Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:872

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
12/02816
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1132, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Bouw en levering van schip; vernietiging van overeengekomen korting op de prijs wegens misbruik van omstandigheden, art. 3:44 lid 1 en 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/533
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02816

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 20 september 2013

Conclusie inzake

Framroad Limited

tegen

[verweerster], rechtsopvolgster van [A] B.V.

Inleiding

1.

Deze zaak betreft een zeiljacht, [B], dat door [A] B.V. (hierna, evenals haar rechtsopvolgster (verweerster in cassatie) steeds te noemen: [verweerster]) voor een bouwsom van ruim 7 miljoen gulden is gebouwd in opdracht van [betrokkene]. Op 30 augustus 1999 en op 7 september 1999 zijn [verweerster] en [betrokkene] kortingen overeengekomen op het in de eindafrekening opgenomen bedrag. [B] is in eigendom overgedragen aan eiseres tot cassatie Framroad. [verweerster] heeft de kortingsovereenkomsten aangevochten, stellende dat zij zijn tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden. Rechtbank en hof hebben [verweerster] in het gelijk gesteld. In cassatie betwist Framroad dat de kortingsovereenkomsten zijn tot stand gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden.

2.

In cassatie moet worden uitgegaan van de volgende feiten (zie rov. 2 en 3.1 van het in zoverre in cassatie niet bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam):

i.i) [verweerster] en [betrokkene] hebben op 5 februari 1997 een overeenkomst gesloten betreffende de bouw en levering door [verweerster] van een 67' Nordia Cruiser. Bij brief van 21 juli 1997 heeft [verweerster] aan [betrokkene] bevestigd dat zij in zijn opdracht in plaats van voornoemde Cruiser een 75' Nordia Cruiser zal bouwen en leveren (hierna: [B]).

ii) Medio 1998 heeft [betrokkene] ingestemd met het verzoek van [verweerster] om [B] te mogen tentoonstellen op de Southampton Boatshow (hierna: de Boatshow) van 10 tot en met 19 september 1999, waarvoor [B] op of omstreeks 6 september 1999 uit Nederland zou moeten vertrekken.

iii) De 'Finanzielle Zusammenfassung' betreffende [B] van 10 augustus 1999 (hierna: de eindafrekening) vermeldt een 'Restbetrag' van f 2.062.800,-, bij een totale bouwsom van f 7.263.198,-. Bij brieven van 16 augustus 1999 heeft [betrokkene] [verweerster] verzocht negentien gebreken aan [B] met spoed te herstellen, respectievelijk hem de aan de eindafrekening ten grondslag liggende stukken te sturen. Op 30 augustus 1999 zijn [verweerster] en [betrokkene] overeengekomen dat [betrokkene] nog f 1.962.000,- diende te betalen in plaats van het in de eindafrekening genoemde bedrag.

iv) Bij fax van 6 september 1999 heeft [betrokkene] 'in eigenem Namen als auch im Namen der Framroad Limited' [verweerster] verboden [B] naar Southampton te varen en per omgaande 'Fertigstellung der Restarbeiten und Beseitigung der Restmängel' geëist.

v) Op 7 september 1999 zijn [verweerster] en [betrokkene] schriftelijk overeengekomen, samengevat, dat [verweerster] met [B] de Boatshow mag bijwonen, dat de nog uit te voeren 'Restarbeiten' uiterlijk 25 september 1999 zullen zijn verricht (artt. 1 en 2), dat vervolgens [B] in St. Pieter Port/Guernsey in eigendom zal worden overgedragen aan Framroad tegen betaling van het restant van de koopprijs, te weten f 1.812.000,- (art. 3), en dat [verweerster] en [betrokkene] '[sich] verpflichten [...] die existierenden Verträge mit allen Rechten und Pflichten auf die Framroad (...) zu übertragen' (art. 5). [B] is op 27 september 1999, in aanwezigheid van [betrokkene] en vertegenwoordigers van Framroad respectievelijk [verweerster], geleverd aan Framroad.

3.

[verweerster] heeft [betrokkene] en Framroad gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de overeenkomsten van 30 augustus 1999 en 7 september 1999 (hierna: de eerste resp. tweede kortingsovereenkomst, dan wel de kortingsovereenkomsten) worden ontbonden en dat [betrokkene] en Framroad worden veroordeeld tot betaling van de (korting)bedragen van € 45.741,05 (f 100.800,-) en van € 68.067,03 (f 150.000.-), alsmede van twee (factuur)bedragen van € 6.726,38 (f 14.823,-) en € 4.566,-, alles met rente en kosten.

4.

Bij verstekvonnis van 3 november 2004 zijn de vorderingen van [verweerster] toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten.

In de verzetprocedure, aanhangig gemaakt door Framroad, heeft [verweerster] haar vordering verminderd met een bedrag van € 4.566,-, zijnde het bedrag van een factuur van 15 januari 2002, welk bedrag na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding aan haar was voldaan. Framroad heeft een vordering in reconventie ingesteld, die in hoger beroep en thans in cassatie niet aan de orde is. Bij vonnis van 7 februari 2007, voor zover in verzet in conventie, heeft de rechtbank het vonnis waartegen verzet vernietigd voor zover daarbij jegens Framroad de overeenkomsten van 30 augustus 1999 en 7 september 1999 werden ontbonden. De rechtbank heeft deze overeenkomsten vernietigd wegens misbruik van omstandigheden, waarbij de rechtbank de vordering tot ontbinding verstond als een vordering tot vernietiging. De rechtbank heeft het verstekvonnis voorts vernietigd voor zover daarbij het inmiddels betaalde bedrag van € 4.566,- was toegewezen.

5.

Framroad heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in verzet voor zover in conventie gewezen tussen haar als opposante en [verweerster] als geopposeerde. Het hof heeft bij arrest van 7 februari 2012 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het verwierp de grief van Framroad tegen het oordeel van de rechtbank dat zij partij was bij de kortingsovereenkomsten evenals de grieven van Framroad tegen het oordeel van de rechtbank dat de kortingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden.

6.

Framroad heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [verweerster] heeft de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

7.

Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 3.6.1-3.6.8 van ‘s hofs arrest, waar het hof heeft geoordeeld dat de kortingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden.

De cassatieklachten zijn vervat onder 1.13-1.27 van de cassatiedagvaarding. Onder 1.2-1.11 is een algemene inleiding opgenomen waarin een korte schets van “de posities van partijen” wordt gegeven. Deze inleiding bevat geen klachten. Volledigheidshalve teken ik aan dat de opmerking in deze inleiding (onder 1.7-1.8) dat de eerste kortingsovereenkomst waarin een korting van f 100.800,- werd verleend, was aangegaan ter afwikkeling van de vraag of het meerwerk al in de standaardprijs was begrepen en dat deze overeenkomst niet is gesloten omdat [betrokkene] zijn toestemming om met [B] af te varen daarvan afhankelijk had gemaakt, feitelijke grondslag mist. Het hof heeft immers in rov. 3.6.5 – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] dat [betrokkene] op 30 augustus 1999 enkel bereid was om toestemming te verlenen voor de afvaart van [B] op 6 september 1999 indien [verweerster] hem een korting van f 100.800,- zou geven, omdat [betrokkene] deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

8.

Het cassatiemiddel komt (onder 1.26 en 1.27) tot de slotsom dat niet anders kan worden gesteld dan dat [betrokkene] geen misbruik heeft gemaakt als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW, dat [betrokkene] bovendien niet onredelijk heeft gehandeld, laat staan dat sprake is geweest van maatschappelijk onbetamelijk gedrag van [betrokkene], en voorts (onder 1.27) dat het hof aldus in rov. 3.6.1-3.6.8 een onjuiste uitleg heeft gegeven van en uitvoering heeft gegeven aan art. 3:44 BW zodat het hof – aldus het middel – zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert het middel (onder 1.13-1.25) het volgende aan.

In de contractuele relatie tussen [betrokkene] en [verweerster] was geen sprake van een sterkere positie resp. economisch overwicht van de zijde van [betrokkene] waardoor [verweerster] in een noodsituatie resp. (economische) dwangpositie resp. afhankelijkheidspositie als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW werd gebracht waarvan [betrokkene] vervolgens misbruik heeft gemaakt. Er was geen sprake van een afhankelijke positie van [verweerster], waarin [verweerster] niet anders kon dan het accepteren van de door [betrokkene] gewenste bedingen. De enkele omstandigheid dat [betrokkene] gebruik heeft gemaakt van de contractuele positie waarin hij zich bevond, maakt niet dat er sprake was van misbruik. Gesteld noch gebleken is dat het intrekken van de toestemming heeft geleid tot een acute noodsituatie aan de zijde van [verweerster]. [verweerster] werd bij het tot stand komen van de kortingsovereenkomsten niet geleid door geldnood of gedreven door een benarde financiële positie van haar bedrijfsvoering. [verweerster] werd bij het tot stand komen van de kortingsovereenkomsten niet bewogen door de omstandigheid dat [betrokkene] de toestemming had ingetrokken, doch door haar wens om over [B] te beschikken. Er was geen sprake van dat [betrokkene] wist of had moeten begrijpen dat [verweerster] door de bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het tot stand komen van de kortingsovereenkomsten, danwel dat [betrokkene] het tot stand komen van deze kortingsovereenkomsten heeft bevorderd, ofschoon hetgeen hij wist of had moeten begrijpen hem van het bevorderen der totstandkoming had behoren te weerhouden.

[verweerster] had eenvoudigweg – bijvoorbeeld in kort geding – de onverkorte nakoming kunnen vorderen van de toezegging dat met [B] naar de Boatshow mocht worden afgevaren. [verweerster] kon het financieel nadeel dat zij zou leiden vanwege de wellicht onrechtmatig ingetrokken toestemming op [betrokkene] en [B] verhalen.

[betrokkene] heeft zijn verplichting om [B] “om niet” ter beschikking te stellen opgeschort in verband met de tekortkoming zijdens [verweerster] in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen.

9.

Art. 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld noodtoestand of afhankelijkheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De partij die zich beroept op misbruik van omstandigheden, dient het bestaan van de vereiste bijzondere omstandigheden, het causaal verband tussen die omstandigheden en het sluiten van de overeenkomst en het misbruik van die omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen. Misbruik is aanwezig indien de wederpartij de overeenkomst sluit hoewel zij op de hoogte is van de benarde positie of de geestelijke afhankelijkheid van de ander en zij van het sluiten van de overeenkomst c.q. van het bedingen van bepaalde voorwaarden had behoren af te zien wegens de voor haar kenbare nadelen die voor de ander uit de overeenkomst voortvloeien. Er kan sprake zijn van misbruik van omstandigheden indien een partij het verrichten van een prestatie waartoe zij is verplicht, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de andere partij een onverplichte prestatie verricht (vgl. HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6092, NJ 2002/267). Niet is vereist dat de contractpartij door een actief handelen van de wederpartij tot het aangaan van de overeenkomst wordt bewogen. De wet spreekt van het 'bevorderen' van het tot stand komen van de rechtshandeling. Daaronder is ook begrepen het richten van een verklaring tot de contractpartij of het enkele ontvangen en aanvaarden van zijn verklaring. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 266-267.

10.

Het hof heeft in zijn bestreden rechtsoverwegingen de grieven beoordeeld die opkomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de twee kortingsovereenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden. Het hof heeft de grieven verworpen. Het hof stelde daartoe voorop dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] dat [betrokkene] op 30 augustus 1999 enkel bereid was om toestemming te verlenen voor de afvaart van [B] op 6 september 1999 indien [verweerster] hem een korting zou geven van f 100.800,-, nu Framroad deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, en voorts dat de tweede korting naar het oordeel van het hof uitsluitend is gegeven om het vertrek van [B] alsnog mogelijk te maken nu de redenen die Framroad voor het afvaartverbod heeft gegeven niet tot het oordeel kunnen leiden dat de intrekking van de toestemming gerechtvaardigd was. Daarop overwoog het hof als volgt.

[betrokkene] heeft medio 1998 onvoorwaardelijk ingestemd met het tentoonstellen van [B] op de Boatshow, waarvoor het schip op of omstreeks 6 september 1999 uit Nederland moest vertrekken. Framroad heeft geen grief gericht tegen rov. 4.9 in het bestreden vonnis, inhoudende dat feit van algemene bekendheid is dat een deelnemer aan een internationale (scheeps)beurs ruim vóór aanvang daarvan financiële verplichtingen (voor bijvoorbeeld ligplaats, uitnodigingen, publiciteit) zal zijn aangegaan en dat [verweerster] dergelijke (hoge) kosten had gemaakt. Evenmin heeft Framroad een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [betrokkene] wist dat voor [verweerster] aan deelname met [B] aan de Boatshow belangrijke commerciële kansen waren verbonden, noch tegen de overweging dat [verweerster] voor deelname aan de Boatshow geheel van [B] afhankelijk was (rov. 4.9 en 4.10). [betrokkene] heeft, gelet op een en ander, moeten begrijpen dat [verweerster] als gevolg van haar afhankelijkheid van zijn toestemming om met [B] te vertrekken, door het op losse schroeven zetten, althans de intrekking van die toestemming op achtereenvolgens 30 augustus 1999 en 6 september 1999 werd bewogen de eerste respectievelijk de tweede kortingsovereenkomst te sluiten, terwijl [betrokkene] [verweerster] daarvan telkens had behoren te weerhouden gelet op hetgeen [betrokkene] wist of had moeten begrijpen.

11.

Aldus heeft het hof beoordeeld of [verweerster] in een afhankelijke positie ten opzichte van [betrokkene] verkeerde en heeft het hof onderzocht of [betrokkene] heeft moeten begrijpen dat [verweerster] daardoor werd bewogen tot het sluiten van de kortingsovereenkomsten en of [betrokkene] [verweerster] daarvan telkens had behoren te weerhouden gelet op hetgeen [betrokkene] wist of had moeten begrijpen. Het hof heeft deze vragen bevestigend beantwoord en is tot de slotsom gekomen dat de kortingsovereenkomsten onder invloed van misbruik van omstandigheden zijn gesloten. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 3:44 lid 4 BW. Het oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan verder wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

12.

Voor zover het middel refereert aan een opschortingsrecht zijdens Framroad, stuit het daarop af dat het hof, als gezegd, heeft geoordeeld dat [betrokkene] geen andere valide reden had om zijn aanvankelijk gegeven toestemming eind augustus en begin september 1999 alsnog in te trekken dan het telkens verkrijgen van een korting. Waar het middel betoogt dat [verweerster] alternatieven voor de kortingsovereenkomsten zou hebben gehad, geldt dat het middel geen vindplaatsen noemt waarin wordt aangevoerd dat alternatieven voorhanden waren, waarbij ik overigens aanteken dat een economische dwangpositie niet is beperkt tot de situatie dat geen enkele andere optie rest. Het middel voldoet aldus in zoverre niet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen. (Zie HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, NJ 2013/124 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.)

13.

Feitelijke grondslag mist de in het middel te ontwaren klacht dat uit het feitencomplex zoals gegeven in het bestreden arrest, volgt dat de toestemming om uit te varen enkel voorafgaande aan de tweede kortingsovereenkomst was ingetrokken, zodat deze omstandigheid niet ten grondslag kan worden gelegd aan de conclusie dat sprake zou zijn geweest van misbruik van omstandigheden bij de eerste kortingsovereenkomst. Het hof heeft immers in rov. 3.6.5 in cassatie onbestreden geoordeeld dat Framroad de stelling van [verweerster] dat [betrokkene] op 30 augustus 1999 enkel bereid was om toestemming te verlenen voor de afvaart van [B] op 6 september 1999 indien [verweerster] hem een korting zou geven van f 100.800,- onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

Slotsom

14.

De slotsom is dat de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten falen en dat het cassatieberoep mitsdien moet worden verworpen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden