Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:977

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
13/02544
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:980, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Contractsoverneming. Feitelijk oordeel. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/499
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 13/02544

Mr M.H. Wissink

Zitting van 6 september 2013

Conclusie inzake:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser tot cassatie,

tegen

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster

1.

Het bij dagvaarding van 3 mei 2103 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2013. Daarin heeft het hof geoordeeld dat een derde ([betrokkene]) met ingang van 1 augustus 2010 door contractsoverneming als bedoeld in art. 6:159 BW in de plaats is gesteld van [verweerster] als huurder, zodat deze laatste vanaf die datum niet meer jegens verhuurder [eiser] aansprakelijk is voor betaling van de nadien vervallen huurtermijnen.

2.

De twee middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft in rov. 8.6.1 en 8.6.2 een uitleg gegeven aan artikel 14 van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en in rov. 8.7.1 en 8.7.2, waartegen de middelen zich richten, geoordeeld dat sprake is van contractsoverneming. Een en ander berust op een waardering van de omstandigheden van het geval, welke als feitelijk van aard aan het hof is overgelaten. De middelen bepleiten in essentie een andere feitelijke beoordeling van de zaak waarvoor in cassatie echter geen plaats is. Het oordeel van het hof kan niet reeds onbegrijpelijk worden genoemd omdat [eiser] een andere beoordeling bepleit.

Ik wijs er verder op dat de middelen een aantal feitelijke standpunten innemen (bijvoorbeeld over het ontbreken van een akte) die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden ingenomen. Voor zover de middelen (mede) zijn gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, dienen zij de vindplaats(en) te vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. De middelen voldoen niet aan deze eis. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G