Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:916

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12/05686
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1404, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Kort geding. Belgische NV rechtsgeldig vertegenwoordigd? Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/551

Conclusie

12/05686

Mr. P. Vlas

Zitting, 4 oktober 2013

Conclusie inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Estra B.V.

(hierna: Estra)

tegen

[verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats]/België

(hierna: [verweerster])

1. De onderhavige zaak betreft de vraag of een vennootschap op grond van het toepasselijke Belgische recht bij het sluiten van één of meer overeenkomsten rechtsgeldig is vertegenwoordigd door haar bestuurder, in het bijzonder of op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid jegens derden een beroep kan worden gedaan. Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. In deze kort geding procedure vordert Estra dat [verweerster] wordt veroordeeld tot het leveren van aluminiumprofielen op grond van één of meer op 25 januari 2010 en/of 2 maart 2010 tussen partijen gesloten raamovereenkomsten. Deze overeenkomsten zijn ondertekend door [betrokkene], de oprichter en aandeelhouder van [verweerster] die tot zijn overlijden op 1 augustus 2010 lid van de Raad van Bestuur van [verweerster] was. [betrokkene] heeft bij het aangaan van de raamovereenkomsten alleen gehandeld.

3. [verweerster] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de raamovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn aangegaan omdat [betrokkene] daartoe, gezien de wettelijke en statutaire bepalingen terzake, niet bevoegd was. [verweerster] erkent dat [betrokkene] tot 7 december 2004 afgevaardigde bestuurder was met de daaraan volgens de statuten verbonden vertegenwoordigingsbevoegdheid, maar meent dat op die datum dat mandaat en daarmee de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] is geëindigd. Estra heeft hiertegen onder andere ingebracht dat [verweerster] aan de raamovereenkomsten is gebonden op grond van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene].

4. Bij vonnis van 20 juni 2011 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam de vordering van Estra grotendeels toegewezen, onder meer overwegende op het eerste gezicht van oordeel te zijn dat naar Belgisch recht de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in zodanige mate jegens Estra is opgewekt dat zij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen (rov. 4.8).

5. Bij arrest van 28 augustus 2012 heeft het hof ’s-Gravenhage het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering van Estra alsnog afgewezen, onder meer overwegende dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene] bevoegd was om [verweerster] te vertegenwoordigen terwijl Estra evenmin een beroep toekomt op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] (rov. 3.26).

6. Estra heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerster] heeft verweer gevoerd. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.

7. Zie ik het goed, dan voert onderdeel I aan dat het hof art. 25 Rv heeft geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door geen rekening te houden met de in het kader van de vraag naar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] door Estra ingeroepen stelling dat de beëindiging van diens mandaat niet is gepubliceerd, zodat deze omstandigheid niet aan derden kan worden tegengeworpen. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft krachtens het toepasselijke Belgische recht vastgesteld dat de beëindiging van het mandaat van [betrokkene] niet expliciet is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (rov. 3.14). Het hof heeft voorts overwogen dat uit de wél in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde stukken (in rov. 3.10 aangeduid als: ‘publicaties A, B, C en D’) voldoende duidelijk blijkt dat op 7 december 2004 het afgevaardigd bestuurderschap van [betrokkene] is geëindigd (rov. 3.24 in verbinding met rov. 3.14 t/m 3.16). Hierin overweegt het hof uitdrukkelijk dat ‘degene die deze beide publicaties [publicaties A en C, A-G] onder ogen krijgt, niet anders (zal) kunnen concluderen dan dat bij de vergadering van 7 december 2004 het mandaat van [betrokkene] als gedelegeerd bestuurder is beëindigd’. Hiermee heeft het hof de stelling van Estra in voldoende mate betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] die tegen derden kan worden ingeroepen. De uitleg die het hof aan de gedingstukken heeft gegeven, is voorts niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, te meer omdat het een kort geding procedure betreft.

8. Onderdeel II voert aan dat het hof zijn arrest niet met voldoende redenen heeft omkleed, nu het hof heeft overwogen dat uit de publicaties A t/m D kan worden afgeleid dat het mandaat van [betrokkene] was geëindigd en Estra derhalve geen beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan doen. Het onderdeel bouwt op de voorgaande klacht voort en deelt het lot daarvan.

9. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G