Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:868

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
13/02911
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1087, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Geschil over contributiebetaling aan branche-organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 13/02911

Mr. Timmerman

Zitting van 20 september 2013

Conclusie inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Continental Automaten B.V.

(hierna: Continental)

eiseres tot cassatie

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VAN-Speelautomaten Branche-organisatie

(hierna: VAN)

verweerster in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

VAN is een brancheorganisatie voor (onder meer) exploitanten van speelautomaten in Nederland. De brancheorganisatie is onderverdeeld in drie sectoren, de Sectie Exploitanten in de Horeca, de Sectie Amusementscentra en de Sectie Handel. Continental is lid van VAN, meer specifiek van de Sectie Exploitanten in de Horeca (zie rov. 2.1). VAN heeft Continental over de jaren 2008, 2009 en 2010 contributie in rekening gebracht ten bedrage van respectievelijk € 13.770,01, € 14.114,27 en € 14.114,27 (zie rov. 2.3). In dit geding vordert VAN (hoofdzakelijk) betaling van het restant van die contributie, met rente en kosten. In reconventie vordert Continental terugbetaling van in het verleden door haar betaalde contributie (zie rov. 2.4).

1.2

De Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 18 mei 2011, in conventie, Continental veroordeeld tot – kort gezegd – betaling van € 15.873,86, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In reconventie zijn de vorderingen van Continental afgewezen en is Continental veroordeeld in de kosten van het geding.

1.3

Continental heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam. Het hof heeft bij arrest van 18 december 2012 het beroep van Continental verworpen, met veroordeling van Continental in de kosten van het geding in hoger beroep.

1.4

Continental heeft bij dagvaarding van 18 maart 2013 cassatieberoep ingesteld tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof.

2 Ontvankelijkheid

2.1

De aangevoerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden; zij rechtvaardigen om die reden geen behandeling in cassatie (zie art. 80a RO). Ter toelichting wijs ik op het volgende:

  • -

    Onderdeel 1 bevat als zodanig geen voldoende specifieke klacht.

  • -

    Onderdeel 2 bevat geen voldoende duidelijke en begrijpelijke klacht. Het onderdeel lijkt de juistheid van de bestreden overweging (rov. 3.4) veeleer te bevestigen.

  • -

    Onderdeel 3 richt zich tegen een oordeel van feitelijke aard (in rov. 3.4). De bestreden feitelijke vaststelling is, ook in het licht van het betoog van dit onderdeel, allerminst onbegrijpelijk.

  • -

    Onderdeel 4 onderkent onvoldoende dat het oordeel van het hof gegrond is op de conclusie dat VAN voldoende gemotiveerd en met stukken onderbouwd gesteld heeft dat de overgelegde begrotingen conform de statuten en mitsdien rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, en op de vaststelling van het hof dat het niet nader gemotiveerde en niet met stukken onderbouwde verweer van Continental daarop afstuit (zie rov. 3.6). Dat oordeel houdt tevens in dat VAN voldoende gesteld heeft en aannemelijk heeft gemaakt dat indien in een van de aan de orde zijnde jaren de contributie-behoefte voor het komende jaar (meer dan) 10% hoger was dan de contributie-behoefte van het lopende jaar, het bestuur van VAN, conform artikel 5 en artikel 19 lid 1 van de statuten, de begroting voor dat komende jaar (vooraf) ter goedkeuring heeft voorgelegd aan elk van de drie secties en aan de algemene ledenvergadering (zie ook rov. 2.2 en 3.3).

  • -

    Onderdeel 5 klaagt dat het hof (in rov. 3.5) ten onrechte geoordeeld heeft dat de notulen van de ledenvergaderingen niet ondertekend behoefden te worden. Voorts stelt het onderdeel dat de notulen slechts bewijskracht kunnen hebben indien vaststaat: (a) “dat de inhoud daarvan als concept (tijdig) is gepresenteerd” en (b) “dat die notulen uiterlijk op de volgende vergadering (definitief) zijn vastgesteld.” Deze klachten zijn ongegrond. Het oordeel dat de aan de orde zijnde notulen niet ondertekend behoefden te worden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (vgl. in dit verband ook het in eerste aanleg gewezen vonnis van 18 mei 2011, rov. 4.6 t/m 4.8). Ook voor de stelling dat de notulen slechts bewijskracht kunnen hebben indien voldaan is aan de onder (a) en (b) genoemde vereisten, bestaat geen grond.

  • -

    Onderdeel 6 is ongegrond. Het in rov. 3.5 vermelde oordeel dat artikel 19 van de statuten aan het bestuur geen verplichting oplegt om de door het bestuur gemaakte begroting te ondertekenen (in gevallen als bedoeld in artikel 5 lid 4 van de statuten), is allerminst onbegrijpelijk.

  • -

    Onderdeel 7 lijkt ten dele voort te bouwen op onderdeel 5. Het falen van dat eerdere onderdeel brengt mee dat ook dit onderdeel in zoverre geen doel kan treffen. Voor zover het onderdeel een zelfstandige klacht inhoudt omtrent het bewijsoordeel ten aanzien van de door de heer Wijsman ter comparitie afgelegde verklaring en de ondertekening van die verklaring, faalt het onderdeel eveneens. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. art. 152 Rv).

  • -

    Onderdeel 8 bevat een herhaling van stellingen die Continental eerder bij memorie van grieven heeft aangevoerd. Het hof heeft die stellingen gemotiveerd verworpen (zie rov. 3.5). Het middel licht hier niet toe, althans niet op voldoende duidelijke wijze, om welke redenen dat oordeel van het hof tekort zou schieten. Daarmee voldoet het hier derhalve niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv.

  • -

    Onderdeel 9 bouwt slechts voort op de eerdere klachten en faalt om die reden eveneens.

2.2

Het middel bevat naast de hierboven aangeduide klachten geen voldoende duidelijke andere klachten, ook niet wanneer de stellingen van het middel in onderlinge samenhang worden gelezen. Ik concludeer dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.

3 Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden