Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:968

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
13/00272
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Documentatie-eisen van art. 12 van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV). In de onderhavige zaak is niet voldaan aan de eis van art. 12.ahf.b EUV dat ter staving van het verzoek dient te worden overgelegd een uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, met zo nauwkeurig mogelijk vermelding van o.m. de tijd en plaats waarop de feiten zijn begaan. De HR doet wat de Rb had behoren te doen en verklaart de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. 13/00272 U

mr. Vegter

zitting 17 september 2013

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij uitspraak van 14 december 2012 heeft de Rechtbank te ’s-Gravenhage de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Servië toelaatbaar verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof te Belgrado van 29 januari 2008 waarbij [de opgeëiste persoon] wegens illegale productie, het in bezit hebben van en de handel in verdovende middelen en het illegaal in bezit hebben van wapens en explosieve materialen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en tien maanden. Bij het bepalen van de straf heeft het Hof te Belgrado rekening gehouden met een op 29 maart 2004 door de Rechtbank te Belgrado voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden. Deze voorwaardelijke straf is naar het oordeel van de Rechtbank te ’s-Gravenhage destijds opgelegd ter zake van overtreding van artikel 245, alinea 3 - het vervalsen van tekens voor het merken van goederen, maten en gewichten - van de Servische wet OKZ.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. F.C. Knoef, advocaat te ’s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.W. Noorduyn en mr. C.L.A. de Sitter, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, hebben namens de opgeëiste persoon een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

3. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zo nauwkeurig mogelijk worden omschreven en dat het daarom niet noodzakelijk was het vonnis van de Rechtbank te Belgrado van 29 maart 2004 te overleggen. Een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de feiten is van belang met het oog op het specialiteitsbeginsel en de beoordeling van eventuele weigeringsgronden zoals verjaring en (het ontbreken van) de dubbele strafbaarheid, aldus de toelichting op het middel.

4. De Rechtbank heeft een ter zitting gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘De raadsman heeft aangevoerd dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is, omdat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 18 van de Uitleveringswet, immers het uitleveringsverzoek ontbeert zowel ten aanzien van de feiten uit het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Belgrado (Republiek Servië) als ten aanzien van het feit uit het vonnis van 29 maart 2004, waarbij aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke straf is opgelegd, de aanduiding van tijd en plaats. Voorts ontbreekt bij het uitleveringsverzoek een afschrift van het vonnis van 29 maart 2004, waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de door de opeisende partij overgelegde stukken voldoen aan de eisen vervat in artikel 12 van het Europees verdrag. Uit de door de Servische autoriteiten verstrekte stukken blijkt dat de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Servië is veroordeeld zo nauwkeurig mogelijk zijn omschreven. Het vonnis in eerste aanleg van 24 oktober 2006 bevat ten aanzien van de feiten een aanduiding van tijd en plaats (20 juli 2006 te Belgrado). Toevoeging van het vonnis van 29 maart 2004, waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd en waarmee in het arrest van 29 januari 2008 van het Gerechtshof in Belgrado rekening is gehouden, acht de rechtbank niet noodzakelijk. In voornoemd arrest is aangegeven om welk strafbaar feit het gaat en een dergelijk feit is ook naar Nederlands recht strafbaar, zoals hierna aangegeven. Tevens zijn door de Servische autoriteiten de toepasselijke wetsbepalingen overgelegd.’

5. Deze overweging van de Rechtbank laat zich moeilijk anders lezen dan dat de Rechtbank van oordeel is, dat in een geval waarin bij de oplegging van een straf voor een nieuw feit rekening wordt gehouden met een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, moet worden nagegaan of het feit of de feiten waarvoor die laatste straf indertijd is opgelegd voldoet of voldoen aan de eis van de dubbele strafbaarheid. Die opvatting is gelet op hetgeen hierna onder nr. 6 t/m 25 wordt opgemerkt verdedigbaar en leidt tot de slotsom dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Desondanks wordt onder nr. 26 e.v. bepleit de beslissing in stand te laten.

6. De eis dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zo nauwkeurig mogelijk (‘as accurately as possible’) worden omschreven, is gesteld in art. 12, tweede lid onder b, Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV). Art. 12, tweede lid, EUV luidt als volgt:

‘The request shall be supported by:
(a) the original or an authenticated copy of the conviction and sentence or detention order immediately enforceable or of the warrant of arrest or other order having the same effect and issued in accordance with the procedure laid down in the law of the requesting Party;
(b) a statement of the offences for which extradition is requested. The time and place of their commission, their legal descriptions and a reference to the relevant legal provisions shall be set out as accurately as possible; and
(c) a copy of the relevant enactments or, where this is not possible, a statement of the relevant law and as accurate a description as possible of the person claimed, together with any other information which will help to establish his identity and nationality.’

7. Vergelijkbare eisen worden gesteld in het met art. 12, tweede lid, EUV 1957 corresponderende art. 18, derde lid onder b, Uitleveringswet. Art. 18, derde lid, Uitleveringswet, luidt als volgt:

‘Het verzoek moet vergezeld gaan van:
a. het origineel of een authentiek afschrift hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis, hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan;
c. de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voor zover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht;
d. de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon en - in geval van mogelijke twijfel daaromtrent - van zijn nationaliteit.’

8. In cassatie wordt – anders dan ter zitting van de Rechtbank – niet afzonderlijk geklaagd over het ontbreken bij de overgelegde stukken van het originele vonnis van de Rechtbank te Belgrado van 29 maart 2004 of een authentiek afschrift daarvan. Het ontbreken van genoemd vonnis wordt in cassatie geplaatst in de sleutel van het vereiste dat de feiten ‘shall be set out as accurately as possible’.

9. Hoe vanzelfsprekend de eisen van zowel art. 12, tweede lid onder b, EUV 1957 en art. 18, derde lid onder b, Uitleveringswet zijn, blijkt onder meer uit de opmerking van Thomas: ‘Artikel 12, al. 2 zelf behoeft o.i. geen bijzonder commentaar.’1 Alleen de voorwaarde ‘as accurately as possible’ laat ruimte voor interpretatie. Dit biedt vooral speelruimte bij de eisen die worden gesteld aan de feiten, tijd en plaats als het uitlevering ter fine van strafvervolging betreft. De Hoge Raad is ‘doorgaans zeer liberaal’ als het gaat om de eisen die worden gesteld aan de uiteenzetting van de feiten als het gaat om vervolgingsuitlevering, aldus Remmelink, ‘omdat het voor de vervolgende instanties vaak niet mogelijk is om in dit vroege stadium der vervolging tijd, plaats en handeling scherp te omlijnen’. Als het gaat om executie-uitlevering, staan de feiten vast zodat de feiten nauwkeurig(er) uiteen kunnen en moeten worden gezet. Naar het oordeel van de Hoge Raad mag de Rechtbank – in geval van executie-uitlevering – niet in het midden laten op welke tijd en plaats de feiten zijn begaan.2

10. In verband met art. 12, tweede lid, EUV 1957 stelt Schomburg als eis dat de uiteenzetting van de feiten concreet genoeg moet zijn om te beoordelen of deze strafbaar zijn naar het recht van de aangezochte Staat:

‘Die Sachverhaltsdarstellung muss so konkret sein, dass die sinngemäβe Strafbarkeit nach deutschem Recht geprüft werden kann. Die bloβe Wiedergabe einer tatbestandlichen Umschreibung genügt nicht‘.3

11. De in art. 12, tweede lid onder b, EUV 1957 en art. 18, derde lid onder b, Uitleveringswet vereiste ‘legal description’ c.q. uiteenzetting van de feiten, tijd en plaats worden ook door Glerum en Rozemond bezien in het licht van de toets of aan de voorwaarden is voldaan om tot uitlevering te kunnen overgaan.4 Zo ook Swart en Remmelink.5

12. In HR 31 augustus 1972, NJ 1973/122 overwoog de Hoge Raad in een zaak waarin het uitleveringsverzoek (ten dele) strekte tot uitlevering ter fine van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij de verdachte was veroordeeld, dat aan de hand van de uiteenzetting van de feiten ‘behoort te worden nagegaan, of de feiten, waarop het vonnis betrekking heeft, naar Nederlands recht met zodanige straf of maatregel bedreigd zijn, dat zij, naar de bepalingen van het verdrag, tot uitlevering kunnen leiden’. De Hoge Raad concludeert vervolgens dat de in het vonnis vermelde feiten ‘voldoen aan de in art. 2 van het verdrag gestelde eis van dubbele strafbaarheid’.

13. In HR 10 januari 1978, NJ 1978/642 wijst de Hoge Raad erop dat de betreffende vonnissen een ‘overzicht bevatten van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, met een voldoende nauwkeurige vermelding van de tijd en de plaats waarop die zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de, in afschrift bijgevoegde, toepasselijke wetsbepalingen’.

14. De feiten, tijd en plaats behoeven niet noodzakelijkerwijs uit het te executeren vonnis zijn op te maken. Ook op basis van de overige stukken kan de rechter die over de uitlevering oordeelt, nagaan of de feiten waarop het vonnis betrekking heeft tot uitlevering kunnen leiden.6

15. Onder nr. 5 hierboven kwam ik tot de slotsom dat uit de onder nr. 4 hierboven geciteerde overweging van de Rechtbank Rotterdam kan worden afgeleid dat de Rechtbank de eis van dubbele strafbaarheid zowel stelt voor het nieuwe feit als voor de oude feiten waarop de voorwaardelijke veroordeling ziet. Minder duidelijk is of de Rechtbank eveneens van oordeel is dat de eis van de ‘zo nauwkeurig mogelijke omschrijving’ eveneens geldt voor die oude feiten. Voor het nieuwe feit wijst de Rechtbank in de onder 4 geciteerde overweging uitdrukkelijk op de aanduiding van tijd en plaats (20 juli 2006 te Belgrado). Daarmee geldt dus daarvoor volgens de Rechtbank in ieder geval de eis van de nauwkeurige omschrijving en is daaraan ook voldaan. Dat is juist. Voor de Rechtbank is toevoeging van het vonnis van 2004 niet nodig, omdat in het arrest van het Gerechtshof Belgrado is aangeven om welk strafbaar feit het gaat en omdat volgens de Rechtbank het feit naar Nederlands recht strafbaar is. Of de Rechtbank Rotterdam een eventueel gebrek in de nauwkeurigheid van de omschrijving van de oude feiten fataal acht, blijft in het midden. In ieder geval is er in de onderhavige zaak kennelijk voor de Rechtbank geen beletsel om de dubbele strafbaarheidstoets toe te passen. Nu de ratio van de nauwkeurige omschrijving van de feiten is dat nagegaan kan worden of aan de voorwaarden voor uitlevering en met name de dubbele strafbaarheid is voldaan en de Rechtbank zich in staat achtte die toets aan te leggen, zag de Rechtbank geen noodzaak voor een nauwkeuriger omschrijving van de feiten.

16. De tekst van het uitleveringsverzoek sluit voor wat betreft de omschrijving van de oude feiten waarop het bevel tot tenuitvoerlegging betrekking heeft volledig aan bij het arrest van het Hof te Belgrado van 29 januari 2008, K.br. 1574/06. Daarin is overwogen dat [de opgeëiste persoon] bij vonnis van 29 maart 2004 door de Rechtbank te Belgrado, K.br. 809/03, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met een proeftijd van drie jaren is veroordeeld

‘for the criminal offence of Illegal Possession of Narcotics from Article 245 paragraph 3 of the Basic Criminal Law and criminal offence of Illegal Possession of Firearms and Ammunition from Article 33 paragraph 1 of the Law on Weapons and Ammunition of the Republic of Serbia’.

17. Art. 245, lid 3, Basic Criminal Law houdt het volgende in:

‘Whoever unlawfully keeps substances or preparations that are declared narcotics, shall be punished by fine or imprisonment up to three years.’

18. Een (in de Engelse taal) gestelde versie van art. 33 van de genoemde Law on Weapons and Ammunition heb ik bij de stukken niet aangetroffen, maar daarover wordt in cassatie niet geklaagd. Naar aan te nemen valt heeft de Rechtbank in verband met dit feit in haar uitspraak onder 6.3 bepaald dat het naar Nederland recht oplevert handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

19. In haar beslissing stelt de Rechtbank onder 2 (overgelegde stukken) dat de voorwaardelijke gevangenisstraf destijds is opgelegd ‘ter zake van overtreding van artikel 245, alinea 3 – het vervalsen van tekens voor het merken van goederen, maten en gewichten – van de Servische wet OKZ’. Naar aan te nemen valt heeft de Rechtbank in verband daarmee in haar uitspraak onder 6.3 vastgesteld dat de feiten naar Nederland recht opleveren valsheid in geschrift, onder verwijzing naar art. 226 Sr.

20. In de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek valt over de onderliggende feiten van het vonnis uit 2004 onder meer te lezen: “(…); hiermee is de voorwaardelijke straf wegens het strafbaar feit van illegaal in bezit houden van drugs overeenkomstig artikel 245, alinea 3 van het Basis Wetboek van Strafrecht en wegens het strafbaar feit van het illegaal in bezit houden van vuurwapens en munitie overeenkomstig art. 31, alinea 1 van de Wet wapens en munitie van Republiek Servië, uitgesproken door Arrondissementsrechtbank te Belgrado K.nr. 809/3 van 29.3.2004 nietig verklaard.” Het verzoek ziet daarmee dus onder meer op het vonnis uit 2004 met betrekking tot drugs en wapens. Bij het oorspronkelijke (in het Engels vertaalde) verzoek bevinden zich als bijlage als voor de tenuitvoerleggingsbeslissing relevante bepaling art. 245 General criminal law. De bepaling betreft ‘Unlawful Production, Keeping and Circulation of Narcotics’. Het derde lid luidt:

“Whoever unlawfully keeps substances or preparations that are declared narcotics, shall be punished by fine or imprisonment up to three years.”

21. Als bijlage bij het in Nederlands vertaalde verzoek bevindt zich een Nederlandse vertaling van artikel 245 Wetboek van Strafrecht van de Republiek Servië. Die bepaling bevat twee leden en luidt als volgt:

“(1) Hij die, met de bedoeling ze voor echt te laten doorgaan, valse zegels, keurmerken, waarmerken of andere merktekens vervaardigt voor het merken van binnenlandse of buitenlandse goederen, die gebruikt worden voor het merken van goud, andere edelmetalen, hout, vee of andere soorten goederen, of hij die met dezelfde bedoeling de echte merktekens wijzigt, of hij die valse of gewijzigde merktekens voor echte laat doorgaan, wordt gestraft met een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal drie jaar.

(2) Valse merktekens, maten en gewichten zullen worden afgenomen.

22. De verwijzing van de Rechtbank Rotterdam naar de overtreding van artikel 245, alinea 3 – het vervalsen van tekens voor het merken van goederen, maten en gewichten – van de Servische wet OKZ als één van de twee oude feiten waarvoor in 2004 voorwaardelijk is veroordeeld, berust op een misslag. Het uitleveringsverzoek, zoals dat in de Engelse taal is ingekomen, rept niet van enige vorm van valsheid. Om onduidelijke redenen is bij de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek als bijlage artikel 245 van het Servische Wetboek van Strafrecht (een valsheidsdelict) gevoegd in plaats van het bij het oorspronkelijke uitleveringsverzoek gevoegde artikel 245 van het Basis Wetboek (een drugsdelict). De Rechtbank is, nu geen Nederlandse vertaling van art. 245 van het Basis Wetboek, maar wel van het Servische Wetboek voor handen was, op het verkeerde been geraakt door uit te gaan van de aanwezige Nederlandse vertaling van dat Servische Wetboek. De Rechtbank verwijst naar alinea 3 van artikel 245 van het Servische Wetboek van Strafrecht en ziet daarbij over het hoofd dat art. 245 van dat Wetboek slechts twee leden kent. Ook dat laatste wijst op een misslag. De misslag laat zich verklaren door de omstandigheid dat het Wetboek van Strafrecht voor de Republiek Joegoslavië is vervangen door het Wetboek van Strafrecht voor de Republiek Servië.7

23. Opmerkelijk is dat deze misslag in de cassatieschriftuur niet wordt gesignaleerd. Er wordt niet geklaagd dat de Rechtbank de uitlevering heeft gebaseerd op een bepaling die niet van toepassing is. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat de kwalificatie van het feit naar toepasselijk buitenlands recht alsmede naar Nederlands recht uit de stukken kan volgen, is dit op zich zelf geen grond om de uitlevering ontoelaatbaar te achten.

24. Ik keer terug naar de kernvraag of aan de hand van de aanwezige omschrijving van de feiten inderdaad kan worden nagegaan of de feiten waarvoor [de opgeëiste persoon] tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, naar de bepalingen van het EUV 1957 tot uitlevering kunnen leiden. Heeft de Rechtbank Rotterdam wel kunnen nagaan of de feiten strafbaar zijn naar Nederlands recht nu datum en tijd ontbreken en bovendien niet is aangegeven om welke ‘narcotics’ het gaat? Een overzicht van stoffen die krachtens art. 245 lid 3 General Criminal Law als ‘narcotics’ worden aangemerkt, is niet overgelegd. Niet voldoende is dat de kwalificatie van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht een Nederlandse pendant heeft – i.c. de kwalificatie van de feiten waarvoor [de opgeëiste persoon] destijds tot een voorwaardelijke straf is veroordeeld – maar –in de tot nu toe door mij gevolgde redenering- of de materiële feiten strafbaar zijn naar Nederlands recht. Die toets heeft de Rechtbank niet kunnen aanleggen, Evenmin kan door het ontbreken van een pleegdatum bijvoorbeeld worden nagegaan of er sprake is van verjaring naar Nederlands recht. En ik herhaal nog maar dat art. 33 van de Law on Weapons and Ammunition bij de stukken ontbreekt.

25. Zo bezien is het oordeel van de Rechtbank, dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard zo nauwkeurig mogelijk zijn vermeld, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk met betrekking tot de feiten die ten grondslag liggen aan de voorwaardelijk opgelegde straf die is opgelegd door de Rechtbank te Belgrado bij vonnis van 29 maart 2004. Op basis van het arrest van het Hof te Belgrado van 29 januari 2008 noch op basis van de andere overgelegde stukken, kan worden beoordeeld of die oude feiten tot uitlevering kunnen leiden.

26. Bovenstaande benadering sluit aan bij het standpunt van de steller van het middel en geeft voor dat standpunt nog nadere argumenten. Er is echter ook een geheel andere benadering mogelijk. In de kern is het uitgangspunt in die benadering dat de nieuwe feiten waarvoor is veroordeeld de grondslag vormen voor de beslissing om rekening te houden met de voorwaardelijk opgelegde straf uit 2004. Consequentie daarvan is dat alle stukken die betrekking hebben op de voorwaardelijke straf niet behoeven te worden overgelegd, omdat nadere toetsing van de aan de voorwaardelijke veroordeling ten grondslag liggende feiten niet nodig is. De omstandigheid dat er indertijd een voorwaardelijke straf is opgelegd is dan vooral van belang voor de straftoemeting. Er dringt zich de vergelijking op de omstandigheid dat de buitenlandse rechter bijvoorbeeld op welke wijze dan ook met recidive heeft rekening gehouden. Dergelijke factoren die voor de straftoemeting van betekenis zijn, behoeven geen afzonderlijke toetsing in het kader van de uitleveringsprocedure. Zelfs indien die feiten die bij de straftoemeting in de vreemde staat in aanmerking zijn genomen naar Nederlands recht niet strafbaar zijn, betekent dat nog niet zonder meer dat niet aan de verdragseisen is voldaan. Voorop gesteld moet worden dat de uitlevering wordt verzocht ter fine van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof te Belgrado van 29 januari 2008. [de opgeëiste persoon] is daarbij verroordeeld wegens – kort samengevat – het bezit van 94,59 gram methamphetamine en 43,10 gram amphetamine, met het oogmerk om te verkopen, alsmede het bezit van verboden munitie, een en ander op 20 juli 2006 te Belgrado. Terecht is noch ter terechtzitting noch in cassatie aangevoerd dat de uiteenzetting van deze feiten alsmede de tijd en plaats onvoldoende nauwkeurig zijn aangeduid.

27. In de onderhavige zaak is derhalve beslissend dat het zwaartepunt van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, volledig is gelegen in de veroordeling die door het Hof te Belgrado op 29 januari 2008 is uitgesproken wegens de genoemde drugsdelicten en het bezit van munitie. De tenuitvoerlegging van de in 2004 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is daaraan ondergeschikt. De verhouding tussen de recente veroordeling en het omzetten van de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke straf, blijkt ook uit het feit dat het Hof in zijn arrest van 29 januari 2008 één straf heeft opgelegd waarin de afzonderlijke straffen voor nieuwe en oude feiten zijn geabsorbeerd.

28. Bij het bepalen van de op te leggen straf, heeft het Hof te Belgrado in zijn arrest van 29 januari 2008 in het bijzonder het navolgende overwogen (het citaat is uit de overgelegde Engelse vertaling):

‘In opinion of this court, the first instance court has properly established all circumstances relevant for sentencing of punishment and assessed it appropriately when it has sentenced the accused [de opgeëiste persoon], for the criminal offence from Article 246 paragraph 1 of the Criminal Code, to imprisonment of two years, and gave reasons for it accepted by this court, since such punishment is appropriate with gravity of the committed offence and degree of guilt of the accused as perpetrator. However, regarding the imprisonment of six months, sentenced to the accused [de opgeëiste persoon] by the first instance court for the criminal offence from Article 348 paragraph 1 of the Criminal Code, in opinion of this court such punishment is more severe than it is necessary, considering all established circumstances and especially degree of vulnerability of legally protected value, since it was ammunition – 20 bullets, possessed illegally by the accused, which was properly pointed out in the lodged complaints.

Therefore, this court has sentenced the accused [de opgeëiste persoon] for the committed criminal offence from article 348 paragraph 1 of the Criminal Code to imprisonment of three months, considering that such punishment is proportionate with gravity of the committed offence and guilt of the accused as perpetrator.

Besides that, in opinion of this court, the first instance has properly and legally acted when it has revoked the conditional judgment from the final judgment of the District Court in Belgrade K.br.809/03 from 29.03.2004, and took from that judgment the imprisonment of eight months from the criminal offence from Article 245 paragraph 3 of the General Criminal Law and criminal offence from Article 33 paragraph 1 of the Law on Weapons and Ammunition.

Considering and evaluating all circumstances relevant for sentencing of punishment this court has sentenced the accused [de opgeëiste persoon] for the mentioned criminal offences to the unique imprisonment of two years and ten months, where time spent in detention will be included, finding that such punishment in this particular case is sufficient and necessary to achieve purpose of punishing within general purpose of sentencing of criminal sanctions.’

29. De voorwaardelijk opgelegde straf die onvoorwaardelijk is geworden, is als het ware volledig opgegaan in de straf zoals die is opgelegd door het Hof te Belgrado bij arrest van 29 januari 2008. De uitlevering van [de opgeëiste persoon] wordt volledig en afdoende gedragen door de feiten waarvoor hij door het Hof te Belgrado is veroordeeld. Het lijkt mij niet mogelijk en noodzakelijk om telkens in het kader van de uitlevering de strafbaarheid te toetsen van oude feiten waarbij in het kader van de straftoemeting rekening is gehouden. Dat geldt dus ook als het om een bevel tenuitvoerlegging van een oude straf gaat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de wijze waarop de procedure bij de beslissing tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen is geregeld zelfs tussen de Europese staten al aanzienlijk verschilt.

30. De slotsom is dan dat het middel weliswaar een vinger op een zere plek in de beslissing van de Rechtbank legt, omdat niet begrijpelijk is dat uit de omschrijving van de oude feiten de dubbele strafbaarheid kan worden afgeleid, maar dat het middel niet tot cassatie behoeft te leiden, omdat die eis voor dubbele strafbaarheid niet geldt voor feiten waarbij in het kader van de straftoemeting rekening is gehouden.

31. Het middel faalt.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak dienen te leiden.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 F. Thomas, De Europese Rechtshulpverdragen in strafzaken, diss. Gent, Gent: Wetenschappelijke uitgeverij E. Story-Scientia P.V.B.A. 1980, p. 247 nr. 262.

2 HR 19 februari 1985, DD 85.289.

3 Schomburg/Lagodny/Gleß/Hackner, Internationale Rechtshilfe in Strafsachen, München: Beck 2012, Art. 13 EuAlÜbk, nr. 4.

4 V. Glerum en N. Rozemond, Overlevering en uitlevering, in Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 139 e.v. op p. 193.Zie ook V. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Nijmegen 2013, p. 301 e.v.

5 A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle 1986, p. 393 nr. 349. Voorts J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem 1990, p. 134.

6 Remmelink, a.w. 1990, p. 133 met verwijzingen. Zie ook HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8461.

7 In het Yoegoslavische Wetboek is art. 245 een drugsdelict en dat Wetboek was in 2004 van toepassing. In het Servische Wetboek is art. 245 een valsheidsdelict (Official Gazette of RS, nos 85/2005 en 107/2005). Zie bijvoorbeeld legislationonline.org.