Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:949

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
12/05540
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1083, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Beschermingsbewind meerderjarige, art. 1:431 BW. Verzoek bewindvoerder tot ontslag van medebewindvoerder wegens gewichtige redenen en benoeming nieuwe medebewindvoerder, art. 1:448 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/05540

Mr. Timmerman

Zitting van 20 september 2013

Conclusie inzake

[verzoeker]

(hierna: “verzoeker”)

verzoeker tot cassatie

tegen

1. [verweerder 1]

(hierna: “verweerder sub 1”), en

2. [verweerder 2]

(hierna: “verweerder sub 2”)

verweerders in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verweerder sub 2, geboren op 19 september 1932, is de vader van verzoeker en van verweerder sub 1. De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 juli 2008 een bewind in de zin van art. 1:431 BW ingesteld over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan verweerder sub 2. De kantonrechter heeft daarbij verzoeker en verweerder sub 1 tot bewindvoerders benoemd (zie rov. 3.1, 3.2).

1.2

Verweerders in cassatie hebben bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 22 juni 2011, aan de kantonrechter verzocht:

- primair: over te gaan tot het ontslag van verzoeker als bewindvoerder en [belanghebbende] tot bewindvoerder te benoemen;

- subsidiair: over te gaan tot ontslag van verzoeker als bewindvoerder; en

- meer subsidiair: te bepalen dat verweerder sub 1 ingevolge art. 1:437 lid 3 BW met uitsluiting van verzoeker het stemrecht in de aandeelhoudersvergadering van [A] B.V. zal kunnen uitoefenen, althans dat, indien [belanghebbende] tot medebewindvoerder zal worden benoemd, het stemrecht in de aandeelhoudersvergadering van [A] B.V. met uitsluiting van verzoeker door verweerder sub 1 en [belanghebbende] zal kunnen worden uitgeoefend (zie rov. 3.3).

1.3

De kantonrechter te Nijmegen heeft bij beschikking van 18 januari 2012 verzoeker met ingang van diezelfde datum ontslagen als bewindvoerder. [belanghebbende] (hierna: “[belanghebbende]”) is met ingang van die datum benoemd als opvolgend bewindvoerder (derhalve als medebewindvoerder naast verweerder sub 1) (zie rov. 3.4). Verzoeker heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem.

1.4

Het hof heeft bij beschikking van 6 september 2012 geoordeeld dat er sprake is van gewichtige redenen (in de zin van art. 1:448 lid 2 BW) die meebrengen dat verzoeker ontslagen dient te worden als medebewindvoerder. In dat verband overwoog het hof onder meer (rov. 4.3, 4.4):

“4.3 Het hof stelt voorop dat de grieven uitsluitend aan de orde stellen het ontslag van verzoeker als medebewindvoerder en de benoeming van [[belanghebbende]] tot bewindvoerder en dus niet […] de bedrijfsvoering dan wel besluitvorming binnen het familiebedrijf van partijen, waarover tussen partijen verschil van mening bestaat.

4.4

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval gewichtige redenen in de zin van artikel [1:448 lid 2] BW bestaan die ertoe moeten leiden dat verzoeker als bewindvoerder moet worden ontslagen. Tussen verzoeker en verweerder sub 1 bestaan immers zodanig onoverkomelijke verschillen van mening over de wijze waarop het vermogen van verweerder sub 2, waaronder zijn privévermogen in het familiebedrijf van partijen, moet worden beheerd, dat de noodzakelijke samenwerking tussen hen niet langer tot de mogelijkheden behoort. Verder heeft verweerder sub 2 voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 24 augustus 2012 voldoende duidelijk te kennen gegeven een andere bewindvoerder te willen dan verzoeker, omdat hij veel moeite heeft met de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1. Aan dit oordeel doet niet af dat niet is gebleken van door verzoeker gepleegde financiële onregelmatigheden en dat de jaarlijks door hem opgestelde rekening en verantwoording door de kantonrechter steeds is goedgekeurd.”

1.5

Er bestaat naar het oordeel van het hof ook niet voldoende grond om [belanghebbende] niet te handhaven als medebewindvoerder (zie rov. 4.6). Het hof heeft het hoger beroep daarom verworpen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

1.6

Verzoeker heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 6 september 2012.1 Verweerders in cassatie hebben een verweerschrift ingediend. [belanghebbende], die is aangemerkt als belanghebbende, is in cassatie niet verschenen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel A

2.1

Onderdeel A1 richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.4) dat er tussen verzoeker en verweerder sub 1 zodanig onoverkomelijke verschillen van mening bestaan over de wijze waarop het vermogen van verweerder sub 2, waaronder zijn privévermogen in het familiebedrijf, moet worden beheerd, dat de noodzakelijke samenwerking tussen hen niet langer tot de mogelijkheden behoort. Volgens het onderdeel is dit oordeel gezien een reeks nader genoemde stellingen van verzoeker, onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De betreffende stellingen laten zich volgens het middel niet anders verstaan dan dat er tussen verzoeker en verweerder sub 1 ‘als bewindvoerders’, in elk geval vooralsnog, überhaupt geen verschil van mening bestaat over de wijze van het beheer van enig vermogensbestanddeel van verweerder sub 2.

2.2

Deze klachten van onderdeel A1 kunnen niet slagen. Het hof heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval gewichtige redenen in de zin van art. 1:448 lid 2 BW zijn die ertoe moeten leiden dat verzoeker wordt ontslagen als bewindvoerder. Het hof baseert dit oordeel op de omstandigheden: (a) dat de noodzakelijke samenwerking tussen verzoeker en verweerder sub 1 niet langer mogelijk is; en (b) dat verweerder sub 2 voldoende duidelijk te kennen heeft gegeven een andere bewindvoerder te willen dan verzoeker, en wel omdat hij veel moeite heeft met de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1 (zie rov. 4.4). Dat oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het genoemde oordeel is, gezien onder meer de verklaringen van partijen zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 24 augustus 2012, in het licht van hetgeen door onderdeel 1A wordt aangevoerd ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Overigens wijst het onderdeel er met juistheid op dat de meningsverschillen tussen verzoeker en verweerder sub 1 die in deze procedure aan de orde zijn gekomen, voor een belangrijk deel betrekking hebben op het handelen van partijen in het kader van het familiebedrijf. Het onderdeel miskent echter dat dergelijk handelen, nu het vermogen van verweerder sub 2 mede omvat zijn privévermogen in het familiebedrijf, wel degelijk de conclusie kan rechtvaardigen dat er tussen partijen onoverkomelijke verschillen van mening bestaan over de wijze waarop het vermogen van verweerder sub 2 beheerd dient te worden en dat de voor het bewind noodzakelijke samenwerking tussen verzoeker en verweerder sub 1 ontbreekt.

2.3

Onderdeel A1 klaagt tot slot dat het oordeel van het hof (in rov. 4.4) “onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd” is indien en voor zover het hof geoordeeld heeft “dat er althans in die zin een onoverkomelijk verschil van mening tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] als bewindvoerders zou bestaan, dat zij het niet met elkaar eens zouden zijn over de beantwoording van de vraag hoe de stemrechten uitgeoefend moeten worden die verbonden zijn aan de aandelen die vader (via [B] B.V.) heeft in [C] B.V. […].”

2.4

Deze slotklacht van onderdeel A1 faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ik verwijs naar rov. 4.4 van de bestreden beschikking.

2.5

Onderdeel A2 betoogt onder meer: “Indien en voor zover het Hof met zijn oordeel dat tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] zodanig onoverkomelijke verschillen van mening [bestaan] over de wijze waarop het vermogen van vader, ‘waaronder dit privévermogen in het familiebedrijf van partijen’, moet worden beheerd, dat de noodzakelijke samenwerking tussen hen niet langer tot de mogelijkheden behoort niet uitsluitend gedoeld heeft op vaders (via [B] B.V. gehouden) aandelen in [C] B.V., doch (bijvoorbeeld) tevens op de (in Appèlschrift-§ 23 vermelde) aan vader toebehorende ondergrond (dus: grond onder de hier vermelde gebouwde onroerende zaken waar de onderneming wordt geëxploiteerd), is dat onjuist en/of onbegrijpelijk […].”

2.6

Ook de klacht van onderdeel A2 wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft aan zijn oordeel omtrent het ontslag van verzoeker als medebewindvoerder ten grondslag gelegd, kort samengevat: (a) dat de noodzakelijke samenwerking tussen verzoeker en verweerder sub 1 niet langer mogelijk is, en (b) dat verweerder sub 2 voldoende duidelijk te kennen heeft gegeven een andere bewindvoerder te willen dan verzoeker (zie rov. 4.4). Deze gronden worden door het onderdeel niet op voldoende specifieke en duidelijke wijze bestreden.

2.7

Onderdeel A3 klaagt dat ’s Hofs oordeel (in rov. 4.4) dat er tussen verzoeker en verweerder sub 1 onoverkomelijke verschillen van mening zijn, onbegrijpelijk is. Het onderdeel betoogt: “Hetgeen over en weer gesteld is, laat weliswaar de gevolgtrekking toe dat er tussen hen een verschil van mening bestaat, doch daarin valt niet, laat staan zonder méér te lezen dat dit verschil van menig ook, laat staan definitief, onoverkomelijk is.” Het onderdeel vervolgt: “Dit klemt temeer resp. althans in het licht van [verzoekers] essentiële, in het kader van zijn derde grief betrokken stellingen in Appèlrekest-§ 26 dat de relatie tussen de beide broers, in hun hoedanigheid van middellijk bestuurders, aan een besluitvorming over de bedrijfsverplaatsing als zodanig resp. het gegeven dàt het Lentse bedrijf verplaatst moet worden niet in de weg staat, dat er druk overleg gevoerd wordt over een mogelijk geschikte locatie voor het bedrijf, dat er nog steeds onderzoeken gedaan worden, dat er überhaupt nog geen bestuurdersvergadering plaatsgevonden heeft waarin aan de bestuurders keuzes voorgelegd zijn, dat er derhalve geen, laat staan definitieve, patstelling bestaat, dat als de stemmen van de bestuurders zouden staken en daarmee de bedrijfsvoering in gevaar komt, het dan de geëigende weg is om de Ondernemingskamer van het Amsterdamse Hof te adiëren, dat wat betreft [verzoeker] de broers samen de onderneming blijven runnen, en dat de kracht van het bedrijf nu juist gevormd wordt door de diverse, elkaar aanvullende en completerende kwaliteiten van de beide broers.” Volgens het onderdeel zijn deze laatste stellingen door verweerder sub 1 in diens verweer tegen de derde grief ook helemaal niet betwist.

2.8

De klacht van onderdeel A3 dient verworpen te worden. Het onderdeel miskent onder meer dat het oordeel van het hof (mede) gegrond is op de vaststelling dat de noodzakelijke samenwerking tussen verzoeker en verweerder sub 1, gezien hun onderlinge meningsverschillen, niet langer tot de mogelijkheden behoort (zie rov. 4.4). Het betoog van het onderdeel dat de meningsverschillen van partijen desnoods bijvoorbeeld door middel van een procedure bij de Ondernemingskamer tot een oplossing kunnen worden gebracht, gaat dan ook voorbij aan hetgeen waar het hier in de kern van de zaak om gaat, namelijk dat de voor het bewind noodzakelijke samenwerking tussen verzoeker en verweerder sub 1 ontbreekt. De klachten van dit onderdeel treffen dan ook geen doel.

2.9

Onderdeel A4 bouwt deels voort op de klachten van onderdelen A1 t/m A3. Nu de klachten van deze eerdere onderdelen falen, wordt ook onderdeel A4 in zoverre tevergeefs voorgesteld. Voor het overige bevat onderdeel A4 geen klachten die voldoen aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv.

2.10

Onderdeel A5 bouwt enkel voort op de klachten van de eerdere onderdelen. Het onderdeel behoeft hier dan ook geen bespreking.

Onderdeel B

2.11

Onderdeel B1 betoogt ten eerste: “Voor zover ‘s Hofs oordeel in rov. 4.4 (1e zin) dat er in casu gewichtige redenen bestaan die ertoe moeten leiden dat verzoeker als bewindvoerder moet worden ontslagen (mede) steunt op ‘s Hofs (vaststellende) oordeel – rov. 4.4 (3e zin) – dat vader voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 24 augustus 2012 voldoende duidelijk te kennen gegeven heeft dat hij, omdat hij veel moeite heeft met ‘de problemen tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1]’, een andere bewindvoerder dan [verzoeker] wenst, is dat (eerstgenoemde) oordeel (mede) in het licht van de klachten in onderdeel A onjuist en/of onvoldoende toereikend gemotiveerd, nu het Hof met deze problemen (kennelijk) doelt op de in de tweede zin van rov. 4.4 vermelde ‘zodanig onoverkomelijke verschillen van mening dat {...} niet langer tot de mogelijkheden behoort’, en deze ‘onderdeel A’-klachten – kort gezegd – inhouden dat het onbegrijpelijk is dat het Hof geoordeeld heeft dat het bij deze verschillen van mening (mede resp. concreet) om het beheer gaat van enig vermogensbestanddeel van vader.”

2.12

Deze klacht van onderdeel B1 faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Verwezen zij naar hetgeen het hof in rov. 4.4 heeft overwogen. Een en ander behoeft hier geen nadere toelichting.

2.13

Onderdeel B1 klaagt ten tweede: “Voor zover het Hof met dat (vaststellende) oordeel – rov. 4.4 (3e zin) – doelt op problemen tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] die als zodanig niet (mede resp. concreet) het beheer van enig vermogensbestanddeel van vader betreffen, is ‘s Hofs ‘gewichtige redenen’-oordeel (ook) daarom onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende (toereikend) gemotiveerd, omdat niet, laat staan zonder méér, valt in te zien waarom problemen tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] die niet betreffen het beheer van enig vermogensbestanddeel ‘dus’ (mede) dragend zouden (kunnen) zijn voor dat ‘gewichtige redenen’-oordeel, althans valt dat met name niet in te zien zònder dat tevens vastgesteld is dat dergelijke, niet dat beheer als zodanig betreffende problemen niettemin van (zeer) nadelige invloed zouden zijn op een goed resp. voldoende adequaat bewind over vaders vermogensbestanddelen, terwijl het Hof niet tot een dergelijke vaststelling gekomen is.” Onderdeel B1 vermeldt tot slot: “Dit klemt nog temeer resp. althans in het licht van ‘s Hofs feitelijke vaststellingen in rov. 4.4 (in fine) dat (niet gebleken is van door [verzoeker] gepleegde financiële onregelmatigheden en dat) de jaarlijks door [verzoeker] opgestelde rekening en verantwoording steeds goedgekeurd is door de kantonrechter.”

2.14

Ook deze klachten van onderdeel B1 falen. Het hof heeft zijn oordeel mede gegrond op de vaststelling dat verweerder sub 2 voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 24 augustus 2012, voldoende duidelijk te kennen heeft gegeven een andere bewindvoerder te willen dan verzoeker omdat hij – verweerder sub 2 – veel moeite heeft met de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1 (zie rov. 4.4). De klacht van onderdeel B1 miskent dat het hof in dat verband niet het oog heeft op de aard of de ernst van de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1, maar op het gegeven dat verweerder sub 2 op voldoende duidelijke wijze kenbaar heeft gemaakt dat hij, omdat hij veel moeite heeft met de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1, een andere bewindvoerder wil dan verzoeker.

2.15

Onderdeel B2 richt zich eveneens tegen het oordeel van het Hof (in rov. 4.4) dat er in het onderhavige geval gewichtige redenen in de zin van art. 1:448 lid 2 BW bestaan die ertoe moeten leiden dat verzoeker als bewindvoerder ontslagen dient te worden. De klachten van de eerste twee alinea’s van dit onderdeel falen reeds omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Dat laatste behoeft hier geen nadere toelichting. Wel verwijs ik in dit verband graag naar de door het hof (in rov. 4.4) aangeduide verklaringen van verweerder sub 2, welke te vinden zijn op p. 2 en 3 van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 24 augustus 2012. De klacht die te vinden is in de derde alinea van onderdeel B2 wordt eveneens tevergeefs voorgesteld; de klacht voldoet niet aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv.

2.16

Onderdeel B2 betoogt verder onder meer: “Hetgeen waarover geklaagd wordt in de vorige drie alinea’s klemt nog temeer resp. althans, omdat het Hof in rov. 4.5 (1e zin) weliswaar op zichzelf met juistheid oordeelt dat, gelet op art. 1:435 lid 3 BW, uitgangspunt is dat de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de gerechtigde volgt ‘tenzij’, maar uit deze (dus) de benoeming van een bewindvoerder betreffende wetsbepaling volgt niet, laat staan zonder méér, dat bij de vraag of er (voldoende) gewichtige redenen zijn om een eenmaal benoemde bewindvoerder te ontslaan ‘dus’ uitgangspunt zou zijn dat de rechter de uitdrukkelijke voorkeur van de gerechtigde volgt.” Het slot van het onderdeel luidt: “Om deze reden is dat ‘gewichtige redenen’-oordeel voor zover het (mede) berust op hetgeen vader te kennen gegeven heeft (rov. 4.4) en/of heeft laten weten resp. verklaard (rov. 4.5) óók onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende (toereikend) gemotiveerd voor zover het niet berust op de gedachte dat bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] als bewindvoerder ontslagen moet worden weliswaar geen uitgangspunt, maar wèl (zeer) substantieel relevant gezichtspunt is dat de rechter de voorkeur van vader volgt dat [verzoeker] als bewindvoerder ontslagen wordt.”

2.17

Deze klachten van onderdeel B2 falen. Het hof heeft voor het oordeel dat er gewichtige redenen zijn die ertoe moeten leiden dat verzoeker ontslagen dient te worden als medebewindvoerder van verweerder sub 2, mede van betekenis geacht dat verweerder sub 2 voldoende duidelijk te kennen heeft gegeven een andere bewindvoerder te willen dan verzoeker, en wel omdat hij veel moeite heeft met de problemen tussen verzoeker en verweerder sub 1 (zie rov. 4.4). Het hof heeft met dat oordeel, dat in belangrijke mate berust op vaststellingen van feitelijke aard, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof was, anders dan onderdeel B2 betoogt, ook niet gehouden om dat oordeel, dat geenszins onbegrijpelijk is, nader te motiveren.

Onderdeel C

2.18

Onderdeel C wijst er onder meer op dat art. 1:437 lid 3 BW een regeling geeft voor gevallen waarin er tussen de bewindvoerders verschil van mening bestaat. Deze regeling houdt in dat in dergelijke gevallen, op verzoek van een van de bewindvoerders, de kantonrechter een beslissing neemt. Het onderdeel betoogt dat het gegeven dat er tussen bewindvoerders een verschil van mening bestaat over de werkzaamheden die tot het bewind behoren, gezien de regeling van art. 1:437 lid 3 BW, in beginsel geen ‘gewichtige reden’ in de zin van art. 1:448 lid 2 BW kan opleveren. Het onderdeel stelt dat het oordeel van het hof dat er in het onderhavige geval sprake is van een ‘gewichtige reden’ in de zin van art. 1:448 lid 2 BW, dan ook blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel C stelt tot slot: “Zulks klemt nog temeer resp. althans, omdat [verzoeker] in Appèlrekest-§ 30 nu juist expliciet naar voren gebracht heeft dat hij zich er niet mee kan verenigen dat de Kantonrechter een beslissing genomen heeft om hem als bewindvoerder te ontslaan, terwijl het in casu nu juist niet gaat om het bewind over de goederen van vader, en dat als er (door bestuurders van [C] B.V.) besluiten genomen moeten worden die (wèl) het vermogen van vader aangaan – èn [verzoeker] en [verweerder sub 1] daar niet uitkomen – nog altijd de weg van art. 1:437 lid 3 BW begaanbaar is.” Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet op deze stelling heeft gerespondeerd.

2.19

Onderdeel C wordt tevergeefs voorgesteld. Het onderdeel miskent onder meer dat het oordeel van het hof niet zozeer (mede) gegrond is op de vaststelling dat er tussen verzoeker en verweerder sub 1 bepaalde meningsverschillen bestaan, maar op de vaststelling dat de voor het bewind noodzakelijke samenwerking tussen deze partijen, gezien die meningsverschillen, niet langer tot de mogelijkheden behoort (zie rov. 4.4) (zie ook reeds hierboven, bij de bespreking van onderdeel A3).

Onderdelen D en E

2.20

Onderdeel D1 en onderdeel E hebben geen zelfstandige betekenis. De klacht van onderdeel D2 gaat uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en kan om die reden evenmin tot cassatie leiden. Ook dat laatste behoeft hier geen nadere toelichting.

Slot

2.21

Mocht het middel naast de hierboven behandelde klachten nog een of meer andere klachten hebben willen formuleren, dan voldoen die klachten mijns inziens in elk geval niet aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv.

2.22

De aangevoerde klachten nopen mijns inziens niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Deze zaak kan naar ik meen dan ook afgedaan worden op de voet van art. 81 RO.

3 Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 6 december 2012 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad.