Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:836

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
12/04685
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1259, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht. Onttrekking procesvertegenwoordiger op de dag waartegen akte niet-dienen was aangezegd. Akte niet-dienen in strijd met art. 6.2 en 6.3 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/539
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/04685

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 6 september 2013

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

Delta Lloyd Schadeverzekeringen, (onder meer) handelend onder de naam Ohra Schadeverzekeringen

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat geen grieven zijn aangevoerd nadat de rolraadsheer akte niet-dienen van grieven had verleend.

Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts het procesverloop (verkort).

1. Procesverloop 1

1.1 Eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], heeft verweerster in cassatie, hierna: Ohra, bij inleidende dagvaarding van 19 oktober 2010 gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en daarbij – samengevat – gevorderd dat Ohra wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 14.760,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten.

Ohra heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.2 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 16 maart 2011 een comparitie van partijen had gelast, die op 1 juni heeft plaatsgevonden, heeft zij de vordering van [eiseres] bij vonnis van 13 juli 2011 afgewezen.

1.3 [eiseres] is bij exploot van 12 oktober 2011 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem.

1.4 Ter rolle van 12 juni 2012 heeft de rolraadsheer akte niet-dienen van grieven verleend.

1.5 Het hof heeft bij arrest van 3 juli 2012 het hoger beroep verworpen2.

1.6 [eiseres] heeft tegen dit arrest tijdig3 beroep in cassatie ingesteld.

Tegen Ohra is verstek verleend.

[eiseres] heeft de zaak schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat twee onderdelen bevat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.2, 3.1 en 3.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“2.2 De zaak is door mr. I.P. Sigmond aangebracht op de rol van 20 december 2011.

Mr. Knüppe heeft zich op dezelfde rol voor Ohra gesteld. De zaak is op de rol van 6 maart 2012 en 17 april 2012 aangehouden voor memorie van grieven. Op de rol van 17 april 2012 heeft mr. J. W. Damstra zich in plaats van mr. Sigmond als procesvertegenwoordiger voor [eiseres] gesteld. De zaak is verwezen naar de rol van 15 mei 2012 voor memorie van grieven. Bij brief van 27 april 2012 heeft mr. Knüppe aan mr. Damstra bericht dat op de rol van 15 mei 2012 nog slechts zou worden bewilligd in een peremptoir uitstel van twee weken en dat, indien op 29 mei 2012 geen memorie van grieven zou worden ingediend, van de zijde van Ohra akte van niet-dienen zou worden verzocht. De zaak is vervolgens, op de rol van 15 mei 2012, nog twee weken aangehouden voor memorie van grieven. Op de rol van 29 mei 2012 is geen memorie van grieven genomen. Mr. Damstra heeft zich op dezelfde rol als procesvertegenwoordiger van [eiseres] onttrokken. Nadat mr. J.G. Galama zich op de rol van 12 juni 2012 als nieuwe procesvertegenwoordiger voor [eiseres] had gesteld, is op diezelfde rol de aangehouden beslissing gegeven op de door Ohra aangezegde akte van niet dienen tegen 29 mei 2012. De rolraadsheer heeft akte van niet dienen van grieven verleend.

(…)

3.1

Nu [eiseres] noch in de appeldagvaarding, noch bij memorie van grieven, gronden voor het hoger beroep heeft aangevoerd en daarom de vordering in hoger beroep niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, zal het hof het hoger beroep verwerpen.

3.2

[eiseres] zal daarom worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.”

2.2

Onderdeel 1 klaagt in de kern (i) dat het hof in rechtsoverweging 2.2 ten onrechte niet heeft vermeld dat ter rolle van 12 juni 2012, toen mr. Galama zich als nieuwe procesvertegenwoordiger voor [eiseres] stelde, hij in overeenstemming met hoofdstuk 6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: het rolreglement), de proceshandeling heeft verricht waarvoor de zaak stond toen mr. Damstra zich onttrok, te weten het dienen van grieven. In het onderdeel is in dit verband de volgende verklaring van de secretaresse van mr. Galema opgenomen:

Op 22 mei 2012 heb ik middels het roljournaal mr. Galama gesteld en uitstel van 4 weken gevraagd voor het indienen van de memorie van grieven voor de rolzitting op 29 mei 2012.

Mr. Galama heeft op 22 mei 2012 (na het stellen via de rol) telefonisch contact gehad met het gerechtshof en afgesproken dat mr. Damstra zich eerst zal onttrekken op de rolzitting van 29 mei 2012, en dat mr. Galama zich daarna zal stellen.

Het stellen van mr. Galama voor de rolzitting op 29 mei 2012 zou hiermee komen te vervallen.

Op de rolzitting van 29 mei 2012 heeft mr. Damstra zich inderdaad onttrokken als procesadvocaat.

Op 31 mei 2012 heb ik middels het roljournaal opnieuw mr. Galama gesteld en om uitstel verzocht voor het indienen van de memorie van grieven voor de rolzitting op 12 juni 2012.

Op het roljournaal d.d. 6 juni 2012 staat op de rolzitting van 12 juni 2012 niet vermeld dat mr. Galama zich gesteld heeft.

Op 7 juni 2012 heb ik wederom mr. Galama gesteld voor de rolzitting van 12 juni 2012.

Op 8 juni 2012 heb ik middels een H3 formulier (handmatig gemaakt omdat via het roljournaal geen H-formulieren gebruikt konden worden) de memorie van grieven ingediend voor de rolzitting op 12 juni 2012.”

De memorie van grieven is echter geweigerd. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus zijn eigen reglement verkeerd toegepast en heeft de rolraadsheer ten onrechte akte niet-dienen verleend.

Volgens het onderdeel heeft het hof (ii) vervolgens dan ook ten onrechte in rechtsoverweging 3.1 geoordeeld dat [eiseres] geen gronden voor het hoger beroep heeft aangevoerd.

2.3

De feitelijke grondslag voor het betoog van [eiseres] kan (gedeeltelijk) worden gevonden in de ambtshalve door mij opgevraagde en aan deze conclusie gehechte rolkaart. Daaruit blijkt – voor zover thans van belang – dat de zaak ter rolle van 29 mei 2012 partijperemptoir stond voor grieven en dat akte niet-dienen was aangezegd. Tevens blijkt dat de procesvertegenwoordiger van [eiseres] zich op die rol heeft onttrokken. Uit de aantekeningen op de rolkaart volgt voorts dat mr. Galama zich ter rolle van 12 juni 2012 heeft gesteld als procesvertegenwoordiger van [eiseres] en dat de voor de rol van die dag ingediende memorie van grieven is geweigerd en geretourneerd. Daarnaast kan uit de opmerkingen met betrekking tot de “uitkomst procedurestap” ter rolle van 12 juni 2012 worden opgemaakt dat de beslissing op de aanzegging akte niet-dienen is aangehouden tot 12 juni 2012 en dat deze akte is verleend waarna de zaak naar de rol van 3 juli 2012 is verwezen voor (het thans bestreden) arrest.

2.4

De klacht dat rechtsoverweging 2.2 onvolledig is omdat daarin niet de gehele gang van zaken op de rol van 12 juni 2012 wordt vermeld, is derhalve terecht voorgedragen.

2.5

Over de in het onderdeel gestelde technische onmogelijkheid om via de elektronische rol op dezelfde roldatum over te gaan tot het onttrekken en stellen van een advocaat4 heb ik ambtshalve inlichtingen ingewonnen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De griffier van het hof heeft bij brief van 13 juni 2013 – die ik eveneens aan deze conclusie hecht – meegedeeld dat het stellen van een advocaat wel mogelijk is zolang zijn voorganger zich niet heeft onttrokken. De griffier heeft daarnaast, desgevraagd, meegedeeld dat “er geen (telefoon)notities van een (eventueel) contact” in het dossier zitten.

2.6

Het ten tijde van de onderhavige procedure geldende rolreglement5 luidt – voor zover van belang – als volgt:

2.13 (Aanzeggen) partijperemptoir/akte niet-dienen

De partij die na de eerste termijn uitstel voor memorie van grieven, memorie van antwoord of memorie van antwoord in het incidenteel beroep wenst te bekorten, zegt hiertoe aan de wederpartij partijperemptoir en akte niet-dienen aan.

De aanzegging wordt schriftelijk of per e-mail gedaan aan de advocaat die zich voor de wederpartij heeft gesteld, onder zoveel mogelijk gelijktijdige toezending aan het hof van een kopie daarvan per brief. Een later ingezonden kopie van de aanzegging wordt alleen toegelaten, indien de kopie uiterlijk op het inlevertijdstip van de desbetreffende roldatum door het hof is ontvangen. De aanzegging kan niet worden gedaan door middel van een H-formulier.

De partij doet de aanzegging uiterlijk twee weken vóór de roldatum waarop de lopende termijn verstrijkt. Partijperemptoir/akte niet-dienen kan niet eerder worden aangezegd dan tegen een roldatum die is gelegen op een termijn van twee weken na de roldatum waarop de lopende termijn verstrijkt.

Aanzegging van partijperemptoir/akte niet-dienen kan tegen dezelfde roldatum plaatsvinden.

Indien partijperemptoir/akte niet-dienen is aangezegd, wordt ervan uitgegaan dat de partij die deze aanzegging heeft gedaan, die ook handhaaft. Deze partij hoeft op de desbetreffende roldatum niet nogmaals akte niet-dienen te vragen. De aanzegging door of aan een partij voor wie zich (nog) geen advocaat heeft gesteld, is zonder gevolg.

(…)

6 Onttrekking

6.1

Mededeling onttrekking

De advocaat van een partij die zich op een roldatum aan een zaak wil onttrekken, geeft daarvan bericht met een aan het hof gericht H-formulier.

De advocaat heeft zijn opdrachtgever over de gevolgen daarvan geïnformeerd. Bij zijn bericht aan het hof bevestigt de advocaat dat hij deze verplichting is nagekomen.

6.2

Rolverwijzing voor het stellen van een nieuwe advocaat

Na de onttrekking wordt de zaak verwezen naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat.

6.3

Nieuwe advocaat gesteld

Indien zich voor de in artikel 6.1 bedoelde partij een andere advocaat stelt, wordt de proceshandeling waarvoor deze partij staat, alsnog op de in artikel 6.2 genoemde roldatum verricht. Op schriftelijk verzoek van deze partij kan hiervoor eenmaal een uitstel van vier weken worden verleend.

6.4

Geen nieuwe advocaat gesteld

Indien zich op de in artikel 6.2 genoemde roldatum geen andere advocaat stelt, vervalt het recht van de partij om de proceshandeling waarvoor deze staat te verrichten en kan de wederpartij verzoeken in de zaak arrest te wijzen.

Indien zich op deze roldatum geen andere advocaat stelt en de wederpartij niet verzoekt in de zaak arrest te wijzen of de proceshandeling waarvoor zij staat op deze datum niet verricht, wordt de zaak 53 weken aangehouden voor het verrichten van deze proceshandeling.”

2.7

Met de steller van het middel6 ben ik van mening dat de rolraadsheer ter rolle van 29 mei 2012, toen mr. Damstra zich als procesadvocaat van [eiseres] onttrok, artikel 6.2 van het rolreglement heeft toegepast en de zaak conform die bepaling veertien dagen heeft aangehouden tot 12 juni 2012. Voor zover de rolraadsheer dat niet heeft gedaan, geeft zijn beslissing blijk van een onjuiste opvatting van het rolreglement. Wat er verder zij van de (on)mogelijkheid om zich elektronisch op hetzelfde moment te onttrekken als procesvertegenwoordiger en de opvolgende procesadvocaat zich te laten stellen, een nieuwe advocaat kan zich op grond van genoemd artikel 6.2 van het rolreglement veertien dagen later stellen, hetgeen mr. Galama, zoals vermeld, heeft gedaan.

2.8

Artikel 6.3 van het rolreglement schrijft vervolgens voor dat de nieuwe advocaat op die rol de proceshandeling kan verrichten waarvoor zijn partij stond op het moment dat de vorige procesadvocaat zich onttrok. Ik kan dit voorschrift niet anders lezen dan dat de nieuwe advocaat, indien de vorige advocaat veertien dagen eerder partijperemptoir stond voor het nemen van een memorie van grieven, op de eerste rol waarop hij zich presenteert ook partijperemptoir staat voor het nemen van grieven. Was de eerdere procesadvocaat akte niet-dienen aangezegd, dan ‘verhuist’ deze aanzegging mee naar de rol van veertien dagen later en dient deze akte te worden verleend indien niet van grieven wordt gediend.

2.9

Nu in dit geval ter rolle van 12 juni 2012 wél een memorie van grieven door mr. Galama is ingediend, had de rolraadsheer m.i. geen akte niet-dienen mogen verlenen. Vanwege de onttrekking ter rolle van 29 mei 2012 en de voor die situatie geldende bepalingen van hoofdstuk 6 van het rolreglement was een andere situatie aan de orde dan wanneer art. 133 lid 4 Rv.7 en de naar aanleiding daarvan gewezen rechtspraak van toepassing zou zijn. Indien op de juiste wijze akte niet-dienen is aangezegd tegen een bepaalde roldatum en de vereiste proceshandeling niet op die roldatum wordt verricht vervalt vanwege art. 133 lid 4 Rv. immers het recht om dat te doen8 en verleent de rolraadsheer in beginsel op dat moment9 of indien de zaak rechtsgeldig is geschorst: nadien10, akte niet-dienen.

In geval van onttrekking van een advocaat geeft artikel 6.3 van het rolreglement echter de hoofdregel en vervalt op grond van artikel 6.4 van het rolreglement het recht om de proceshandeling te verrichten pas indien zich geen nieuwe advocaat stelt.

Het onderdeel is m.i. in zoverre dan ook terecht voorgedragen.

2.10

Indien de aanhouding door de rolraadsheer een andere reden heeft, bijvoorbeeld omdat de rolraadsheer gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om van het rolreglement af te wijken (art. 1.15 van het rolreglement), is niet uitgesloten dat [eiseres] aan de aanhouding een gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat zij ter rolle van 12 juni 2012 nog van grieven mocht dienen. Niets wijst er echter op dat er een andere reden voor aanhouding is dan de onttrekking ter rolle van 29 mei 2012.

2.11

Onderdeel 2, dat is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2, bouwt op het eerste onderdeel voort en klaagt – zakelijk weergegeven – dat de oordelen van het hof in die rechtsoverwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

Gelet op het voorgaande slaagt het onderdeel eveneens.

2.12

Geheel ten overvloede merk ik naar aanleiding van rechtsoverweging 3.1 en het dictum van het bestreden arrest op dat, indien het oordeel dat geen gronden voor het hoger beroep zijn aangedragen juist zou zijn geweest, het hof [eiseres] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar hoger beroep in plaats van het hoger beroep te verwerpen.

2.13

Nu het middel terecht is voorgedragen, dient het bestreden arrest te worden vernietigd. Met betrekking tot de verwijzing bestaat er m.i. aanleiding om de zaak op de voet van art. 422a Rv. terug te wijzen naar het gerechtshof Arnhem (thans gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) omdat dit hof nog geen inhoudelijke beslissingen in deze zaak heeft gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 3 juli 2012 en tot terugwijzing naar dit hof (thans gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 16 maart 2011 en van 13 juli 2011. Het hof heeft het procesverloop in hoger beroep in de rov. 2.1-2.2 van zijn arrest van 3 juli 2012 opgenomen.

2 Zie hierna onder 2.12.

3 De cassatiedagvaarding is op 2 oktober 2012 uitgebracht.

4 Zie p. 5 van de cassatiedagvaarding.

5 Tweede versie, januari 2011, gepubliceerd in Stcrt, 2010, nr. 19241.

6 Zie p. 5 van de cassatiedagvaarding.

7 Zie ook art. 1.7 van het rolreglement. De bevoegdheid van een rolraadsheer om na een peremptoirstelling met het verlenen van ‘akte niet-dienen’ te beslissen dat het recht om een memorie van grieven te nemen vervallen is verklaard, is een neerslag van hetgeen rechtstreeks uit art. 133 lid 4 Rv. voortvloeit, zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 332. Vgl. voorts HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7671, (RvdW 2010/1088). Art. 133 lid 4 is op zijn beurt weer een operationalisering van art. 20 Rv., waarin de rechter is opgedragen te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve, rekening houdend met de belangen van partijen maatregelen te treffen zoals te bepalen dat het recht om te concluderen is vervallen, aldus Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 135.

8 Zie over onttrekking en over het voorschrift van art. 133 lid 4 Rv. de CPG vóór HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, (NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers).

9 Zoals in de zaak van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, (NJ 2013/28) en van HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, (NJ 2012/158). Zie in dit verband voorts de noot van Rutgers onder HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, (NJ 2006/405) onder 6 en 7 en de CPG vóór HR 4 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7220, (NJ 1998/220) onder 2.8-2.11.

10 Zoals in de zaak van HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7671, (NJ 2012/513).