Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:902

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
12/00265
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:899
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1119, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing. N.a.v. de klacht dat het p-v ttz. in h.b. in strijd met art. 327 Sv niet door de voorzitter is ondertekend heeft de AG bij de HR zich tot de voorzitter van het Hof gewend, hetgeen heeft geleid tot de toezending van een door de voorzitter ondertekend p-v van de tz. HR: De raadsman van de verdachte behoort in de gelegenheid te worden gesteld van dit nagezonden processtuk kennis te nemen ten einde zich schriftelijk daarover te kunnen uitlaten voordat op het cassatieberoep verder wordt beslist. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00265

Mr. Aben

Zitting 3 september 2013

Conclusie inzake

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 6 oktober 2011 de verdachte ter zake feit 1: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en feit 6: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard dan wel de teruggave daarvan gelast, één en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

2. Namens de verdachte heeft mr. B. Yesilgoz, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

4. Het cassatieberoep is op 11 oktober 2011 ingesteld en de stukken van het geding zijn op 23 augustus 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn2 met ruim twee maanden is overschreden. Dit pleegt te leiden tot een vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

5. Het tweede middel behelst de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2011 in strijd met het bepaalde in art. 327 Sv niet door de voorzitter is ondertekend.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2011 dat op grond van het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is gezonden, houdt in dat als voorzitter aanwezig is mr. A.M. van Woensel en als griffier mr. P.M. Groenenberg. Voorts houdt het proces-verbaal het volgende in: “waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat bij ontstentenis van de griffier alleen door de voorzitter is vastgesteld en ondertekend.”

7. Op dit proces-verbaal bevindt zich echter geen handtekening van de voorzitter; er bevindt zich slechts een handtekening van de griffier dat het proces-verbaal voor kopie conform in afschrift is verstrekt.

8. Nu dit geconstateerde verzuim, gelet op HR 19 maart 2009, LJN BH7296, onder omstandigheden herstelbaar kan zijn, heb ik aan de voorzitter, mr. A.M. van Woensel, de vraag laten voorleggen of het proces-verbaal van de terechtzitting alsnog door haar kan worden ondertekend.

9. Op 29 augustus 2013 is een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2011 ontvangen dat is ondertekend door de voorzitter mr. A.M. van Woensel.

10. Nu alsnog is overgelegd een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2011 dat is ondertekend door de voorzitter, is de feitelijke grondslag aan het middel komen te ontvallen.

11. Het middel faalt.

12. Het derde middel klaagt dat de artikelen 314 en 314a Sv juncto 415 Sv zijn geschonden, op de grond dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het verweer strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, doordat de rechtbank niet heeft voldaan aan het voorschrift van art. 314 Sv (oud).

13. Aan de verdachte is bij de inleidende dagvaarding onder feit 1 tenlastegelegd dat:

“1.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 5 januari 2004 te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of Engeland heeft deelgenomen aan een organisatie, die onder andere werd gevormd door hem verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het plegen van opiumwet-delicten (artikel 2 en/of 3 en/of 10a OW) en/of het behulpzaam zijn daarbij en/of

- witwassen (artikel 420bis Sr) en/of gewoontewitwassen en/of

- het plegen van opzetheling en/of gewoonteheling en/of het behulpzaam zijn daarbij (artikel 416 en/of 417 Sr)

artikel 140 Sr”

14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank te Amsterdam van 23 mei 2005, alwaar de verdachte niet is verschenen en de raadsman van de verdachte heeft verklaard niet te zijn gemachtigd, heeft de officier van justitie kennelijk op de voet van art. 314a Sv, jo 313 Sv de toelating van een op schrift gestelde nadere omschrijving van de tenlastelegging gevorderd. De voorzitter heeft als beslissing van de rechtbank medegedeeld dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 27 juli 2005 teneinde de nader omschreven tenlastelegging aan de verdachte te betekenen.

15. Op 16 juni 2005 is de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging tezamen met de oproeping voor de zitting van 27 juli 2005 aan de griffier betekend.

16. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 27 juli 2005, alwaar de verdachte niet is verschenen en de raadsman van de verdachte heeft verklaard niet te zijn gemachtigd, heeft de rechtbank de vordering toegewezen. Daardoor is de tenlastelegging overeenkomstig die vordering gewijzigd in die zin dat feit 1 nader is omschreven en feit 6 aan de feiten is toegevoegd. De gewijzigde tenlastelegging van feit 1 en die van het toegevoegde feit 6 luiden als volgt:

“feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 5 januari 2004 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die onder andere werd gevormd door hem verdachte en/of [medeverdachte 1]3 en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

-het plegen van Opiumwetdelicten (als bedoeld in artikel 2 en/of 3 en/of 10a van de Opiumwet) en/of het behulpzaam zijn daarbij en/of

- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en/of

gewoontewitwassen (als bedoeld in artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het plegen van opzetheling en/of gewoonteheling en/of het behulpzaam zijn daarbij (als bedoeld in artikel 416 en/of 417 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het zonder vergunning wisselen van (grote) geldbedragen (in euro's en/of een of meer buitenlandse valuta) (als bedoeld in artikel 3 van de Wet inzake geldtransactiekantoren) en/of

- de medeplichtigheid aan voornoemde misdrijven,

bestaande die deelneming (onder meer) uit:

- het in stand houden van (een) (onrendabel(e)) bedrijven, te weten een telecommunicatiebedrijf genaamd “Zonna Ltd”, (te Luton, Engeland) en/of een of meer kledingwinkels in de Albert Cuypstraat 272-276 te Amsterdam om te fungeren als dekmantel(s) en/of "bankfilia(a)l(en)" en/of ontmoetingsplaats(en) en/of opname- en/of afleveringsplaats(en) ten behoeve van het plegen van bovengenoemde misdrijven en/of

- het (met een geldtelmachine) tellen van de te verstrekken en/of te ontvangen (bovengenoemde) geldbedrag(en) en/of

- het (telefonisch) leggen en/of het onderhouden van (nationale en/of internationale) contacten met een of meer afnemers en/of aanbieders van (die) (grote) geldbedragen (in euro's en/of een of meer buitenlandse valuta) en/of

- het, ten behoeve van de bovengenoemde wisselingen, berekenen en/of het afspreken met de afnemers of aanbieders (van (die) grote geldbedragen) van de te hanteren koersen en/of de in te houden en/of te verstrekken commissie en/of

- het maken en/of regelen en/of onderhouden van afspraken en/of ontmoetingen met een of meer afnemers en/of aanbieders van (die) (grote) geldbedragen (in euro's en/of een of meer buitenlandse valuta) en/of

- het instrueren van een of meer anderen ten behoeve van het plegen van bovengenoemde

misdrijven;

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die organisatie was;

feit 6:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 5 februari 2004 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in strijd met artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren) als geldtransactiekantoor werkzaam is/zijn geweest, immers:

- heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders beroeps- en/of bedrijfsmatig ten behoeve en/of op verzoek van een of meer anderen: (telkens) een of meer geldtransacties uitgevoerd, waaronder/te weten het (telkens) ter wisseling in ontvangst (doen) nemen van:

- euro's en/of

- Engelse en/of

- Indiase en/of

- Pakistaanse en/of

- Deense en/of

- Hongaarse en/of

- Bulgaarse en/of

- Australische en/of

- Poolse en/of

- Amerikaanse

geldbedragen en het (telkens) vervolgens (doen) uitkeren van de tegenwaarde van voornoemd(e) bedrag(en) in euro's of (voornoemde) buitenlandse valuta aan die ander(en), althans inwisselen van (voornoemde) geldbedragen in euro's of (voornoemde) buitenlandse valuta, en/of

- is/zijn hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam geweest bij de totstandkoming van (een van) (voornoemde) geldtransactie(s).”

17. De niet-gemachtigde raadsman heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 juli 2005 verzocht om aanhouding van de behandeling om de nader omschreven tenlastelegging aan de verdachte te doen betekenen, omdat – kort gezegd – de betekening niet aan zijn cliënt in persoon is geschied en zijn cliënt geen weet heeft van de omvang van het geding. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en daaromtrent het volgende overwogen:

“De voorzitter deelt mede dat de zaak niet zal worden aangehouden teneinde de nader omschreven tenlastelegging aan verdachte te betekenen, nu dit in de visie van de rechtbank geen doel dient aangezien de vordering nadere omschrijving tenlastelegging reeds aan de verdachte is betekend en de betekeningsvoorschriften hiervoor in acht zijn genomen.”

18. Door de rechtbank is vervolgens het onderzoek ter terechtzitting afgerond en gesloten en op 10 augustus 2005 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De verdachte is ter zake van de feiten 1 en 6 veroordeeld en van de overige feiten vrijgesproken. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

19. Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2011 heeft de gemachtigde raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnotitie betoogd dat het onderzoek in eerste aanleg nietig verklaard diende te worden omdat de nader omschreven tenlastelegging niet conform art. 314 (oud) Sv was betekend, zodat zijn cliënt niet bekend is geweest met de beschuldiging waartegen hij zich diende te verweren.

20. In het bestreden arrest heeft het hof dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Verzoek om terugwijzing

Door de raadsman is aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig is en dat de zaak - gelet op de uitbreiding die de Hoge Raad aan de reikwijdte van artikel 423 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft gegeven - moet worden teruggewezen naar de rechtbank. De raadsman heeft daartoe betoogd dat de rechtbank ter terechtzitting van 27 juli 2005 de vordering van de officier van justitie krachtens artikel 314a lid 1 Sv heeft toegewezen en aanstonds met het onderzoek ter terechtzitting is voortgegaan zonder dat aan de verdachte overeenkomstig artikel 314 lid 1 Sv de nader omschreven tenlastelegging is betekend, terwijl hij niet ter terechtzitting aanwezig was en de raadsman niet gemachtigd was overeenkomstig artikel 279 lid 1 Sv. De betekening van de vordering voorafgaande aan de toewijzing van die vordering repareert dit verzuim niet, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat artikel 423 lid 2 Sv noch de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitbreiding meebrengt dat bij niet-naleving van artikel 314 lid 1 Sv de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Voorts overweegt het hof het volgende.

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 6 april 2004 heeft de officier van justitie in het bijzijn van de verdachte en diens raadsman medegedeeld dat het mogelijk was dat de tenlastelegging nader zou worden omschreven. Ter terechtzitting van 23 mei 2005 is deze nadere omschrijving gevorderd, waarna de zitting is geschorst teneinde de nader omschreven tenlastelegging aan de verdachte te betekenen. Op 16 juni 2005 is de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging tezamen met de oproeping voor de zitting van 27 juli 2005 aan de griffier betekend. Ter terechtzitting van 27 juli 2005 heeft de rechtbank de vordering toegewezen. De niet-gemachtigde raadsman heeft toen verzocht om aanhouding van de behandeling om de nader omschreven tenlastelegging aan de verdachte te doen betekenen, welk verzoek door de rechtbank is afgewezen op de grond dat die betekening geen doel meer diende omdat de vordering reeds was betekend. Door de rechtbank is vervolgens het onderzoek ter terechtzitting afgerond en gesloten en op 10 augustus 2005 heeft de rechtbank vonnis heeft gewezen. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep doen instellen.

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat aan de strekking van het bepaalde in artikel 341 lid 1 Sv,4 namelijk dat de verdachte gelegenheid wordt gegeven zich voor te bereiden op zijn verdediging tegen de gewijzigde tenlastelegging, genoegzaam is voldaan.”

21. Het hof heeft uiteindelijk ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“feit 1:

hij in de periode van 1 maart 2003 tot en met 5 januari 2004 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, die onder andere werd gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachte 1]5 en [medeverdachte 2] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het zonder vergunning wisselen van (grote) geldbedragen in euro’s en buitenlandse valuta als bedoeld in artikel 3 van de Wet inzake geldtransactiekantoren bestaande die deelneming uit:

- het telefonisch leggen en het onderhouden van nationale en/of internationale contacten met afnemers en/of aanbieders van die (grote) geldbedragen in euro's en/of buitenlandse valuta;

feit 6:

hij in de periode van 1 maart 2003 tot en met 5 februari 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest, immers zijn hij, verdachte, en zijn mededaders bedrijfsmatig werkzaam geweest bij de totstandkoming van geldtransacties.”

22. Het middel klaagt erover dat ’s hofs verwerping van het verweer onbegrijpelijk is, omdat een vordering (cursivering steller van het middel) iets anders is dan de toewijzing van een vordering (tot toelating van een) nadere omschrijving tenlastelegging. De verdachte wist en kon niet weten dat zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juli 2005 ineens over een ander feit ging dan waarvoor hij was gedagvaard, aldus de steller van het middel. Voorts wordt gesteld dat aan de betekening van de vordering een gebrek kleefde.

23. Nu het middel niet nader aangeeft welk voorschrift is geschonden door een in die visie van de steller van het middel onjuiste betekening van de vordering wijziging tenlastelegging, en dit punt in de toelichting op het middel evenmin duidelijk wordt toegelicht, behoeft deze klacht geen bespreking.

24. Wat betreft de klacht dat de verdachte niet wist voor welk feit hij was gedagvaard, omdat aan hem niet de toewijzing maar de vordering nadere omschrijving tenlastelegging was betekend, geldt het volgende. Het voor de beoordeling van het middel van belang zijnde art. 314, eerste lid, Sv luidt:

“1. Indien de telastlegging overeenkomstig artikel 313 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde telastlegging op de terechtzitting verstrekt, tenzij de rechtbank oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen kan worden volstaan. Is tegen de verdachte verstek verleend, dan wordt het onderzoek op de gewijzigde telastlegging aanstonds voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het andere geval wordt de gewijzigde telastlegging hem zo spoedig mogelijk betekend."

25. De klacht dat de verdachte niet wist voor welk feit hij was gedagvaard, omdat aan hem niet de toewijzing maar de vordering nadere omschrijving tenlastelegging was betekend, faalt. De nader omschreven of gewijzigde tenlastelegging moet zo spoedig mogelijk aan de verdachte worden betekend. Indien dit niet gebeurt is sprake van substantiële nietigheid. Die substantiële nietigheid kan echter worden gerelativeerd, indien de wijzigingsvordering tegelijk met of na de oorspronkelijke dagvaarding reeds is betekend.6 In het onderhavige geval is aan de verdachte de vordering, weliswaar niet in persoon, op rechtsgeldige wijze betekend. Van een procedureel verzuim in eerste aanleg is aldus geen sprake.

26. Het middel berust voorts kennelijk op de opvatting dat het gerechtshof bij constatering van een procedureel verzuim in eerste aanleg de strafzaak moet terugwijzen naar de eerste feitenrechter.7 Met die opvatting miskent de steller van het middel dat de behandeling van de strafzaak in hoger beroep mede strekt tot herstel van gebreken die zich in eerste instantie hebben voorgedaan, met inbegrip van eventueel onjuiste beslissingen van de eerste rechter. Indien de rechter in eerste aanleg aan de hoofdzaak is toegekomen en een oordeel heeft gegeven over het tenlastegelegde delict, zoals in deze het geval is, doet de rechter in hoger beroep de strafzaak onder herstel van onjuistheden en verzuimen in beginsel de zaak zelf af en is voor terugwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg rechtens geen ruimte. In overeenstemming met deze hoofdregel heeft het hof de strafzaak aan zich gehouden. In hoger beroep droeg de verdachte kennis van de nader omschreven tenlastelegging en heeft hij zich daartegen voorzien van rechtsbijstand verdedigd. Reeds daardoor is het ontbreken van een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het achterwege laten van een kennisgeving van de toewijzing van de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging - mocht een en ander als een verzuim worden aangemerkt - door het hof langs voorgeschreven weg hersteld. Het middel faalt.

27. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

28. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden


n.d.

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met zaaksnummer 12/00258, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721, m.nt. JdH; HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.

3 Bedoeld wordt kennelijk medeverdachte [medeverdachte 1] in plaats van [medeverdachte 1] (de verdachte zelf).

4 Bedoeld zal zijn: art. 314, eerste lid, Sv.

5 Bedoeld zal zijn de medeverdachte M. Habib in plaats van de verdachte zelf.

6 Zie G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 568.

7 Vgl. mijn conclusie voor HR 17 november 2009, LJN BJ8653, onder 3.7.