Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:876

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12/04996
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1396, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Nakoming overeenkomst omtrent gevolgen van ontbonden geregistreerd partnerschap. Toerekenbare tekortkoming? Contractuele boete verschuldigd? Uitleg overeenkomst. Feitelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/543
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04996

Mr. P. Vlas

Zitting, 20 september 2013

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

tegen

[de man]

(hierna: de man)

1. In deze zaak gaat het om de vraag of de vrouw haar verplichtingen uit de overeenkomst omtrent de gevolgen van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen tijdig is nagekomen. Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.1 Partijen zijn op 7 april 1978 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 5 september 2005 is dit huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap, dat vervolgens is ontbonden. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap is op 6 september 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. Partijen hebben omtrent de gevolgen van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap een overeenkomst gesloten die is neergelegd in een notariële akte van 5 september 2005. In deze akte is onder andere een kasteel in Frankrijk toegedeeld aan de man en een woning te [plaats] alsmede een standplaats voor een bloemenstal in [plaats] aan de vrouw. De akte bevat een boeteclausule.2

4. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de uitvoering van de overeenkomst. De vrouw heeft tegen de man een kort geding aanhangig gemaakt met betrekking tot onder meer de verdeling van saldi en medewerking van de man aan de wijziging van de tenaamstelling van de standplaats van de bloemenstal. Bij vonnis van 17 juli 2007 is de man veroordeeld tot betaling van een geldsom en medewerking aan de wijziging van de tenaamstelling van de standplaats. De man heeft aan dit vonnis voldaan.

5. De vrouw heeft de notariële akte op 16 oktober 2007 aan de man doen betekenen met het oog op betaling van de overeengekomen boete van € 25.000,- vanwege het niet tijdig nakomen van de verplichtingen uit deze akte. Op 1 november 2007 en 21 december 2007 heeft de vrouw executoriaal derdenbeslag doen leggen, waarop de man het bedrag van € 25.000,- heeft betaald.

6. In de onderhavige procedure stelt de man zich op het standpunt dat hij tijdig heeft meegewerkt aan de uitvoering van de overeenkomst zodat hij geen boete heeft verbeurd en het bedrag van € 25.000,- onverschuldigd heeft betaald. De vrouw heeft volgens hem niet tijdig meegewerkt aan de levering van het kasteel in Frankrijk aan de man, zodat zij de boete van € 25.000,- is verschuldigd. De vrouw heeft onrechtmatig executoriaal beslag doen leggen waardoor zij de ontstane schade moet vergoeden. Ten slotte dienen volgens de man nog diverse bedragen tussen partijen verdeeld en verrekend te worden. In verband hiermee heeft de man in eerste aanleg tweemaal een bedrag van € 25.000,- gevorderd alsmede € 7.782,05 aan schadevergoeding en € 17.564,- wegens nog te verrekenen/verdelen bedragen. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. Bij tussenvonnis van 23 december 2009 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de vordering betreffende de door de man betaalde boete afgewezen en de vordering betreffende de door de vrouw te betalen boete toegewezen. De gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank ten aanzien van de gemaakte kosten toegewezen en ten aanzien van de gestelde waardedaling van de aandelen een bewijsopdracht aan de man verstrekt. Met betrekking tot de te verrekenen/verdelen posten heeft de rechtbank op een onderdeel (kosten hertaxatie en levering van een schuur aan de kinderen van partijen) de vrouw toegelaten tot tegenbewijs.

8. Bij tussenvonnis van 25 augustus 2010 heeft de rechtbank de man in het hem opgedragen bewijs niet geslaagd geoordeeld en voorts de vrouw in verband met het door haar te leveren tegenbewijs toegelaten een onvolledig overgelegd stuk alsnog compleet over te leggen.

9. Bij eindvonnis van 15 december 2010 heeft de rechtbank de vrouw in het van haar gevraagde tegenbewijs geslaagd geoordeeld. Aan schadevergoeding heeft de rechtbank een bedrag van € 875,05 met rente toegewezen en wegens te verrekenen/verdelen bedragen zes posten ten bedrage van in totaal € 4.394,45 met rente. Daarnaast heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de vrouw aan de man het boetebedrag van € 25.000,- met rente dient te betalen. Voor het overige zijn de vorderingen van de man afgewezen.

10. Bij arrest van 24 juli 2012 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de voormelde vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.

11. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De man is in cassatie niet verschenen.

12. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen (I t/m III) en keert zich hoofdzakelijk tegen rov. 4.9 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat aan de zijde van de vrouw sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar uit de overeenkomst van 5 september 2005 voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de levering van het kasteel in Frankrijk. Tussen partijen staat in cassatie vast dat 6 maart 2006 als einddatum geldt voor de uitvoering van de overeenkomst van 5 september 2005 en dat na deze datum de contractueel afgesproken boete van € 25.000,- is verschuldigd.

13. Onderdeel I valt uiteen in zeven klachten (a t/m g). De klacht onder a heeft betrekking op de door de vrouw ondertekende Nederlandse volmacht en de Franse Procuration, welke documenten door het hof zijn betrokken bij de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de vrouw. De klacht faalt voor zover wordt betoogd dat het hof met de Franse Procuration een ander document voor ogen heeft gehad dan het door de Franse notaris opgestelde en ter ondertekening door de vrouw aan de Nederlandse notaris toegezonden document. Met de term ‘procuration’ duidt het hof, anders dan het onderdeel doet voorkomen, niet op de Franse vertaling van de op 5 september 2005 ten overstaan van een Nederlandse notaris verleden volmacht, maar op het stuk dat op 11 januari 2006 door de Nederlandse notaris werd ontvangen en op 26 januari 2006 met een Nederlandse vertaling naar de vrouw werd gestuurd. Dit blijkt duidelijk uit rov. 4.8 en 4.9, waarin het hof onderscheid maakt tussen de Nederlandse volmacht en de Franse Procuration.

14. Voor zover de klacht aanvoert dat het bestreden arrest onbegrijpelijk is, omdat het hof geen kennis heeft genomen van de Franse Procuration, faalt het eveneens. Het middel stelt op zichzelf terecht dat de Franse Procuration geen deel uitmaakt van de gedingstukken in feitelijke instanties.3 Het bestaan van de Franse Procuration wordt door partijen erkend, evenals de verplichting om dit stuk tijdig te ondertekenen en te retourneren aan de Franse notaris, opdat de levering van het kasteel vóór de door partijen afgesproken datum gerealiseerd kon worden.4 Het partijdebat op dit punt beperkte zich uitsluitend tot de vraag of de vrouw de Franse Procuration tijdig heeft ondertekend en geretourneerd. Om deze vraag te kunnen beantwoorden was het niet strikt noodzakelijk dat het hof beschikte over de Franse Procuration.

15. De klacht onder b kan niet tot cassatie leiden, omdat de klacht is gebaseerd op de inhoud van de Franse Procuration die, zoals het cassatierekest zelf ook onderkent (p. 7/8), geen deel uitmaakt van de gedingstukken in feitelijke instanties.

16. De klacht onder c kan niet tot cassatie leiden, omdat het middel ten onrechte betoogt dat uit de overeenkomst van 5 september 2005 voor de vrouw niet de verplichting voortvloeit om de Franse Procuration te ondertekenen. Uit de overeenkomst van 5 september 2005 volgt dat de verdeling en levering van het kasteel in Frankrijk in ieder geval binnen zes maanden na de beëindiging van het geregistreerd partnerschap zullen worden geëffectueerd (art. 3, II, onder c). Voor de effectuering van de levering was, naar het hof in rov. 4.9 heeft vastgesteld, naast een Nederlandse volmacht eveneens een door de vrouw ondertekende Franse Procuration vereist. De klacht faalt eveneens waar betoogd wordt dat het hof ten onrechte beslissende betekenis heeft gehecht aan het feit dat de vrouw niet concreet heeft aangegeven op welke onderdelen van de Franse Procuration zij behoefte had aan toelichting alvorens dit stuk te ondertekenen en terug te sturen naar de Franse notaris. De vrouw heeft de Franse Procuration op 26 januari 2006 ontvangen en pas op 2 maart 2006 teruggestuurd na het stuk van haar handtekening te hebben voorzien. De verklaring die de vrouw geeft voor het tijdsverloop tussen 26 januari 2006 en 2 maart 2006 heeft het hof niet overtuigend geacht. De enkele mededeling dat zij nadere toelichting van de Nederlandse notaris behoefde, is daartoe volgens het hof niet voldoende. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.

17. De klacht onder d faalt omdat het oordeel van het hof in rov. 4.9 dat de vrouw zich met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de levering van het kasteel in Frankrijk niet met succes op overmacht kan beroepen, niet anders wordt wanneer met het middel wordt aangenomen dat bij de ondertekening van de Franse Procuration op 2 maart 2006 op het Nederlandse notariskantoor de nodige toelichting op dit document was gegeven. De klachten onder e en f falen, omdat het oordeel van het hof dat de vrouw niet tijdig de Franse Procuration heeft ondertekend en geretourneerd, overeind blijft wanneer met het middel wordt aangenomen dat de Franse Procuration ten overstaan van de notaris en ook door de notaris zelf ondertekend diende te worden. De klacht onder g mist zelfstandige betekenis.

18. Onderdeel II valt uiteen in drie klachten (a t/m c). De klacht onder a houdt in dat het hof ten onrechte in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat naast het verstrekken van de Nederlandse volmacht, ook het ondertekenen van de Franse Procuration een verplichting behelsde die voor de vrouw uit de overeenkomst van 5 september 2005 voortvloeide. De klacht is tevergeefs voorgesteld, aangezien een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich brengt dat de vrouw alles in het werk diende te stellen om de levering van het kasteel aan de man te realiseren binnen de door partijen afgesproken periode. Het oordeel van het hof dat, voor zover de vrouw heeft gesteld dat de ondertekening van de Franse Procuration niet nodig was voor de effectuering van de levering, zij haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, is niet onjuist of onbegrijpelijk. De klacht onder b bouwt op de voorgaande klacht voort en deelt het lot daarvan. De motiveringsklachten onder c tegen het oordeel van het hof dat de vrouw tijdig aan haar verplichtingen had kunnen en moeten voldoen en dat niet heeft gedaan, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het bestreden oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en evenmin innerlijk tegenstrijdig. Uit de overeenkomst van 5 september 2005 vloeide voor de vrouw de verplichting voort om de Franse Procuration te ondertekenen en tijdig terug te sturen. Daar dit document op donderdag 2 maart 2006 in Nederland was ondertekend, bestond een theoretische mogelijkheid dat de levering in Frankrijk uiterlijk op maandag 6 maart 2006 zou plaatsvinden; reëel was deze mogelijkheid in die visie van het hof echter niet. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.

19. Onderdeel III mist zelfstandige betekenis omdat het voortbouwt op de voorgaande onderdelen.

20. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 e.v. van het tussenvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 december 2009, alsmede rov. 4.3 e.v. van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2012.

2 De boeteclausule luidt als volgt: ‘Partijen verplichten zich hun medewerking te verlenen, zulks binnen zes maanden na de inschrijving van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand, aan de nakoming van al hetgeen in de onderhavige overeenkomst tussen hen is overeengekomen. Bij niet of niet tijdige nakoming van de overeenkomst anders dan door niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) is de nalatige partij jegens de wederpartij een terstond – zonder rechterlijke tussenkomst – opeisbare boete van vijfentwintig duizend euro (€ 25.000,00) verschuldigd, onverminderd de overige aan de benadeelde partij toekomende rechten en acties.’

3 Anders dan in de MvG p. 3 is vermeld, betreft productie 2 bij de MvG niet de Franse Procuration maar een Franse vertaling van de Nederlandse volmacht (met het opschrift ‘Procuration’).

4 Zie proces-verbaal eerste aanleg p. 3 en vooral p. 6; rov. 4.6. en 4.7 van de beschikking van de Rb. ’s-Hertogenbosch van 23 december 2009; MvG, p. 3-4; MvA, p. 2-3.