Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:853

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-07-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
11/03958
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:818, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 1.04 Binnenvaartpolitiereglement, “goede zeemanschap”. In zijn bewijsoverweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het vaargedrag van verdachte met zijn snelle motorboot, waarop hij elf passagiers vervoerde, dusdanig gevaarvol is geweest dat de door hem getroffen voorzorgsmaatregelen ontoereikend waren om te voorkomen dat het leven van die passagiers in gevaar werd gebracht. Aldus ligt in die overwegingen besloten dat verdachte – gelijk is bewezenverklaard – niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die “volgens goede zeemanschap en/of door de omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden”. Gelet op de vaststellingen van het Hof, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03958

Mr. Machielse

Zitting 2 juli 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 18 augustus 2011 wegens “overtreding van artikel 1.04 Binnenvaartpolitiereglement” veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000, waarvan € 500 voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van twee jaren.

2. Mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 september 2008 in de gemeente Maasdriel als schipper van een snelle motorboot daarmede heeft gevaren op de rivier Maas, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht immers heeft hij, terwijl aan boord van die snelle motorboot zich 11 passagiers bevonden, daarmee in strijd met het gestelde in artikel 8.06 van het Binnenvaartpolitiereglement gevaren op die rivier de Maas, met een snelheid gelegen tussen de 70 en 80 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar, voor hem, geldende maximum snelheid van 20 kilometer per uur en aldus varende, bewust hoge golven, welke golven (mede) door een ander/e schip/schepen werden veroorzaakt, heeft opgezocht en met voormelde snelle motorboot met voormelde snelheid over die golven is gesprongen en gevaren, waarbij die snelle motorboot kortstondig van het wateroppervlak is losgekomen en een draai van 180 graden heeft gemaakt en met voormelde snelle motorboot en voormelde snelheid op een voor hem, verdachte uitvarend jacht is afgevaren en op een afstand van ongeveer 40 meter van voormeld jacht een scherpe bocht naar bakboord heeft gemaakt, waardoor die snelle motorboot haaks op een hekgolf van dat jacht, althans op een grote golf is terechtgekomen en over laatstgenoemde golf is gevaren en toen hij, verdachte direct voor hem een hoge (boeg)golf waarnam, de regulateur van die snelle motorboot heeft dichtgetrokken, waardoor de voortstuwing van die snelle motorboot sterk werd verminderd en/of gestopt en waardoor die snelle motorboot met een klap of op zodanige wijze in laatstgenoemde golf is terechtgekomen, dat een grote hoeveelheid water over die passagiers van die snelle motorboot is gespoeld of geslagen en waardoor één of meer van die passagiers ten val is gekomen en/of met het hoofd en/of andere lichaamsdelen tegen beugels, stoelen en/of andere onderdelen van die snelle motorboot is geslagen en/of terechtgekomen”.

3.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. [Een door [verbalisant 1], brigadier, [verbalisant 2], hoofdagent, [verbalisant 3], hoofdagent en [verbalisant 4], hoofdagent, van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aanvaring, genummerd 2008023688-1 en gesloten en getekend op 16 december 2008, met bijlagen], voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Verdachte, naam: [verdachte]

Voornamen: [...]

Geboren op: [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]

Datum+plaats ongeval: 27 september 2008 op de Maas in de gemeente Maasdriel.

Toedracht: De schipper van [B] voer over de Maas met 11 passagiers. De schipper zocht bewust hoge golven op van overige scheepvaart om met zijn boot overheen te springen. Op een gegeven moment doemde er een grote golf voor zijn boot op. De schipper van de boot verminderde het toerental van de motor waardoor de steven van de boot in de golf dook. De boot kwam abrupt tot stilstand. De passagiers welke voor in de boot zaten kregen de druk van de golfte verwerken als gevolg waarvan diverse passagiers gewond raakten.

Vaartuig, merk: [B], Parker RIB, snelle motorboot

Opmerkingen: De vaarweg Maas is een voor de scheepvaart openstaand openbaar water binnen het Rijk, waarop het Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is.

Overtreding artikel 1.04 BPR:

De schipper heeft bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevond waren geboden teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht. De schipper heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de golven veroorzaakt door zijn eigen boot en de golven van de overige vaart. Hij had tijdig zijn snelheid moeten aanpassen zodat de kracht van de golven op de boot met zich daarin bevindende passagiers minder groot was. Het letsel is voornamelijk ontstaan doordat de zitplaatsen vrij dicht bij elkaar zijn geplaatst. Doordat de boot abrupt tot stilstand kwam, kwamen de passagiers in aanraking met elkaar en met de stoelen in hun directe omgeving aan boord van de boot. Dit leidde tot letsel. De schipper heeft dit bij zijn vaargedrag onvoldoende onderkend.

2. [ Een door [verbalisant 1], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2008023688-1, met parketnummer 506118-2009, en opgemaakt en getekend op 4 juni 2009], voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Het ongeval vond plaats op de Maas ter hoogte van kilometerraai 211. Ter plaatse is de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 van kracht. Ingevolge deze regeling is het gebied waar het ongeval plaats vond niet aangewezen als een gebied waar met een grotere snelheid dan 20 km/u mag worden gevaren.

3. Het door [verbalisant 1], brigadier en [verbalisant 4], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte, genummerd 2008023688-2, gesloten en getekend op 27 september 2008 (als bijlage op pagina 12 tot en met pagina 17 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van verdachte:

Ik ben eigenaar van een eenmanszaak, [A], en ik organiseer bedrijfsevenementen. Op 27 september 2008 was ik de schipper op een RJB-boot. Een groep mensen, werkzaam bij Randstad Uitzendbureau, kwam aan boord in Kerkdriel (gemeente Maasdriel). Zoals gewoonlijk hield ik een uitleg over hetgeen wat hen te wachten stond. Ik had 11 mensen aan boord. 10 mensen zaten op de daarvoor bestemde zitplaatsen en één persoon stond op de staanplaats naast mij. Wij vertrokken vanuit de Zandmeren. Wij voeren op de Maas in de richting Heerewaarden. Daar ben ik snel gaan varen, ongeveer 70 â 80 km/u. Ik weet dat ik ter plaatse eigenlijk niet snel mag varen. Ik voer niet in het snelvaargebied omdat ik de vissers, die aan dat stuk Maas een concours hadden, niet wilde storen. Ik zag in de verte in de nabijheid van de veerpont Alem een groot wit jacht aan komen varen welke een flinke hekgolf had.

Ik voer het jacht tegemoet en maakte op ongeveer 150 meter achter het jacht een draai van 180 graden waarna ik weer schuin naar de bakboordzijde van het jacht toevoer. Toen ik ongeveer 40 meter achter het jacht voer, in het water wat nagenoeg vrij was van golfslag, maakte ik een scherpe bocht naar bakboord waardoor ik haaks op de hekgolf van dat jacht kwam. Ik voer over de hekgolf en zag toen een enorme golf voor mij. Dit was de boeggolf van die jacht. In een reflex trok ik de regulateur terug. Ik durfde niet over de golfte springen omdat ik een passagier naast mij had staan. Het gevolg van het dicht trekken van de regulateur was dat wij met de boeg in de golf doken waarbij de grote golf over ons heen kwam. De zes voorste mensen op de boot vingen de klap van het water op. Stuurboord voor zat een vrouw, daarachter een man. De vrouw werd door het water tussen de twee rijen stoelen geslagen. De man sloeg met zijn hoofd, aan bakboordzijde tegen een beugel en viel vervolgens aan stuurboordzijde in het gangpad. Hij was even buiten bewustzijn. De vrouw lag er zorgwekkend bij. Ze had grote ogen en was in shock. Ik zag dat er twee vrouwen letsel hadden aan oor en achterhoofd.

4. Het door [verbalisant 3], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-4, gesloten en getekend op 29 september 2008 (als bijlage op pagina 19 en 20 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 1]:

Ik zag dat er nog zo'n zelfde speedboot aan kwam varen. Ik zag dat de speedboten elkaar opzochten en door elkaars golven gingen varen.

Vervolgens gingen we van de linkerkant van de rivier naar de rechterkant om zo de golven te kunnen nemen. Vervolgens pakten we een golf en de neus van de boot klapte in de volgende golf. Ik voelde een klap en er kwam water over ons heen. We lagen gelijk stil. Ik zag dat [betrokkene 2] rechts naast zijn stoel beland was. Tijdens de klap heb ik mijn hoofd gestoten, maar ik weet niet precies waaraan. Ik had een zonnebril op. Hierdoor heb ik waarschijnlijk een sneetje achter mijn linker oor opgelopen. Ook heb ik een bloeduitstorting op mijn schouder. Ik hoorde van mijn collega's dat er van mijn zonnebril niets meer over is.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op pagina 26 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), te weten een geneeskundige verklaring met een omschrijving van het letsel van [betrokkene 1]:

contusie van de nek en linkerschouder en een wondje links boven oorschelp.

6. Het door [verbalisant 3], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-17, gesloten en getekend op 5 december 2008 (als bijlage op pagina 40 tot en met 42 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Op een gegeven moment zag ik een andere speedboot aankomen varen. Na een tijdje zochten de speedboten elkaar op. De speedboten passeerden elkaar rakelings. De schipper zocht een golf op. Ik zag de golf aankomen en dacht: Dit wordt een flinke klap. Ik dacht dat we zouden gaan springen. Het was een kleine golf met een grote er achter en een flinke kuil tussen de golven in. Ik ben gelijk gaan staan. Ik heb niet gemerkt dat de schipper gas terugnam. Ik kreeg het gevoel dat we eerst omhoog gingen en vervolgens met de neus in de golf doken. Ik voelde een enorm pijnstoot op mijn borst en gezicht. Dit bleek later water te zijn geweest, want ik was helemaal doorweekt. In eerste instantie dacht ik dat ik overboord geslagen was. Ik zag dat [betrokkene 7] tussen de stoelenrijen in lag, terwijl zij voor mij had gezeten. Ik zag dat [betrokkene 7] bewusteloos was. Ik zag bij [betrokkene 2] bloed op zijn gezicht. Vervolgens zag ik [betrokkene 4], hij zat achter mij. Ik zag dat hij een bloedneus had. Op de dag van het ongeluk kreeg ik last van mijn schouder. In de avond kreeg ik hoofdpijn en werd ik misselijk. De dag na het ongeluk kreeg ik last van mijn rechterknie en het midden van mijn rug.

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op pagina 48 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), te weten een geneeskundige verklaring met een omschrijving van het letsel van [betrokkene 3]: bloeduitstorting en kneuzing rechterschouder, pijn nek en rug waarschijnlijk door whiplash-achtig trauma.

8. Het door [verbalisant 3], hoofdagent en [verbalisant 4], hoofdagent, van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-6, gesloten en getekend op 29 september 2008 (als bijlage op pagina 52 en 53 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 2]:

Het enige wat ik mij nog kan herinneren is dat we bochten gevaren hebben en dat het hard ging. Verder ben ik alles kwijt. Ik herinner pas weer wat vanaf het moment dat ik bij het ziekenhuis was. Ik had toen een nekkraag om. Het letsel wat ik heb opgelopen bestaat uit een gekneusde schouder, schrammen boven het linkeroog en een hersenschudding.

9. Het door [verbalisant 3], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-9, gesloten en getekend op 30 september 2008 (als bijlage op pagina 63 en 64 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 6]:

Bij het hard varen zijn we bochten gaan maken en hebben we golven opgezocht. Vervolgens zag ik een witte jacht varen. De schipper gaf aan dat dit een bekende was. De golven van dit jacht werden door de schipper gebruikt om te spelen. Hierna kwam er nog zo'n zelfde speedboot van [A] aan varen. Wij voeren op die andere speedboot aan en passeerde elkaar rakelings. Dit deden de schippers bewust. Toen we elkaar gepasseerd waren gingen we achter die andere speedboot gelijk naar links over zijn golven heen. Bij de eerste golven ging het goed en bij de tweede golvenreeks ging het fout. Kort daarna zag ik [betrokkene 2] naast zijn stoel hangen en voor zover ik kon zien was hij ook buiten bewustzijn. Later zag ik dat [betrokkene 7] ook op de grond lag.

10. Het door [verbalisant 1], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-13, gesloten en getekend op 11 oktober 2008 (als bijlage op pagina 72 en 73 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 8]:

Op een gegeven moment kwam de andere RLB-boot erbij. Vanaf toen ging het harder en ruwer. Ik had het idee dat de bestuurders voor elkaar golven aan het maken waren. Het ongeluk kwam voor mij uit de lucht vallen. Ik voelde een harde klap en voelde water over mij heen komen. Toen was het stil. Ik voelde pijn in mijn gezicht en mijn hoofd deed zeer. Ik keek rond en zag dat [betrokkene 2] en [betrokkene 7] op de grond lagen. [betrokkene 2] bloedde bij zijn wenkbrauw en hij had zijn ogen afwisselend open en dicht. [betrokkene 7] lag tussen de twee rijden stoelen aan boord. [betrokkene 2] lag aan de rechterzijde naast zijn stoel. Ik zag dat [betrokkene 13] een wondje aan haar oor had en ik zag bij [betrokkene 4] een bloedneus. [betrokkene 5] had last van haar nek. Het letsel wat ik heb opgelopen uit zich tot op heden in last van mijn nek en schouders, hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid. Ik werk tot nu toe halve dagen in plaats van hele dagen.

11. Het door [verbalisant 1], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-14, gesloten en getekend op 15 oktober 2008 (als bijlage op pagina 85 en 86 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 4]:

In eerste instantie voeren wij rechtuit. Daarna maakte de bestuurder U-bochten, hij draaide dan 180 graden. Na een aantal boten kwamen we de andere powerboot tegen. Op een gegeven moment voeren de boten kruislings naar elkaar toe. Wij kruisten toen net voor de andere boot langs. Ik vond dat wel beangstigend. Onze bestuurder maakte gebruik van de golven die een andere boot veroorzaakte door er overheen te springen. Hij maakte een aantal sprongen. Op een gegeven moment was het voor mij afgelopen. Ik raakte buiten bewustzijn en werd wakker aan boord, zitten op mijn stoel. Mijn kleding was kletsnat. Ik keek om mij heen en zag [betrokkene 7] tussen de twee rijen stoelen in liggen. [betrokkene 2] lag aan de rechterzijde van de boot. Het letsel wat ik heb opgelopen bestaat uit een bloedneus en hoofdpijn. Die hoofdpijn bleek later overigens een hersenschudding te zijn. Ik heb nu nog moeite met concentreren. Daarom werk ik halve dagen.

12. Het door [verbalisant 1], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-11, gesloten en getekend op 2 oktober 2008 (als bijlage op pagina 93 en 94 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 10]:

Op een gegeven moment kwamen we de andere powerboot tegen. De twee boten voeren op elkaar af. De bestuurder van onze boot maakte veel 180 graden draaien. Op het moment van het ongeval was het water behoorlijk in beroering. Ik denk dat dat kwam door de golven van de powerboten en de golven van een wit jacht. Wij sprongen over een golf en ik zag een diepe kuil met een grote golf voor de boeg opdoemen. Ik dacht toen dat we die golf niet gingen halen. De boot kantelde over zijn linkerzijde en dook met de voorzijde naar beneden de golf in. De klap was enorm en we lagen meteen stil. Ik zat naast [betrokkene 7]. Ik zag dat [betrokkene 7] helemaal slap was, ze had haar ogen open, maar ik zag dat haar ogen later wegdraaiden. Ze schoof naar mijn kant en zakte tussen de twee stoelenrijen. Ik zag dat [betrokkene 2], die achter mij zag, naar de rechterzijde hing. Hij bloedde boven zijn oog en hij was niet bij kennis. Ik zag dat [betrokkene 4] een bloedneus had. U vraagt naar mijn letsel. Ik heb last van stijfheid in mijn nek en rug en last van mijn knieën.

13. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op pagina 102 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), te weten een geneeskundige verklaring met een omschrijving van het letsel van [betrokkene 10]: gespannen nek en schouder musculatuur, verminderde bewegelijkheid van verschillende wervels in de nek en borstwervelkolom.

14. Het door [verbalisant 2], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-7, gesloten en getekend op 27 september 2008 (als bijlage op pagina 105 tot en met 107 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 12]:

Op een gegeven moment zag ik een zelfde boot als de onze aankomen uit tegenovergestelde richting. Die boot en onze boot zijn toen rondjes om elkaar gaan draaien waarbij de snelheid werd opgevoerd. Op een zeker moment pakte onze boot een golf. Ik zag toen een golf water over onze boot heenkomen. Ik keek voor mij en zag dat de persoon die voor mij zat was weggezakt. Ik zag later ook nog iemand anders wegzakken. Ik ben van mijn plaats gegaan en heb de persoon die voor mij zat en was weggezakt op de vloer van de boot vastgehouden. Dat was [betrokkene 2].

15. Het door [verbalisant 3], hoofdagent en [verbalisant 4], hoofdagent, van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-6, gesloten en getekend op 1 oktober 2008 (als bijlage op pagina 119 en 120 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 7]:

Ik kan me de andere speedboot van dat bedrijf nog herinneren. Hier zijn we vlak langs gevaren. Van het ongeval weet ik niets meer. Ik heb het niet aan zien komen. Ik weet alleen nog dat ik op de kade lag met een ambulancebroeder naast mij. Het letsel bestaat uit pijn in mijn nek en buik en aan mijn borstbeen. Ik heb last van hoofdpijn en veel last van de blauwe plekken op mijn benen. Ook zit er nog bloed in mijn urine.

16. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op pagina 126 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), te weten een geneeskundige verklaring met een omschrijving van het letsel van [betrokkene 7]: kneuzing van het borstbeen, een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en storingen in het bewustzijn.

17. Het door [verbalisant 3], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-8, gesloten en getekend op 30 september 2008 (als bijlage op pagina 128 en 129 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 5]:

Op een gegeven moment kwamen we de andere speedboot van [A] tegen. De boten voeren om elkaar heen om zo door eikaars golven te kunnen varen. Kort hierna ging het mis. We voeren een golf op en toen we weer neer kwamen voelde het alsof iemand met een platte hand tegen mijn gezicht sloeg. Ik zag [betrokkene 2] niet meer zitten. Ik zag bij [betrokkene 13] een bloedend oor en bij [betrokkene 1] ook.

18. Het door [verbalisant 3], hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, waterpolitie, unit rivieren oost, groep Tiel, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, genummerd 2008023688-16, gesloten en getekend op 23 november 2008 (als bijlage op pagina 136 en 137 bij het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde proces-verbaal), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van getuige [betrokkene 13]:

Ik zag de andere speedboot met collega's aankomen. Vervolgen zag ik dat de boten elkaar opzochten, draaiden en elkaars golven namen. Ik zag dat we op de andere boot af voeren. Wel zo dat het geen frontale botsing zou worden. Ik dacht: 'Als dit maar goed gaat'. Ik zag dat we de andere boot rakelings passeerde. Van de momenten hierna weet ik niets meer. Het enige wat ik nog weet is dat we stil lagen. Mijn oren suisden en ik was nat en gedesoriënteerd. Ik zag [betrokkene 2] en [betrokkene 7] op de grond liggen. Ik zag [betrokkene 1] zitten, zij voelde aan haar nek, ik zag dat ze bloedde. Ik voelde dat er iets met mijn oor was. Met mijn hand voelde ik aan mijn oor. Ik zag vervolgens bloed aan mijn hand. De wond aan mijn oor is in het ziekenhuis gehecht. Ik heb nog steeds hoofdpijn.

19. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 26 januari 2012, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Het klopt dat ik op 27 september 2008 de schipper was een snelle motorboot, [B], en daarmee over de Maas voer. Ik voer harder dan ter plaatse was toegestaan.”

3.4 Het hof heeft ten aanzien van het bewijs nog het volgende overwogen:

“Verdachte heeft door zijn vaargedrag bewust risico's genomen. Weliswaar heeft hij een aantal handelingen verricht die hem (en de passagiers) de idee gaven dat die risico's beheersbaar zouden blijven, maar uit het verloop van de gebeurtenissen is gebleken dat verdachte daar niet in geslaagd is. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat het ongeluk door iets anders veroorzaakt is dan door vaargedrag van verdachte. Verdachte heeft (bij wijze van attractie) spannend gevaren en de golven opgezocht. Dat is uit de hand gelopen en verdachte was daarvoor verantwoordelijk.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er geen medische analyse nodig is om te oordelen dat er daadwerkelijk levensgevaar was. De toestand waarin de passagiers na het ongeluk zich bevonden -één verloor zelfs het bewustzijn- rechtvaardigen zonder meer de conclusie dat er sprake was van levensgevaar. Dat het met zeer grote kracht stoten van het hoofd aan harde onderdelen van de boot levensgevaarlijk hoofdletsel kan opleveren is een feit van algemene bekendheid.”

3.5 De steller van het middel betoogt dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke invulling heeft gegeven aan het in art. 1.04 Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR) voorkomende begrip “goede zeemanschap”. Hiertoe wordt aangevoerd dat zelfs als alle denkbare voorzorgsmaatregelen zijn genomen de risico’s nog steeds niet beheersbaar kunnen blijken en dat bij wijze van attractie spannend varen en de golven opzoeken niet zonder meer in strijd is met de eisen van goede zeemanschap. Bovendien schiet volgens de steller van het middel ‘s hofs bewijsmotivering tekort op het punt van het in gevaar brengen van het leven van personen, nu de overweging dat de toestand waarin de passagiers zich na het ongeluk bevonden zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van levensgevaar, onbegrijpelijk is.

3.6 Art. 1.04 Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR) luidt:

“De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:

a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;

b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;

c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.”

In het BPR en de Scheepvaartverkeerswet waarop het BPR is gebaseerd, is de betekenis van het begrip “goede zeemanschap” niet gedefinieerd. In de bijlage bij de Nota van Toelichting op het Vaststellingsbesluit Binnenvaartreglement is de volgende uitleg over art. 1.04 BPR te vinden:1

“Deze bepaling (…) vormt de grondslag voor het gedrag in het verkeer. De ruime begrippen “goede zeemanschap” en “de omstandigheden waarin het schip zich bevindt” dekken de grote verscheidenheid van situaties die zich in de scheepvaart kunnen voordoen. (…) Als doel van de verplichting wordt (…) gesteld, dat de voorzorgsmaatregelen het belang van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart moeten dienen.”

Uit de openbare bronnen www.encyclo.nl en www.vaartips.nl leid ik af dat onder goede zeemanschap in ieder geval moet worden verstaan varen met gebruik van gezond verstand en een vooruitziende blik, met kundigheid en vaardigheid en met het vermogen de juiste beslissing te nemen in situaties die niet zijn voorzien in de reglementen.

3.7 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte het noodlot heeft getart en dat hij zichzelf in de situatie heeft gebracht dat hij niet meer adequaat kon reageren op onvoorziene omstandigheden. Hij voer immers zeer veel harder dan ter plaatse was toegestaan, te weten met een snelheid van 70 à 80 km/u2 en voerde verschillende riskante manoeuvres uit zoals het maken van U-bochten, rakelings langs een andere boot varen, bewust golven opzoeken en over golven springen. Toen verdachte onder die omstandigheden met een onverwacht grote boeggolf van een ander schip werd geconfronteerd, bracht hij zijn boot abrupt tot stilstand waardoor deze met de boeg de golf indook en de golf met een harde klap over de boot heen sloeg. Dit leidde ertoe dat verschillende mensen door de boot werden geslingerd, met hun hoofd en/of lichaam tegen stoelen of een beugel stootten en onder meer hoofd- en/of nekletsel opliepen, zelfs in de vorm van kneuzingen, een hersenschudding en bewusteloosheid. Enkel al de forse snelheidsovertreding die verdachte heeft gemaakt lijkt mij te getuigen van een schending van het goede zeemanschap. Gezien deze feiten en omstandigheden geeft het oordeel van het hof dat verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die waren geboden volgens goede zeemanschap en dat door verdachtes handelen levensgevaar voor de passagiers op het schip is ontstaan, alles zoals bedoeld in art. 1.04 BPR, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het tevens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.

3.8 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een in hoger beroep gevoerd verweer over de schending van de redelijke termijn.

4.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2011 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Geheel ten overvloede wordt nog opgemerkt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM), omdat het voorval dateert van 27 september 2008, terwijl de oproep voor de eerste zitting betreft 24 augustus 2010, terwijl het om een eenvoudige, niet ingewikkelde, (beweerdelijke) overtreding gaat.”

4.3 Het (stilzwijgend) oordeel van het hof dat dit niet een responsieplichtig verweer betreft, acht ik niet onbegrijpelijk. Van een rechtsgeleerd raadsman mag immers worden verwacht dat hij een verweer stellig en duidelijk presenteert en daaraan een ondubbelzinnige conclusie verbindt. De hierboven geciteerde, “geheel ten overvloede” gemaakte opmerking, zonder aanduiding waartoe de overschrijding van de redelijke termijn - zo daarvan al sprake was - zou dienen te leiden, voldoet niet aan deze eis. Waarom in dit geval voorts als dies a quo 27 september 2008 zou moeten worden aangewezen als moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, wordt bijvoorbeeld niet uitgelegd. Het hof was dan ook niet gehouden hieromtrent een gemotiveerde beslissing te geven.

4.4 Het middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

6. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Stb. 1983, 682, p. 198.

2 Hetgeen in art. 8.06, eerste lid, BPR verboden is.