Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:975

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
13/03875
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1472, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei; art. 350 lid 3, onder c, Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/553
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 13/03875

mr. J. Wuisman

Rolzitting: 4 oktober 2013

CONCLUSIE inzake:

[verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek.

1 Voorgeschiedenis

1.1.

Bij vonnis d.d. 16 november 2010 van de rechtbank Haarlem is verzoekster tot cassatie tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Op 21 februari 2013 heeft de bewindvoerder verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen wegens het niet-naleven door verzoekster tot cassatie van uit hoofde van die regeling op haar rustende verplichtingen. Na de beslissing omtrent dit verzoek op de zitting van 19 maart 2013 te hebben aangehouden om verzoekster tot cassatie nog een kans te geven om aan haar verplichtingen te voldoen heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 11 juni 2013 alsnog tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling beslist. Daartoe overweegt zij dat niet is gebleken dat verzoekster tot cassatie na de haar verleende laatste kans alsnog aan de op haar rustende verplichtingen heeft voldaan.

1.2.

Van het vonnis van de rechtbank is verzoekster tot cassatie in appel gekomen bij het gerechtshof Amsterdam bij een beroepschrift, dat op 13 juni 2013 ter griffie is binnengekomen. Bij brief van 22 juli 2013 is een aanvullend beroepschrift naar het hof gezonden, waarbij zeven producties waren gevoegd. Na de op 23 juli 2013 gehouden hoorzitting heeft het hof bij arrest van 30 juli 2013 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof stelt vast dat verzoekster tot cassatie verwijtbaar tekort is geschoten in het nakomen van diverse verplichtingen, die voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zoals de verplichting om de bewindvoerder informatie te verschaffen, de verplichting geen nieuwe bovenmatige schulden aan te gaan en de verplichting om zich in te spannen om een goedkopere huurwoning te verkrijgen (rov. 2.4).

1.3.

Tegen het arrest van het hof is cassatieberoep ingesteld bij een verzoekschrift dat op 7 augustus 2013 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. Bij faxbrief van 10 september 2013 is nog een aanvullend verzoekschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

In het aangevoerde cassatiemiddel wordt niet de beslissing van het hof bestreden dat verzoekster tot cassatie tekort is geschoten in de naleving van diverse verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, maar wel de beslissing dat dat tekortschieten verwijtbaar is. De motivering van dat oordeel, zo wordt gesteld, schiet tekort. Ter toelichting daarvan wordt op een aantal feiten en omstandigheden gewezen, waaromtrent verder wordt gesteld dat uit het arrest niet blijkt of het hof hen bij zijn verwijtbaarheidsoordeel in aanmerking heeft genomen dan wel waarom het hof van oordeel is dat zij aan het aannemen van verwijtbaarheid niet in de weg staan. Zo wordt erop gewezen dat verzoekster tot cassatie belemmerd wordt in haar communicatie wegens haar psychische en lichamelijke gesteldheid. Wat de psychische component betreft, wordt onder verwijzing naar een behandelplan d.d. 30.11.2012 (onderdeel van productie 6 bij de brief van 22 juli 2013) gewezen op de in het behandelplan vermelde diagnose bij verzoekster tot cassatie van depressieve stoornis met de kwalificatie ernstig complex, het plaatsen van vraagtekens bij haar intellectuele vermogens en het waarschijnlijk aanwezig zijn bij haar van symbiotische wensen en tendensen die o.a. geleid hebben tot excessieve schulden. Ook wordt gewag gemaakt van een uitnodiging voor en een verslag van een bespreking op 22 juni 2013 met familieleden aangaande een behandelplan bij de hulporganisatie Eigen Kracht (eveneens een onderdeel van productie 6 bij de brief van 22 juli 2003). Het hof had zich, zo wordt opgemerkt, de vraag moeten stellen of in het licht van het feit dat zij lijdt aan een als complex gekwalificeerde depressieve stoornis wel kan worden gezegd dat het niet nakomen van de verplichtingen een duidelijk aanwijzing vormen dat bij verzoekster tot cassatie de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering ontbreekt. Verder had het hof moeten beoordelen of er voldoende maatregelen zijn getroffen om met vrucht het saneringstraject te laten verlopen. Het oordeel van het hof is derhalve in het licht van de stukken van het geding onbegrijpelijk.

2.2

Het hof vermeldt in rov. 2.1 als door verzoekster tot cassatie aangevoerd onder meer: “Het klopt dat zij, zoals de rechtbank in de bestreden beslissing heeft overwogen, de bewindvoerder niet steeds goed en volledig heeft geïnformeerd, maar daarvan kan haar geen verwijt worden gemaakt. Volgens [verzoekster tot cassatie] wordt zij in het communiceren belemmerd door haar psychische en lichamelijke gesteldheid. Zij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en heeft een te hoge bloeddruk. Bovendien heeft zij maandelijks tezamen met [betrokkene], haar sociaal raadsman, de informatieformulieren ingevuld en heeft deze kopieën gemaakt van bankafschriften en dergelijke met de afspraak dat [betrokkene] deze stukken aan de bewindvoerder zou doen toekomen. Kennelijk is [betrokkene] die afspraak niet nagekomen. (…) Voor haar zal voorts budgetbeheer geregeld worden.” Omtrent deze stellingen merkt het hof in rov. 2.5 alleen op dat niet aannemelijk is geworden dat het aan [betrokkene] ligt dat deze informatie de bewindvoerder niet heeft bereikt. Daarop laat het hof nog volgen dat haar voor wat de onderhavige schuldsaneringsregeling betreft niet baat dat zij thans voornemens is budgetbeheer aan te vragen. De tekortkomingen in de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn dusdanig ernstig dat het hof er onvoldoende vertrouwen in heeft dat zij met behulp van budgetbeheer die regeling wel tot een goed einde zal kunnen brengen.

2.3

Bij de door het hof als zodanig niet miskende eis van verwijtbaarheid gaat het blijkens het arrest van 12 juni 2006 van de Hoge Raad(1) erom of de betrokken schuldenaar heeft nagelaten die medewerking aan de naleving van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te bieden die in redelijkheid van hem kan worden verwacht. Of en in welke mate het hof aan dit aspect aandacht heeft moeten schenken, hangt af van de mate waarin de kwestie door verzoekster tot cassatie aan de orde is gesteld. De kwestie van de verwijtbaarheid is van de kant van verzoekster tot cassatie bij de rechtbank niet naar voren gebracht. Het punt wordt ook niet in het Beroepschrift van 13 juni 2013 aangesneden en evenmin in het Aanvullend beroepschrift van 22 juli 2013. De stukken van productie 6 bij dit laatste processtuk leiden niet tot het formuleren in het Aanvullend beroepschrift van een klacht of verweer dat, indien er sprake is van een niet nakomen van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, van die niet-nakoming verzoekster tot cassatie geen verwijt valt te maken. Pas tijdens de hoorzitting van 23 juli 2013 is blijkens het proces-verbaal van die zitting opgemerkt: “Het klopt wel dat [verzoekster tot cassatie] de bewindvoerder niet juist heeft geïnformeerd. [Verzoekster tot cassatie] is psychisch en lichamelijk niet in orde. Zij lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis en heeft een hoge bloeddruk. Dit belemmert haar in de communicatie. Zij heeft wel hulp gezocht onder andere bij de Sociaal Raadslieden, Stichting MEE en GGZ. MEE zal budgetbeheer voor [verzoekster tot cassatie] regelen. Het is fout gelopen in de schuldsanering onder andere doordat [betrokkene] van de Sociaal Raadslieden fouten heeft gemaakt, hetgeen hij heeft erkend op de Eigen Kracht conferentie. Hij heeft stukken niet opgestuurd naar de bewindvoerder. Hij is nu op vakantie en kan dat nu niet ter zitting verklaren.” Uit deze gang van zaken blijkt dat de verwijtbaarheidsvraag pas tijdens de hoorzitting van 23 juli 2013 van de kant van verzoekster tot cassatie aan de orde is gesteld, maar dat dat toen summier gebeurde. Er is alleen stilgestaan bij de informatieverplichting en niet bij de andere niet nagekomen verplichtingen, terwijl – wat de de persoon van verzoekster tot cassatie betreffende omstandigheden betreft – alleen de post-traumatische stress-stoornis en de hoge bloeddruk worden genoemd als omstandigheden die verzoekster tot cassatie in de communicatie belemmerden. Op de andere de persoon van verzoeker tot cassatie betreffende omstandigheden waarvan in het verzoekschrift tot cassatie melding wordt gemaakt – depressieve stoornis met de kwalificatie ernstig complex, het plaatsen van vraagtekens bij haar intellectuele vermogens en het waarschijnlijk aanwezig zijn bij haar van symbiotische wensen en tendensen die o.a. geleid hebben tot excessieve schulden – is, voor zover uit het proces-verbaal valt af te leiden, niet de aandacht gevestigd.

2.4

Het hof schenkt in rov. 2.5 aandacht aan de gestelde fout van [betrokkene] en aan het voorgenomen budgetbeheer. De fout van [betrokkene] acht het hof niet aannemelijk gemaakt. Tegen dat oordeel wordt in cassatie niet opgekomen. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat het voornemen om budgetbeheer aan te vragen het hof niet het vertrouwen geeft dat verzoekster tot cassatie de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde zal brengen.

2.5

Op de op de persoon van verzoekster tot cassatie betrekking hebbende omstandigheden gaat het hof niet in. Voor zover het gaat om andere omstandigheden dan de post-traumatische stress-stoornis en de te hoge bloeddruk, valt dat te begrijpen omdat die omstandigheden door verzoekster tot cassatie zelf ook niet bij het hof ter sprake zijn gebracht. Daarvoor is niet voldoende te achten het in het geding brengen van stukken zonder enige toelichting bij die stukken. Wat de posttraumatische stress-stoornis en de hoge bloeddruk betreft, zou een opmerking dienaangaande van het hof niet bevreemd hebben, nu het hof die omstandigheden in rov. 2.1 vermeld als door verzoekster tot cassatie aangevoerd ter betwisting van de verwijtbaarheid van het niet nakomen van de informatieverplichting. Dat die opmerking niet is gemaakt, valt evenwel te begrijpen. Waarom de beweerde posttraumatische stress-stoornis en de hoge bloeddruk het niet informeren van de bewindvoerder niet verwijtbaar doen zijn, is van de kant van verzoekster tot cassatie in het geheel niet toegelicht en volgt ook niet zonder meer uit de aard van die omstandigheden. Dat in die omstandigheden dan geen grond voor niet-verwijtbaarheid is te vinden, behoeft de rechter dan niet verder toe te lichten.

2.6

Uit het voorgaande volgt dat de voorgedragen motiveringsklacht geen doel treft.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . HR 12 juni 2009,ECLI:NL:HR:2009:BI0455, NJ 2009, 270.