerende werkzaamheden zelf verricht voor de zorgvrijstelling in aanmerking komt. Desgewenst had dit in het Uitvoeringsbesluit kunnen worden geregeld, zoals in de wetsgeschiedenis van artikel 5 van de Wet is geopperd (MvT, blz. 17 lk [zie 5.3 hierna: PJW]).

4.2.19.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het Hof dat belanghebbende uitsluitend of in ieder geval nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet. Nu zij ook aan de overige voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 5 van de Wet geldende voorwaarden voldoet, leidt dit oordeel ertoe dat belanghebbende een op grond van artikel 5 van de Wet van de heffing van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam is.”

3.11

Het Hof heeft op 10 januari 2013 in één geschrift belanghebbendes hogere beroepen gegrond en het hogere beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard, de verzuimboete over 2002 gehandhaafd en de overige verzuimboeten verminderd. Aan belanghebbendes beroep op opgewekt vertrouwen is het Hof niet toegekomen, nu hij de belanghebbende reeds op grond van de wet in het gelijk heeft gesteld.

4 Het geding in cassatie

4.1

De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De belanghebbende heeft verweer gevoerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van repliek.

4.2

De Staatssecretaris stelt één middel voor: schending van art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb doordat het Hof de belanghebbende ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd subjectief vrijgesteld heeft geacht, nu (i) ’s Hofs oordeel over de winstbestemmingstoets onverenigbaar is met zijn oordeel over de mogelijke besteding van de RAK; en (ii) ‘s Hofs oordeel over de werkzaamheidstoets onjuist of volstrekt onbegrijpelijk is. Ter toelichting betoogt de Staatssecretaris dat de belanghebbende in wezen een bemiddelings- en administratiebureau drijft dat zelf geen zorg verleent.

Hij licht ad (i) als volgt toe: het Hof oordeelde enerzijds (r.o. 4.1.7, laatste volzin) dat de belanghebbende de RAK kan gebruiken voor andere doelen dan AWBZ-gefinancierde zorg, waardoor de RAK schuld noch voorziening is en in de belastbare winst valt; maar anderzijds (r.o. 4.2.9) dat de winst - waaronder dus de RAK - ex belanghebbendes statuten uitsluitend kan worden gebruikt ten nutte van het algemeen belang. Zorgverlening buiten de AWBZ om valt niet onder gebruik in het algemeen belang, zodat ’s Hofs oordelen innerlijk tegenstrijdig zijn. Bovendien vallen resultaten uit niet-AWBZ-gefinancierde zorgverlening niet onder de RAK-regels zodat die resultaten nog vrijer gebruikt kunnen worden. De Rechtbank Arnhem, die hetzelfde geschil moest beoordelen als het Hof, maar dan voor 2006, nadat de belanghebbende een BV werd, heeft dan ook terecht geoordeeld dat de belanghebbende niet voldoet aan de winstbestemmingstoets (zie 6.4). De belanghebbende heeft voorts haar bestuurders in 2003, terugwerkend tot 1995, hogere beloningen en pensioenen toegekend (r.o. 4.6 Rechtbank), hetgeen erop wijst dat zij overschotten gebruikte voor andere doelen dan het algemeen belang.

Ad (ii) licht de Staatssecretaris toe dat volgens de tekst van art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb thuiszorginstellingen in de zin van AWBZ niet subjectief vrijgesteld zijn en dat, omdat dat niet de bedoeling was, enige goedkeurende beleidsbesluiten zijn gepubliceerd (zie 5.10 en 5.11 hierna) die voor vrijstelling echter duidelijk als voorwaarde stellen dat de instelling zelf de thuiszorg verleent. Die voorwaarde volgt volgens de Staatssecretaris ook uit de wettekst en -geschiedenis. ’s Hofs oordeel (r.o. 4.2.19) dat belanghebbendes bemiddelingswerk in de zorgverlening opgaat, is onjuist omdat daarvan slechts sprake kan zijn als de belanghebbende zelf “handen aan het bed” heeft. Het Hof verliest uit het oog dat toen de subjectieve vrijstelling ontstond, de beoogde instellingen alles zelf deden en zich niet beperkten tot een bemiddelende of administratieve rol.

4.3

De belanghebbende betoogt bij verweer dat het Hof (r.o. 4.2.18) haar terecht niet vergelijkbaar achtte met een willekeurige administratieve dienstverlener, nu zij zich alleen richt op het aanbieden en (doen) uitvoeren van thuiszorg, haar werkzaamheid nauw verbonden is met de feitelijke thuiszorg, en haar activiteiten en de feitelijke thuiszorg niet zonder elkaar kunnen. Ad (i) betoogt de belanghebbende dat ook niet-AWBZ-gefinancierde zorg het algemeen belang dient omdat zij zonder commerciële drijfveer wordt verleend. De Staatssecretaris miskent dat herberekening van bestuurdersbeloningen in 2003 geen winstbestemming, maar winstbepaling is. De zakelijkheid van die kosten staat niet ter discussie en aan het arm’s length-beginsel is voldaan. Die herberekening is dus irrelevant voor de winstbestemmingstoets. Ad (ii) betoogt zij dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever een dynamische zorgvrijstelling voor ogen stond die mee zou bewegen met de maatschappelijke ontwikkelingen. Het Hof zag terecht geen steun in wet en wetsgeschiedenis voor de eigen-handen-aan-het-bed-eis; de besluitgever heeft die eis ook niet in art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb opgenomen. De Staatssecretaris vermeldt geen enkele passage uit de wetsgeschiedenis waaruit die eis zou voortvloeien. Hij baseert zich slechts op zijn eigen beleidsopvattingen. In ‘s Hofs oordeel is niet te lezen dat belanghebbendes werkzaamheid zou ‘opgaan in’ de feitelijke thuiszorg; het Hof kwalificeerde die werkzaamheid slechts als thuiszorg omdat zij nauw is verbonden met de feitelijke thuiszorg, die niet zonder haar activiteiten kan. Het Hof heeft terecht geoordeeld (r.o. 4.2.14) dat de aanscherping van de werkzaamheidstoets bij invoering van de Wet Vpb (zie 5.3 hierna) niet betekent dat subjectief slechts vrijgesteld kunnen worden thuiszorginstellingen die de feitelijke zorgverleners in dienst hebben; dat oordeel past bij het beoogde dynamische karakter van de vrijstelling. Duidelijk is immers dat de feitelijke thuiszorg steeds meer door ZZP’ers en niet meer door werknemers wordt verleend. In dat licht zijn verwijzingen naar de inrichting van de zorg tijdens de ontstaansperiode van de vrijstelling irrelevant voor de hedendaagse toepassing ervan.

5 Wet, wetsgeschiedenis en (beleids)regelgeving

Fiscaalrechtelijk

5.1

Op grond van art. 34(1) Besluit op de vennootschapsbelasting 1942 hebben de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën in 1945 de Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen vastgesteld.19 Art. 1 daarvan luidde, voor zover hier van belang:

“Van de heffing van de vennootschapsbelasting, de vermogensbelasting en de ondernemingsbelasting worden naast de in artikel 5 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 genoemde lichamen vrijgesteld de N.V. Nederlandsche Spoorwegen en bovendien:

1. de instellingen van weldadigheid of van algemeen nut, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen:

a. de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen;

b. (...).”

5.2

Deze beschikking is in 1951 vervangen door de Vrijstellingsbeschikking Vennootschapsbelasting (Vrijstellingsbeschikking Vpb).20 Art. 1(1)(a) Vrijstellingsbeschikking Vpb luidt gelijk aan het aangehaalde art. 1 Vrijstellingsbeschikking belasting lichamen.

5.3

De wetgever van de Wet Vpb heeft de invulling van de subjectieve vrijstellingen in de vennootschapsbelasting aan de Kroon overgelaten omdat aldus sneller zou kunnen worden ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen. Voorts heeft hij onder meer de vrijstelling voor instellingen van weldadigheid of van algemeen nut die genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen ten doel hebben aangescherpt door niet langer aan te sluiten bij het doel van de instelling maar bij haar feitelijke werkzaamheid (de werkzaamheidstoets). De Memorie van Toelichting (MvT) vermeldt daarover:21

“Aangezien het hier gaat om een aantal bestaande, naar aard en omvang verschillende vrijstellingen waarvan de voorwaarden waaronder zij behoren te worden verleend nog niet zijn gestabiliseerd en dus voortdurend wijziging kunnen behoeven, komt het de ondergetekenden aanbevelenswaardig voor de regeling van deze materie niet geheel gedetailleerd in de wet op te nemen, doch haar aan de Kroon voor te behouden. (...). De omschrijving van de onder de letters a en c vrijgestelde lichamen wijkt enigszins af van die in artikel 5 van het Besluit en in artikel 1 van de Vrijstellingsbeschikking Vennootschapsbelasting, in dier voege dat de eis wordt gesteld dat de feitelijke werkzaamheden bestaan uit de verwerkelijking van de doelstelling van deze lichamen. Hierdoor wordt voorkomen dat lichamen die een onderneming drijven met het doel de daarmede behaalde winst te bestemmen tot instandhouding van landgoederen of voor filantropische doeleinden, ook voor deze winst in de vrijstelling zouden delen.”

(Ook) de Memorie van Antwoord vermeldt dat de werkzaamheidstoets misbruik bestrijdt:22

“Omtrent de mogelijke verzwaring van de belastingdruk ten aanzien van de lichamen, die als instellingen van weldadigheid of van algemeen nut werkzaam zijn, merken de ondergetekenden op dat de voorgestelde redactie ten doel heeft te voorkomen dat lichamen van de vrijstelling misbruik gaan maken door buiten hun ideële werkterrein activiteiten te ontplooien waarvan het onbelast laten de concurrentieverhoudingen zou verstoren. Tot dusverre is van een dergelijk misbruik nog niet gebleken, doch de ervaringen in het buitenland - met name in de Verenigde Staten van Amerika - hebben geleerd dat het gevaar daarvoor allerminst denkbeeldig is. (...). Een vrijstelling voor winsten uit nevenbedrijven houdt niet alleen (...) het niet te onderschatten gevaar van verstoring van bestaande concurrentieverhoudingen in, doch zou er bovendien toe kunnen leiden dat men onder het mom van het streven naar weldadigheid winsten buiten de greep van de fiscus tracht te houden.”

5.4

De Tweede Kamer vroeg de regering bij Voorlopig Verslag of het voorgestelde art. 5 Wet Vpb de categorieën lichamen niet ruimer moest omschrijven, mede met het oog op nieuwe ontwikkelingen:23

“Voorts vroegen de hier aan het woord zijnde leden, of nu de onder de letters a tot en met h van dit artikel voorkomende opsomming van lichamen, instellingen en fondsen blijkbaar een uitputtende is, het geen aanbeveling zou verdienen in dit artikel de mogelijkheid te openen, dat ook aan andere lichamen enz. bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling kan worden verleend. Het moet, zo wilde het hun voorkomen, toch mogelijk zijn in eventueel later blijkende leemten - bv. als gevolg van nieuwe ontwikkelingen - te voorzien, zonder dat steeds tot wetswijziging behoeft te worden overgegaan.”

De regering reageerde bij MvA terughoudend (p. 7 r.k. en 8 l.k.):

“De ondergetekenden kunnen er niet aan medewerken een algemene vrijstelling in het leven te roepen voor ondernemingen, al dan niet in stichtingsvorm, die in het belang van de volksgezondheid werken en geen winst uitkeren. Indien er bij de onderhavige lichamen geen sprake is van enig winststreven en ook niet van in concurrentie treden in de zin van artikel 4, is er van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting geen sprake. Is aan deze voorwaarden niet voldaan, dan behoort dit anders te zijn; het gaat bij de vennootschapsbelasting immers juist om de belasting van de winst van de ondernemingen welke door lichamen worden gedreven. Het doel waarmede de onderneming wordt gedreven kan op zichzelf deze belastbaarheid niet aantasten, nog afgezien ervan dat dan niet alleen de belangen van de volksgezondheid, maar ook andere maatschappelijke belangen - buiten het beperkte kader van de in artikel 5 vervatte vrijstellingsregeling - in aanmerking zouden moeten worden genomen.”

De regering achtte de door haar voorgestelde categorieën subjectief vrijgestelde lichamen dan ook voldoende (MvA, p. 9 r.k):

“Met betrekking tot de vraag of het geen aanbeveling zou verdienen in dit artikel de mogelijkheid te openen, dat ook andere lichamen dan die welke zijn vermeld in artikel 5 vrijstelling kan worden verleend, merken de ondergetekenden het volgende op. Zoals reeds in de memorie van toelichting bij het onderhavige ontwerp van wet is opgemerkt, gaat het hier om een aantal bestaande vrijstellingen. In de loop van de jaren is met betrekking tot de groepen van vrijgestelde lichamen een stabilisatie ingetreden, waardoor de noodzaak om de aanwijzing van die groepen te delegeren is komen te vervallen. Nu - mede ten gevolge van de betrekkelijk ruime omschrijving van de categorieën van lichamen die in de vrijstelling kunnen delen in de praktijk niet is gebleken van een behoefte de bestaande categorieën uit te breiden, hebben de ondergetekenden, daarbij gehoor gevend aan de in het verleden meermalen geuite wens van de Kamer om delegaties zo veel mogelijk te beperken, gemeend de thans in de Vrijstellingsbeschikking opgenomen vrijstellingen te moeten overbrengen naar de wet. Met instemming hebben de ondergetekenden dan ook kennis genomen van de opvatting van verschillende leden dat de limitatieve opsomming van de vrijstellingen in de wet een vooruitgang moet worden genoemd, vergeleken met het huidige besluit.”

5.5

Art. 5(c)(1º) Wet Vpb kwam aldus als volgt te luiden:

“Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder de daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:

(...)

c. lichamen welke als instelling van weldadigheid of van algemeen nut uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichten welke bestaan uit:

1º. de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen; (...)”

Ook in de litigieuze jaren gold deze tekst, zij het sinds 1 januari 2004 (Belastingplan 2004) in een eerste lid24 omdat de commerciële activiteiten van pensioenfondsen in de heffing werden betrokken, in verband waarmee de wetgever de nieuwe tekst van art. 5 Wet Vpb in vier leden verdeelde. Inhoudelijk had dit geen gevolgen.

5.6

Per 1 januari 2012 is bij de Wet Overige fiscale maatregelen 201225 de zinsnede “als instelling van weldadigheid of van algemeen nut” (de instellingentoets) vervallen en is de tekst onder 1º aangepast met het oog op de modernisering van de subjectieve vrijstellingen van zorginstellingen. De regering vroeg zich daarbij af of die vrijstellingen nog wel op hun plaats waren, maar omdat de zorginstellingen al genoeg wijzigingen hadden te verwerken, beperkte zij zich in de vennootschapsbelasting tot een voorstel tot begripsmodernisering. De medewetgever merkte in het algemene deel van de MvT op:26

“De huidige vrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) voor zorginstellingen vindt haar oorsprong in het midden van de vorige eeuw. Een tijd waarin de zorg overzichtelijk was. De taken van ziekenhuizen, het kruiswerk en andere zorginstellingen waren afgebakend en in handen van de overheid of private non-profitinstellingen. Over prijzen werd niet onderhandeld. Sindsdien is de wettelijke bepaling vrijwel onveranderd gebleven, ondanks de wijzigingen die zich in de afgelopen decennia binnen de zorgsector hebben voorgedaan. Door bezuinigingen, nieuwe (financierings)structuren, de invoering van marktwerking, de toename van private zorg en de vermenging van publieke en marktactiviteiten, loopt de praktijk meer en meer tegen vragen aan over de toepassing van de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting zoals die in de huidige regelgeving is opgenomen. Die verleent (…) een vrijstelling van de vennootschapsbelasting aan lichamen die «uitsluitend of nagenoeg uitsluitend» zieken genezen en verplegen en dat niet doen vanuit een winstoogmerk, maar vanuit een jaren ’50 oogmerk van weldadigheid dan wel algemeen nut.

Als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen is een ziekenhuis, een thuiszorginstelling of een verpleeg- of verzorgingshuis tegenwoordig vaak een concern met verschillende vennootschappen. In deze vennootschappen worden afzonderlijke activiteiten ondergebracht. Te denken valt bijvoorbeeld aan het exploiteren van vastgoed, een uitzendbureau voor verplegend personeel en een schoonmaakbedrijf. Schaalvergroting, fusies en samenwerkingsverbanden komen steeds vaker voor. Tevens neemt de stroom derden-inkomsten toe. Een andere tendens is dat bepaalde specialismen worden ondergebracht in afzonderlijke vennootschappen, waarin ook de specialisten participeren. Door deze ontwikkelingen kan het fiscale level playing field verstoord raken. Zo zullen de activiteiten van fysiotherapeuten binnen een private praktijk wel belastingplichtig zijn, terwijl dezelfde activiteiten van de fysiotherapeuten die in dienstbetrekking zijn van een ziekenhuis, als onderdeel van dat ziekenhuis, vrijgesteld kunnen zijn van vennootschapsbelasting. De veelal ingewikkelde concernstructuren zijn vaak primair ingegeven vanuit economische wenselijkheid, maar kunnen gevolgen hebben voor de fiscale behandeling. De vrijstelling voor zorginstellingen gaat uit van een subjectgebonden benadering. Dat betekent dat per vennootschap (of stichting) moet worden bekeken of aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan. Waar zorginstellingen zich ontwikkelen tot concerns met verschillende vennootschappen wordt steeds vaker niet voldaan aan de voor de vrijstelling geldende voorwaarde dat de activiteiten nagenoeg uitsluitend moeten bestaan uit het genezen en verplegen van zieken en aan de voorwaarde dat eventuele winsten moeten worden besteed binnen - kort gezegd - de vrijgestelde zorgactiviteiten. De vele wijzigingen die zich de afgelopen decennia in de zorgsector hebben voorgedaan en die zich de komende jaren nog gaan voordoen, met name de wens om in de toekomst winstuitkeringen toe te staan, maken het noodzakelijk de huidige vrijstelling voor zorginstellingen kritisch tegen het licht te houden en te moderniseren. Een belangrijk aandachtspunt daarbij zal zijn of een vrijstelling nog wel opportuun is. Het is echter de vraag of het wenselijk is een inhoudelijke wijziging door te voeren in een periode waarin de sector te maken heeft met andere omvangrijke veranderingen, zoals bijvoorbeeld die van de bekostigingssystematiek. Daarbij speelt ook een rol dat op dit moment nog niet voldoende duidelijk is hoe de ontwikkelingen in de zorg met betrekking tot toezicht en de daarbij behorende wetgeving hun beslag gaan krijgen. Gelet op deze omstandigheden is ervoor gekozen de wijziging voor 2012 te beperken tot het moderniseren van enkele begrippen en een verduidelijking in de wettekst aan te brengen met betrekking tot de zorg voor bejaarden (...). Daarnaast zal met inachtneming van de ontwikkelingen in de zorg een inhoudelijke wijziging van de regelgeving worden voorbereid die op een later moment in werking zal treden.”

In de artikelsgewijze toelichting stelt de regering (p. 41) dat voor de subjectieve vrijstelling de voorwaarde geldt van eigen-handen-aan-het-bed, zulks in het verband van de verhuur van zorgvastgoed:

“In de eerste plaats komt in de aanhef van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb 1969, de zinsnede «instelling van weldadigheid of algemeen nut» te vervallen. De achtergrond van deze wijziging is tweeledig. Het laten vervallen van «instelling van weldadigheid» houdt verband met het feit dat dit begrip voor de vrijstelling in de praktijk niet meer van betekenis is. Het laten vervallen van «instelling van algemeen nut» houdt verband met het feit dat met de in de regelgeving opgenomen voorwaarden voldoende wordt gewaarborgd dat slechts die instellingen, waarvoor de regeling oorspronkelijk bedoeld was, een beroep op de vrijstelling kunnen doen. Enerzijds door de in de wet opgenomen activiteiten en anderzijds door de voorwaarde dat eventueel behaalde winsten slechts kunnen worden aangewend ten bate van (…) het vrijgestelde lichaam. Winstuitkeringen aan derden leiden derhalve per definitie tot belastingplicht. Met deze aanpassing wordt voor de bestaande praktijk geen wijziging beoogd.

In de tweede plaats worden in genoemd onderdeel c de onderdelen 1° en 2° samengevoegd. In de nieuwe tekst van onderdeel 1° is het aanbieden van woonruimte aan bejaarden teruggebracht tot de verzorging van ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. Daarmee wordt duidelijker tot uitdrukking gebracht dat de zorg het uitgangspunt is en daarmee een essentiële voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling.

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2011 is gebleken dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet Vpb 1969 opgenomen vrijstelling. De discussie concentreerde zich met name op de vraag of het verhuren van zorgvastgoed sec voldoende is om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Dit is niet het geval. In 2009 heeft de (toenmalige) Staatssecretaris van Financiën deze zienswijze reeds uitgedragen, hetgeen zijn beslag heeft gekregen in het besluit van 8 december 2009, nr. CPP2009/1368M (Stcrt. 2009, 19194) [zie 5.11 hierna; PJW]. Een zorgcomponent - handen aan het bed - is van essentieel belang alvorens een beroep op de vrijstelling kan worden gedaan. Door het laten vervallen van onderdeel 2 van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb 1969 en het opnemen van het verlenen van zorg aan wezen en ouderen die daartoe zelf niet in staat zijn, zoals in het onderhavige wetsvoorstel is opgenomen, wordt bovengenoemde onduidelijkheid weggenomen. Lichamen waarvan de activiteiten uitsluitend bestaan uit de verhuur van vastgoed kunnen derhalve geen beroep doen op genoemde vrijstelling.

De overige wijzigingen van het onderdeel c hebben betrekking op verouderde terminologie en worden daarom vervangen door omschrijvingen van de beoogde doelgroepen. Hiermee zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.”

Voor de verhuur van zorgvastgoed heeft de Staatssecretaris de gevolgen van het genoemde besluit op de lange baan geschoven:27

“Mijn ambtsvoorganger heeft in 2009 een beleidsbesluit uitgebracht, waarin is opgenomen dat het louter verhuren van bejaardenwoningen niet onder de vrijstelling valt, omdat daarmee geen algemeen belang wordt gediend. Kennelijk kijkt uw Kamer anders aan tegen de invulling van het begrip ″algemeen nut″ (...). (...). Onder mijn ambtsvoorganger zijn de gevolgen van dat beleidsbesluit voor de vennootschapsbelastingplicht voor de zorg-woco’s, die voorheen waren vrijgesteld, voor de duur van een jaar uitgesteld, waardoor het beleidsbesluit feitelijk per 1 januari 2011 in werking gaat treden. Ik denk dat het goed is om de status quo vooralsnog te handhaven, zeker gelet op de argumenten die hier uitgewisseld zijn.”

Art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb luidt aldus sinds 2012 als volgt:

“c. lichamen welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichten welke bestaan uit:

1°. het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen;”

5.7

Van de in art. 5(1) Wet Vpb opgenomen delegatie heeft de regering in 1971 gebruikt gemaakt in het Uitvoeringsbesluit Vpb. Art. 4 daarvan bevat de winstbestemmingstoets en luidt als volgt:

“Een in artikel 5, letter c, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits het lichaam van publiekrechtelijke aard is, dan wel, indien dat niet het geval is, het lichaam, zo het winst behaalt, deze uitsluitend kan aanwenden ten bate van een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang.”

Deze tekst is inhoudelijk nooit gewijzigd.28 De regering heeft het Uitvoeringsbesluit Vpb niet toegelicht.

5.8

Art. 4 Wet Vpb dient tot voorkoming van concurrentievervalsing. De MvT merkte daarover op:29

“Dit artikel (...) is in het ontwerp opgenomen uit overweging dat het in de praktijk onontbeerlijk is in gevallen waarin van de zijde van lichamen die in feite winst maken, wordt betoogd dat zij geen onderneming drijven omdat uit hun statuten blijkt dat zij geen winst beogen. Het dient mede om de volgens de gewone regelen aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen te beschermen tegen concurrentie van volgens die regelen niet belaste organisaties. De strekking van het voorschrift brengt mede dat het geen toepassing vindt in gevallen waarin de tot het maken van winst aanleiding gevende werkzaamheden van geringe omvang zijn en het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer van bijkomstige aard is.”

Met de Wet Brede Herwaardering I30 werd per 1 juli 1991 de oorspronkelijke tekst van art. 4 Wet Vpb verdeeld over de aanhef en onderdeel a, en werd een onderdeel b toegevoegd. Artikel 4(a) Wet Vpb luidde in de litigieuze jaren:

“Onder het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, wordt mede verstaan:

a. een uiterlijk daarmee overeenkomende werkzaamheid waardoor in concurrentie wordt getreden met ondernemingen, gedreven door natuurlijke personen, dan wel door lichamen, vermeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en c.”

5.9

In een vraag- en antwoordbesluit van 26 mei 2003 ging de Staatssecretaris in op de vraag of RIO’s subjectief kunnen worden vrijgesteld:31

“4. Geen zorgvrijstelling voor Regionaal Indicatieorgaan (artikel 5, onderdeel c, van de Wet Vpb. 1969)

Vraag

Regionaal Indicatieorgaan Stichting X vraagt of zij een beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 5, onderdeel c, van de Wet Vpb. 1969. De vrijstelling van, voorzover hier van belang, genezing of verpleging van zieken en huisvesting van bejaarden.

Antwoord

Nee, Stichting X heeft geen recht op toepassing van de vrijstelling van artikel 5, onderdeel c, van de Wet VpB 1969. De reden hiervoor is de volgende. Stichting X geeft indicaties voor verpleeg- en verzorgingstehuizen en voor de thuiszorg. Op basis van (mede) deze indicaties beslissen anderen of iemand in aanmerking komt voor thuiszorg of opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis. Stichting X houdt zich dus niet zelf bezig met verpleging van zieken of huisvesting van bejaarden. De werkzaamheden van Stichting X staan bovendien zo ver af van verpleging etc. dat haar activiteiten ook niet middellijk zijn te rangschikken onder die van artikel 5, onderdeel c, Wet Vpb. 1969.”

5.10

Dit besluit werd samen met andere besluiten vervangen door een verzamelbesluit van 15 mei 2006.32 Daarin schreef de Staatssecretaris over mogelijke subjectieve vrijstelling van thuiszorginstellingen:

“4.2. Thuiszorginstelling

Thuiszorg is in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw in de plaats gekomen van gezinsverzorging, kraamverzorging en het overige kruiswerk (Groene Kruis, Wit-Gele Kruis, etc). De term thuiszorg wordt sinds 1 april 2003 niet meer in de wet gebruikt, maar wel in de tenaamstelling van de instellingen of de duiding van hun activiteiten.33 Aangezien de activiteiten van thuiszorginstellingen veelal ruimer zijn dan de activiteiten genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb, zijn thuiszorginstellingen niet per definitie vrijgesteld. Voor de vrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb. kan worden aangesloten bij de taken waarvoor op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) dan wel de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een indicatiebesluit is afgegeven. Deze taken omvatten: huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunde begeleiding, activerende begeleiding, behandeling en verblijf. Uit een indicatiebesluit blijkt de medische noodzaak van de verleende hulp.

Een thuiszorginstelling is vrijgesteld op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb, indien haar activiteiten geheel of nagenoeg geheel bestaan uit het zelf uitvoeren van taken waarvoor op basis van de AWBZ dan wel de Wmo een indicatiebesluit is afgegeven. Welke activiteiten de Thuiszorginstelling daadwerkelijk verricht, zal uit de administratie van de instelling moeten blijken.”

5.11

Dit verzamelbesluit is geactualiseerd bij besluit van 8 december 2009, nr. CPP2009/1368M. Daarin schreef de Staatssecretaris onder meer:

“4.1 Algemeen

In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor lichamen die als instelling van weldadigheid of van algemeen nut (instellingentoets) zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met de activiteiten genoemd in deze bepaling (werkzaamhedentoets). Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen geldt als additionele voorwaarde dat het lichaam van publiekrechtelijke aard is, dan wel, indien dat niet het geval is, het lichaam, zo het winst behaalt, deze uitsluitend kan aanwenden ten bate van een eveneens volgens artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (artikel 4 UB Vpb).

Voor de toepassing van deze vrijstelling is niet vereist dat het lichaam in het bezit is van een beschikking in de zin van artikel 6.33, tweede lid, van de Wet IB 2001 (zogenaamde ANBI-beschikking).

Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Vpb is aan te merken als een subjectgebonden bepaling. Dit betekent dat per lichaam (belastingplichtige) moet worden bekeken of aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. In de onderdelen 4.2 tot en met 4.5 wordt voor een aantal specifieke instellingen ingegaan op de vraag of en zo ja, wanneer zij kwalificeren voor de toepassing van de vrijstelling.

(...).

4.3.

Thuiszorginstelling

In onderdeel 4.2 van het besluit van 15 mei 2006, nr. CPP2005/3043M, heb ik aangegeven wanneer een thuiszorginstelling subjectief is vrijgesteld.

Signalen uit de praktijk hebben mij aanleiding gegeven het beleid van dat onderdeel als volgt te herzien. Aangezien de activiteiten van thuiszorginstellingen veelal ruimer zijn dan de 'genezing en verpleging van zieken, kraamvrouwen en gebrekkigen' (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet Vpb), zijn thuiszorginstellingen niet per definitie vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting.

Een thuiszorginstelling is in elk geval vrijgesteld op grond van deze bepaling, indien haar activiteiten geheel of nagenoeg geheel bestaan uit het zelf uitvoeren van taken waarvoor op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven dan wel waarvoor op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning door de gemeente een besluit is genomen. Activiteiten die daarentegen zijn gericht op preventie van ziekte vallen naar mijn mening niet onder het begrip 'genezing en verpleging'.”

5.12

Volgens de Staatssecretaris (besluit van 2 maart 200534) kunnen gesubsidieerde instellingen worden geacht geen winststreven te hebben als zij een overschot moeten terugbetalen of moeten bestemmen overeenkomstig de subsidiedoeleinden:

“Van een winststreven is geen sprake voorzover gesubsidieerde instellingen, volgens statuten of subsidieregels de behaalde overschotten moeten aanwenden overeenkomstig de subsidie doeleinden of terug moeten betalen aan de subsidieverstrekker. De gevormde overschotten zijn in dat geval niet vrij besteedbaar en er is geen voordeel dat wordt beoogd en verwacht. Hiervan kan ook sprake zijn als de instelling haar inkomsten uit gesubsidieerde activiteiten niet geheel verkrijgt uit subsidies, maar ook uit eigen bijdragen van degenen voor wie de instelling prestaties verricht. Uiteraard moet de instelling ook feitelijk conform deze statuten of subsidieregels handelen. (...). Een stichting of vereniging kan overigens ook in de vennootschapbelasting betrokken worden indien met de activiteiten in concurrentie wordt getreden met een onderneming van een ander lichaam of natuurlijk persoon.”

Enige niet-fiscale aspecten van de RAK en van het eigen vermogen van zorginstellingen

5.13

De Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ) melden over het eigen vermogen en de RAK bij zorginstellingen:35

“305. Het eigen vermogen dient zodanig te worden gepresenteerd dat daaruit duidelijk blijken:

- het kapitaal;

- het collectief gefinancierd gebonden vermogen;

- het niet-collectief gefinancierd vrij vermogen.

306. (...)

307. De zorginstelling rekent tot het collectief gefinancierd gebonden vermogen de reserve aanvaardbare kosten, de overige reserves, de herwaarderingsreserve en overige bestemmingsfondsen en bestemmingsreserves. In de reserve aanvaardbare kosten zijn de binnen de toelating van de instelling gerealiseerde gecumuleerde resultaten uit zorg- en subsidiegelden opgenomen. (...). De zorginstelling kan het collectief gebonden eigen vermogen op grond van de regelgeving in de zorgsector slechts besteden aan de zorgactiviteiten.”

5.14

In de litigieuze jaren gold voor thuiszorginstellingen de ‘Beleidsregel aanvaardbare kosten’ van het CTG.36 Die beleidsregel definieerde ‘aanvaardbare kosten’ niet, maar gaf wel gedetailleerde regels voor de bepaling ervan. Die beleidsregel vermeldde over de RAK:

“Indien de werkelijke kosten (...) meer/minder bedragen dan de aanvaardbare kosten (...), dan zal dit verschil door het betreffende orgaan voor gezondheidszorg moeten worden geboekt op de rekening "reserve aanvaardbare kosten".

De NZa definieert aanvaardbare kosten in haar ‘Beleidsregel definities AWBZ’ als volgt:37

“3.4.1 Aanvaardbare kosten

Het budget voor enig jaar dat wordt berekend aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels, voor de onder artikel 1 genoemde zorgaanbieders.”

De thans “van toepassing zijnde beleidsregels” zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel aanvaardbare kosten AWBZ 2013’, die onder meer vermeldt:38

“5.1 Het verschil tussen de werkelijke kosten en de aanvaardbare kosten moet worden toegevoegd c.q. onttrokken aan de bestemmingsreserve 'reserve aanvaardbare kosten'. (...).”

5.15

De Minister van VWS berichtte de Vaste Commissie voor Volksgezondheid van de Tweede Kamer in 1997 als volgt over eigen vermogen en de RAK bij thuiszorginstellingen:39

“Normering reserves AWBZ-instellingen

(…)

Tot op heden mogen instellingen positieve exploitatieresultaten toevoegen aan de reserve aanvaardbare kosten (RAK) als onderdeel van het instellingsvermogen. In dit opzicht bevat de systematiek voor de instellingsbudgettering een prikkel tot doelmatigheid. Tegelijkertijd verschaft het de instellingen de mogelijkheid een buffer te vormen voor eventuele tegenvallers in de exploitatie. Het kan evenwel niet zo zijn dat deze buffer zich onbegrensd kan ontwikkelen. Mede gezien de uitkomsten van de jaarlijkse Cotg-enquêtes (…) is limitering gewenst. (…) De beoogde limitering zal moeten worden vastgelegd in de Wtg-richtlijnen (…).”40

Voor zover ik heb kunnen nagaan, is deze limitering er (nog) niet gekomen.

5.16

De Staatssecretaris van VWS schreef bij brief van 4 november 2005 de genoemde Commissie het volgende over het eigen vermogen van thuiszorginstellingen:41

“In het Verslag Algemene Overleg Transparante en integrale tarieven van 13 oktober 2005 (...) met de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heb ik toegezegd u te informeren over de vermogensgroei in de AWBZ. (...). In de tabel wordt de ontwikkeling gepresenteerd van het eigen vermogen als percentage van de aanvaardbare kosten, ofwel het jaarbudget, in de AWBZ-instellingen. Daarnaast staat het eigen vermogen van de in de enquête betrokken instellingen als bedrag in mln. euro’s en het (gemiddelde) bedrag aan eigen vermogen in euro’s per instelling.

(...). De hoogte en de groei van de vrije reserve is een zaak van het bestuur en de raad van toezicht bij instellingen. Ik vertrouw op de redelijkheid van deze bestuurders.

Een forse groei van het eigen vermogen per instelling vindt onder meer plaats bij de thuiszorginstellingen en de verzorgingshuizen, die in een meer risicovolle omgeving werken. (...). De opbouw van eigen vermogen is nodig voor een stabiele financiering. Bij een stabiele financiering kunnen instellingen zelfstandiger functioneren, en zelf ups en downs opvangen. Voordelen hiervan zijn dat minder hoeft te worden geleend (dus minder rentelasten) en dat de rente die banken in rekening brengen voor vreemd vermogen lager wordt. Een zekere mate van groei van het eigen vermogen past bij het beleid dat er op is gericht om van aanbodsturing tot vraagsturing te komen. (...). Het is aan het management van de instelling om een goede afweging te maken bij het opbouwen van de reserves. Uiteraard geldt daarbij als randvoorwaarde dat de geleverde zorg in omvang en in kwaliteit voldoende moet zijn. (...). Ik vind de huidige ontwikkeling (...) acceptabel.”

6 Jurisprudentie

6.1

Het Hof Den Haag42 moest in 1965 oordelen over een fonds dat als statutair en feitelijk doel had de genezing van zieken, en als middel daartoe geld bijeenbrengen en daaruit subsidies toekennen. Volgens de fiscus viel het fonds niet onder de Vrijstellingsbeschikking Vpb (zie 5.2) omdat het niet zelf zieken verzorgde. Het Hof Den Haag verwierp deze enge interpretatie van de Vrijstellingsbeschikking Vpb:

“dat de belanghebbende zich evenwel terecht heeft beroepen op de vrijstelling vervat in artikel 1, lid 1, onder a, van de Vrijstellingsbeschikking Vennootschapsbelasting;

dat het Hof, gelet op de doelstelling van de belanghebbende, zoals die blijkt uit de hierboven aangehaalde statutaire bepaling, haar aanmerkt als een instelling van algemeen nut;

dat het met de belanghebbende van oordeel is dat die doelstelling gericht is op het doeleinde, hetwelk tot uitdrukking wordt gebracht door de in de evengenoemde bepaling gebezigde woorden “de genezing of verpleging van zieken ... of gebrekkigen”;

dat het toch geen reden ziet om deze woorden in zo strikte zin te verstaan, dat de vrijstelling alleen van toepassing zou zijn op instellingen die dat doel rechtstreeks nastreven door zelve die genezing of verpleging te verzorgen en niet op instellingen die dat middellijk doen door daartoe de vereiste middelen te verschaffen;

dat deze ruimere opvatting ook bevestiging vindt in de algemene voorwaarde, geformuleerd in het laatste zinsgedeelte van het eerste lid van artikel 1 van de Beschikking, waar sprake is van instellingen, welke winst beogen of maken voor instellingen als in dat lid bedoeld of tot leniging van maatschappelijke nood;

dat dus van de belanghebbende kan worden gezegd, dat zij is een instelling van algemeen nut, welke zich middellijk de genezing en verpleging van zieken en gebrekkigen ten doel stelt en winst beoogt en heeft gemaakt voor instellingen, die zich die genezing en verpleging rechtstreeks ten doel stellen.”

6.2

HR BNB 1984/2943 betrof een abortuskliniek wier statuten bepaalden dat uit een batig saldo na vereffening eerst van overheidswege ontvangen subsidie zou worden terugbetaald en dat een mogelijk restant zou worden besteed aan “een aanverwant doel”. De kliniek achtte zich primair niet-belastingplichtig, en subsidiair subjectief vrijgesteld, nu vrouwen die een abortus willen als “zieken” of “kraamvrouwen” in de zin van art. 5(c) Wet Vpb hebben te gelden. De fiscus bestreed dat standpunt. Het Hof Den Haag achtte een “aanverwant doel” te vaag om de winstbestemmingstoets te passeren, zodat de kliniek belastingplichtig was. Over de subsidiaire stelling overwoog hij dat volgens heersende medische en taalkundige opvattingen vrouwen met een abortuswens ziek noch kraamvrouw zijn. De A-G Van Soest concludeerde daarentegen dat deze vrouwen wel degelijk gelijkgesteld konden worden met zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen. U verwierp echter het cassatieberoep van de kliniek:

“dat het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende niet voldoet aan de eis dat zij door haar eventueel behaalde winst uitsluitend kan aanwenden ten bate van een in artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang; dat daarvoor hetgeen in artikel 11, lid 4, van de statuten van belanghebbende wordt bepaald omtrent een bij vereffening mogelijk resterend (het beloop van te restitueren overheidssubsidies overtreffend) batig saldo, namelijk dat zulk een restant moet worden besteed “aan een aanverwant doel”, te vaag is;

dat het Hof, uitgaande van laatstgenoemd op uitlegging van de statuten van belanghebbende berustende en derhalve wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid te toetsen oordeel, terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet voldoet aan de eis dat zij door haar eventueel behaalde winst uitsluitend kan aanwenden ten bate van een in artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang zodat het beroep van belanghebbende op de vrijstelling geregeld in artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 faalt;

dat mitsdien de in het tweede middel aan de orde gestelde vraag of het Hof al dan niet terecht heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat de werkzaamheden van belanghebbende, gelijk artikel 5, letter c, onder 1e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 eist, bestaan uit de genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen, geen bespreking behoeft;”

Verburg (noot in BNB 1984/29) is kritisch over ‘s Hofs afwijzing van het beroep op de subjectieve vrijstelling:

“4. Vrouwen die hun zwangerschap voortijdig beëindigd willen zien en zich daartoe aan een medische behandeling onderwerpen, laten zich inderdaad niet zo gemakkelijk inpassen in de trits “zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen”. De vraag is echter of de bestaande verschillen met het oog op de toepassing van de concrete vrijstellingsbepaling relevant kunnen worden geacht. Met de A.-G. (…) ben ik van mening dat dit niet het geval is. 's Hofs uitleg is historisch gezien waarschijnlijk volkomen verantwoord, maar het gaat er nu juist om of de interpretatie van art. 5, letter c, onder 1, Vpb. '69 niet op een teleologische leest geschoeid behoort te zijn.”

6.3

HR BNB 2012/8944 betrof een BV met als middellijk aandeelhouder een stichting die ex art. 70(1) Woningwet was toegelaten als instelling die uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is. De BV en de stichting sloten een overeenkomst op grond waarvan de BV haar winst binnen zes maanden na het boekjaar aan de stichting zou uitkeren. De BV trok die winstuitkering ex art. 9(1)(i) (oud) Wet Vpb af van haar belastbaar resultaat omdat de stichting haars inziens een algemeen nut beogende instelling (ANBI) was ex art. 16 Wet Vpb jo. art. 6.33 Wet IB 2001. De fiscus weigerde aftrek omdat de stichting zijns inziens primair een particulier belang diende, namelijk dat van de huurders. Het Hof Leeuwarden was dat met de Inspecteur eens, maar u casseerde die uitspraak:

“3.3.1. (..). Voor toepassing van artikel 16 van de Wet is vereist dat de desbetreffende instelling het algemeen nut beoogt. Voorts is vereist dat het algemeen belang door de werkzaamheden van die instelling in minstens gelijke mate wordt gediend als een particulier belang.

“3.3.2. Aan het eerste vereiste is voldaan indien de werkzaamheden van de instelling rechtstreeks erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen (vgl. HR 12 mei 2006, nr. 40.684, LJN AT8202, BNB 2006/267). Van een vereniging of stichting die op de voet van artikel 70, lid 1, van de Woningwet45 is toegelaten als instelling die uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is, mag in het algemeen worden aangenomen dat haar werkzaamheden met deze toelating in overeenstemming zijn. Dergelijke werkzaamheden, zoals nader uitgewerkt en genormeerd in het BBSH, zijn rechtstreeks gericht op het dienen van het algemene belang van voldoende en goede woongelegenheid in de sociale-huursector.

3.3.3.

Het hiervoor in 3.3.2 overwogene brengt mee dat in beginsel moet worden aangenomen dat de Stichting, als toegelaten instelling in de zin van artikel 70, lid 1, van de Woningwet, het algemeen nut beoogt.

3.3.4.

Een uitzondering op het hiervoor in 3.3.3 gestelde kan slechts worden aangenomen indien de Inspecteur feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, die meebrengen dat de werkzaamheden van de Stichting het belang van de volkshuisvesting in de sociale-huursector niet dienen. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur dergelijke feiten heeft gesteld. De stellingen van de Inspecteur dat de Stichting in de loop der jaren positieve resultaten heeft behaald, in 2003 € 8.251.000 en in 2004 € 1.235.000, en dat zij als gevolg daarvan een jaarlijks oplopende algemene reserve heeft die eind 2004 € 68.188.000 bedraagt, zijn daartoe onvoldoende. Het feit dat de Stichting positieve resultaten behaalde en een algemene reserve heeft van € 68.188.000, impliceert nog niet dat haar werkzaamheden primair zijn gericht op iets anders dan het (…) genoemde algemeen nuttige doel van bevordering van voldoende woongelegenheid in de sociale-huursector.

3.3.5.

Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de Stichting het algemeen nut beoogt.

3.3.6.

Wat betreft het vereiste dat het algemeen belang in minstens gelijke mate als een particulier belang door de werkzaamheden van het lichaam wordt gediend, heeft het volgende te gelden. Omdat de feitelijke werkzaamheden van de Stichting - die, (…), nagenoeg geheel bestaan in de verhuur van woningen in de sociale-huursector - onlosmakelijk zijn verbonden met haar doelstelling enig algemeen belang te dienen, moet in beginsel ook met betrekking tot die feitelijke werkzaamheden worden aangenomen dat zij het algemeen belang dienen. Dat daardoor tevens het particulier belang van de individuele huurders wordt gediend, doet daaraan niet af. Dat de Stichting, zoals de Inspecteur heeft gesteld, in de loop der jaren positieve resultaten heeft behaald en als gevolg daarvan een jaarlijks oplopende algemene reserve heeft, doet daaraan evenmin af, op vergelijkbare gronden als hiervoor in 3.3.4 zijn vermeld.”

6.4

Ook over 2006 procedeert de belanghebbende over de vraag of zij subjectief is vrijgesteld ex art. 5(1)(c) Wet Vpb. De doelomschrijving, de winstbestemming en de bestemming van een batig liquidatiesaldo zijn in 2006 echter gewijzigd ten opzichte van de statuten in de litigieuze jaren. Art. 2 statuten luidde vanaf 9 februari 2006:

“De vennootschap heeft ten doel:

a. het aanbieden, het (doen) uitvoeren en het verlenen van diensten en taken op het gebied van zorg in het algemeen en thuiszorg in het bijzonder, daaronder mede begrepen de huishoudelijke verzorging, verpleging en begeleiding van zorgbehoeftigen – waaronder ouderen, (chronisch) zieken en (fysieke, verstandelijke of meervoudig) gehandicapten – en alles wat met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt en daartoe bevorderlijk kan zijn.

b. het doen van uitkeringen met een ideële of sociale strekking, dan wel ondersteuningen van sociale aard aan (hen die zich inzetten of hebben ingezet voor) een algemeen maatschappelijk belang.

c. het opnemen en verstrekken van geldleningen, het verlenen van zekerheden (waaronder garanties en hypotheken) voor de schulden van de vennootschap en van anderen, voorts het deelnemen in, samenwerken met, het voeren van beheer over en het financieren van andere ondernemingen, vennootschappen en rechtspersonen, van welke aard dan ook;

d. al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn.”

Art. 24 statuten luidde:

“De winst staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders, met dien verstande dat de winst welke is behaald met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gerelateerde activiteiten van de vennootschap dient te worden aangewend voor de belangen waarop de vennootschap zich richt, zoals verwoord in de doelstelling van de vennootschap als bedoeld in artikel 2 sub a en b van deze statuten.”

Art. 26 statuten luidde:

“De algemene vergadering stelt bij het besluit tot ontbinding de bestemming van hetgeen na voldoening van alle schulden van het vermogen der vennootschap - waaronder begrepen de aan de aandeelhouders toekomende nominale waarde van de aandelen - is overgebleven vast, zodanig dat het vermogen dat is behaald met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)-gerelateerde activiteiten van de vennootschap dient te worden aangewend voor de belangen waarop de vennootschap zich richtte, zoals verwoord in de doelstelling van de vennootschap als bedoeld in artikel 2 sub a en b van deze statuten.”

De Rechtbank Arnhem46 en - op het hogere beroep van de belanghebbende - het Hof Arnhem-Leeuwarden47 hebben geoordeeld dat, nu belanghebbendes doelstelling ruimer is dan verlening van AWBZ-thuiszorg, niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de behaalde winst en een eventueel batig liquidatiesaldo uitsluitend ten nutte van het algemeen belang kan worden gebruikt, zodat de subjectieve vrijstelling ex art. 5(1)(c) Wet Vpb niet van toepassing is. De belanghebbende heeft voor de feitenrechters ook gesteld dat de winstbestemmingseis in strijd is met het civielrechtelijke verbod om aandeelhouders volledig uit te sluiten van winstdeling (art. 2:216(8) BW). De Rechtbank Arnhem ging niet rechtstreeks op die stelling in, maar oordeelde:

“4.7. (...).Zelfs indien dit standpunt ertoe zou leiden dat artikel 4 van het uitvoeringsbesluit ten aanzien van besloten en naamloze vennootschappen ten dele onverbindend zou zijn, leidt dat niet tot het door eiseres beoogde gevolg. Een redelijke uitleg van de in artikel 4 gestelde winstbestemmingseis zou dan naar het oordeel van de rechtbank met zich meebrengen dat de winstrechten van kapitaalverschaffers moeten worden beperkt tot een gematigd rendement op het door hen geïnvesteerde vermogen. Nu ook een dergelijke winstbeperking niet in de statuten van eiseres is opgenomen, wordt nog steeds niet aan de winstbestemmingseis voldaan.”

Het Hof Arnhem-Leeuwarden verwierp die stelling wel expliciet:

“4.5. Anders dan belanghebbende betoogt, levert de winstbestemmingseis van artikel 4 Uitvoeringsbesluit naar het oordeel van het Hof geen strijdigheid op met artikel 2:216, lid 8, van het Burgerlijk Wetboek (tekst tot 1 oktober 2012), waarin is bepaald dat geen van de aandeelhouders geheel kan worden uitgesloten van het delen in de winst. De winstbestemmingseis behoeft immers niet noodzakelijkerwijs mee te brengen dat aandeelhouders geheel worden uitgesloten van het delen in de winst. Indien de aandeelhouder een vrijgesteld lichaam in de zin van artikel 5, lid 1, aanhef en letter c, Wet Vpb is, kan immers aan de winstbestemmingseis worden voldaan. De wijze waarop in het onderhavige geval krachtens de statuten de winstbestemming plaatsvindt, is zo ruim, dat daarmee niet aan de winstbestemmingseis wordt voldaan.”

Tegen de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden is cassatieberoep ingesteld, bij u bekend onder rolnr. 13/03547.

7 Literatuur

7.1

Kooy en Hoebergen schreven rond de tijd van het wetsvoorstel ‘Werken aan Winst’ het volgende over de vennootschapsbelastingpositie van lichamen in de publieke sector en die van zorgaanbieders in het bijzonder:48

“Zou de vrijstelling voor een thuiszorgorganisatie echter standhouden als de verplegende taken (vallend onder de tekst) worden afgezet [tegen de] verzorgende/huishoudelijke taken (niet vallend onder de tekst)? De Belastingdienst, zo ervaren wij in de praktijk, volgt veelal een letterlijke interpretatie van art. 5, eerste lid, onderdeel c, Wet VPB 1969, met als gevolg dat de gehele thuiszorgstichting belastingplichtig zou worden. Dit kan ons inziens nooit de bedoeling van de wetgever geweest zijn.49 Wij zijn van mening dat verzorgende/huishoudelijke taken onderdeel uitmaken van het proces van genezing en verpleging en derhalve ook onder het wettelijk begrip van "genezing en verpleging" zouden moeten vallen.”

Zij pleitten voor een dynamische toepassing van de subjectieve vrijstelling:50

“3.6. Dynamische interpretatie

De verouderde terminologie mag geen argument zijn om de "nieuwe" soorten van overheidsgefinancierde zorg (denk ook aan jeugdzorg, verslavingszorg, algemeen maatschappelijk werk) en de actuele vormen van samenwerking in de zorg (bijvoorbeeld samenwerkende ziekenhuisapotheken51) niet in de vrijstelling te laten delen. (...). Zolang de huidige wetgeving nog bestaat, pleiten wij voor een dynamische opstelling van de Belastingdienst. Gezien het bovenstaande, in relatie tot de toekomstige ontwikkelingen in de zorgsector (...) is art. 5, eerste lid, onderdeel c, Wet VPB 1969 toe aan een grondige herziening.”

Zij betogen dat de subjectieve vrijstelling zou moeten zie op de overheidsgefinancierde activiteiten van het lichaam en niet op het lichaam zelf,52 waardoor de vrijstelling een “voor zover”-karakter zou krijgen en kan meebewegen met de maatschappelijke ontwikkelingen (zij noemen dit “de activiteitentoets”):

“Art. 5, eerste lid, onderdeel c, Wet VPB 1969 dient naar onze mening zodanig te worden aangepast dat niet lichamen als zodanig (waaronder ook de maatschappelijke onderneming), maar de winst behaald met specifiek in de wet benoemde activiteiten wordt vrijgesteld. Voor de omschrijving van deze activiteiten kan aangesloten worden bij de activiteiten die rechtstreeks door de overheid gefinancierd worden. (...). De door de overheid gefinancierde soorten van zorg veranderen op grond van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Indien de fiscale wetgeving aansluit bij deze soorten van zorg groeit zij dus automatisch mee met deze maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Wij realiseren ons dat in de toekomst de overheid zich steeds vaker zal terugtrekken en de financiering van bepaalde soorten van zorg zal overlaten aan private partijen. Wij kiezen er echter voor in de vrijstellingsbepaling de lijn van de overheidsgefinancierde zorg te blijven volgen en de niet-overheidsgefinancierde activiteiten dus niet meer in de vrijstelling te laten delen. (...). Voorts is een instelling naar onze mening, ongeacht haar rechtsvorm, slechts vrijgesteld voorzover haar winst is behaald met bovenstaande activiteiten. Het begrip "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichten" is dan overbodig. Een instelling waarin zowel winsten worden behaald met overheidsgefinancierde zorgactiviteiten als niet-overheidsgefinancierde (zorg)activiteiten zal dus gedeeltelijk zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting.”

De winstbestemmingstoets ex art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb verstoort huns inziens de concurrentieverhoudingen, terwijl die toets overbodig is bij de door hen voorgestelde activiteitentoets (citaat zonder noten):

“Deze methodiek van art. 4 Uitv.besl. VPB 1971 brengt een verstoring van de concurrentieverhoudingen mee. Bijvoorbeeld in de situatie van een gezondheidszorgaanbieder met particuliere aandeelhouders. Op basis van de huidige Wet VPB 1969 is deze aanbieder, in tegenstelling tot de aanbieder met een aandeelhouder die een algemeen maatschappelijk belang vertegenwoordigt, belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. We bevinden ons hier op het speelveld tussen het wegvloeien van publieke gelden naar private partijen en concurrentievervalsing.

Wij zijn van mening dat fiscaal gezien consequent vastgehouden moet worden aan de activiteitentoets. Als het Ministerie van VWS het standpunt inneemt dat activiteiten van zorgaanbieders, die hun winst niet aanwenden ten behoeve van een algemeen maatschappelijk belang, gefinancierd moeten worden door de overheid, dient de Wet VPB 1969 deze systematiek te volgen. In dat geval zal deze zorgaanbieder, ondanks haar winstbestemming, voor haar overheidsgefinancierde activiteiten zijn vrijgesteld. Alleen als het Ministerie van VWS van mening is dat de activiteiten van een dergelijke zorgaanbieder niet gefinancierd moeten worden door de overheid, zijn deze activiteiten niet vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Door vast te houden aan de activiteitentoets wordt, ongeacht de keuze die het Ministerie van VWS maakt, art. 4 Uitv.besl. VPB 1971 overbodig.53

7.2

Kooy en Cremers menen dat de herbestedingsreserve (in de litigieuze jaren art. 15ba Wet Vpb; thans de ‘bestedingsreserve’ in art. 12 Wet Vpb) tekort schiet en dat zij bij integraal belastingplichtige zorginstellingen vervangen zou moeten worden door een ruimere fiscale bestemmingsreserve:54

“Deze faciliteit [de herbestedingsreserve; PJW] staat toe dat een lichaam zonder aandeelhouders of deelgerechtigden waarbij een algemeen maatschappelijk of sociaal belang op de voorgrond staat een reserve mag vormen. Deze reserve moet zien op uitgaven betreffende de aanschaf, voortbrenging of verbetering van bedrijfsmiddelen of uitgaven voor projecten voor zover het lichaam daardoor naar verwachting een verlies zal lijden. De reserve moet in beginsel binnen drie jaren worden aangewend. Ter voorkoming van ernstige concurrentieverstoring is opgenomen dat bij ministeriële regeling bepaalde lichamen of activiteiten van toepassing kunnen worden uitgezonderd. Deze ministeriële regeling is echter nog steeds niet verschenen.55 Het toepassingsbereik van deze reserve is zeer beperkt. De faciliteit biedt geen ruimte om te reserveren voor generieke maatschappelijke doelen. (...).

(...) invoering van integrale belastingplicht [kan] budgettaire derving bij zorg- en onderwijsinstellingen tot gevolg hebben. Om hieraan tegemoet te komen zou een fiscale bestemmingsreserve kunnen worden ingevoerd die de knelpunten van de huidige herbestedingsreserve wegneemt (...). Op grond van deze faciliteit kunnen zorg- en onderwijsinstellingen ten laste van de fiscale winst een reserve vormen die dient te worden aangewend conform het doel van de instelling. Het voordeel voor de belastingplichtige is uitstel van heffing. Om onbeperkt uitstel te voorkomen, kan de omvang van de reserve worden gemaximeerd, bijvoorbeeld op basis van de inkomsten of het vermogen. De reserve kan naar wens van de belastingplichtige worden aangewend en dient alleen vrij te vallen indien het maximum wordt overschreden. Op deze wijze worden alleen overwinsten in de heffing betrokken. Gereserveerde winsten die worden aangewend voor bedrijfsdoeleinden worden immers buiten de heffing gehouden. Indien de faciliteit niet voor iedereen toegankelijk is, kan invoering leiden tot ongelijke behandeling van belastingplichtigen en/of verstoring van het level playing field.”

7.3

Henzen56 (tevens gemachtigde van de belanghebbende) meent dat de in het besluit van 8 december 2009 (zie 5.11) gestelde eis van eigen handen aan het bed niet is terug te vinden in de wettekst of de wetsgeschiedenis:

“Opvallend is dat in het besluit de zorgvrijstelling erg beperkt wordt uitgelegd. Zo worden bijvoorbeeld activiteiten die zijn gericht op preventie van ziekte als niet-kwalificerend beschouwd. Tevens dienen de werkzaamheden volgens de staatssecretaris zelf door de thuiszorginstelling te worden verricht. Opmerkelijk is dat deze laatste 'extra' voorwaarde niet blijkt uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis. Dit laatste standpunt lijkt toepassing van de zorgvrijstelling in de weg te staan voor thuiszorginstellingen die een bedrijfsmodel hanteren waarin de zorgwerkzaamheden worden uitbesteed aan derden in plaats van deze werkzaamheden te verrichten met eigen personeel. In de praktijk blijkt dat door de strikte uitleg van de zorgvrijstelling in het besluit, discussie en onduidelijkheid omtrent de reikwijdte van de zorgvrijstelling wordt opgeworpen.”

7.4

Van den Bos (commentaar in NTFR 2013/1333 op de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden over belanghebbendes aanslag 2006; zie 4.2 en 6.4) suggereert dat meer marktwerking een succesvol beroep op de subjectieve vrijstelling in toenemende mate in de weg zal staan:

“Men zou zich misschien ook kunnen afvragen of het bieden van thuiszorg inderdaad wel op voorhand is gericht op het bevorderen van het algemeen nut. Waarom zou het bieden van thuiszorg op commerciële basis wél, en het bakken en verkopen van brood op eenzelfde commerciële basis níet gericht zijn op het bevorderen van het algemeen nut. Bij een toenemende marktwerking in de zorg liggen bespiegelingen van algemeen nut en daarmee samenhangende vrijstelling van belastingplicht wellicht in afnemende mate voor de hand. Toch zal die vrijstelling er waarschijnlijk nog wel even blijven. De term ‘algemeen nut’ is inmiddels uit de tekst van art. 5, lid 1, onderdeel c, aanhef, Wet VPB 1969, verdwenen, maar de winstbestemmingsbepaling van art. 4 Uitv.besl. VPB 1971, bevat nog steeds de misschien enigszins verwante term ‘algemeen maatschappelijk belang’. Dat betekent dat ook lichamen die zorg bieden, maar zónder dat zij handelen in een kwaliteit van instelling van weldadigheid of algemeen nut, tóch de vrijstelling kunnen krijgen, mits zij (o.a.) voldoen aan de, niet-gewijzigde, winstbestemmingsbepaling. Die winstbestemmingsbepaling is overigens in de praktijk nog wel eens tamelijk abstract in die zin dat een concrete gerechtigde daarin niet wordt aangewezen.”

8. Maatschappelijke ontwikkelingen en de werkzaamheids- en winstbestemmingstoetsen

8.1

In cassatie is slechts de subjectieve vrijstelling in geschil. Voor die vrijstelling gelden drie eisen: de statutaire eis (de inmiddels per 1 januari 2012 vervallen ‘instellingstoets’; zie 5.6 hierboven), de werkzaamheidseis (art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb; zie 5.3 hierboven) en de winstbestemmingseis (art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb; zie 5.7 hierboven). Over de statutaire eis bestaat geen geschil (meer). De Staatssecretaris valt alleen ’s Hofs oordelen over de werkzaamheidstoets en de winstbestemmingstoets aan. Ik ga hieronder achtereenvolgens op die eisen in; als eerste op de werkzaamheidstoets, met name in het licht van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de zorg(financiering).

De werkzaamheidstoets

8.2

Omdat de voorwaarden waaronder de subjectieve vrijstelling behoort te worden verleend “voortdurend wijziging kunnen behoeven”, achtte de oorspronkelijke Vpb-wetgever het opportuun de “regeling van deze materie” niet in detail in de wet op te nemen, maar in een algemene maatregel van bestuur (zie 5.3). Die keuze en de motivering daarvoor duiden mijns inziens op de bedoeling van de wetgever om de subjectieve vrijstelling dynamisch toe te doen passen in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen. Voorts is het ook volgens de Staatssecretaris (zie 4.2, Ad (ii) hierboven) niet de bedoeling van de wetgever geweest om thuiszorginstellingen op grond van een letterlijke interpretatie van de term “genezing of verpleging” uit te sluiten van de vrijstelling.

8.3

Een belangrijke wijziging in het denken over de zorg in Nederland was de omslag van aanbodsturing naar vraagsturing onder Paars II. Die omslag was onder meer gevolg van langer wordende wachtlijsten waartegen de overheid moest optreden - ook al lag de uitvoering van de AWBZ bij de zorgverzekeraars - omdat de rechter een lange wachttijd in strijd achtte met het verzekeringskarakter van de AWBZ.57 Op 18 juni 1999 presenteerde de Staatssecretaris van VWS de Nota ‘Zicht op Zorg‘ tot modernisering van de AWBZ. Doel was “een zodanige opzet en uitvoering van de AWBZ dat binnen de beschikbare collectieve middelen de cliënt met een zorgvraag centraal staat, zorg op maat wordt geleverd, vermaatschappelijking van de zorg wordt gestimuleerd en de doelmatigheid wordt bevorderd”.58 Dit leidde tot meer nadruk op het AWBZ-gefinancierde persoonsgebonden budget (PGB), dat al sinds 1995 bestond, nu dat beter aansloot bij vraagsturing.

8.4

Tot 1 april 2003 gaf het PGB per zorgsector (bijv. GGZ59; gehandicaptenzorg) recht op zorg van instellingen (bijv. RIAGG; RIBW; APZ)60. Deze sector- en instellingenbenadering werd op die datum verlaten. De sectoren werden vervangen door doelgroepen (typen aandoening of beperking; de zorgvraagkant van de markt) en de instellingen door functies (zoals huishoudelijke verzorging, verpleging en behandeling; de zorgaanbodkant van de markt). Vooral de vervanging van instellingen door functies illustreerde dat aanbodsturing werd verlaten. De vraagsturing werd vastgelegd in een Besluit zorgaanspraken AWBZ.61

8.5

Vraagsturing en doelmatiger besteding van beschikbare middelen pasten in het streven van de wetgever naar meer marktwerking in de zorg, inclusief de AWBZ-zorg.62 Daartoe werd onder meer de AWBZ met ingang 1 februari 2005 aangepast. Voorts werden bestaande wetten gebaseerd op aanbodsturing zoals de Wet toezicht gezondheidszorg63 (Wtg) en op basis van de instellingenbenadering zoals de Wet ziekenhuisvoorzieningen64 (Wvz) per 1 oktober 2006 vervangen door de nieuwe overkoepelende Wet marktordening gezondheidszorg65 (Wmg). De uitvoering van de volksverzekering werd niet geheel aan de markt overgelaten. Overheidstoezicht werd nodig geacht tegen marktexcessen. Het uitgangspunt van de Wmg was “marktwerking waar mogelijk, regulering waar nodig.”66

8.6

De regering wilde voorts een deel van de AWBZ-uitvoering decentraliseren, met name hulp en ondersteuning, zulks op grond van subsidiariteit en van de opvatting dat bepaalde aanspraken die onder de AWBZ vielen, niet onverzekerbaar zijn en daarom niet in de AWBZ thuishoren.67 De gemeenten werden daarom met de uitvoering van dat deel van de AWBZ belast in de Wet maatschappelijke ondersteuning68 (Wmo), die in werking trad op 1 januari 2007. Dat de gemeenten voor de uitvoering van deze taak geen volledige compensatie van het Rijk kregen, lokte de kritiek uit dat de Wmo vooral een verkapte bezuinigingsoperatie was. Een ander tegen de Wmo aangevoerd bezwaar was dat een afdwingbare aanspraak op zorg werd vervangen door een niet afdwingbare gemeentelijke voorziening en dat dit zich slecht verdraagt met zowel het verzekeringskarakter van de AWBZ (tegenover verplichte verzekering en premieplicht behoort recht op zorg te staan) als het algemene69 karakter van de AWBZ (Wmo-voorzieningen mogen per gemeente in zekere mate van elkaar verschillen).

8.7

Omdat de AWBZ- en Wmo-kosten bleven stijgen, werden de eigen bijdragen van verzekerden stapsgewijs verhoogd.70 Per 1 januari 2013 is de eigen bijdrage voor intramurale zorg verder verhoogd door deze niet enkel van het reële inkomen maar ook van het vermogen afhankelijk te maken: bij het inkomen waarover de eigen bijdrage wordt berekend wordt 8% van het box 3-vermogen (minus de heffingsvrije voet) opgeteld.71

8.8

Het huidige kabinet wil de geregionaliseerde uitvoering van de AWBZ door de zorgkantoren (zie 2.3) vervangen door gedeeltelijke uitvoering via de zorgverzekeraar bij wie de verzekerde verzekerd is, en een nieuwe taakverdeling bij de uitvoering vanaf 2015. Die nieuwe taakverdeling komt er op neer dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor zorg aan huis zoals begeleiding en persoonlijke verzorging aan huis (i.e. de extramurale zorg); de zorgverzekeraars voor medische zorg zoals verpleging en langdurige geestelijke gezondheidszorg; en de Rijksoverheid voor langdurige zorg zoals de zwaardere zorg voor ouderen en gehandicapten in instellingen. Die nieuwe taakverdeling betekent voor gemeenten nog meer taken dan thans onder de Wmo. Slechts de zorg waarvoor de Rijksoverheid verantwoordelijk blijft, wordt nog vergoed uit de AWBZ. Zeer recente nieuwsberichten houden echter in dat de regering aarzelt ter zake van de taakverdeling tussen de gemeenten en de zorgverzekeraars (tussen verzorging en verpleging).

8.9

De ontwikkelingen in de AWBZ-zorg zijn de fiscale wetgever niet ontgaan. Zo bleek dat de regering zich afvraagt hoe de subjectieve vrijstelling past in het huidige zorglandschap en dat zij inhoudelijke wijziging van de regelgeving voorbereidt “die op een later moment in werking zal treden” (zie 5.6). Tot op heden heeft echter noch de Vpb-wetgever, noch de Uitvoeringsbesluitgever aanleiding gezien de vrijstelling te moderniseren anders dan door het met ingang van 2012 laten vervallen van de - volgens de regering overbodige (zie 5.6 hierboven) - instellingentoets en de aanpassing van enige begrippen.

8.10

De ingrijpende omslag van aanbodsturing door de overheid naar vraagsturing door de markt heeft tot een aldus door de wetgever geïnstigeerde marktwerking geleid die het zorglandschap sinds 1971 ingrijpend heeft veranderd en die het ontstaan van partijen zoals de belanghebbende heeft opgeroepen, die doen wat de zorgwetgever voor ogen stond, namelijk het organiseren en begeleiden van de zorgmarkt. Men kan de belanghebbende mijns inziens kenschetsen als market maker en market moderator in de thuiszorg. Ik acht des fiscus’ aanduiding van belanghebbendes bezigheid (vergelijkbaar met willekeurige administratieve dienstverlening) dan ook niet correct: de belanghebbende brengt immers ook vraag en aanbod bij elkaar, behandelt klachten aan de vraagkant, organiseert vorming en kwaliteit aan de aanbodkant, en coördineert de activiteiten van de betrokken instanties ten behoeve van individuele zorgvragers en -aanbieders, als een soort AWBZ-hoofdaannemer. Bovendien wordt niet elke willekeurige administratieve dienstverlener door het Cvz toegelaten tot de AWBZ-uitvoering.

8.11

Het overheidsbeleid kan de indruk van inconsistentie wekken. Terwijl de overheid enerzijds met steeds nieuwe zorg(financierings)wetgeving marktwerking in de zorg bevorderde (om de overheidsuitgaven te beperken), en voorts zelfstandig ondernemerschap bevorderde (zoals het ondernemerschap van de ZZP-ers die in casu de feitelijke zorg verlenen), wil zij de door haar gewenste, althans aangemoedigde zorg-market makers zoals de belanghebbende niet subjectief vrijstellen, vooral juist omdat die ZZP-ers niet bij de belanghebbende in dienst zijn, zich baserend op letterlijke interpretatie van een in het licht van die zorg(financierings)wetgeving - ook volgens de overheid zelf - verouderde, want daaraan niet aangepaste fiscale wetgeving.

8.12

Voorts rijst de vraag hoe in het standpunt van de Staatssecretaris een instelling zoals de belanghebbende voor de toepassing van de subjectieve vrijstelling beschouwd moet worden die de helft van de door haar geleverde thuiszorg door eigen werknemers en de andere helft door ZZP-ers laat verzorgen; die dus voor de helft van haar thuiszorgactiviteiten voldoet aan de eigen-handen-aan-het-bed-eis die de Staatssecretaris wil stellen. Half-subjectief vrijgesteld?

8.13

Met de Staatssecretaris meen ik dat grammaticale interpretatie van art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb in casu niet tot vrijstelling leidt omdat het bijeenbrengen van zorgvraag en -aanbod en het administratief, volgens de wettelijke zorg(financierings)regels, begeleiden en coördineren van de thuiszorg geen “genezing of verpleging” is. De eigen-handen-aan-het-bed-eis die de fiscus in casu stelt, lijkt bij grammaticale interpretatie correct, maar (i) hij doet geen recht aan de kennelijke bedoeling van de wetgever om de vrijstelling dynamisch toe te doen passen op basis van de maatschappelijke ontwikkelingen, die sinds 1969, zoals bleek, ingrijpend zijn geweest, en (ii) zoals reeds opgemerkt, het is - ook volgens de Staatssecretaris (zie 4.2, Ad (ii) hierboven) - niet de bedoeling van de wetgever geweest om thuiszorginstellingen op grond van een letterlijke interpretatie van de term “genezing of verpleging” uit te sluiten van de vrijstelling. Ik meen met Verburg (zie 6.2) dat art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb niet grammaticaal, maar teleologisch geïnterpreteerd moet worden.

8.14

De wetsgeschiedenis biedt geen steun aan de eigen-handen-aan-het-bed-eis. De enige passage waarin hij is terug te vinden (zie 5.6 hierboven), stamt van ver ná de litigieuze jaren en ziet bovendien niet op zorg-market making, maar op verhuur van zorgvastgoed. Dat de executieve die eis op een gegeven moment in zijn beleidsbesluiten is gaan stellen (zie 5.10 en 5.11 hierboven), maakt hem geen wet of recht, maar een beleidsopvatting. Het beroep van de Staatssecretaris op zijn beleidsbesluiten komt daarmee neer op het advies van WC-Eend.72 Het Hof Den Haag (zie 6.1) heeft een eigen-handen-aan-het-bed-eis reeds in 1965 verworpen. Die uitspraak betrof weliswaar nog niet de Wet Vpb, maar de Vrijstellingsbeschikking Vpb, maar de redactie daarvan was nagenoeg gelijk en de wetgever heeft de vrijstellingen ex de Vrijstellingsbeschikking Vpb in de Wet Vpb willen overnemen (zie 5.4).

8.15

In cassatie wordt voorts niet bestreden ’s Hofs feitelijke oordeel (r.o. 4.2.17) dat “de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van de zorgverleners (…) onverminderd bij belanghebbende [berust] en het is belanghebbende die op de kwantiteit en kwaliteit ervan - onder meer door middel van een klachtenregeling - kan worden aangesproken.”

8.16

Ik meen daarom dat instellingen die zich - aldus het Hof Den Haag in 1965 - “middellijk” bezig houden met (teleologisch ruim uit te leggen) genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen, met name sinds de invoering van vraagsturing en marktwerking in de zorg, kunnen voldoen aan de werkzaamheidstoets ex art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb. Ook HR BNB 2012/89 (zie 6.3) biedt (r.o. 3.3.6) geen steun aan de eigen-handen-aan-het-bed-eis voor werkzaamheden die weliswaar niet zelf als genezing of verpleging aangemerkt kunnen worden, maar wel “onlosmakelijk” met genezing of verpleging zijn verbonden zodat “ook met betrekking tot die feitelijke werkzaamheden [moet] worden aangenomen dat zij het algemeen belang dienen”. Zoals eerder opgemerkt: de belanghebbende administreert niet slechts; zij brengt thuiszorgvraag en thuiszorgaanbod bij elkaar en zij coördineert en begeleidt de zorgverlening en -financiering.

De winstbestemmingstoets

8.17

Dan resteert de winstbestemmingstoets ex art. 4 Uitvoeringsbesluit Vpb (zie 5.7 hierboven). Deze bepaling is sinds 1971 inhoudelijk niet gewijzigd.

8.18

Anders dan de Staatssecretaris lijkt te willen, heeft de Vpb-wetgever bij de subjectieve zorgvrijstelling geen verband met de AWBZ gelegd. De omzetbelastingwetgever heeft dat wel gedaan - en ook met de Wmo - in de vrijstelling ex art. 11(1)(g)(2º) Wet OB. Ik merk op dat blz. 27 van het rapport (zie 2.14) vermeldt dat de Inspecteur voorwaardelijk akkoord is met toepassing van die OB-vrijstelling op belanghebbendes prestaties.

8.19

Niet in te zien valt waarom zorgverlening aan zorgbehoevenden buiten de AWBZ om het algemeen belang niet zou dienen, met name niet gegeven de boven beschreven ontwikkelingen zoals de uitkleding van de AWBZ en de overheveling naar de Wmo. Zo lijkt mij een door een toegelaten AWBZ-instelling uit RAK-rendement in plaats van AWBZ-middelen gefinancierde vervoersvoorziening voor gehandicapten het algemeen belang te dienen; dat daarmee tevens het particuliere belang van de gehandicapten wordt gediend, doet daar niet aan af (zie HR BNB 2012/89, r.o. 3.3.6). De Staatssecretaris heeft voorts besloten (zie 5.11) dat voor de vrijstelling niet is vereist dat de zorginstelling de ANBI-status heeft.

8.20

Ik zie (dan) ook niet de tegenstelling die de Staatssecretaris ziet tussen ’s Hofs oordeel over de RAK in het kader van de beoordeling van belanghebbendes belastingplicht ex art. 2 Wet Vpb en ’s Hofs oordeel over de winstbestemmingstoets in het kader van de toepassing van de vrijstelling ex art. 5 Wet Vpb. Met de overweging dat “het saldo van de RAK in feite ter vrije beschikking staat aan belanghebbende” (r.o. 4.1.1) bedoelt het Hof slechts dat op de belanghebbende geen juridisch afdwingbare terugbetalingsverplichting rust, en geenszins dat de belanghebbende de vrijheid zou hebben de RAK buiten haar statutaire doelomschrijving aan niet-zorgbestemmingen te besteden.

8.21

Gezien HR BNB 1984/29 (zie 6.2) moeten de statuten van een (niet-overheids)instelling voldoende duidelijk bepalen dat de winst alleen kan worden gebruikt ten gunste van een ex art. 5 Wet Vpb subjectief vrijgesteld lichaam of een “algemeen maatschappelijk belang”. Men kan met Van den Bos (zie 7.4) menen dat de invoering van marktwerking in de zorg commerciële overwegingen impliceert die het voldoen aan de winstbestemmingstoets bemoeilijkt. Partijen zoals de belanghebbende moeten echter wel door de overheid toegelaten zijn als AWBZ-instelling, zij moeten een wettelijke volksverzekering uitvoeren en hun statuten en feitelijke bezigheid moeten deugen. Uitgaande van HR BNB 2012/89 (r.o. 3.3.2 t/m 3.3.5; zie 6.3 hierboven) mag voorts van een toegelaten AWBZ-instelling - met kwalificerende statutaire doelomschrijving - worden aangenomen dat haar feitelijke werkzaamheden het algemeen belang dienen, tenzij de fiscus het tegendeel aannemelijk maakt. Dat een instelling exploitatieoverschotten behaalt, doet daar op zichzelf niet aan af. De wetgever heeft vooralsnog afgezien van het stellen van een plafond aan de RAK en de Staatssecretaris van VWS achtte de reservevorming eind 2005 “acceptabel” (zie 5.16).

8.22

De Staatssecretaris moet toegegeven worden dat de ‘management fees’ over 2004 en 2005 (zie 2.22) wel hoogst ruim bemeten lijken voor een driehoofdige directie, maar de Inspecteur heeft de zakelijkheid en de armslengte van die fees niet bestreden en dan zijn zij ontegenzeglijk winstbepalend en niet winstverdelend.

9 Beoordeling van het middel

9.1

Middelonderdeel (i) betreft de toepassing van de winstbestemmingstoets; middelonderdeel (ii) de werkzaamheidstoets.

Ad onderdeel (i) (winstbestemmingstoets)

9.2

In cassatie stelt de belanghebbende niet meer dat de RAK fiscaal een aftrekbaar passivum is, maar zij bestrijdt wel de door de Staatssecretaris niet onderbouwde stelling dat het middellijk verlenen van niet-AWBZ-gefinancierde zorg niet in het algemeen belang zou zijn. Op grond van het bovenstaande (8.17 e.v.) meen ik dat de belanghebbende die stelling terecht bestrijdt. Anders dan in HR BNB 1984/29 (zie 6.2) lijkt mij in casu de statutaire bepaling omtrent winstbestemming (zie 2.20) voldoende helder. ’s Hofs oordeel (r.o. 4.2.9) dat de winst statutair ten goede komt aan een algemeen belang geeft mijns inziens geen blijk van strijd met het recht en voor het overige uitleg van statuten, dus feitelijk en daarmee in cassatie niet aantastbaar behoudens onbegrijpelijke of onvoldoende motivering, die zich mijns inziens niet voordoet.

9.3

Uit het in 6.2 geciteerde arrest HR BNB 1984/29 leid ik af dat ook voldoende duidelijk moet zijn dat bij vereffening van het instellingsvermogen een eventueel batig saldo ten gunste komt van het algemene belang. Voor de periode tot 22 november 2005 kon het Hof mijns inziens zonder motiveringsgebrek oordelen dat dit voldoende duidelijk is (zie 2.20). Het Hof heeft echter niet vastgesteld wat de statuten van 22 november 2005 tot 9 februari 2006 over besteding van een vereffeningssaldo bepaalden.73 Dat verzuim duidt ofwel op de onjuiste rechtsopvatting dat voor de winstbestemmingstoets niet relevant is hetgeen de statuten bepalen over de bestemming van een vereffeningssaldo, ofwel op een motiveringsgebrek, zodat vernietigd en verwezen zou moeten worden om de statuten in de periode 22 november 2005 tot 9 februari 2006 op dit punt te bezien. Ik meen echter dat aan dit punt op grond van art. 29e(2) AWR voorbij gegaan kan worden, nu het slechts om de laatste maand van een periode van vier belastingjaren gaat, belanghebbendes statuten op 9 februari 2006 opnieuw gewijzigd zijn zonder dat zij geliquideerd is, en de belanghebbende ook daarna niet geliquideerd is maar omgezet in een BV met andere statuten. Daarmee is dit punt mijns inziens ‘van ondergeschikte aard’ in de zin van art. 29e(2) AWR.

9.4

De Staatssecretaris verwijst voorts naar de uitspraak van de Rechtbank Arnhem over belanghebbendes aanslag 2006, tegen de bevestiging waarvan door het Hof Arnhem-Leeuwarden cassatieberoep bij u loopt onder nr 13/03547 (zie 6.4). Ik merk te dier zake op dat de belanghebbende op 9 februari 2006 in art. 2(c) en (d) van haar statuten heeft opgenomen dat zij mede ten doel heeft

“c. het opnemen en verstrekken van geldleningen, het verlenen van zekerheden (waaronder garanties en hypotheken) voor de schulden van de vennootschap en van anderen, voorts het deelnemen in, samenwerken met, het voeren van beheer over en het financieren van andere ondernemingen, vennootschappen en rechtspersonen, van welke aard dan ook;

d. al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn.”

Daarmee lijkt mij een oordeel over 2006 geen licht te werpen op de jaren 2002 t/m 2005.

9.5

Met de belanghebbende meen ik dat herberekening van de bestuurdersbeloningen en pensioentoezeggingen niets zeggen over winstbestemming, nu zij winstbepalend zijn zolang hun zakelijke karakter en armslengte niet bestreden worden. Nu de fiscus geen onzakelijkheid stelt, zijn zij niet van belang voor de vraag of aan de winstbestemmingstoets wordt voldaan.

Ad onderdeel (ii) (werkzaamheidstoets)

9.6

Uit het bovenstaande (8.2 - 8.16) volgt dat ik meen dat grammaticale toepassing van art. 5(1)(c)(1º) Wet Vpb niet strookt met de (dynamische) bedoeling van de wetgever en dat de eigen-handen-aan-het-bed-eis in elk geval in de litigieuze belastingjaren geen steun vond in de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie; wat de jurisprudentie betreft: integendeel. Het Hof heeft mijns inziens dus geen onjuiste maatstaf gebruikt. Voor het overige is ’s Hofs oordeel over de werkzaamheid van de belanghebbende feitelijk; het is geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

9.7

Of het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes werkzaamheden ‘opgaan in’ de feitelijke zorgverlening, zoals de Staatssecretaris stelt, of dat haar werkzaamheden zelfstandig kwalificeren wegens hun nauwe verbondenheid met de feitelijke zorgverlening, zoals de belanghebbende stelt, lijkt mij in het licht van het bovenstaande niet ter zake te doen. Op grond van met name r.o. 4.2.15 lijkt mij belanghebbendes lezing overigens de juistere.

10 Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Met ingang van 1 januari 2006 zijn het CTG en CTZ samengevoegd tot één bestuursorgaan, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), dat naast toezicht op de uitvoering van de AWBZ ook toezicht houdt op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

2 Besluit van 29 maart 1983, Stb. 1983, 253. Dit Besluit is blijkens zijn aanhef gegrond in de delegatiebepaling van art. 16(1) AWBZ. Dat betrof de oorspronkelijke wettekst; de delegatiebepaling is met ingang van 2006 door inwerkingtreding van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (Wet van 6 oktober 2005, Stb. 2005, 525) opgenomen in art. 40(1) AWBZ.

3 Meest recent het Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 22 augustus 2012, kenmerk Z-3123635, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Stcrt. 2012, 17683.

4 Toelating geschiedde tot en met 2005 ingevolge art. 8 AWBZ, vanaf 2006 ingevolge art. 5 Wet toelating zorginstellingen (Wet van 20 oktober 2005 tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen, Stb. 2005, 571). Het Cvz beslist op aanvragen voor toelating.

5 Wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten, in verband met de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CAK, Stb. 2011, 561. Inwerkingtreding per 1 januari 2013 is geregeld in het Besluit van 11 december 2012, Stb. 2012, 646.

6 Een dergelijke overeenkomst moet ingevolge art. 16 AWBZ aan bepaalde voorwaarden voldoen, zulks op straffe van nietigheid (art. 16a AWBZ).

7 Dit zou blijken uit een niet in het dossier aanwezige brief van 18 januari 1999 van het Ministerie van VWS, van welke brief melding wordt gemaakt in het rapport van de Inspecteur van 30 november 1999 (zie 2.15). De belanghebbende zou ingevolge een uitspraak van 2 maart 2000 van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overigens reeds op 28 december 1996 als thuiszorginstelling zijn toegelaten. Een kopie van die uitspraak trof ik niet aan in het dossier, maar vermoedelijk gaat het om ABRvS 2 maart 2000, nr. E04990023, ECLI:NL:RVS:2000:AP5633, welke uitspraak niet (meer) op www.rechtspraak.nl is te vinden.

8 Zie p. 27 van het rapport van de belastingdienst van 10 mei 2007, opgenomen als bijlage 10 bij het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg.

9 Met ingang van 2008: art. 2(1)(e) Wet Vpb (Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008), Stb. 2007, 562). Deze vernummering was het gevolg van de invoering van de integrale belastingplicht voor woningcorporaties die werd opgenomen in het huidige art. 2(1)(d) Wet Vpb.

10 Het is niet duidelijk over welke jaren aangiftebiljetten zijn uitgereikt. De belanghebbende stelt bij pleitnota (p. 1) en onder punt 2.6 beroepschrift eerste aanleg dat zij geen aangiftebiljetten over 1999 en 2000 maar pas vanaf 2001 heeft ontvangen. De Inspecteur schreef bij brief van 13 januari 2004 dat vanaf 1999 alsnog aangiftebiljetten zouden worden uitgereikt, maar uit het dossier valt niet op te maken of dat is gebeurd.

11 p. 14 van het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg: verzending van de aanslag naar een verkeerd adres; verzending naar het juiste adres vond plaats buiten de aanslagtermijn; zie p. 3 van belanghebbendes beroepschrift in eerste aanleg.

12 Noot PJW: deze bepaling was denkelijk nodig om een RAK te kunnen vormen.

13 De jaarrekeningen bevinden zich niet in het dossier.

14 De verzuimboete voor 2002 bedroeg € 113, voor 2003 € 340, voor 2004 € 567 en voor 2005 € 794.

15 Met ingang van 2007 door inwerkingtreding van de Wet ‘Werken aan Winst’ (Wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631) vernummerd tot art. 12 Wet Vpb. Met ingang van 2012 rept art. 12 door inwerkingtreding van het Belastingplan 2012 (Wet van 22 december 2011, Stb. 2011, 639) niet langer van “herbestedingsreserve” maar van “bestedingsreserve”. De wetgever lijkt gehoor te hebben gegeven aan de kritiek van de Commissie algemeen nut beogende instellingen; zie Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 232, Kluwer: Deventer 2007, p. 148.

16 Rechtbank Haarlem 3 mei 2011, nrs. AWB 09/5447 t/m AWB 09/5450, niet gepubliceerd. De belanghebbende had de Rechtbank ex art. 8:14 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht de vier beroepen te voegen en gezamenlijk te behandelen; de Inspecteur had de Rechtbank verzocht dat verzoek niet in te willigen. Kennelijk heeft de Rechtbank belanghebbendes verzoek ingewilligd nu zij de vier beroepen ter zitting gezamenlijk heeft behandeld en in de proceskostenveroordeling heeft overwogen dat sprake is van vier of meer samenhangende zaken. De Rechtbank gaat in haar dictum niet in op de boetebeschikkingen.

17 Besluit van 14 september 1971, houdende uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, Stb. 1971, 558.

18 Hof Amsterdam 10 januari 2013, nrs. 11/00501, 11/00502, 11/00503, 11/00525 en 11/00531, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2275, NTFR 2013/734 met commentaar Bruijsten. Ook in hoger beroep had belanghebbende verzocht om gezamenlijke behandeling, welk verzoek gezien het proces-verbaal is gehonoreerd.

19 Beschikking van 17 november 1945 van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën, Afdeeling Directe belastingen, nr. 9, Stcrt. 10 december 1945, nr. 129. Art. 34(1) Besluit op de vennootschapsbelasting 1942 luidde, voor zover van belang: “De Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën is bevoegd: 1) de ter aanvulling en ter uitvoering van dit besluit noodzakelijke voorschriften uit te vaardigen; (...)”

20 Beschikking van van 22 september 1951 van de Minister van Financiën, Afdeling Wetgeving Directe Belastingen, nr. 104, Stcrt. 1951, nr. 194.

21 Kamerstukken II, 1959-1960, 6000, nr. 3, p. 17 l.k. en r.k.

22 Kamerstukken II, 1962-1963, 6000, nr. 9, p. 9 l.k. en p. 10 l.k.

23 Kamerstukken II, 1961-1962, 6000 nr. 6, p. 5 r.k.

24 Wet van 18 december 2003 (Belastingplan 2004), Stb. 2003, 526. Het wetsvoorstel had nummer 29 210.

25 Wet van 22 december 2011 (Overige fiscale maatregelen 2012), Stb. 2011, 640.

26 Kamerstukken II, 2011-2012, 33 004, nr. 3, p. 6-7.

27 Handelingen I, 21 december 2010, p. 13-18.

28 Bij Besluit van 18 december 1990, Stb. 1990, 638 werd het woord “letter” vervangen door het huidige woord “onderdeel”, en door de invoering van het Belastingplan 2004 (Wet van 18 december 2003, Stb. 2003, 526) werd bij Besluit van 15 december 2003, Stb. 2003, 535 de zinsnede “eerste lid, ”voor “letter c” ingevoegd.

29 Kamerstukken II, 1959-1960, 6000, nr. 3, p. 17 r.k.

30 Wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697. Met de toevoeging van onderdeel b aan art. 4 Wet Vpb beoogde de wetgever te “voorkomen dat voor de belastingplicht van directiepensioenstichtingen de vraag aan de orde moet komen of deze fondsen al dan niet een onderneming drijven “ (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 198, nr. 3 (MvT), p. 110).

31 Besluit van 26 mei 2003, nr. CPP2003/1177M, V-N 2003/29.18.

32 Besluit van 15 mei 2006, nr. CPP2005/3034M, BNB 2006/236, V-N 2006/35.19.

33 Noot PJW: De term thuiszorg wordt sinds de intrekking van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (Stb. 1991, 590) per 1 april 2003 niet meer in de wet gebruikt.

34 Besluit van 2 maart 2005, nr. CPP2004/2278M, BNB 2005/166, V-N 2005/14.13, NTFR 2005/439.

35 Hoofdstuk 655 RJ; editie 2012; de geciteerde tekst luidde hetzelfde in de litigieuze jaren.

36 Beleidsregel II-572 van het CTG (bijlage 1 bij circulaire II/501/505/02/7c, te vinden in het archief op de website www.nza.nl.

37 Beleidsregel van de NZa, kenmerk CA-300-533 (opgenomen als bijlage 9 bij circulaire AWBZ/Care/12/07c).

38 Beleidsregel van de NZa, kenmerk CA-300-530 (opgenomen als bijlage 6 bij circulaire AWBZ/Care/12/07c).

39 Brief van 7 november 1997 met kenmerk VPZ/P-973980.

40 Cotg staat voor het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg en was de rechtsvoorganger van het CTG. Wtg staat voor de Wet tarieven gezondheidszorg, die per 1 oktober 2006 is ingetrokken bij de invoering van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wet van 7 juli 2006, Stb. 2006, 415).

41 Kamerstukken II, 2005-2006, 27 659, nr. 65, p. 1-2.

42 Hof den Haag 4 maart 1965, nr. onbekend. Deze uitspraak is bij mijn weten niet gepubliceerd en er is geen cassatie tegen ingesteld. Ik ontleen het citaat en de casusbeschrijving aan het Tijdschrift voor verenigingen en stichtingen (TVVS; thans Tijdschrift voor Ondernemingsrecht en rechtspersonen) 1965, jaargang no. 7, aflevering 12 (april 1965), p. 295-296, met noot Van Sikkelerus.

43 HR 29 juni 1983, 21 380, na conclusie Van Soest, LJN AW8843, BNB 1984/29 met noot Verburg, V-N 1983/1505, FED 1984/218 met aantekening Witteveen.

44 HR 13 januari 2012, nr. 10/03464, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2012:BQ0525, BNB 2012/89 met noot Van Vijfeijken, V-N 2012/6.12, NTFR 2012/158 met commentaar Molenaar, FED 2012/28 met aantekening Russo.

45 Noot PJW: art. 70(1) Woningwet luidt: “Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam.”

46 Rechtbank Arnhem 9 augustus 2012 nr. AWB 12/1245, ECLI:NL:RBARN:2012:BX4166, NTFR 2012/2132 met commentaar Nieuweboer.

47 Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2013, nr. 12/00540, ECLI:GHARL:2013:CA3908, NTFR 2013/1333, met commentaar Van den Bos.

48 C.P. Kooy en K.D.W. Hoebergen, Marktwerking in de gezondheidszorg, WFR 2005/893.

49 Noot in origineel: “De parlementaire geschiedenis geeft hierover helaas geen uitsluitsel.”

50 In gelijke zin: aantekening 4.1.2 bij art. 5 Wet Vpb in NDFR Deel Vennootschapsbelasting.

51 Noot in origineel: Een stichting van samenwerkende ziekenhuisapotheken kan niet delen in de vrijstelling en is derhalve belast voor de vennootschapsbelasting. Op het moment dat deze ziekenhuisapotheek wordt ontplooid in een maatschap, wordt het maatschapaandeel toegerekend aan het ziekenhuis en valt het derhalve onder de vrijstelling van het ziekenhuis.

52 Anders: S.A. Stevens, De maatschappelijke onderneming: belast of niet? in: Maatschappelijke ondernemingen. Congres gehouden op 7 juni 2007 ter gelegenheid van het eerste lustrum van de masterrichting Fiscaal recht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de VU (ed. T. Hoekstra), Kluwer: Deventer 2007, p. 41, waar hij pleit voor een “indien”-vrijstelling omdat het volgens hem wenselijk is dat instellingen worden gedwongen hun nevenactiviteiten af te zonderen.

53 Noot PJW: belastingvrijstelling van overheidsgefinancierde activiteiten zou echter wel verboden staatssteun kunnen opleveren.

54 C.P. Kooy en J.C.M. Cremers, Knelpunten in de heffing van vennootschapsbelasting in de zorg- en onderwijssector, WFR 2009/538.

55 Noot PJW: ook nu nog niet.

56 R.C. Henzen, Hoe ver reikt de zorgvrijstelling bij thuiszorginstellingen?, Fiscaal Praktijkblad 2012/13.

57 Zie bijvoorbeeld President Rechtbank Utrecht (kort geding) 29 oktober 1999, nr. 105038 KG ZA 99/940 AWBZ, ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704, USZ 1999/326 met commentaar Van Eijs.

58 Kamerstukken II, 1998-1999, 26 631, nr. 1, p. 2.

59 GGZ: geestelijke gezondheidszorg.

60 RIAGG: Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, RIBW: Regionale Instelling voor Beschermende Woonvormen; APZ: algemeen psychiatrisch ziekenhuis.

61 Besluit van 25 oktober 2002, houdende hernieuwde vaststelling van de aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en wijziging van andere besluiten in verband daarmee (Besluit zorgaanspraken AWBZ), Stb. 2002, 527.

62 Het marktdenken en het concomitante terugtreden van de overheid manifesteert zich ook bij, bijvoorbeeld, werkgeversverzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid van werknemers, waar het publieke stelsel concurrentie heeft gekregen van een privaat stelsel. Voor een beschrijving van die privatisering verwijs ik naar de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van Ballegooijen voor uw arrest HR 9 maart 2012, nr. 11/01759, ECLI:NL:HR:2012:BT8788, BNB 2012/135, V-N 2012/17.16, NTFR 2012/610 met commentaar Schouten.

63 Wet van 20 november 1980, Stb. 1980, 646.

64 Wet van 25 maart 1971, Stb. 1971, 268

65 Wet van 7 juli 2006, Stb. 2006, 415.

66 Kamerstukken II, 2004-2005, 30 186, nr. 3, p. 3.

67 Kamerstukken II, 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 3.

68 Wet van 29 juni 2006, Stb. 2006, 351.

69 De AWBZ is immers een volksverzekering.

70 Wat de Wmo betreft in het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Besluit van 2 oktober 2006, Stb. 2006, 450) en wat de AWBZ betreft in het Bijdragebesluit zorg (Besluit van 26 september 1996, Stb. 1996, 486).

71 Zie het bij Besluit van 5 december 2012, Stb. 2012, 628 ingevoerde art. 6(1)(c) Bijdragebesluit zorg. Aanvankelijk was een percentage van 12 voorgesteld (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 400 XV, nr. 2, p. 134). Vooralsnog is ondanks kritiek op de vermogensinkomensbijtelling nog geen structurele uitzondering gemaakt voor box 3-vermogen dat zijn oorsprong vindt in een al dan niet krachtens een verzekeringsovereenkomst uitgekeerde vergoeding wegens gederfd loon als gevolg van bijvoorbeeld een ongeluk waardoor men op jonge leeftijd volledig arbeidsongeschikt is geraakt.

72 ‘Wij van WC-Eend adviseren WC-Eend’.

73 Op basis van de overgelegde stukken heeft het Hof dat ook niet kunnen doen omdat een integrale versie van die statuten niet is geproduceerd.