Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:917

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
12/05716
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1468, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Appelgrens na vermindering van eis in eerste aanleg. Art. 332 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/554
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/05716

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 4 oktober 2013

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

[verweerster]

Het gaat in deze zaak om de toepassing van de financiële appelgrens op een uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voortvloeiende vordering, die na vermindering van eis in eerste aanleg minder dan het bedrag van € 1.750,- beliep.

1 Procesverloop1

1.1

Verweerster in cassatie, [verweerster], heeft eiser tot cassatie, [eiser], bij inleidende dagvaarding van 2 maart 2012 in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam. [verweerster] heeft daarbij – zakelijk weergegeven – gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot:

(i) betaling aan haar van een bedrag van € 1.672,14 alsmede tot een bedrag van € 438,38 voor iedere maand dat [eiser] na 2 maart 2012 in het genot van het gehuurde zou blijven;

(ii) ontruiming bij niet-tijdige voldoening van de onroerende zaak, en

(iii) betaling van de proceskosten.

1.2

Op 12 maart heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en zijn partijen gehoord.

[verweerster] heeft ter terechtzitting haar vorderingen verminderd met een bedrag van € 1.315,14 alsmede met de gevorderde ontruiming van het gehuurde.

1.3

De kantonrechter heeft [eiser] bij vonnis van 19 maart 2012, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 178,50 ter zake van buitengerechtelijke kosten en hem veroordeeld in de kosten van het geding, tot aan de uitspraak begroot op € 631,33.

1.4

[eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.

1.5

Bij rolbeslissing van 25 april 2012 is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 8 mei 2012 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.

1.6

Nadat [eiser] op 22 mei 2012 een akte uitlating niet-ontvankelijkheid heeft genomen, heeft het hof [eiser] bij arrest van 29 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.7

[eiser] heeft tegen dit arrest tijdig2 beroep in cassatie ingesteld.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

[eiser] heeft afgezien van het geven van schriftelijke toelichting.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen de rechtsoverweging 2.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“2.2 De vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen beliep derhalve na eisvermindering minder dan het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde bedrag van € 1.750,-. Dat brengt mee dat appellant niet kan worden ontvangen in het hoger beroep. Daaraan doet niet af dat de vordering van [verweerster] voortvloeide uit een tussen partijen bestaande huurovereenkomst.”

2.2

Het middel klaagt in de eerste plaats – zakelijk weergegeven – dat het hof in rechtsoverweging 2.2 heeft miskend dat de in art. 332 lid 1 Rv. opgenomen appelgrens niet geldt voor vorderingen die naar hun aard tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren en dat de na de eisvermindering overgebleven geldvordering voortvloeit uit een tussen partijen bestaand huurgeschil. Het middel betoogt ter toelichting (onder verwijzing naar het arrest van het hof Leeuwarden van 26 april 20113) dat hoger beroep open staat van alleen de proceskostenveroordeling wanneer het bedrag van de kostenveroordeling zelf lager is dan de appelgrens.

Het middel klaagt daarnaast dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het in de akte uitlating niet-ontvankelijkheid naar voren gebrachte (extra) belang dat [eiser] heeft bij vernietiging van de uitspraak van de kantonrechter, te weten de vaststelling dat de procedure betreffende het huurgeschil ten onrechte tegen hem is ingesteld teneinde te voorkomen dat hem – door de instandhouding van de uitspraak van de kantonrechter – in de toekomst recidive kan worden aangewreven.

2.3

In het onderhavige geval gaat het om de appellabiliteit van een in kort geding gewezen vonnis van een kantonrechter. Het antwoord op de vraag in welke gevallen hoger beroep openstaat van een in kort geding gewezen vonnis dient te worden afgeleid uit de regels die toepasselijk zouden zijn indien de desbetreffende vordering ten principale bij de gewone rechter zou zijn ingesteld4.

2.4

De financiële appelgrens van art. 332 lid 1 Rv. is € 1750,- en heeft als ratio dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep5. De appellabiliteit, die de appelrechter zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken6, moet worden beoordeeld aan de hand van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg, na eventuele vermindering van eis, had te beslissen7. De appelrechter is daarbij gebonden aan hetgeen de rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld omtrent het beloop van de aan hem voorgelegde vordering, tenzij daartegen een grief is gericht8.

2.5

In cassatie wordt niet opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, na eisvermindering minder beliep dan het in art. 332 lid 1 Rv. genoemde bedrag van € 1750,-. De daaraan door het hof verbonden gevolgtrekking van niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn hoger beroep is dan ook juist. Anders dan de eerste klacht van het middel betoogt, is de aard van de zaak voor de appellabiliteit niet van belang; deze is slechts bepalend voor de beoordeling van de bevoegdheid van de (kanton)rechter (zie art. 93 Rv.)9. Ook in het geval een geldvordering haar oorsprong vindt in een huurovereenkomst zoals hier, geldt dus de in art. 332 lid 1 Rv. opgenomen financiële appelgrens van € 1750,-10.

De verwijzing naar het in noot 3 genoemde arrest van het hof Arnhem treft geen doel nu daarin is geoordeeld (rov. 5) dat de oorspronkelijke vordering bepalend is voor de appellabiliteit en deze ruim boven de appelgrens uitkwam.

2.6

Het in de tweede klacht door [eiser] gestelde extra belang speelt evenmin een rol bij de beoordeling van de appellabiliteit nu vaststaat dat de vordering waarover de kantonrechter moest vonnissen niet (meer) boven de appelgrens uit kwam. Het hof mocht dan ook zonder nadere motivering voorbijgaan aan hetgeen [eiser] in de akte uitlating niet-ontvankelijkheid had betoogd met betrekking tot het gestelde belang.

2.7

Het middel faalt derhalve.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Er zijn in deze zaak geen feiten vastgesteld. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het vonnis van de kantonrechter van 19 maart 2012 onder het kopje “Verloop van de procedure” en voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest van 29 mei 2012, rov. 1.

2 De cassatiedagvaarding is op 24 juli 2012 uitgebracht, waarna op 13 september 2012 een herstelexploot is uitgebracht.

3 Hof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden 26 april 2011, ECLI:NL:GHARN:BQ4993, waarin wordt verwezen naar HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, (NJ 2007/188).

4 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/17; HR 3 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4175, (NJ 1982/184) .

5 Snijders, Klaassen en Meijer, nr. 255; Snijders/Wendels Civiel appel, nr. 36.

6 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/11 met verwijzing naar vaste rechtspraak. Zie voorts Snijders, Klaassen en Meijer, nr. 255 en Snijders/Wendels, nr. 35 met verdere verwijzingen.

7 Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 24 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5583, (NJ 1988/133, m.nt. W.H. Heemskerk); HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0229, (NJ 1991/441); HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1948, (NJ 1996/333); HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6529, (NJ 2007/244). Hierover Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/13; Snijders, Klaassen en Meijer, nr. 255; Snijders/Wendels Civiel appel, nr. 37.

8 HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8069, (NJ 2004/271).

9 HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9594, (NJ 2002/299).

10 Zie bijv. HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7032, (RvdW 2008/208).