Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
12/03794
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1077, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Aansprakelijkheid van bestuurder vennootschap wegens onrechtmatige daad door verwijtbaar onbetaald laten van huurschuld en laten doorlopen van huurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/03794

Mr. L. Timmerman

Zitting 20 september 2013

Conclusie inzake:

Verde Trade Parc B.V.

eiseres tot cassatie,

(hierna: “Verde”)

tegen

[verweerster]

verweerster in cassatie,

(hierna: “[verweerster]”)

1 Feiten1

1.1

Verde heeft met ingang van 1 augustus 2003 bedrijfsruimte verhuurd aan Serviceburo voor Internationale Expeditie B.V. (hierna: Serviceburo). [verweerster] is enig bestuurder en aandeelhouder van Serviceburo.

1.2

Bij vonnis van de kantonrechter te Delft van 19 maart 2009 is Serviceburo veroordeeld om wegens een huurschuld € 230.268,47 in hoofdsom aan Verde te betalen. Dat vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Serviceburo heeft aan die veroordeling niet voldaan.

1.3

Serviceburo is op 15 september 2009 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 5 april 2011 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2. Procesverloop 2

2.1

Bij inleidend exploot van 10 augustus 2009 heeft Verde [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank te Den Haag. Zij vorderde een verklaring voor recht dat [verweerster] jegens haar aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad ten aanzien van het onbetaald blijven van haar vordering op Serviceburo en van de daarmee samenhangende door Serviceburo verschuldigde rente en kosten, een en ander nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten.

[verweerster] zou gelden hebben onttrokken aan Serviceburo ten gunste van haar andere vennootschap en [verweerster] zou de huurovereenkomst hebben laten doorlopen terwijl zij wist dat Serviceburo niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. [verweerster] heeft ook nagelaten een voorziening te treffen voor de door Serviceburo opgeschorte betalingen aan Verde. Al deze handelingen van [verweerster] zijn volgens Verde onrechtmatig jegens haar. [verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.2

Bij vonnis van 23 juni 2010 heeft de rechtbank de vorderingen van Verde afgewezen en Verde veroordeeld in de proceskosten. Met betrekking tot de door Verde gestelde betalingsonwil oordeelde de rechtbank dat nu Verde Serviceburo in september van datzelfde jaar met behulp van steunvorderingen failliet heeft laten verklaren, [verweerster] voldoende aannemelijk had gemaakt dat het niet betalen van de vordering na 19 maart 2009 niet te wijten was aan onwil van [verweerster] om deze specifieke vordering te voldoen, maar aan het feit dat Serviceburo daartoe niet meer in staat was.

Over het nalaten om voorzieningen te treffen oordeelde de rechtbank dat in de periode tot 2007 geen sprake van ernstige verwijtbaarheid omdat [verweerster] in die fase niet behoorde te begrijpen dat de onderneming uiteindelijk haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Tussen partijen is immers in confesso dat de onderneming toen geen financiële problemen had. Nadat Serviceburo in 2007 in financiële problemen was geraakt, onder meer doordat zij de loods had moeten ontruimen en dientengevolge geen expeditiewerkzaamheden meer kon uitvoeren, had Serviceburo wel rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat zij haar eventuele verplichtingen jegens Verde niet zou kunnen nakomen als zij daarvoor geen geld reserveerde. Verde had echter onvoldoende onderbouwd dat Serviceburo op dat moment nog steeds de financiële armslag had waarmee [verweerster] had kunnen bewerkstelligen dat er voldoende reserveringen werden gemaakt. [verweerster] heeft immers gemotiveerd gesteld dat de financiële positie van Serviceburo in 2007 plotseling sterk verslechterde. Voorts heeft [verweerster] onbetwist gesteld dat zij zichzelf nauwelijks salaris gunde. Onder die omstandigheden is het de vraag of [verweerster] op dat moment wel reserveringen kon maken.

Ook de stelling dat dat [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld door de huurovereenkomst te laten doorlopen terwijl zij wist dat zij niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen, honoreerde de rechtbank niet. Uit het tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak over beeindiging van de huurovereenkomst bleek dat Serviceburo zich in die procedure op het standpunt heeft gesteld dat de huurovereenkomst door haar was beëindigd per 1 juli 2007, doch dat de kantonrechter dit standpunt niet heeft gehonoreerd en heeft geoordeeld dat Serviceburo ook na die datum gebonden is gebleven aan de huurovereenkomst, die een looptijd had tot 31 juli 2011. In het licht van die omstandigheid is het standpunt van Verde dat het aan [verweerster] verwijtbaar is dat Serviceburo de huurovereenkomst niet heeft beëindigd, onbegrijpelijk.

2.3

Verde is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Zij grondde haar vordering jegens [verweerster] nu op betalingsonwil van Serviceburo; selectieve betaling door Serviceburo en het genieten van het huurgenot door Serviceburo zonder daarvoor de contractueel verschuldigde huur te betalen, in de wetenschap dat die huur niet voldaan zou kunnen worden, zonder Verde voor dat laatste te waarschuwen, surseance van betaling aan te vragen of aan een huurbeëindigingsregeling mee te werken. Bij arrest van 10 april 2012 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

2.4

Verde is tijdig3 van dit arrest in cassatie gekomen. [verweerster] concludeert tot verwerping.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna Verde nog heeft gerepliceerd. [verweerster] zag af van dupliek.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

De cassatiedagvaarding bevat één cassatiemiddel, bestaand uit 46 genummerde alinea’s. De eerste 13 alinea’s bevatten een inleiding; alinea’s 14-21 bevatten de “klacht” en alinea’s 22-46 vormen de “toelichting”.

3.2

Het middel komt in de kern genomen op tegen het bewijsoordeel van het hof omtrent de vraag of [verweerster] wist of behoorde te weten eerder dan de uitspraak van de Kantonrechter in maart 2009 dat Serviceburo de huurprijs aan Verde diende te betalen, alsmede tegen de bewijslastverdeling omtrent dit punt.

Nu de huurovereenkomst rechtsgeldig was gesloten en de huurprijs steeds betaald moest worden op de eerste dag van de maand waar de huurprijs op betrekking had, wist [verweerster] volgens het middel wel degelijk respectievelijk behoorde zij te weten dat haar BV de huurprijs diende te voldoen op grond van de huurovereenkomst (alinea’s 22-28).

Het hof zou hebben miskend dat terzake het eindigen van de huurschuld door de opzegging (althans het oplopen van de huurschuld) de bewijslast op [verweerster] rust, nu sprake is van een zelfstandig verweer, althans nu de onderhavige verhaalsprocedure gebaseerd is op een contractuele vordering, in verband waarmee sprake is van een zelfstandig verweer hetwelk in de daarop gebaseerde verhaalsprocedure ertoe leidt dat deze eveneens als zelfstandig verweer heeft te gelden en de bewijslast terzake rust op [verweerster] als de partij die een beroep doet op het rechtsgevolg daarvan. Ditzelfde geldt voor het bestaan van de tegenvordering van Serviceburo op Verde (alinea’s 14-21).

Beoordeling

3.3

Het middel miskent dat Verde te dezen niet tegen haar wederpartij en rechtspersoon Serviceburo procedeert over de verschuldigdheid van de huurpenningen door Serviceburo, maar tegen bestuurder [verweerster] over de vraag of aan [verweerster] in persoon een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie van de rechtspersoon4. Ten aanzien van het bestaan van dat ernstige verwijt rust de bewijslast, anders dan het middel aanneemt, op Verde.

Daarmee ontvalt de basis aan het leeuwendeel van de cassatieklachten.

3.4

In het bewijs dat aan [verweerster] in persoon een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie van Serviceburo is Verde volgens het hof niet geslaagd. Weliswaar heeft Verde betoogd dat Serviceburo en [verweerster] er steeds rekening mee hebben moeten houden dat Serviceburo de huur en de desbetreffende nevenvorderingen van Verde zou moeten voldoen, maar dit feit (ook indien bewezen, hetgeen door Verde niet is aangeboden5) is onvoldoende om aansprakelijkheid van [verweerster] in persoon aan te nemen. Tegen dit oordeel van het hof, vervat in r.o. 2.10, wordt in cassatie niet inhoudelijk opgekomen.

Nu de door Verde te bewijzen aangeboden feiten niet tot beslissing van de zaak konden leiden, mocht het hof aan het bewijsaanbod van Verde voorbij gaan.

3.5

Voor zover het middel in alinea 19 klaagt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd “mede gelet op essentiële stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van Verde Trade Parc, althans dat het hof ten onrechte niet althans onvoldoende is ingegaan op voornoemde essentiële stellingen van Verde Trade Parc” is het wegens een gebrek aan verwijzingen naar welke stellingen worden bedoeld en waar in de processtukken die stellingen zijn aangevoerd onvoldoende specifiek om de drempel van art. 407 lid 2 Rv te kunnen nemen. De toelichting gaat op dit punt niet nader in.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 Ro.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het hof Den Haag van 10 april 2012, r.o. 2.2.

2 Voor zover in cassatie nog relevant. Zie voor het volledige procesverloop de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 11 november 2009 en 23 juni 2010 alsmede het p-v van de op 31 maart 2010 bij de rechtbank gehouden comparitie; en het bestreden arrest (r.o. 1).

3 De cassatiedagvaarding is op 10 juli 2012 betekend.

4 Zie ook de maatstaf voor aansprakelijkheid die de rechtbank heeft aangelegd in r.o. 4.3. van haar eindvonnis, welke maatstaf in appel – terecht – niet is bestreden, zie o.m. HR 6 oktober 1989, LJN AB9521 (NJ 1990, 286 m.nt. J.M.M. Maeijer) Beklamel; HR 18 februari 2000, LJN AA4873 (NJ 2000, 295 m.nt. J.M.M. Maeijer; New Holland/Oosterhof; HR 8 december 2006, LJN AZ0758 (NJ 2006, 659).

5 Zie het bewijsaanbod in MvG, nr. 60 (A-dossier, stuk 11), ongewijzigd herhaald bij pleidooi, 1e termijn nr. 23 en 2e termijn nr. 9 (Pleitnota mr. Duijsens, A-dossier, stuk 13).