Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:923

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
13/03377
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1135, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Kort geding. Ouders onttrekken kinderen aan toezicht Bureau Jeugdzorg. Vordering ouders tot staking opsporingsactiviteiten OM. Aan het middel te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/527
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03377

Mr. P. Vlas

Zitting, 27 september 2013

Conclusie inzake art. 80a RO:

1) [eiser 1]

2) [eiseres 2],

beiden wonende in Duitsland

(hierna: de ouders)

tegen

de Staat der Nederlanden

(hierna: de Staat)

1. Aanleiding voor de onderhavige kort geding procedure is een reeks rechterlijke beslissingen waarin de minderjarige kinderen van de ouders onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst.

2. De ouders hebben zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft met betrekking tot de kinderbeschermingsmaatregelen, omdat zij samen met de minderjarigen in november 2011 zijn geëmigreerd naar Duitsland.

3. Op grond van een beschikking van 14 december 2011 van de Groningse rechtbank zijn de minderjarigen in Duitsland door het Duitse Jugendambt van hun verblijfplaats ondergebracht in een tehuis, waarna zij op 27 december 2011 zijn overgedragen aan Bureau Jeugdzorg in Nederland. Bij beschikking van 1 maart 2012 heeft het hof Leeuwarden het onbevoegdheidsverweer van de ouders verworpen, overwegende dat de minderjarigen bij het inleiden van de procedure hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO (HR 4 januari 2013, ECLI:NL:HR2013:BY7753). De door de ouders in een afzonderlijke procedure op de voet van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag 1980 verzochte teruggeleiding van de minderjarigen van Nederland naar Duitsland, heeft geen succes gehad (zie HR 5 april 2013, ECLI:HR:2013:BZ6365).

4. De ouders hebben de minderjarigen op 28 september 2012 bij een begeleid bezoek meegenomen naar Duitsland. Bureau Jeugdzorg heeft daarvan aangifte gedaan en te kennen gegeven dat de veiligheid van de minderjarigen (mogelijk) in gevaar is. Mede gelet op dit veiligheidsrisico heeft de officier van justitie twee Europese arrestatiebevelen uitgevraagd op grond van onttrekking aan het opzicht (art. 279 Sr). De ouders hebben het Openbaar Ministerie diverse malen verzocht de opsporingsactiviteiten te staken, doch tevergeefs. De ouders hebben vervolgens dit kort geding aanhangig gemaakt, waarin zij samengevat vorderen de Staat te bevelen om alle opsporingsactiviteiten te beëindigen en alle arrestatiebevelen in te trekken alsmede opdracht te geven aan de Duitse en Nederlandse autoriteiten de opsporing van de ouders en minderjarigen en vervolging te beëindigen dan wel op te schorten totdat de Duitse rechter een in kracht van gewijsde gegaan bevel tot teruggeleiding heeft gegeven.

5. Bij vonnis van 14 december 2012 heeft de Groningse rechtbank de vorderingen van de ouders afgewezen. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van 4 juni 2013 van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft onder andere overwogen dat de Staat, in het bijzonder het Openbaar Ministerie bij wie het vervolgingsmonopolie rust, een ruime beleidsvrijheid heeft bij de beantwoording van de vraag of strafrechtelijk onderzoek moet worden ingesteld of achterwege dient te blijven. Deze afweging zal in beginsel door de rechter moeten worden gerespecteerd, zij het dat een voorafgaande rechterlijke toetsing aan de orde kan zijn wanneer in redelijkheid niet te begrijpen valt waarom een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld (rov. 5.3). Dat laatste is in het onderhavige geval niet aan de orde, omdat de ouders de minderjarigen in strijd met de door de rechter uitgesproken ondertoezichtstelling hebben onttrokken aan het toezicht door Bureau Jeugdzorg door met de minderjarigen naar Duitsland te vertrekken (rov. 5.7).

6. De ouders hebben tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende.

7. In cassatie staat vast dat de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekwam om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uit te spreken, dat geen sprake is geweest van een ontvoering door de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg van de kinderen vanuit Duitsland naar Nederland, en voorts dat de ouders de minderjarigen hebben onttrokken aan het toezicht van Bureau Jeugdzorg.

8. Het nauwelijks te doorgronden middel voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld1, waar het betoogt (p. 24) dat de bestreden overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn onder verwijzing naar hetgeen onder “I. feiten” en “II. commentaar” is gesteld. Het middel geeft niet met bepaaldheid en precisie aan waarom de bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn.

9. Gelet op hetgeen hierboven onder 7 is vermeld, heeft het hof kunnen beslissen zoals het heeft gedaan. Waar het middel nog betoogt (p. 23) dat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot de kinderbeschermingsmaatregelen had moeten beoordelen, miskent het dat deze vraag naar de rechtsmacht geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige geding maar thuis hoort in de kinderbeschermingsprocedure. Het cassatieberoep tegen de beslissing van het hof Leeuwarden van 1 maart 2012, waarin het onbevoegdheidsverweer van de ouders in de kinderbeschermingsprocedure is verworpen, is afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO (zie hiervoor onder 3).

10. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, NJ 2013/124, alsmede HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639.