Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-09-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
12/04282
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2046, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Door OM gelegd executoriaal derdenbeslag ter zake van dwangbevel tot betaling van strafrechtelijke boete. Vordering tot opheffing en verbod van nieuwe beslaglegging. Niet-ontvankelijkheid bij civiele rechter, mogelijkheid van verzet bij strafrechter vanaf de aanvang van de tenuitvoerlegging of het verhaal, art. 575 lid 3 en 576 lid 6 Wetboek van Strafvordering. Met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2014/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04282

Mr. F.F. Langemeijer

27 september 2013

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Staat der Nederanden

Dit kort geding betreft een executiegeschil over de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter incasso van een door de strafrechter opgelegde geldboete. Kan de burgerlijke rechter de Staat voor de toekomst verbieden executoriaal derdenbeslag te leggen of is daarvoor uitsluitend de verzetprocedure van art. 575 lid 3 Sv bestemd?

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

1.1.1.

Eiser is bij arrest van 5 juni 2007 van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 20.000,-2.

1.1.2.

In het kader van de tenuitvoerlegging van dat arrest heeft het openbaar ministerie op 9 oktober 2008 ten laste van eiser een dwangbevel uitgevaardigd voor genoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke verhogingen ten bedrage van € 4.018,-.

1.1.3.

Op 23 februari 2012 heeft het openbaar ministerie uit kracht van genoemd dwangbevel executoriaal derdenbeslag ten laste van eiser laten leggen onder de ABN-AMRO-bank. Dit beslag trof onder meer het tegoed op de rekening van (de echtgenote van) eiser bij die bank. Op deze rekening werden de toeslagen van de belastingdienst, de kinderbijslag en het gedeelte van de bijstandsuitkering van eiser dat onder de beslagvrije voet valt overgemaakt.

1.2.

Op 20 maart 2012 heeft eiser de Staat in kort geding doen dagvaarden voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Utrecht. Hij vorderde veroordeling van de Staat om het derdenbeslag op deze bankrekening op te heffen en een verbod om opnieuw beslag op deze rekening te leggen. Daarnaast vorderde eiser veroordeling van de Staat om eventueel reeds geïnde bedragen aan hem terug te betalen. Aan zijn vorderingen heeft eiser samengevat ten grondslag gelegd dat het beslag jegens hem onrechtmatig is. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat voordien een executoriaal derdenbeslag is gelegd onder de Sociale Dienst. Dientengevolge keert de Sociale Dienst aan eiser en zijn echtgenote van de bijstandsuitkering slechts het bedrag van de ‘beslagvrije voet’ uit. Doordat nu beslag is gelegd op het tegoed op de bankrekening waarop het niet inbeslaggenomen gedeelte van de bijstandsuitkering is gestort, stelt eiser geen middelen van bestaan meer over te houden.

1.3.

De Staat heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 6 april 2012 heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen. Samengevat heeft de voorzieningenrechter overwogen (i) dat voor eiser de mogelijkheid heeft opengestaan van een verzetprocedure als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt; (ii) dat een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken slechts kan worden aanvaard indien uitzonderlijke of buitengewoon spoedeisende omstandigheden hiertoe nopen; (iii) daarvan kan sprake zijn indien een beslag vexatoir is, zoals in gevallen waarin op de door het beslag getroffen bankrekening geen andere gelden staan dan die, welke de schuldenaar uit hoofde van een periodieke uitkering heeft ontvangen en de schuldenaar daardoor niet langer in staat is in zijn primaire levensbenodigdheden te voorzien; (iv) dat in deze zaak echter niet is gebleken dat zulke omstandigheden zich voordoen; eiser heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie (rov. 4.3 - 4.6 Rb).

1.4.

Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 10 juli 20123 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd (behoudens voor wat betreft de proceskostenveroordeling) en eiser in zijn vorderingen alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat voor hem een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan. Eiser had tot uiterlijk zeven dagen na de inbeslagneming verzet kunnen doen bij het gerechtshof te Amsterdam. De omstandigheid dat sprake is van een korte verzettermijn maakt dit niet anders: de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding kan immers worden beoordeeld door de rechter die over het verzet beslist. Voor eisers standpunt dat de rechter die op het verzet beslist niet zou kunnen oordelen over de wijze van tenuitvoerlegging, biedt de wet geen grond (rov. 3.3). Voor een uitzondering op deze hoofdregel wegens uitzonderlijke of buitengewoon spoedeisende omstandigheden zag het hof geen reden (rov. 3.4).

1.5.

Eiser heeft tegen dit arrest - tijdig4 - beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Staat heeft zijn standpunten schriftelijk laten toelichten; eiser heeft van toelichting afgezien.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Alvorens op de klachten in te gaan, schets ik kort de gang van zaken bij de tenuitvoerlegging van een door de strafrechter opgelegde geldboete. De executie geschiedt door of vanwege het openbaar ministerie dat de zaak aanhangig heeft gemaakt (art. 572 Sv). In de praktijk is het Centraal Justitieel Incassobureau hiermee belast5. Het openbaar ministerie bepaalt de dag of, indien de rechter betaling in termijnen heeft toegestaan, de dagen waarop uiterlijk moet worden betaald; zie art. 561 lid 2 Sv. Bij gebreke van volledige betaling binnen de bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verhogingen als bedoeld in art. 24b Sr, na een schriftelijke waarschuwing op goederen van de veroordeelde verhaald (art. 573 lid 1 Sv)6. Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien (art. 573 lid 2 Sv). Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of is daarvan afgezien, dan wordt, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende hechtenis ten uitvoer gelegd (art. 573 lid 3 Sv in verbinding met art. 24c Sr).

2.2.

Het verhaal op goederen van de veroordeelde geschiedt krachtens een dwangbevel (art. 575 Sv). Bij bepaalde vormen van beslag op periodieke inkomsten kan worden volstaan met een schriftelijke kennisgeving (art. 576 Sv)7. Het dwangbevel wordt tenuitvoergelegd als ware het een vonnis van de burgerlijke rechter (art. 575 lid 2 Sv). Deze regel verwijst naar de bepalingen van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een uitzondering vormt het derde lid van art. 575 Sv, dat de mogelijkheid opent van verzet bij het gerecht dat het veroordelende vonnis of arrest heeft gewezen. Dit artikellid luidt, voor zover voor deze zaak van belang:

“De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, hetwelk evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis, het arrest of de strafbeschikking, waarbij de geldboete werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, hetwelk vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht, waartoe de rechter behoort die de straf heeft opgelegd. (…)”

Een tijdig ingediend verzet heeft schorsende werking8.

2.3.

Zoals uit de wettekst blijkt, kan het in art. 575 Sv bedoelde verzet niet worden gericht tegen het vonnis waarbij de geldboete is opgelegd: het Wetboek van Strafvordering bepaalt welke rechtsmiddelen tegen het vonnis openstaan. Het verzet van art. 575 lid 3 Sv heeft (evenals dat van art. 576 lid 6 Sv) betekenis voor gevallen waarin de wijze van tenuitvoerlegging ter discussie staat. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een vergissing van het executerende openbaar ministerie ten aanzien van de persoon of ten aanzien van de juiste titel. Een verzet tegen de tenuitvoerlegging kan ook worden gebaseerd op handelen in strijd met ongeschreven recht, zoals de algemene beginselen die het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging in acht dient te nemen. Langs die weg wordt ook getoetst of de getroffen invorderingsmaatregelen onredelijk bezwarend zijn9.

2.4.

De verwijzing naar de bepalingen van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft tot gevolg dat de schuldenaar in bepaalde gevallen wordt beschermd door de ‘beslagvrije voet’: het gedeelte van een periodieke uitkering of betaling dat nodig is voor de hoogstnoodzakelijke kosten van levensonderhoud en daarom buiten het beslag valt. Aan verscheidene soorten van periodieke betalingen heeft de wetgever een beslagvrije voet verbonden (art. 475c Rv). Een cumulatie van beslagen is niet uitgesloten: art. 435 Rv bepaalt dat het een executerende schuldeiser vrij staat, te gelijker tijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.

2.5.

Een executerende schuldeiser kan misbruik van bevoegdheid maken in de zin van art. 3:13 BW: een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Indien het bedrag van de belastingvrije voet door de werkgever of uitkeringsinstantie wordt overgemaakt naar een bankrekening van de betrokkene, vervolgens door de schuldeiser onder die bank beslag wordt gelegd op het tegoed op die rekening en, als gevolg van deze cumulatie van beslagen, een situatie ontstaat waarin de schuldenaar geen mogelijkheden meer heeft om in het hoogst noodzakelijke voor zijn levensonderhoud te voorzien, kan de feitenrechter tot het oordeel komen dat van onevenredigheid sprake is10.

2.6.

Bij tenuitvoerlegging van een dwangbevel voor een door de strafrechter opgelegde geldboete is dit alles niet wezenlijk anders. Indien verhaal wordt genomen op een vordering van de veroordeelde op een derde, tot het ontvangen van periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, van art. 576 Sv, zijn de artikelen 475a - 475g Rv van overeenkomstige toepassing, aldus het vijfde lid van art. 576 Sv. In andere gevallen verbiedt de wet niet dat het openbaar ministerie voor een onbetaalde boete verhaal zoekt op een vordering van de schuldenaar op een derde (zoals bij een derdenbeslag onder een bank, waarbij het tegoed van een bankrekening onder het beslag valt)11. Tot zover het resumé van de wettelijke regeling.

2.7.

In deze zaak is het hof niet toegekomen aan een inhoudelijk oordeel over de gestelde onrechtmatigheid van het beslag: het hof heeft eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen omdat voor hem een andere rechtsgang heeft opengestaan. Het cassatiemiddel is niet gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring voor zover deze betrekking heeft op de vordering van eiser tot opheffing van het beslag en tot terugbetaling van de eventueel geïnde bedragen.

2.8.

Het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel dat eiser niet kan worden ontvangen in zijn vordering voor zover deze betrekking had op het verbod om in de toekomst opnieuw beslag op deze bankrekening te leggen. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat een op de toekomst gericht verbod tot beslaglegging, zoals mede door eiser werd gevorderd, niet kan worden bewerkstelligd in een verzetprocedure als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv.

2.9.

Bij de beoordeling van deze klacht kan tot uitgangspunt dienen dat de burgerlijke rechter, ook als hij bevoegd is omdat de eisende partij haar vordering op onrechtmatige daad heeft gebaseerd, zich van een oordeel onthoudt waar de wet een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengesteld. Weliswaar is deze regel vooral tot ontwikkeling gekomen met het oog op de samenloop van burgerlijke en bestuursrechtelijke rechtsbescherming, maar hij wordt ook toegepast in gevallen waarin het strafprocesrecht in een bijzondere vorm van rechtsbescherming voorziet12.

2.10.

De eerste vraag is: of eiser dit gedeelte van zijn vordering met succes had kunnen voorleggen aan de strafraadkamer van het gerechtshof te Amsterdam in een verzetprocedure13. In het voetspoor van Vellinga14 ben ik van mening dat een verzetprocedure als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv zou zijn geëindigd: hetzij met het dictum dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging ‘ongegrond’ wordt verklaard (in welk geval het gevorderde verbod om opnieuw beslag op deze bankrekening te leggen niet had kunnen worden toegewezen), hetzij met het dictum dat het verzet ‘gegrond’ wordt verklaard. In het laatste geval kan de verzetrechter, desverzocht en zo nodig ambtshalve, overgaan tot opheffing van het beslag.

2.11.

Naar zijn tekst sluit artikel 575 lid 3 Sv niet uit dat het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel als zodanig15. Weliswaar suggereert de termijn van zeven dagen, te rekenen van de dag der inbeslagneming, dat het in dit artikellid bedoelde verzet pas kan worden ingesteld nadat het executoriaal derdenbeslag heeft plaatsgevonden, maar noodzakelijk is dit laatste niet. In de vakliteratuur is betoogd dat het in art. 575 lid 3 Sv bedoelde verzet al kan worden ingesteld zodra de kennisgeving is ontvangen: de veroordeelde behoeft niet met zijn verzet te wachten totdat het aangekondigde executoriaal beslag heeft plaatsgevonden16. In zo’n geval zou het dictum luiden dat het verzet tegen de (voortzetting van de) tenuitvoerlegging ‘ongegrond’ of ‘gegrond’ wordt verklaard. Afhankelijk van de verdere inhoud van de beslissing op verzet, kan de gegrondverklaring van een verzet tegen de tenuitvoerlegging meebrengen dat het openbaar ministerie niet opnieuw beslag mag leggen op dezelfde bankrekening.

2.12.

Met de steller van het middel zie ik niet voor me, hoe de rechter die het in art. 575 lid 3 Sv bedoelde verzet behandelt een verbod met dwangsomsanctie zou kunnen opleggen aan de Staat zoals in dit geding door eiser werd gevorderd17. Bij cassatie op deze grond mist eiser evenwel belang. Eiser heeft de mogelijkheid om, indien in de toekomst ter executie van het dwangbevel opnieuw beslag op deze bankrekening wordt gelegd, via een specifieke, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang een oordeel van de rechter te verkrijgen over de rechtmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Daaruit volgt dat de burgerlijke rechter een verbod van toekomstige beslagleggingen, op een grond die eiser in de verzetprocedure had kunnen aanvoeren of in een binnen zeven dagen na de nieuwe beslaglegging alsnog te starten verzetprocedure kan aanvoeren, niet kan toewijzen. Hetzelfde zou moeten worden geoordeeld indien eiser zich tijdig tot de verzetrechter zou hebben gewend en deze het verzet ongegrond zou hebben verklaard: het geding voor de burgerlijke rechter is geen ‘herkansing’ ten opzichte van de beslissing van de verzetrechter. Een vordering bij de burgerlijke rechter op grond van achteraf (na het verstrijken van de verzettermijn) gewijzigde omstandigheden is in dit geding niet aan de orde. In de denkbeeldige situatie dat eiser zich tijdig tot de verzetrechter had gewend, deze het verzet gegrond zou hebben geoordeeld en de officier van justitie desondanks zou zijn voortgegaan met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, kan m.i. alsnog bij de burgerlijke rechter een verbodsvordering tegen de Staat worden ingesteld, al dan niet gepaard met een dwangsomsanctie.

2.13.

Uit het voorgaande volgt dat het cassatiemiddel geen doel treft.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Vgl. rov. 3.1 van het bestreden arrest.

2 Hoewel het hof dit niet uitdrukkelijk vermeldt, is het kennelijk ervan uitgegaan dat de veroordeling onherroepelijk is geworden.

3 ECLI:NL:GHARN:2012:BX0482.

4 Zie art. 339 lid 2 in verbinding met art. 402 lid 2 Rv.

5 Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, Stb. 1994, 408. Zie verder de periodiek geactualiseerde ‘Aanwijzing executie’ van het openbaar ministerie (www.om.nl/beleidsregels).

6 Onder ‘voorwerpen’ zoals bedoeld in deze bepaling (en in art. 575 Sv) wordt verstaan: alle zaken en vermogensrechten (goederen in de zin van art. 3:1 BW). Zie Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 20-22 en Kamerstukken II 2001-2002, 28 079, nr. 3, blz. 29.

7 Voor voorwerpen die op grond van art. 94 a Sv in conservatoir beslag zijn genomen, voorziet art. 574 Sv in een specifieke regeling van het verhaal.

8 De wetsgeschiedenis is samengevat in: Melai/Groenhuysen e.a, Wetboek van Strafvordering, art. 575, aantek. 9. Nader over deze bepaling: W.H. Vellinga, Het karakter van verzet tegen verhaal van geldboetes en administratieve sancties, VR 1997, blz. 165-169.

9 Zie bijvoorbeeld: Hof ‘s-Hertogenbosch 15 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BE9501, NJFS 2008/201, waarin het hof het in gang zetten van het incassotraject een onredelijk zware maatregel achtte in verhouding tot de overschrijding van de betalingstermijn met twee dagen.

10 Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3135. Zie ook: A.W. Jongbloed, Op de rand of net erover?, AA 2008, blz. 196-198 n.a.v. Vrzr. Rb. Arnhem 13 maart 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BA2040, NJF 2007/429. Zie ook: HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2908, NJ 2001/630 m.nt. Kortmann, rov. 3.3, naar aanleiding van een beslagverbod in art. 23 Algemene Kinderbijslagwet.

11 De minister sloot deze mogelijkheid niet uit, verwijzend naar Hof 's-Gravenhage 19 april 1973, ECLI:NL:GHSGR:1973:AB5282, NJ 1973/513: MvA I, Kamerstukken I 1975-1976, 13 386, nr. 134b, blz. 2. Zie echter: Handboek Strafzaken, par. 62.1, Tenuitvoerlegging van de geldboete (P.C. Vegter).

12 A-G Keus, conclusie voor HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, alinea 5.3. Zie ook: Kluwers Onrechtmatige daad, losbl., V.A. Afdeling 3: de ontvankelijkheid van eiser in zijn vordering, aantek. 86 (L.J.A. Damen). Zie bijv. HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2454, NJ 1998/65 (beklag ex art. 12 Sv als een met voldoende waarborgen omklede bijzondere rechtsgang).

13 Dat is geen vanzelfsprekendheid. Zo is in de beklagprocedure over inbeslagneming (art. 552a Sv) toewijzing van een verbod van toekomstige inbeslagneming niet mogelijk geacht door J.J. van der Helm, Civielrechtelijke problemen bij strafvorderlijk beslag, Overheid en Aansprakelijkheid 2013/3, blz. 21, onder verwijzing naar Hof Amsterdam 4 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2926, deels gepubliceerd in NJF 2008/47. Zie ook: R.M. Vennix, Boef en beslag. De strafvorderlijke inbeslagneming van voorwerpen, diss. 1998, blz. 286: “Ook tegen een voorgenomen inbeslagneming kan, nu de strafvorderlijke beklagprocedure daarvoor geen soelaas lijkt te bieden, de civiele rechter in kort geding worden geadieerd.” E.S.G.N.A.I. van de Griend, Hiaten in de strafrechtelijke rechtsbescherming. Een onderzoek naar het gebruik van het kort geding in strafzaken, diss. 2002, blz. 219, noemt de onmogelijkheid voor belanghebbende derden om binnen het strafrechtelijke stelsel een verbod van toekomstige inbeslagneming te verkrijgen.

14 VR 1997, blz. 165 e.v., reeds aangehaald.

15 Bijvoorbeeld: wanneer wordt betwist dat aan het dwangbevel een voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis ten grondslag ligt.

16 Zie: J.M. Reijntjes, A. Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering, 2009, blz. 585; M.J.M. Verpalen, T&C Strafvordering, 2011, art. 575 aantekening 6; conclusie van de A-G Fokkens vóór HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5409.

17 De bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een verbod of gebod op te leggen berust op art. 3:296 BW.