Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:877

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12/05355
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1137, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Cassatieberoep tegen kantonrechtersvonnis; art. 80 lid 1 RO. Feitelijke grondslag? Onbegrijpelijk oordeel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/532
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/05355

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 20 september 2013

CONCLUSIE inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen:

Vereniging van bungaloweigenaren ‘Het Vennenbos’ 1,

verweerster in cassatie,

niet verschenen

1. Bij inleidende dagvaarding van 13 oktober 2011 heeft verweerster in cassatie (hierna: Het Vennenbos) eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) gedagvaard voor de rechtbank Utrecht, sector kanton (locatie Amersfoort) tegen 26 oktober 2011 en de betaling gevorderd van € 957,45, bestaande uit € 740,27 aan hoofdsom, € 38,68 aan rente tot 13 oktober 2011 en € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 13 oktober 2011 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Aan deze vordering heeft Het Vennenbos ten grondslag gelegd dat [eiser] in gebreke is gebleven in de betaling van door hem als eigenaar van recreatiebungalows in het jaar 2008 verschuldigde kostenbijdragen.

2. Op 21 oktober 2011 heeft [eiser] een bedrag van € 984,60 aan Het Vennenbos voldaan. Naar de stelling van [eiser] (conclusie van antwoord, onder 6) heeft hij op 17 oktober 2011 – na het uitbrengen van de dagvaarding, maar voor het aanbrengen van de dagvaarding op 19 oktober 2011 – een schikkingsvoorstel2 gedaan en het voorgestelde schikkingsbedrag, ondanks het ontbreken van instemming van Het Vennenbos, op 21 oktober 2011 aan Het Vennenbos betaald.

3. In haar vonnis van 13 juni 2012 overweegt de kantonrechter onder meer als volgt:

“Het geding spitst zich toe op de vraag wie de kosten (buitengerechtelijk en gerechtelijk) dient te voldoen. [eiser] stelt dat Het Vennebos de procedure niet had moeten aanbrengen en dat de daardoor veroorzaakte kosten voor rekening van Het Vennebos dienen te blijven. Het Vennebos stelt dat [eiser] niet alle buitengerechtelijke kosten heeft voldaan en dat zij niet verplicht kan worden om een voorstel te accepteren dat niet volledig overeenstemt met haar vordering.”

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking komt. Wel veroordeelt de kantonrechter [eiser] in de proceskosten, waartoe zij overweegt:

“[eiser] heeft niet voor de datum van aanbrengen van de zaak het gevorderde bedrag voldaan, zodat Het Vennebos de procedure bij de kantonrechter kon aanbrengen. Het doen van een schikkingsvoorstel valt niet gelijk te stellen met het ontvangen van een betaling. De afweging zou mogelijk anders zijn als de betaling voor het aanbrengen van de dagvaarding door Het Vennebos was ontvangen, maar dat was hier niet het geval. [eiser] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten bedragen € 720,32 (€ 94,32 dagvaarding, € 426,- griffierecht en € 200,- salaris gemachtigde). Het betaalde bedrag3 wordt hierop in mindering gebracht zodat een bedrag van € 514,67 zal worden toegewezen.”

De kantonrechter veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Het Vennenbos, tot de uitspraak, na aftrek van het ontvangen bedrag, begroot op € 514,67, waarin begrepen € 200,- aan salaris gemachtigde, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4. [eiser] heeft tegen dit vonnis tijdig beroep in cassatie ingesteld. Het Vennenbos is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend.

5. Nu het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis waarvan geen hoger beroep openstaat (art. 332 lid 1 Rv), is cassatie slechts mogelijk op de in art. 80 lid 1 RO genoemde gronden en op grond van schending van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken.

6. Het middel is gericht tegen het oordeel dat [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten (de hiervoor onder 3 aangehaalde overweging ter zake) en het daarop voortbouwende deel van het dictum. Het valt uiteen in drie onderdelen.

7. Onderdeel 2.1 klaagt primair over onbegrijpelijkheid althans onvoldoende motivering van het oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat enerzijds de (enig overgebleven) vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen en anderzijds [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld. Daartoe wordt aangevoerd dat Het Vennenbos, na de betaling op 21 oktober 2011 van het bedrag ad € 984,60, op de eerstdienende dag van 26 oktober 2011 haar eis verminderd heeft met dit bedrag, zodat de zaak op de eerstdienende dag uitsluitend nog is voortgezet voor de ‘resterende’ vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50. Althans, zo wordt aangevoerd, betekent de afwijzing dat [eiser] wat betreft de hoofdsom slechts € 740,27 vermeerderd met € 38,68 aan vervallen rente had moeten betalen waar hij voor de eerstdienende dag € 984,60 heeft voldaan. Subsidiair wordt geklaagd dat de kantonrechter, gelet op art. 237 Rv, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom desalniettemin een proceskostenveroordeling op haar plaats is ten laste van [eiser].

8. Voor zover de klachten, hoewel gepresenteerd als motiveringsklachten, naar de kern aldus te begrijpen vallen dat zij strekken tot betoog dat de kantonrechter – gelet op de afwijzing van het (enige) gevorderde – ten onrechte [eiser] heeft aangemerkt als ‘in het ongelijk gestelde partij’ in de zin van art. 237 Rv, dan wel dat [eiser], ofschoon niet aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld, zijn zij gelet op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO niet ontvankelijk. In ieder geval kan de subsidiaire motiveringsklacht niet worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter ter zake van art. 237 Rv te betrekken, hetgeen naar vaste rechtspraak valt buiten de door art. 80 lid 1 RO getrokken grenzen van de taak van de cassatierechter in deze zaken.4

9. Voor zover de klachten moeten worden aangemerkt als zuivere motiveringsklachten als bedoeld in art. 80 lid 1, aanhef en sub a, RO, falen zij bij gemis aan feitelijke grondslag. Noch uit het vonnis, noch uit de andere gedingstukken blijkt dat Het Vennenbos op de eerstdienende dag haar eis heeft verminderd, zodat, in de woorden van het middelonderdeel, de zaak op de eerstdienende dag uitsluitend is voortgezet voor de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten. Nog in haar conclusie van repliek (onder 2-7) heeft Het Vennenbos, integendeel, betoogd dat betaling van een kostenbijdrage ad € 740,27 in hoofdsom wordt gevorderd, dat het verweer van [eiser] op dit punt niet duidelijk is, en dat deze vordering, gelet op de in de betaling besloten liggende erkenning ervan, voor toewijzing gereed ligt. De kantonrechter is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat zij ook over de gevorderde kostenbijdrage diende te beslissen en heeft deze vordering kennelijk – en in het licht van de stellingen van [eiser] in zijn conclusie van dupliek evenmin onbegrijpelijk5 – als niet (langer) betwist voor toewijzing vatbaar geoordeeld (waarna zij ter vaststelling van het in de veroordeling te vermelden bedrag het inmiddels – zij het ten titel van (niet-geaccepteerde) schikking – betaalde bedrag gedeeltelijk heeft toegerekend op hoofdsom en rente). Tegen deze achtergrond is het kennelijke oordeel dat [eiser] heeft te gelden als (overwegend) in het ongelijk gestelde partij niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.

10. Volgens onderdeel 2.2 is het bij gemis van een nadere motivering onbegrijpelijk dat de kantonrechter het voor haar beslissing dat [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten van belang heeft geacht dat er vóór het aanbrengen van de zaak betaald had moeten zijn. Daartoe voert het middelonderdeel aan dat het een feit van algemene bekendheid en een ervaringsfeit is dat een aangebrachte dagvaarding zonder griffierecht verschuldigd te zijn vóór de eerstdienende dag kan worden ingetrokken.

11. De klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat de kantonrechter in de bestreden overweging kennelijk respondeert op de stellingen van partijen zoals deze in het vonnis – in cassatie onbestreden – zijn vastgesteld6, te weten enerzijds de eigen stelling van [eiser] dat Het Vennenbos de procedure niet had moeten aanbrengen en dat de daardoor veroorzaakte (proces)kosten voor rekening van Het Vennenbos moeten blijven, en anderzijds de stelling van Het Vennenbos dat [eiser] niet alle buitengerechtelijke kosten heeft voldaan en dat zij niet verplicht kan worden om een voorstel te accepteren dat niet volledig overeenkomt met haar vordering. Het oordeel van de kantonrechter komt er op neer dat zij de stelling van [eiser] verwerpt en die van Het Vennenbos honoreert: Het Vennenbos mocht de zaak op 19 oktober 2011 aanbrengen omdat het door haar gevorderde bedrag op dat moment niet was voldaan en een schikkingsvoorstel niet met een dergelijke betaling valt gelijk te stellen. Ten overvloede wordt overwogen dat Het Vennenbos de zaak mogelijk niet had mogen aanbrengen indien het schikkingsbedrag reeds was ontvangen, maar dat dit laatste niet het geval was geweest.

12. Onderdeel 2.3 klaagt dat de veroordeling van [eiser] in de proceskosten onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden (i) dat de aanhef van de inleidende dagvaarding vermeldt dat “de rechtszaak kan worden voorkomen” door betaling van in totaal € 1.162,44, (ii) dat daarvan € 984,60 door [eiser] is betaald vóór de eerste zittingsdag, (iii) dat het verschil derhalve € 177,84 bedraagt, (iv) dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50 zijn afgewezen en (v) dat hij in feite meer salaris gemachtigde heeft betaald dan waarop Het Vennenbos in de dagvaarding aanspraak maakt.

13. Ook deze klacht faalt. Zij berust op het uitgangspunt dat Het Vennenbos aldus (op de gevorderde buitengerechtelijke kosten na) ‘volledig betaald’ heeft gekregen, de procedure niettemin niet voor de eerstdienende datum heeft ingetrokken en derhalve alleen nog heeft geprocedeerd voor die (afgewezen) kosten. Met dit uitgangspunt miskent het onderdeel dat de kantonrechter – in cassatie niet bestreden – heeft geoordeeld dat Het Vennenbos, bij het uitblijven van voldoening van het volledige gevorderde bedrag, de dagvaarding mocht aanbrengen, in welk oordeel besloten ligt dat een gedeeltelijke betaling ten titel van een niet-geaccepteerde schikking niet geldt als voldoening van het gevorderde en – derhalve – niet noodzaakt tot intrekking van de dagvaarding voor de eerstdienende dag.7 Zoals reeds bij de bespreking van onderdeel 2.1 (onder 9) werd betoogd, mist de klacht feitelijke grondslag voor zover zij erop berust dat alleen nog werd geprocedeerd over de vordering tot voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten.

14. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voetnoot 1 van de cassatiedagvaarding. De aldaar geuite veronderstelling vindt steun in de correspondentie van de vereniging, overgelegd bij inleidende dagvaarding.

2 Het voorstel hield in: de hoofdsom ad € 740, de kosten van dagvaarding ad € 94,32 en een deel van de buitengerechtelijke kosten ad € 149,68 (conclusie van antwoord, onder 6; zie ook conclusie van dupliek, p. 2).

3 Volgens de berekening van de kantonrechter was – na toerekening van het betaalde bedrag ad € 984,60 aan de hoofdsom en de verschuldigde rente – een restant betaald bedrag van € 202,65 beschikbaar voor de kosten.

4 Zie o.m. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9156, NJ 2009/362, rov. 3.4.4.

5 [eiser] stelt in zijn conclusie van dupliek (p. 1 onderaan – p. 2 bovenaan) op geen enkele wijze verweer te willen voeren tegen de gevorderde bijdrage over 2008, zodat de procedure nog slechts gaat over de kosten(veroordeling).

6 Aangehaald in deze conclusie onder 3.

7 Volgens W.L.Haardt, De veroordeeling in de kosten van het burgerlijk geding, 1945, p. 26, neemt ook (een aanbod tot) betaling van het verschuldigde na dagvaarding niet weg dat de gedaagde de in het ongelijk gestelde partij is, nu zijn bereidheid te laat kwam. Zie ook HR 23 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6531, NJ 1980/125 m.nt. WHH: als ‘bij vonnis in het ongelijk gesteld’ geldt ook de partij die door haar houding of gedraging aanleiding tot de vordering heeft gegeven, of wel, in de woorden van Haardt, a.w. p. 22, die het op een proces liet aankomen.