Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:953

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
13/03376
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1471, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Voortzetting huurovereenkomst na overlijden hoofdhuurder? Art. 7:268 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/558
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 13/03376

Mr M.H. Wissink

Zitting: 4 oktober 2013

Conclusie in de zaak van:

[eiser],

wonend te [woonplaats],

eiser in cassatie,

tegen

Stichting Sité Woondiensten,

gevestigd te Doetinchem,

verweerster in cassatie

1.

Het bij dagvaarding van 1 juli 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, [eiser] veroordeeld om de door zijn (in 2011 overleden) moeder van verweerster gehuurde woning te ontruimen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van zijn arrest. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2.

Het middel verwijt in onderdeel 1 het hof de reikwijdte van de in het petitum neergelegde vordering te hebben miskend, waardoor art. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest zouden zijn geschonden. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – niet wordt onderbouwd waarom deze bepalingen door de beslissing van het hof zijn geschonden1 – mist de klacht feitelijke grondslag. Het middel stelt dat de vordering impliceert dat [eiser] al huurder was geworden,2 maar uit de beschikbare stukken blijkt duidelijk dat de zaak berust op de grondslag dat [eiser] geen huurder was en dit op grond van art. 7:268 lid 2 BW wilde worden.3

Hierop strandt ook de klacht van onderdeel 2 dat het hof ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een ongeoorloofde inmenging in het huurrecht van [eiser] als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol.

De klacht van onderdeel 3 dat “de bewezenverklaring” onjuist en onbegrijpelijk is gelet op EHRM 12 december 2006 (Burden and Burden v. UK)4 strandt eveneens op de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv.

3.

Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie o.m. HR 5 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.

2 De verwijzing in het onderdeel naar de inleidende dagvaarding heb ik niet kunnen nagaan, nu deze in het dossier ontbreekt. In cassatie is overgelegd het zaaksdossier en niet alleen de processtukken. Daarin ontbreken diverse processtukken zoals de inleidende dagvaarding (behalve in concept) en alle stukken van het hoger beroep.

3 Zie naast de bestreden overwegingen van het hof ook rov. 2.1, 2.2 en 3.1 van het vonnis van de rechtbank Zutphen, sector Kanton, locatie Oude IJsselstreek van 9 februari 2012.

4 Naar ik aanneem wordt verwezen naar EHRM (Vierde Kamer) 12 december 2006. Deze zaak, die ziet op de behandeling van samenwonende zusters in het kader van een belasting op erfenissen, is nadien beoordeeld door EHRM (Grote Kamer) 29 april 2008, zaak 13378/05, ECLI:NL:XX:2008:BD3989, NJ 2008/306 m.nt. E.A. Alkema.