Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:955

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
13/00183
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2102, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schadevordering wegens onrechtmatig besluit tot intrekking AAW/WAO-uitkering. Immateriële schade, art. 6:98 BW. Redelijke kosten ter vaststelling van schade; is vereist dat deze kosten rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig handelen? Art. 6 :96 lid 2 aanhef en onder b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/00183

Mr. F.F. Langemeijer

4 oktober 2013

[eiser]

tegen

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzeken

Dit cassatieberoep betreft de vaststelling van de schade, geleden als gevolg van de onrechtmatig bevonden intrekking van een AAW/WAO-uitkering.

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, zoals vastgesteld in het bestreden arrest onder 5.1 - 5.5. Deze houden het volgende in:

1.1.1.

Per 27 september 1977 heeft eiser tot cassatie zich ziek gemeld. Aan hem is over de maximale uitkeringstermijn van 52 weken ziekengeld betaald. Aansluitend is hem een AAW/WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 - 100%.

1.1.2.

Bij besluit van 22 november 1979 van de Bedrijfsvereniging voor bank- en verzekeringswezen, groothandel en vrije beroepen (een rechtsvoorganger van gedaagde in cassatie, het UWV) is eisers AAW/WAO-uitkering ingetrokken per 1 december 1979. Daarna is hem eerst een WW-uitkering en vervolgens een WWV-uitkering verstrekt, telkens over de maximale periode. Met ingang van 9 mei 1984 heeft de gemeente Hulst aan eiser een bijstandsuitkering toegekend.

1.1.3.

Bij brief van 31 oktober 1997 heeft GAK Nederland (namens het LISV, een rechtsvoorganger van het UWV) eiser in kennis gesteld van de beslissing dat het hiervoor genoemde besluit van 22 november 1979 werd ingetrokken en dat de AAW/WAO-uitkering van eiser vanaf 1 december 1979 onveranderd is te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 - 100%.

1.1.4.

Bij brief van 17 maart 1999 heeft GAK Nederland de onrechtmatigheid van het hiervoor genoemde besluit van 22 november 1979 erkend.

1.1.5.

Na verrekening met de uit anderen hoofde aan eiser verstrekte uitkeringen, heeft een rechtsvoorganger van het UWV in juli 1998 aan eiser een bedrag toegekend van f 260.306,57 (netto) en in zijn geheel uitbetaald. Over dat bedrag ineens is in 1998 belasting geheven.

1.1.6.

Over deze nabetaling van de AAW/WAO-uitkering is in 1998 aan eiser ook wettelijke rente uitbetaald (een bedrag van € 157.714,81). Ook over deze wettelijke rente was eiser in het jaar 1998 belasting verschuldigd.

1.2.

Eiser heeft op 23 januari 2004 het UWV doen dagvaarden voor de rechtbank te Middelburg. Hij stelt dat een rechtsvoorgangster van het UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het besluit van 22 november 1979 tot intrekking van zijn AAW/WAO-uitkering. Als gevolg van dat besluit heeft hij gedurende vele jaren in een bijstandbehoevende situatie verkeerd, terwijl hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat was door arbeid in zijn inkomen te voorzien. Hij stelt hierdoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. Eiser heeft, na vermindering van eis, betaling gevorderd van een schadevergoeding van € 461.467,76, te vermeerderen met rente en kosten. Naar de opgave van eiser is dit bedrag opgebouwd als volgt:

a. € 34.290,18 ter zake van belastingschade;

b. € 154.235,38 ter zake van schade bij de verkoop van eisers woning te Hulst;

c. € 104.633,10 ter zake van huurderving in het tijdvak 1 mei 1984 - 1 mei 2002;

d. € 89.876,22 ter zake van kosten vervangende woning in de periode 1984 - 1999;

e. € 35.323,82 ter zake van kosten van rechtsbijstand en vaststelling van schade;

f. € 43.109,12 ter zake van immateriële schade.

1.3.

Het UWV heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 5 maart 2008 heeft de rechtbank de vordering afgewezen op grond van verjaring.

1.4.

Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. In hoger beroep zijn partijen het erover eens geworden dat de verjaring tijdig is gestuit.

1.5.

Bij arrest van 25 september 2012 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het UWV veroordeeld tot betaling van € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade. Voor het overige heeft het hof de vordering afgewezen. Op de gronden van deze beslissing, voor zover in cassatie nog aan de orde, kom ik hieronder terug.

1.6.

Eiser heeft − tijdig1 − beroep in cassatie ingesteld. Tegen het UWV is verstek verleend. Eiser heeft het cassatiemiddel schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de afwijzing van de gevorderde belastingschade. Eiser had in de procedure bij het hof gesteld dat hij belastingschade heeft geleden, doordat de (in één keer uitgekeerde) wettelijke rente verband houdt met de te late uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanwege het progressieve tarief van de inkomstenbelasting en nu fiscale regels in de weg staan aan een gunstiger heffing, is hij als gevolg van de te late uitbetaling méér belasting verschuldigd geworden dan normaal. Die méér betaalde belasting is volgens eiser als schade aan te merken. De klacht onder 1.1 houdt in dat het hof ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan de belastingschade over de hoofdsom. Voor zover de verwijzing door het hof naar de brief van de Belastingdienst van 25 september 2000 is bedoeld als grond voor de afwijzing van de belastingschade over de hoofdsom, noemt subonderdeel 1.2 dit oordeel onbegrijpelijk.

2.2.

Ter onderbouwing van de gestelde belastingschade heeft eiser in de feitelijke instanties verwezen naar de door hem overgelegde producties2. Deze wezen erop, en zijn in elk geval door het hof zo verstaan, dat door eiser vergoeding werd gevorderd van de belastingschade die hij ondervond als gevolg van de uitkering van de wettelijke vertragingsrente in één keer3. Uit de brief van 25 september 2000 van de Belastingdienst, waarnaar het hof verwijst4, heeft het hof kennelijk − en niet onbegrijpelijk − opgemaakt dat door een fiscale regeling de heffing van inkomstenbelasting over de aan eiser nabetaalde hoofdsom (de AAW/WAO-uitkering) in de eerste schijf (van het schijventarief) is gehouden. Daarvan uitgaande, was belastingschade als gevolg van het feit dat de nabetaling van de hoofdsom in 1998 in één keer heeft plaatsgevonden niet meer aan de orde5. In deze brief en ook elders in de overgelegde correspondentie komt tot uitdrukking dat de uitbetaalde wettelijke rente niet in de fiscale ‘uitsmeerregeling’ is betrokken6; in de memorie van grieven (punt 8) spreekt eiser over de betaalde wettelijke rentevergoeding. In het licht van het debat in de feitelijke instanties is niet onbegrijpelijk dat, en waarom, het hof in rov. 8.1 en 8.2 ervan is uitgegaan dat eisers vordering slechts betrekking had op belastingschade als gevolg van de uitbetaling van de wettelijke rente ineens. De klachten onder 1.1 en 1.2 gaan daarom niet op.

2.3.

Subonderdeel 1.3 betreft het oordeel over de gestelde belastingschade als gevolg van de uitbetaling van de wettelijke rente in één keer. Het hof heeft dienaangaande overwogen:

“Verschuldigde belasting geheven over uitgekeerde wettelijke rente kan niet als een schadepost worden aangemerkt. Wettelijke rente over een verschuldigde hoofdsom wordt in het algemeen in één keer uitbetaald en (in de tijd waar het hier om gaat) daarna in zijn geheel belast. Vertragingsschade wordt per definitie niet per jaar ontvangen. (…)” (rov. 8.2)

De klacht houdt in dat dit oordeel rechtens onjuist is: belastingschade kan afzonderlijk worden gevorderd en valt niet onder het fixum van art. 6:119 BW. De verwijzing door het hof naar de omstandigheid dat wettelijke rente in één keer pleegt te worden uitbetaald en niet per jaar wordt ontvangen, kan volgens eiser het bestreden oordeel niet dragen.

2.4.

Op grond van art. 6:119 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Art. 6:119 BW fixeert de aanspraak op schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Dit wil zeggen dat de schuldeiser de wettelijke vertragingsrente mag vorderen, ook al is de geleden vertragingsschade in werkelijkheid minder geweest. Omgekeerd krijgt de schuldeiser ter zake van vertragingsschade niet méér vergoed dan de wettelijke rente7. Bij een verbintenis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (art. 6:83 BW); de wettelijke rente loopt in dat geval vanaf de datum waarop de verbintenis opeisbaar is.

2.5.

In de voor dit geschil relevante periode waren bestuursrechtelijke geldschulden nog niet als zodanig opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht8. Het recht op betaling ontstond door de toekenningsbeschikking. In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is wel op de voet van art. 8:73 Awb schadevergoeding toegekend in geval van vernietiging van een besluit van een bestuursorgaan. Thans is de vergoeding van wettelijke rente in dit soort gevallen geregeld in art. 4:102 Awb.

2.6.

Belastingschade valt inderdaad buiten de categorie schade ‘wegens vertraging in de voldoening van een geldsom’, als bedoeld in art. 6:119 BW9. Het hof heeft deze regel niet geschonden: het hof heeft niet geoordeeld dat de gestelde belastingschade onder het fixum van art. 6:119 BW valt. Het recht van eiser op betaling van de wettelijke rente is opeisbaar geworden door het tot toekenning van die rente strekkende besluit van een publiekrechtelijke rechtspersoon, te weten de rechtsvoorganger van het UWV10. Aangezien de toegekende wettelijke rente niet verspreid genoten is of kon worden, kon het hof slechts constateren dat geen sprake was van een situatie waarin betrokkene recht zou hebben gehad op een lager tarief11. Daarom was van ‘belastingschade’ in de door eiser bedoelde zin geen sprake. Dit heeft het hof tot uitdrukking gebracht in de verwijzing naar de correspondentie van de belastinginspecteur en met de overweging dat wettelijke rente in één keer wordt uitbetaald en, in de tijd waar het hier om gaat, in dat jaar in zijn geheel werd belast. In theorie was wellicht mogelijk geweest dat de verschuldigde wettelijke rente eerder door de rechtsvoorganger van het UWV zou zijn vastgesteld en in elk jaar afzonderlijk zou zijn uitbetaald, zelfs nog voordat de verschuldigde hoofdsom definitief was vastgesteld, maar dát heeft het hof niet als een reële basis voor de vaststelling van de schade beschouwd, noch behoeven te beschouwen. Doorgaans wordt eerst de verschuldigde hoofdsom bepaald en pas daarna de wettelijke rente daarover; dit volgt uit de toevoeging dat wettelijke rente in het algemeen in één keer wordt uitbetaald. Onderdeel 1 faalt.

2.7.

Onderdeel 2 is gericht tegen de begroting van de immateriële schade op een bedrag van € 3.000,- hoewel € 43.109,12 was gevorderd12. De klacht houdt in dat het hof geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop het dit bedrag heeft berekend: door het ontbreken van iedere motivering is niet te controleren of het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en, zo ja, of het hof de schade heeft begroot op de wijze die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is.

2.8.

Het hof heeft, naar aanleiding van de stellingen van eiser over zijn ‘psychosociale ontreddering’ als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van (een rechtsvoorganger van) het UWV13, overwogen dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gang van zaken rondom het ten onrechte stopzetten van de uitkering onmiskenbaar een ernstige en langdurige uitwerking heeft gehad op de psyche van eiser. Deze kan volgens het hof als psychische schade worden aangemerkt. Het hof heeft in rov. 11.1 de immateriële schade begroot op € 3.000,-.

2.9.

Art. 6:106 BW draagt de rechter op, de omvang van de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade vast te stellen naar billijkheid. De rechter dient daarbij rekening te houden met alle omstandigheden van het geval14. De begroting van de schade is verweven met de vaststelling en waardering van de feiten en kan daarom in cassatie slechts beperkt worden getoetst. De rechter mag de hoogte van de schade schatten indien de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (art. 6:97 BW). Ook ten aanzien van een dergelijke schatting geldt het beginsel van een behoorlijke rechtspleging, dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken15.

2.10.

In het onderhavige geval is het hof kennelijk van oordeel dat de immateriële schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en daarom moet worden geschat. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Eiser had verzocht de vergoeding ex aequo et bono vast te stellen16. Enkele in dit geval voor de hand liggende aanknopingspunten, zoals de lengte van de periode waarin de AAW/WAO-uitkering ontbrak, de financiële gevolgen daarvan voor het inkomen en de noodgedwongen verhuizing van eiser, zijn blijkens het arrest het hof niet ontgaan. In de praktijk geschiedt het begroten van immateriële schade dikwijls door middel van gevalsvergelijking17, maar de motiveringsplicht gaat niet zover dat de rechter het vergelijkingsmateriaal uitdrukkelijk in zijn vonnis moet opnemen. Eiser heeft in de feitelijke instanties toegelicht waarop hij zijn standpunt baseerde dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel is vastgesteld18. Ten aanzien van het gevorderde bedrag heeft hij slechts gesteld dat het gevorderde bedrag hem redelijk en billijk en niet buitenproportioneel voorkwam19. Het hof had daarom met betrekking tot de hoogte van het bedrag niet veel mogelijkheden tot responderen. Als ik het goed zie, zit het verschil voornamelijk in het feit dat in eisers optelling het geestelijk letsel voor ieder jaar afzonderlijk is berekend, welke benadering door het hof blijkbaar niet wordt gedeeld. De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.

2.11.

Onderdeel 3 is gericht tegen de afwijzing van de kosten van het psychologisch onderzoek. Het hof heeft (na bespreking van de gestelde kosten van de bestuursrechtelijke procedures en buitengerechtelijke incassokosten) overwogen dat de overige opgegeven kosten, zoals die van accountants en taxateurs, voor zover zij al niet betrekking hebben op de afgewezen vorderingen, niet op het UWV kunnen worden verhaald. Het gaat volgens het hof om kosten die eiser heeft gemeend te moeten maken, maar die niet een rechtstreeks gevolg zijn van de door het UWV (of haar rechtsvoorganger) gepleegde onrechtmatige daad. Aan de redelijkheid en billijkheid kunnen, bij gebreke van een verdere onderbouwing, geen argumenten voor toewijzing worden ontleend (rov. 10.2).

2.12.

Eiser heeft een bedrag van f 750,- (€ 340,34) en f 114,- (€ 51,73) ter zake van kosten van psychologisch onderzoek gevorderd20. Het middelonderdeel klaagt dat het UWV te aanzien van deze posten slechts het verweer heeft gevoerd dat zij accessoir zijn aan de hoofdvordering en het lot van de hoofdvordering dienen te volgen21. Nu het hof een vergoeding ter zake van immateriële schade heeft toegewezen, hadden deze nevenvorderingen als onweersproken behoren te worden toegewezen, aldus eiser.

2.13.

Kosten van psychologisch onderzoek kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van schade, in de zin van art. 6:96, lid 2, aanhef en onder b, BW. Dergelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien oorzakelijk verband22 bestaat tussen de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat en (het maken van) de kosten23. Eiser heeft het oorzakelijk verband met deze kosten gesteld. Het hof heeft het verweer van het UWV opgevat in die zin dat het vereiste oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het handelen van het UWV ontbreekt. Het hof is tot dezelfde uitkomst gekomen. Daarmee heeft het hof het verweer, althans de feitelijke gronden van het verweer, aangevuld. Het verweer hield immers niet méér in dan: indien oorzakelijk verband ontbreekt tussen het verweten handelen van de rechtsvoorganger van het UWV en het geestelijk letsel, dan ontbreekt ook oorzakelijk verband tussen het verweten handelen en (het maken en/of de hoogte van) de kosten van het psychologisch onderzoek naar dat geestelijk letsel. Waar het hof in rov. 11 bewezen heeft geacht dat de gang van zaken rond het ten onrechte stopzetten van de uitkering “onmiskenbaar een ernstige en langdurige uitwerking heeft gehad op de psyche van eiser”, stonden het onrechtmatig handelen van een rechtsvoorganger van het UWV alsmede het oorzakelijk verband tussen dat onrechtmatig handelen en het geestelijk letsel van eiser vast. Een verder gaand, “rechtstreeks” oorzakelijk verband wordt niet vereist. Bij gebreke van een ander verweer lagen deze posten voor toewijzing gereed. De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen door de bestreden beslissing op dit punt te vernietigen en deze twee posten alsnog toe te wijzen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover vergoeding van de hierna te noemen posten is afgewezen en tot alsnog toewijzing van € 340,34 en € 51,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 1999 resp. 11 januari 2000 tot de dag der voldoening.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie art. 1 en 3 Algemene termijnenwet.

2 Zie met name CvR blz. 5, waar wordt verwezen naar de daarbij gevoegde producties 2 - 6.

3 Vgl. prod. 2 bij CvR, “specificatie belastingschade over de nabetaling WAO”.

4 De brief was door eiser zelf in het geding gebracht; prod. 3 bij CvR.

5 Dat was ook het verweer van het UWV: CvD blz. 5.

6 De brief van 25 september 2000 vermeldt uitdrukkelijk: “Mogelijk ten overvloede deel ik mee dat de ontvangen wettelijke rente ad f 324.227 niet in de uitsmering kan worden betrokken. Voor de rente geldt het jaar van ontvangst.”

7 Zie onder meer: HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760, NJ 2007/482.

8 Zie titel 4.4 Awb, in het bijzonder art. 4:97 - 4:103 Awb. Art. 4:99 bepaalt dat het bestuursorgaan het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vaststelt. Zie verder: M.W. Scheltema, Bestuursrechtelijke geldschulden, 2010, blz. 87 - 90.

9 HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1914, NJ 1997/163 m.nt. M. Scheltema.

10 Zie de producties 4 - 9 bij de CvA: het besluit tot vergoeding van wettelijke rente over het brutobedrag van de nabetaling en de daarop volgende besluiten van 29 januari 1999, 1 maart 1999 en 16 september 1999 en de daarop betrekking hebbende uitspraken van de bestuursrechter.

11 Om deze reden kon de wettelijke rente ook niet in de fiscale ‘uitsmeerregeling’ worden betrokken. Vgl. de brief van de Belastingdienst d.d. 5 maart 2002 (prod. 4 bij CvR), met een verwijzing naar Hof Leeuwarden 16 maart 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:AB0627.

12 Blijkens de opgaaf zoals gevoegd bij de inleidende dagvaarding: f 5.000,- per jaar over het tijdvak van 1979 - 1997, in totaal f 95.000,-.

13 Het hof doelt kennelijk op hetgeen eiser had gesteld bij CvR, par. 3.4.9.

14 Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 377.

15 HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407.

16 Zie de inleidende dagvaarding onder 6.

17 Vgl. S.D. Lindenbergh, in: Kluwers Schadevergoeding (losbl.), art. 6:106, aant. 34; G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld, diss 2009, blz. 120 - 125; HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358, NJ 2001/215 m.nt. ARB; HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0665, NJ 1992/714.

18 Met inbegrip van een verwijzing naar een verklaring van zijn huisarts d.d. 4 oktober 1982 en een rapport van de Stichting Algemeen Maatschappelijk Werk d.d. 23 juli 1992 (CvR blz. 10 met producties 9 en 10).

19 CvR blz. 11; akte uitlating producties d.d. 12 december 2007 onder 4.

20 De desbetreffende nota’s en betalingsbewijzen zijn overgelegd bij prod. 6 (punt 7) bij de inleidende dagvaarding.

21 Vgl. de CvA onder 3.4.8.5.1.

22 Zowel een condicio sine qua non-verband als het toerekeningsverband.

23 Vgl. Tekst & Commentaar BW, art. 6:96, aant. 3 (Oosterveen en Frenk), onder verwijzing naar HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50 m.nt. JBMV; HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196 m.nt. ARB.