Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:89

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
12/01887
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:132, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 141 Sr, openlijke geweldpleging. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR LJN AL6209, is van het “in vereniging” plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet z.m. voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. ’s Hofs overwegingen moeten aldus worden verstaan dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01887

Zitting: 14 mei 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 28 maart 2012 verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde “Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld, met dien verstande dat het cassatieberoep ingevolge art. 429 Sv is beperkt tot de “bewezen verklaring” van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Ik meen dit aldus te mogen begrijpen dat het cassatieberoep zich beperkt tot (al) de beslissingen met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit.

3. Namens verdachte heeft mr. C. Krijger, advocaat te ‘s-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel richt zich in drie onderdelen tegen de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Het eerste onderdeel van het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Het tweede onderdeel van het middel betoogt in de kern genomen dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “in vereniging” als bedoeld in art. 141 Sr. Het derde onderdeel bevat de klacht dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde, nu er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking noch van een significante bijdrage door verdachte aan het geweld. De drie onderdelen van het middel hangen zodanig met elkaar samen dat zij zich lenen voor een gezamenlijke bespreking. Alvorens ik toekom aan de bespreking van (de drie onderdelen van) het middel zal ik onder 4.2., 4.3., 4.4. en 4.5. eerst, en voor zover voor de bespreking van het middel relevant, de inhoud van de pleitnota, de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en ’s Hofs bewijsoverweging uitzetten.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 14 maart 2012 heeft de raadsman van verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. De pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in1:

“(…)

3.2. Stap naar tenlastelegging/bewezenverklaring

Wat betekenen de feiten, zoals deze in de visie van de verdediging zijn komen vast te staan voor de bewezenverklaring?

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde (toebrengen zwaar lichamelijk letsel)

Uit de verklaringen van [slachtoffer] volgt dat het nekletsel (waarop de tenlastelegging is toegesneden) het gevolg is van een schop tegen zijn nek. Ik wijs op de verklaring van [slachtoffer] bij de R-C, waar hij over dat punt zeer duidelijk is. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat het toegebrachte letsel het gevolg is van de krachtige armklem zoals omschreven achter het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging. Dat zelfde geldt voor hetgeen is omschreven achter het derde gedachtenstreepje. Immers het letsel is niet het gevolg van het slaan en/of stompen tegen het hoofd. Daarbij komt dat niet, althans onvoldoende is komen vast te staan, dat er sprake is geweest van het plaatsen en vasthouden van een armklem.

(…)

Anders gezegd: er moet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en andere verdachten, die wél hebben getrapt.

Medeplegen

Het standpunt van de verdediging is dat van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van geweld in het algemeen en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het bijzonder geen sprake is.

Ik licht dit toe op basis van de conclusie van PG Wortel n.a.v. het cassatieberoep van het OM in de Rijswijkse Stoeptegelzaak.(1) Het ging in deze zaak om 4 verdachten, waarvan twee een stoeptegel van een viaduct lieten vallen met fatale afloop. Een van deze vier verdachten is door het Hof Den Haag vrijgesproken. Hij had geen uitvoeringshandelingen verricht en er was niet gebleken dat hij instemde met het gooien van de tegel(brokken). Tegen deze vrijspraak is cassatieberoep ingesteld. PG Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Ter onderbouwing van dat advies heeft Wortel een uitvoerige conclusie geschreven, waarin hij de criteria voor het aannemen van medeplegen op basis van de op dat moment geldende rechtspraak uiteen zet. Deze criteria zijn in de rechtspraak na de Stoeptegelzaak niet gewijzigd.

Uit de conclusie van Wortel volgt dat er eigenlijk aan drie criteria moet worden voldaan voor het aannemen van een nauwe en bewuste samenwerking:

1) Er moet sprake zijn van een wederzijds kenbare wilsovereenstemming. Die kenbaarheid mag impliciet zijn;

2) Er moet een wilsgerichtheid zijn op het tot stand brengen van het feit en op de samenwerking (dubbele opzet-eis);

3) Het gedrag van de medepleger moet van wezenlijke betekenis zijn voor de uitvoering van het feit.

(…)

In de zaak van [verdachte] is noch van communicatie noch van wilsovereenstemming vanuit [verdachte] sprake geweest. Hij lag vechtend met [slachtoffer] op de grond, toen anderen zich met de vechtpartij bemoeiden en [slachtoffer] (tegen het hoofd) hebben getrapt. Het feit dat anderen zich er mee bemoeiden, maar ook de extreme mate van het geweld lagen in ieder opzicht buitend de macht en wil van [verdachte].

(…)

Er was geen sprake van wilsovereenstemming tussen [verdachte] en de andere verdachten. Er was geen communicatie tussen [verdachte] en de anderen, terwijl [verdachte] vechtend met [slachtoffer] op de grond lag. Anders gezegd: er was geen samenwerking, laat staan een nauwe.

(…)

In onderhavige zaak hebben we te maken met een situatie waarin de verdachte zelf niet persoonlijk verantwoordelijk is voor het letsel. Het letsel is toegebracht door anderen, terwijl [slachtoffer] en [verdachte] op de grond worstelden. Kan op enigerlei wijze worden vastgesteld dat [verdachte] instemde met feitelijke handelingen, die uiteindelijk hebben geleid tot het letsel?

Het antwoord op die vraag moet ontkennend luiden. De vechtpartij werd begonnen door [slachtoffer] (hij deed een gooi naar het petje) en binnen enkele seconden lagen hij en [verdachte] samen op de grond en binnen enkele seconden werd de bewuste trap of trappen toegebracht.

[verdachte] heeft niet de gelegenheid gehad om een standpunt over de actie van de anderen in te nemen, laat staan om een standpunt al dan niet impliciet kenbaar te maken.

Blijkens de tijdsaanduiding bij de foto's (p.225 en 226) duurde het hele incident niet langer dan 32 seconden (begin: 15.54.16, foto 10, eind: 15.54.48 foto 22).

[verdachte] wist niet wat de anderen zouden gaan doen, en kon daarop geen invloed uitoefenen, en heeft niets gedaan waaruit zijn instemming blijkt.

[verdachte] kon zich ook met geen mogelijkheid distantiëren van het geheel. Ik verwijs met betrekking tot het zich niet distantiëren voorts naar de uitspraken van de HR van 22 december 2009 LJN BK3356, NJ2010, 193, HR 19 januari 2010 (NJ2010, 72) en HR 9 maart 2010, LJN BJ7275, NJ 2010,194. De Hoge Raad heeft in al deze zaken aangegeven dat het zich enkel niet distantiëren onvoldoende is voor het aannemen van medeplegen.

De conclusie moet dan ook zijn dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] enerzijds (en ook vanuit [verdachte] bezien) en de persoon of personen die de bewuste trappen hebben gegeven anderzijds, zodat [verdachte] van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging)

Hetzelfde feitencomplex wordt in het subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. Voorafgaand aan de hierna te bespreken samenhang tussen de criteria voor medeplegen en het openlijk in vereniging geweld plegen, wil ik opmerken dat hetgeen achter het eerste gedachtenstreepje in de tenlastelegging staat (het plaatsen en/of houden van een armklem) niet kan worden bewezen. Duidelijk is namelijk dat de greep om de hals voorafging aan de worstel/vechtpartij op de grond. Daar hielden ze elkaar in een houdgreep. Van dit onderdeel van de tenlastelegging dient reeds daarom vrijspraak te volgen.

Medeplegen en openlijk in vereniging geweld plegen

Ik wil beginnen met een kort citaat uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van art. 141 in de huidige tekst (wijziging is van 25/4/2000)(2)

"Met deze wijziging wordt beoogd, de strafbaarstelling van openlijke geweldpleging meer op één lijn te brengen met de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens medeplegen van andere delicten.”

Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat in essentie voor het aannemen van medeplegen en het in vereniging geweld plegen op het punt van gezamenlijkheid het zelfde criterium geldt.

De Hoge Raad overwoog in zijn uitspraak van 7 juli 2009 LJN: BH9029, NJ 2009,400) (Bestorming Adohome) als volgt:

“2.5.Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173), waarbij art. 141 Sr werd gewijzigd (wetsvoorstel 26 519), is van "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt.”.

(…)

Het gaat ook bij openlijke geweldpleging om de bewuste, nauwe en volledige (tegenwoordig dus nauwe en bewuste) samenwerking.

Omdat bij openlijke geweldpleging veel meer dan bij medeplegen zich vaak de situatie voordoet dat de verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt en er alleen maar bij aanwezig is geweest, gaat het debat bij zaken waar het gaat om openlijke geweldpleging veel meer om het waarderen van de betekenis van de bijdrage.

Daartoe wordt steeds de formulering “significante bijdrage” gebezigd. Een persoon die zelf niet feitelijk heeft bijgedragen aan het geweld kan schuldig zijn aan openlijke geweldpleging als hij aan het geweld een significante bijdrage heeft geleverd. Dit is echter niet een nieuw of ander criterium, maar in wezen niets anders dan een iets andere formulering van het criterium dat de gedraging van wezenlijke betekenis moet zijn. De andere criteria (het bestaan en de kenbaarheid van de wilsovereenstemming en het bestaan van de wilsgerichtheid op het tot stand brengen van het delict en op de samenwerking gelden nog ook onverkort).

Hetgeen met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde is aangevoerd, dient derhalve als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Met betrekking tot de significante bijdrage door [verdachte] aan het geweld van de anderen of omgekeerd merk ik nog op dat die er niet is. Eigenlijk zou gesteld kunnen worden dat het geweld tegen [slachtoffer] van twee kanten kwam, maar dat tussen die kanten geen samenwerking was, althans niet vanuit [verdachte]. Men zag zijn kans schoon.

Er is geen nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] enerzijds en de anderen die geweld hebben gebruikt tegen [slachtoffer] anderzijds. Hij werd compleet overvallen door het feit dat de anderen zich met die vechtpartij bemoeiden. Hij zelf werd zelfs geraakt in zijn gezicht door de trappen van de anderen, hetgeen op zich zelf al van doorslaggevende betekenis is, om in dit feitencomplex geen openlijke geweldpleging te zien van [verdachte] en de anderen.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank heeft [verdachte] vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat - aldus de rechtbank - er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Niet duidelijk is, waarom de rechtbank binnen die redenering dan wel tot een bewezenverklaring kan komen van het subsidiair ten laste gelegde.

De gevolgen van het in vereniging uitgeoefende geweld (het ernstige letsel) kunnen in casu niet als onderscheidende factor gelden. Immers het gaat er om dat er sprake is van samenwerking en dat die nauw en bewust moet zijn.

De gevallen waarin de medeplegers niet strafbaar worden gehouden aan zwaarder te kwalificeren gedragingen van mededaders (bijvoorbeeld de mate van geweld bij een diefstal) zien op andersoortige situaties. Bijvoorbeeld als de medepleger buiten op de uitkijk staat bij een samen uitgevoerde inbraak, terwijl de andere dader binnen in het pand, waarin wordt ingebroken extreem geweld gebruikt tegen een bewoner, met welk geweld de op de uitkijk staande medepleger niet heeft ingestemd.

De rechtbank acht het openlijk geweld plegen bewezen, omdat [verdachte] zijn geweldshandelingen tegen [slachtoffer] niet heeft gestaakt. Kennelijk ziet de rechtbank in dat niet staken van het geweld de nauwe en bewuste samenwerking of eigenlijk de significante bijdrage. Onduidelijk blijft dan toch waarom die samenwerking er dan niet is, voor wat betreft het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel. Dat illustreert m.i. dat het door de rechtbank gemaakte onderscheid eigenlijk niet te maken valt.

Over het niet-staken van de geweldshandelingen en de consequenties die daaraan worden verbonden kunnen bovendien nog twee andere opmerkingen worden gemaakt.

1) Het hele incident duurde maar 32 seconden. In die 32 seconden zijn de anderen zich met de vechtpartij gaan bemoeien. [verdachte] heeft geen gelegenheid gehad om een standpunt in te nemen over de gedragingen van de anderen en om dit op een of andere wijze kenbaar te maken. Bijna direct nadat er werd geschopt was de vechtpartij voorbij.

2) Hij en [slachtoffer] hielden elkaar in een houdgreep. [verdachte] kon - toen ze op de grond lagen (het moment waarop de anderen hun geweldshandelingen tegen [slachtoffer] uitvoerden) - eigenlijk niets doen. Hij zat zelf ook vast. Er was geen situatie waarin hij de geweldshandelingen direct kon staken, zoals de rechtbank aannam.

De conclusie kan dan ook niet anders zijn, dan dat [verdachte] ook van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Er was geen nauwe, bewuste samenwerking er was geen significante, wezenlijke bijdrage aan het geweld van de anderen.

(…)

(1) Zie HR 18/03/2008, LJN BC6157, NJ 2008,209

(2) Zie Kamerstukken (TK)26519, nr 3 (MvT).”

4.3. Het Hof heeft vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van zware mishandeling. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 17 mei 2010 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Poolsterstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het:

- plaatsen en houden van het hoofd en/of de nek van [slachtoffer] in een krachtige armklem en vervolgens

- terwijl [slachtoffer] op de grond ligt, meermalen, telkens met kracht trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] en

- meermalen, slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer].”

4.4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 18 mei 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0 2010160855-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 18 mei 2010 afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer] (blz. 50-53):

Ik liep 17 mei 2010 samen met mijn vriendin, genaamd [betrokkene], over het winkelcentrum Oosterhof aan de Poolsterstraat in Rotterdam. Op een gegeven moment kwam ik een jongen tegen die ik ken als [verdachte]. [verdachte] pakte mij ineens beet en wurgde mij. Ik bedoel hiermee dat [verdachte] mijn hoofd naar beneden trok. Met een arm hield hij mijn hoofd in een klem. Op dat moment vielen wij op de grond. Op het moment dat ik op de grond lag, voelde ik dat ik hard geschopt werd. Ik voelde dit voornamelijk op mijn hoofd, rug en nek. Op een gegeven moment hoorde ik een harde knak en voelde ik dat er iets niet goed was met mijn nek. Aan de aangever werd een foto getoond voorzien van het fotonummer PL17FO:06:04068. Wij hoorden de aangever zeggen: "Ja, dat is hem, dat is [verdachte]".

2.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0 2010160855-27. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de verbalisant (blz. 79):

De personalia van de persoon op politiefoto nummer PL17F0:06:04068 luiden [verdachte], geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], wonende [a-straat 1] te [woonplaats].

3.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 mei 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0 2010160855-75. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 31 mei 2010 afgelegde verklaring van de verdachte (blz. 249-253):

Ik heb de jongen (toevoeging hof: [slachtoffer]) twee klappen met de vlakke hand in zijn gezicht gegeven. Vervolgens grepen de jongens die eromheen stonden in. Zij hebben die jongen geschopt.

4.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 november 2010. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 15 november 2010 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer]:

Ongeveer drie maanden voor de ruzie had [verdachte] mijn pet gestolen. Ik zag dat hij mijn petje op had. Ik wilde mijn pet terug. Ik vroeg aan hem "ben je mij niet iets schuldig". Ik probeerde de pet van zijn hoofd te trekken. [verdachte] deed zijn arm om mijn nek. We vielen allebei op de grond. Hij gaf me een paar stompen in mijn gezicht, terwijl hij op mijn zij zat. Toen [verdachte] mij op de grond in een houdgreep hield, kreeg ik schoppen. Ook de schop, waarbij ik mijn nek voelde knappen. Ik werd geschopt tegen mijn rug en mijn nek. Voor zover ik weet ben ik door twee jongens geschopt.

5.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 november 2010. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 15 november 2010 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de aangeefster [betrokkene]:

Ik zag dat [verdachte] en [slachtoffer] aan het vechten waren. Toen ze op de grond lagen, zag ik dat [verdachte] [slachtoffer] sloeg in zijn gezicht. [verdachte] had één arm om de nek van [slachtoffer]. Ik zag dat de jongen met de gouden tand en de jongen met de bruine jas en pet [slachtoffer] schopten. Ik zag dat ze een aanloop namen. [slachtoffer] werd aan zijn bovenlichaam geraakt. Dit gebeurde terwijl hij nog met [verdachte] op de grond aan het worstelen was. Ik heb gezien dat [slachtoffer] door deze twee jongens werd geschopt. [slachtoffer] is meerdere keren geschopt.

6.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 november 2010. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 15 november 2010 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige]:

Ik liep met een collega in de Oosterhof. Ik hoorde een jongen en een meisje gillen. Ik zag dat er een jongen op de grond lag. Ik zag dat de jongen op de grond door twee andere jongens werd geslagen en geschopt. Volgens mij werd de jongen geschopt tegen zijn schouder en/of zijn hoofd. Er zat naast hem een jongen op zijn knieën. Hij sloeg de jongen die op de grond lag.”

4.5.

Het Hof heeft voorts ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte eveneens van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, zoals uiteengezet in de door hem overgelegde pleitnotitie. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld en dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De aangever probeerde het petje van het hoofd van de verdachte te halen. Daarop heeft de verdachte de aangever vastgepakt en bij zijn hoofd in een armklem gehouden en klappen gegeven. Nadat de aangever en de verdachte op de grond waren gevallen, heeft de verdachte de aangever nog meermaals in het gezicht geslagen en hebben andere personen zich met de vechtpartij bemoeid en de aangever geschopt, terwijl de verdachte de aangever vast hield in een armklem.

Het hof acht niet aannemelijk geworden de eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, dat hij, toen de verdachte en de aangever op de grond waren gevallen, de aangever heeft losgelaten en zichzelf heeft afgeweerd tegen het door anderen gepleegde geweld.

Op grond van het vorenstaande staat vast dat de verdachte, op het moment dat de andere personen zich met de vechtpartij bemoeiden, het geweld jegens de aangever niet heeft gestaakt. Evenmin heeft de verdachte iets gedaan - mondeling of handelend - om de ontstane geweldssituatie op te heffen, noch heeft hij op enige andere wijze laten blijken dat hij zich distantieerde van het door de anderen gepleegde geweld.

Het hof acht op grond hiervan bewezen dat de verdachte, door de aangever aan te vallen en met de vechtpartij te beginnen, in een winkelcentrum in het bijzijn van winkelend publiek, en het vervolgens - toen hij de aangever vast had - gepleegde geweld niet te beletten, zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen jegens de aangever. Het verweer dienaangaande wordt verworpen.”

4.6.

Het tweede onderdeel van het middel klaagt in de kern genomen dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “in vereniging” als bedoeld in art. 141 Sr. Hiertoe is aangevoerd dat de door het Hof in zijn bewijsoverweging gehanteerde criteria om tot de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging te komen onjuist dan wel onvoldoende zijn. Die klacht berust op de opvatting waarop ook het in hoger beroep gevoerde verweer steunde, namelijk dat voor het aannemen van het “in vereniging” plegen van geweld als bedoeld in art. 141 Sr dezelfde criteria hebben te gelden als voor het aannemen van medeplegen in de zin van art. 47 Sr. De vraag is of die opvatting juist is.

4.7.

Het subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden “in vereniging” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel. Bij Wet van 25 april 2000, Stb. 173 is art. 141 Sr gewijzigd. De wijziging was gericht op verruiming van het bereik van het artikel. Dat zou kunnen door de strafbaarstelling van openlijke geweldpleging meer op één lijn te brengen met de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens medeplegen van andere delicten.2 Daartoe werd het bestanddeel “met verenigde krachten” vervangen door “in vereniging”. De parlementaire geschiedenis van die wet houdt ten aanzien van het bestanddeel “in vereniging” onder meer het volgende in:

“De vervanging van «met verenigde krachten» door «in vereniging» die in dit wetsontwerp wordt voorgesteld, brengt met zich dat artikel 141 en de deelnemingsfiguur medeplegen weer naar elkaar toegroeien in plaats van uiteendrijven. Tegelijk brengt de keuze voor de woorden «in vereniging» tot uitdrukking dat het medeplegen van openlijke geweldpleging een wat eigen karakter houdt. Het gaat gewoonlijk om een wat andere vorm van samenwerking dan (bijvoorbeeld) bij diefstal, waar de wet spreekt van «twee of meer verenigde personen». Daar is gewoonlijk het uitgangspunt een hechte samenwerking tussen twee (en in sommige gevallen drie, vier of vijf) personen, waaraan een gemeenschappelijk plan ten grondslag ligt. Bij openlijke geweldpleging is het uitgangspunt een vrij ongestructureerd samenwerkingsverband van enkele tientallen personen, dat veel minder planmatig te werk gaat. Daaraan doet niet af dat openlijke geweldpleging soms ook door enkele personen, en betrekkelijk planmatig kan worden gepleegd. De wetgever van 1886 heeft – terecht – ook voor verschillende begrippen gekozen om de samenwerking die voor de artikelen 141 en 311 WvSr vereist is te verwoorden. Dit wetsvoorstel bouwt op die keuze voort.3

(…)

De verruiming van de reikwijdte van artikel 141 WvSr krijgt gestalte door de vervanging van de woorden "met verenigde krachten" door de woorden "in vereniging". De woorden "in vereniging" drukken uit dat de samenwerkingseis van artikel 141 WvSr onverkort blijft gelden: het "verenigde" van de krachten wordt voortgezet in de eis dat in vereniging geweld moet zijn gepleegd. Aan deze vereniging worden geen strengere eisen gesteld, wat betreft de nauwheid en de volledigheid van de samenwerking, dan bij het huidige artikel 141 WvSr het geval is. Anders dan bij moord en bij diefstal gewoonlijk het geval is, zal - zo werd reeds gesteld - aan openlijke geweldpleging veelal niet een fase van voorbereiding voorafgaan. De samenwerking kan zeer wel bestaan uit niets meer dan een gezamenlijk gepleegde, niet voorbereide vernieling of mishandeling. Net als thans kan ook na de voorgestelde wijziging in dergelijke gevallen zeer wel van openlijke geweldpleging sprake zijn.

Het verschil met de huidige delictsomschrijving zit uitsluitend in het ontbreken van het woord "krachten". Anders dan thans is niet langer doorslaggevend of de verdachte "krachten" heeft aangewend die met die van anderen verenigd zijn. Voldoende is, dat hij deel uitmaakt van de groep die het openlijke geweld heeft gepleegd, en een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Die bijdrage kan bestaan in het plegen van een gewelddadige handeling, dat hoeft echter niet. De betrokkene kan ook met een bivakmuts hebben rondgelopen en anderen hebben aangemoedigd. Hij kan, in gevallen waarin het openlijke geweld niet "spontaan" gepleegd wordt, ook een rol in de organisatie hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven.

(...)

In de eerste plaats moet de betrokkene opzet op het openlijke geweld hebben gehad. Aangetoond zal moeten worden dat hij het geweld gewild heeft, of in ieder geval welbewust op de koop toe heeft genomen. Wie per ongeluk in een geweld plegende groep verzeild raakt heeft dat opzet niet. Dat zal gewoonlijk ook betrekkelijk snel blijken. Voorts zal bewezen moeten worden dat de betrokkene een voldoende significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd. De enkele aanwezigheid in een groep is daarvoor niet voldoende."4

alsmede:

“Deze leden vragen voorts, of het voorgestelde artikel 141 WvSr op eenzelfde wijze dient te worden geïnterpreteerd als de deelnemingsfiguur van artikel 47 WvSr. Inderdaad vormt, zo vloeit ook uit het voorgaande voort, de jurisprudentie inzake het medeplegen het aanknopingspunt voor de interpretatie van het «in vereniging plegen» van openlijk geweld.

Doorslaggevend is of de door de verdachte opzettelijk geleverde bijdrage zodanig is dat hij kan worden aangemerkt als één van degenen die het openlijke geweld «tezamen en in vereniging» hebben gepleegd. Zoals ook bij andere delicten geldt evenwel dat het begrip (tezamen en) in vereniging en daarmee de vormen waarin de bijdrage aan het gemeenschappelijke doel zich kan voordoen een op de eigen aard en het eigen karakter van de strafbaarstelling van openlijke geweldpleging toegespitste invulling behoeven. Bij medeplegen wordt veelal gesproken van een «nauwe en volledige samenwerking». Bij openlijke geweldpleging zal deze algemene formulering zo kunnen worden ingevuld, dat de bijdragen die in deze paragraaf zijn onderscheiden in antwoord op vragen van de leden van de fractie van de PvdA, in beginsel een voldoende bijdrage aan een voor het plegen van openlijk geweld voldoende nauwe en volledige samenwerking impliceren.5

(…)

Deze leden vragen de regering voorts, de passage te verduidelijken waarin gesteld wordt dat door de voorgestelde wijziging de historische verhouding tussen artikel 141 WvSr en de deelnemingsfiguur medeplegen weer enigszins wordt hersteld. Zij veronderstellen terecht, dat daarmee bedoeld wordt dat artikel 141 WvSr gaat aansluiten bij de gewijzigde betekenis die het begrip medeplegen in de loop der tijd heeft gekregen.

Daarbij is het woord «enigszins» tussengevoegd teneinde uit te drukken dat, bij het doortrekken van de jurisprudentie inzake het medeplegen, het specifieke karakter van de onderhavige strafbaarstelling en de samenwerking tussen personen waar zij het oog op heeft, van belang blijft.6

alsmede:

"Strafbaarheid ter zake van het medeplegen van een strafbaar feit kan slechts intreden indien sprake is van een bewuste samenwerking. Aan die samenwerking, resulterend in een gezamenlijk bewerkstelligde openlijke geweldpleging, moet een voldoende wezenlijke bijdrage zijn geleverd. Een gewelddadige handeling impliceert, net als thans, in ieder geval een wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging die tot strafbaarheid leidt. Daarnaast zijn een aantal andere gedragingen in kaart gebracht die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een voldoende wezenlijke bijdrage kunnen opleveren. Dat is in de eerste plaats het bemoeilijken van de herkenning van personen die gewelddadige handelingen plegen, indien daarmee opzettelijk wordt voorkomen dat deze handelingen en de gevolgen daarvan op deze personen kunnen worden teruggeleid. Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan. Een derde gedraging betreft het wezenlijk bevorderen van gewelddadige handelingen door aanmoedigingen of gejoel. Met name bij deze gedragingen zal het sterk van de omstandigheden van het geval afhangen of een voldoende significante bijdrage aan het openlijke geweld is geleverd. Tenslotte kan gedacht worden aan het feitelijk mogelijk maken van openlijk geweld door stenen of stokken aan te reiken, dan wel door het afschermen van degenen die gewelddaden plegen tegen anderen die dat willen beletten. De in kaart gebrachte handelingen betreffen evenwel geen limitatieve opsomming, zo volgt uit het verband met het begrip medeplegen."7

4.8.

Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat voor de interpretatie van het bestanddeel “in vereniging” als bedoeld in art. 141 Sr het medeplegen in de zin van art. 47 Sr meer maatgevend dient te zijn dan voor de wetswijziging het geval was.8 Dit betekent evenwel niet, anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt neemt, dat het bestanddeel “in vereniging” de “bewuste en nauwe samenwerking” impliceert die vereist is voor medeplegen aan een strafbaar feit als bedoeld in art. 47 Sr.9 Uit de parlementaire geschiedenis volgt immers dat na de wetswijziging in het algemeen aan de samenwerkingseis van art. 141 Sr wat betreft de nauwheid en de volledigheid van die samenwerking geen strengere eisen worden gesteld dan voor de wetswijziging het geval was.10 Om het voor overtreding van art. 141 Sr (oud) vereiste samenwerkingsverband te construeren, was slechts weinig nodig.11 Uit de jurisprudentie volgt dat art. 141 Sr vóór de wetswijziging slechts een geringe mate van samenwerking en een lichte graad van coöperatief opzet vereiste.12 Het bestanddeel “verenigde krachten” kon ook bestaan uit “een zekere mate van onderlinge afstemming”, zonder dat die afstemming de vorm aannam van “bewuste en nauwe samenwerking”.13 Het ging er kennelijk vooral om dat de pleger van openlijk geweld zich ervan bewust was dat hij niet in zijn eentje opereerde, maar zich gesterkt wist door geestverwanten binnen een groep.14 Daarnaast volgt uit de parlementaire geschiedenis dat ondanks het doortrekken van de jurisprudentie inzake het medeplegen, het specifieke karakter van art. 141 Sr en de samenwerking tussen personen waar zij het oog op heeft, van belang blijft. Uitgangspunt bij medeplegen is dat er sprake is van een planmatige samenwerking, terwijl uitgangspunt bij openlijke geweldpleging is een vrij ongestructureerd samenwerkingsverband dat veel minder planmatig te werk gaat.

4.9.

Niet uit het oog mag worden verloren dat de wetgever in 2000 een verruiming van het bereik van art. 141 Sr wenste te bewerkstelligen. Hij wilde af van de harde eis dat de pleger van art. 141 Sr zelf geweld moet hebben gebruikt, zodat personen die innig en nauw met de eigenlijke geweldplegers samenwerkten, buiten schot bleven.15 De aansluiting die de wetgever zocht met het medeplegen heeft naar mijn mening dan ook vooral betrekking op gevallen waarin de bijdrage van de verdachte niet uit een eigen geweldshandeling bestond. De invulling van de samenwerkingseis met criteria die aanleunen tegen die van het medeplegen dient hier om het ontbreken van zelf gepleegd geweld te compenseren. Als sprake is geweest van planmatig handelen kan een gedraging die in een verwijderd verband staat tot het gepleegde geweld toch als een bijdrage daaraan worden aangemerkt.

4.10.

Bij deze op de parlementaire geschiedenis gebaseerde argumentatie voegen zich wetssystematische argumenten. De wetgever handhaafde in 2000 de specifieke aansprakelijkheidsregeling die in art. 141 lid 2 Sr is te vinden. Dat is begrijpelijk als het enkele leveren van een bijdrage aan grootschalig groepsgeweld al voldoende is om als pleger van art. 141 Sr te worden aangemerkt. Die eigen bijdrage levert geen basis op om aansprakelijk te worden gehouden voor de bijdragen die anderen aan het groepsgeweld hebben geleverd. Dat wordt anders als ervan wordt uitgegaan dat aan de criteria voor medeplegen moet zijn voldaan. Dan is er geen reden voor een regeling die aansprakelijkheid voor het geheel uitsluit. De handhaving van art. 141 lid 2 Sr duidt er dus op dat de wetgever het “in vereniging” plegen van geweld niet gelijk heeft willen stellen aan het medeplegen van geweld.

4.11.

Daar komt bij dat de toegevoegde waarde van art. 141 Sr uiterst beperkt zou zijn als wél wordt geëist dat er sprake moet zijn van medeplegen. De dader zou dan immers vrijwel steeds al strafbaar zijn op grond van art. 47 jo. de artt. 300 e.v. en/of art. 350 Sr. Alleen het strafmaximum zou dan (soms) verschil maken. De vraag is of dat het bestaan van een apart delict rechtvaardigt. De wetgever had er dan immers ook voor kunnen kiezen het openlijk gepleegd zijn van de mishandeling of de vernieling vorm te geven als een strafverzwaringsgrond. Dat die keuze niet is gemaakt, wijst erop dat art. 141 Sr een delict is met een eigen karakter, hetgeen onderstreept wordt door de plaatsing in Titel V van Boek II. Het beschermde rechtsgoed is primair de openbare orde. Dat eigen karakter rechtvaardigt een eigen invulling van de samenwerkingseis.

4.12.

Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het voor het “in vereniging” plegen van geweld als bedoeld in art. 141 Sr voldoende is dat de dader zich ervan bewust is dat zijn gedraging een (voldoende significante) bijdrage levert aan het gepleegde geweld.16 In het feit dat sprake moet zijn van een “bijdrage” aan het geweld ligt daarbij besloten dat de gedraging niet op zichzelf staat, maar onderdeel vormt van een gezamenlijk optreden en dus van een optreden “in vereniging”. Het is daarbij niet zo dat het geweld van de één een bijdrage moet zijn aan het geweld van de ander. Het gaat om een bijdrage aan het gezamenlijke geweld. Als twee verdachten het slachtoffer schoppen, vormt elke schop een bijdrage aan het in vereniging gepleegde geweld.

4.13.

Deze invulling van de samenwerkingseis vindt naar ik meen bevestiging in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Van het “in vereniging” plegen van geweld in de zin van art. 141 Sr is al sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.17 Wanneer van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage sprake is, valt niet in algemene bewoordingen aan te duiden. Veel hangt af van de omstandigheden van het concrete geval. Zo is bijvoorbeeld de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt.18 Voor de onderhavige zaak is dat overigens niet van belang, aangezien niet betwist wordt dat – zoals uit de bewijsmiddelen blijkt – de verdachte geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de klacht dat het Hof onjuiste of onvoldoende criteria heeft gehanteerd, faalt omdat die klacht steunt op een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de klacht dat de bewezenverklaring in het licht van de vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde onbegrijpelijk is en dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het van het op dit punt door de verdediging ingenomen standpunt is afgeweken.

4.15.

Op verschillende plaatsen in de schriftuur, maar expliciet in het derde onderdeel van het middel, wordt voorts geklaagd dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv onvoldoende gemotiveerd is afweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde in verband met het ontbreken van een significante bijdrage van de verdachte aan het door de anderen gepleegde geweld, nu de verdachte niet in de gelegenheid is geweest om zich daarvan te distantiëren of de confrontatie met de aangever te doen stoppen, mede doordat verdachte en aangever elkaar vasthielden op het moment dat de schoppen werden gegeven. De strekking van dit verweer was niet, merk ik voor de duidelijkheid op, dat de bijdrage die verdachte aan het geweld leverde niet “significant” was (het plegen van geweld is per definitie significant), maar dat het door de verdachte gepleegde geweld niet kan worden gezien als een “bijdrage” aan het geweld dat de anderen pleegden. Van enige vorm van gezamenlijk optreden zou geen sprake zijn geweest.

4.16.

Ik stel voorop dat het verweer sterker was geweest als onderbouwd met argumenten was aangevoerd dat de andere geweldplegers volslagen onbekenden waren met wie de verdachte niets uitstaande had, zodat hij op hun bemoeienis met de vechtpartij totaal niet was bedacht. Hetgeen wel is aangevoerd sluit dus bepaald niet uit dat de andere geweldplegers kameraden van de verdachte waren met wie hij die dag optrok. Dat zou hun bemoeienis kunnen verklaren (welk motief zouden wildvreemden hebben om zo tekeer te gaan?), terwijl ook de korte tijdspanne waarin het geheel zich voltrok – volgens de verdediging 32 seconden – goed in dit scenario past. Ik wijs in dit verband op het participerend onderzoek dat Jan Dirk de Jong verrichtte naar delinquent groepsgedrag van met name Marokkaanse jongens. Hij concludeert dat tot de “straatwaarden” die deel uitmaken van hun gemeenschappelijke straatcultuur (die, omdat het de cultuur van de straat is, niet exclusief Marokkaans is) behoort dat zij loyaal zijn aan de jongens uit de buurt. “De jongens rekenen erop dat alle jongens van de buurt in grote mate loyaal zijn aan elkaar en gaan daarbij vooral uit van twee concrete gedragsverwachtingen.” De eerste van die verwachtingen is dat de jongens elkaar helpen in het geval van een conflict of een vechtpartij met buitenstaanders. Dat geldt zelfs voor jongens “die niet erg bekend zijn of onderling ruzie hebben”. Als een jongen zijn plicht op dit punt verzaakt volgt meestal een sanctie (zoals “een paar flinke klappen”).19 Als het zo zou zijn dat in de onderhavige zaak sprake was van een dergelijke groepscode, op basis waarvan de verdachte erop mocht rekenen dat de anderen bijsprongen, dan is daarmee gegeven dat van gezamenlijk optreden sprake was. Ik zie er niet aan voorbij dat daarover door het Hof niets is vastgesteld. Waar het mij om gaat, is dat het verweer op een niet onbelangrijk punt gebrekkig is. Een begin van aannemelijkheid dat de verdachte door het geweld van de anderen werd “overvallen”, wordt niet aangedragen. Dat maakt dat aan de motivering van het Hof minder hoge eisen hoeven te worden gesteld dan anders het geval was geweest.

4.17.

Het Hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte de aangever heeft vastgepakt en bij zijn hoofd in een armklem heeft gehouden en klappen heeft gegeven. Nadat de aangever en de verdachte op de grond waren gevallen, heeft de verdachte de aangever nog meermalen in het gezicht geslagen en hebben andere personen zich met de vechtpartij bemoeid en de aangever geschopt, terwijl de verdachte de aangever vasthield in een armklem. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte, op het moment dat de andere personen zich met de vechtpartij bemoeiden, het geweld jegens de aangever niet heeft gestaakt. Het Hof heeft daarbij gemotiveerd waarom het de andersluidende verklaring van de verdachte niet aannemelijk achtte. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte niets heeft gedaan – mondeling of handelend – om de ontstane geweldssituatie op te heffen en ook niet op enige andere wijze heeft laten blijken dat hij zich distantieerde van het door de anderen gepleegde geweld. Naar ik meen heeft het Hof op grond hiervan kunnen oordelen dat in ieder geval vanaf het moment waarop de andere personen zich ermee bemoeiden sprake was van een gezamenlijk optreden tegen de aangever en dat de verdachte zich er vanaf dat moment van bewust moet zijn geweest dat hij aan dat geweld een bijdrage leverde door de aangever te blijven vasthouden. Meer is, zoals onder 4.12. werd geconcludeerd, voor het “in vereniging” plegen van geweld niet vereist.

4.18.

Het Hof heeft derhalve op toereikende wijze gemotiveerd waarom het van het bedoelde standpunt van de verdediging is afgeweken. Ik merk daarbij op dat art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet vereist dat op ieder argument van de verdediging wordt ingegaan. Dat de verdachte, zoals werd gesteld, het slachtoffer niet kon loslaten omdat deze hem vasthield, is een stelling die haaks staat op de bewering van de verdachte dat hij het slachtoffer hééft losgelaten. Nu bovendien niet goed valt in te zien waarom de gestelde vasthoudendheid van het slachtoffer het de verdachte onmogelijk maakte om de armklem te slaken, maakt het feit dat het Hof stilzwijgend aan dit argument voorbij is gegaan de motivering niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het argument dat de verdachte niet in de gelegenheid is geweest het geweld van de anderen te doen stoppen. Dat is namelijk niet wat art. 141 Sr van de verdachte verlangt. Voldoende is dat de verdachte zijn eigen geweld niet heeft gestopt en dat hij aldus een bijdrage heeft geleverd aan het gezamenlijke geweld.

4.19.

Het eerste onderdeel van het middel bevat op de keper beschouwd dezelfde klachten, gestoken in een ander jasje. Geklaagd wordt dat de bewezenverklaring niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen, nu daaruit niet kan volgen dat de verdachte [slachtoffer] in een (arm)klem hield, terwijl (cursivering, GK) [slachtoffer] door anderen die zich met de vechtpartij bemoeiden werd geschopt. De steller van het middel heeft daartoe aangevoerd dat het Hof de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene] slechts gedeeltelijk tot het bewijs heeft gebezigd. Het Hof heeft deze verklaringen niet tot het bewijs gebezigd voor zover deze inhouden dat de verdachte zelf ook werd vastgehouden (door aangever [slachtoffer]). Deze niet opgenomen onderdelen van de voor het bewijs gebezigde verklaringen zouden een wezenlijk andere feitelijke situatie schetsen dan de bewijsmiddelen zoals deze door het Hof zijn gebezigd. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de aangever in een krachtige armklem vasthield, terwijl anderen hem hebben geschopt. De feitelijke situatie was evenwel, zo wordt gesteld, dat de aangever en de verdachte in een worsteling verwikkeld waren en elkaar vasthielden op het moment dat de andere personen zich met de vechtpartij bemoeiden en de aangever werd geschopt. De verdachte kon zich als gevolg daarvan niet aan de confrontatie met de aangever onttrekken, nu de aangever ook met hem vocht. Door de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene] slechts gedeeltelijk tot het bewijs te bezigen, hebben deze verklaringen een andere strekking gekregen en heeft het Hof de verklaringen aldus gedenatureerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen inclusief de (ten onrechte) niet door het Hof opgenomen passages kan niet volgen dat er sprake was van een situatie waarin de verdachte [slachtoffer] vasthield, zodat (cursivering, GK) anderen in de gelegenheid werden gesteld om hem te schoppen.

4.20.

Tussen ‘terwijl’ en ‘zodat’ bestaat een niet onbelangrijk verschil. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het slachtoffer vasthield met het doel de anderen in de gelegenheid te stellen dat slachtoffer te schoppen. Een dergelijke vorm van intensieve samenwerking is zoals betoogd niet vereist.

4.21.

De denatureringsklacht heeft betrekking op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 4 en 5, zoals hierboven opgenomen onder 4.4.. De op 15 november 2010 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] luidt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt:

“(…) Ik heb hem wel in de houdgreep gehouden. Toen [verdachte] mij op de grond in een houdgreep hield, kreeg ik schoppen. (…)”

De op 15 november 2010 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene] luidt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt:

“(…) Op dat moment zag ik dat [verdachte] en [slachtoffer] aan het vechten waren. Eigenlijk waren ze meer aan het worstelen. (…) [verdachte] had één arm om de nek van [slachtoffer]. (…) [slachtoffer] had [verdachte] vast, ook toen ze samen nog op de grond lagen. Ik zag dat de jongen met de gouden tand en de jongen met de bruine jas en pet [slachtoffer] schopten. (…)”

4.22.

Van denaturering van de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene] is mijns inziens geen sprake. Door de delen van de verklaringen inhoudende dat verdachte zelf ook werd vastgehouden niet op te nemen als bewijs, heeft het Hof aan het wel gebezigde gedeelte van die verklaringen geen andere betekenis gegeven. Ik wijs er daarbij op dat het Hof in het midden kon laten of het slachtoffer de verdachte de gehele tijd heeft vastgehouden, omdat niet valt in te zien waarom die omstandigheid de verdachte belette om met het omklemmen van het hoofd van het slachtoffer op te houden. De bewering van de verdachte dat hij het slachtoffer heeft losgelaten, onderstreept dat. Maar nu val ik in herhaling.

5.

Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het eerste en derde onderdeel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De voetnoten heb ik in de tekst tussen haakjes aangeduid en aan het slot onder elkaar weergegeven.

2 Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, p. 1.

3 Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, p. 4.

4 Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, p. 6-8.

5 Kamerstukken II 1999-2000, 26519, nr. 6, p. 14.

6 Kamerstukken II 1999-2000, 26519, nr. 6, p. 19.

7 Kamerstukken I 1999-2000, 26519, nr. 199a, p. 5-6.

8 Zo ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer 2012, p. 451.

9 Zie ook K. Rozemond, Waar ligt de grens van de openlijke geweldpleging?, DD 2001/8, p. 816-820.

10 Zie ook H.G. van der Wilt, Ontwikkeling van nieuwe deelnemingsvormen. Ben ik mijn broeders hoeder?, DD 2007/10, p. 162.

11 Zie W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging (proefschrift Groningen), Arnhem 1992, p. 93-95.

12 Vgl. HR 29 januari 1980, LJN AC6809, NJ 1980/321.

13 Zie A.J. Machielse, ‘De strafbaarheid der openlijke geweldpleging’, in: Ch.J. Enschedé e.a. (red.), Naar eer en geweten (liber amicorum J. Remmelink), Arnhem 1987, p. 328-329.

14 Zie H.G. van der Wilt, Ontwikkeling van nieuwe deelnemingsvormen. Ben ik mijn broeders hoeder?, DD 2007/10, p. 159-160.

15 Kamerstukken II 1998-1999, 26519, nr. 3, p. 1.

16 Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, aant. 4 bij art. 141 Sr.

17 Zie bijvoorbeeld ook HR 11 november 2003, LJN AL6209.

18 Vgl. HR 11 november 2003, LJN AL6209, HR 20 juni 2006, LJN AV7266, NJ 2006/381 en HR 7 juli 2009, LJN BH9029, NJ 2009/400.

19 J.D. de Jong, Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van ‘Marokkaanse’ jongens, Amsterdam 2007, m.n. p.154 e.v.