Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:832

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
13/00410
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:225, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Koppelingswet; AKW-uitsluiting van alleenstaande ouder zonder geldige verblijfstitel met afhankelijk kind dat EU-burger is. Gerechtvaardigd onder (i) intern recht; (ii) volkenrecht; (iii) EU-recht? Implicaties HvJEU-arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi (“la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”); Handvest van de Grondrechten van de EU.

Feiten: De belanghebbende heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij woont in Nederland met te haren laste haar drie minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit heeft. De SVB heeft haar aanvraag om kinderbijslag afgewezen omdat zij geen kwalificerende verblijfstitel ex de Vreemdelingenwet 2000 bezit.

Geschil: de belanghebbende acht die afwijzing in strijd met nationaal recht, internationaal recht (EHRM, ESH, IVBPR, IVRK en IVESCR), en EU-recht.

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.

Na indiening van haar hogere beroep wees het HvJEU de arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi.

De CRvB heeft de partijen in de gelegenheid gesteld daar op te reageren. Hij heeft vervolgens op grond van HR BNB 2013/31 belanghebbendes hogere beroep ongegrond geacht ter zake van het beroep op nationaal en volkenrecht, maar gegrond verklaard ter zake van het beroep op EU-recht, en de SVB opgedragen opnieuw te beschikken na onderzoek naar de vraag of de weigering van kinderbijslag op grond van het ontbreken van een geldige verblijfstitel er toe zou hebben geleid dat belanghebbendes kinderen het genot van de essentie van hun EU-burgerschap ontzegd zou zijn.

Beide partijen hebben cassatie ingesteld.

Cassatiemiddel belanghebbende: weigering van kinderbijslag is wel degelijk in strijd met nationaal en internationaal recht en HR BNB 2013/31 ging niet over vreemdelingen met kinderen die EU-burger zijn. Het Unieburgerschap van haar kinderen geeft haar voorts recht op kinderbijslag omdat weigering ertoe leidt dat haar kinderen het effectieve genot van hun Unieburgerrechten wordt ontzegd doordat zij riskeren EU-territoir te moeten verlaten.

Cassatiemiddel SVB: De CRvB heeft ten onrechte geoordeeld dat uit EU-jurisprudentie rechtstreeks een verblijfsrecht voor de belanghebbende volgt (dat voorwaarde is voor kinderbijslag). Alleen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kan beslissen of de belanghebbende een verblijfsrecht heeft. Overigens leidt weigering van kinderbijslag er niet toe dat belanghebbendes kinderen feitelijk gedwongen waren het Uniegrondgebied te verlaten.

A-G Wattel meent met de belanghebbende en de CRvB dat de SVB niet kan volstaan met verwijzing naar het ontbreken van verblijfsrechtvaststelling door de IND en het systeem van de Koppelingswet. Hij meent echter ook, anders dan de CRvB, dat de vastgestelde feiten ter zake van de oudste twee kinderen geen andere conclusie toelaten dan dat het ontbreken van een geldige verblijfstitel van de belanghebbende in de periode 2007-2009 niet heeft geleid of leidt tot ontneming van de essentie van de EU-burgerschapsrechten aan die twee kinderen. Daardoor staat ook zonder feitelijk onderzoek vast dat ten aanzien van hen niet is voldaan aan het Dereçi-criterium, waardoor het Unieburgerschap van die twee kinderen de belanghebbende haar geen verblijfsrecht en daarmee ook geen AKW-verzekering kan opleveren. Nu ook geen EU-Richtlijn of verkeersvrijheid van toepassing is, valt de zaak ter zake van de oudste twee kinderen niet binnen de werkingssfeer van het EU-recht, zodat ook het EU-Handvest niet van toepassing is.

Anders ligt dat volgens de A-G voor het jongste kind. Met de CRvB is de A-G van oordeel dat feitelijk onderzoek moet plaatsvinden naar de redenen waarom dat kind het grondgebied van de EU met de belanghebbende verliet toen zij voor een jaar terugkeerde naar Suriname, met name of de belanghebbende door maatregelen van de Nederlandse autoriteiten daartoe werd genoopt.

Ter zake van belanghebbendes klachten dat art. 6(2) AKW en onder meer de discriminatieverboden in het EVRM, het ESH, het IVBPR en het IVESCR worden geschonden als geen kinderbijslag wordt toegekend, meent de A-G met de CRvB dat deze falen op de gronden vermeld in HR BNB 2013/31, óók in een geval, zoals hier, waarin het kind de Nederlandse nationaliteit heeft.

Nu hoe dan ook feitelijk onderzoek gedaan moet worden naar de Unieburgerlijke situatie van het jongste kind en belanghebbendes daarvan afgeleide positie onder EU-recht in de litigieuze periode, en de SVB hoe dan ook een nieuwe beschikking moet nemen, is het niet mogelijk, anders dan in de zaken met rolnrs 13/00407 en 13/00409 waarin de A-G eveneens concludeert, om proceseconomisch de zaak zelf af te doen. Dit zo zijnde, waren zijns inziens beide cassatieberoepen ongeclausuleerd te verwerpen, zodat de ‘verwijzingsopdracht’ van de CRvB aan de SVB om belanghebbendes positie in volle omvang in het licht van het Dereçi-criterium te bezien in stand blijft.

Conclusie: beide cassatieberoepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2193
V-N 2013/51.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. P.J. Wattel

Advocaat-Generaal

Conclusie van 27 augustus 2013 inzake:

Nr. 13/00410

[X3]

Nr. Rechtbank: 09/5784 en 09/09 en 10/1827

Nr. Gerechtshof: 09/6110 AKW en 11/121 AKW

Derde Kamer B

tegen

Algemene Kinderbijslagwet (AKW) 3e kwartaal 2007

t/m 4e kwartaal 2009

de Raad van bestuur van

de Sociale Verzekeringsbank

en vice versa

Inhoudsopgave

1. Overzicht

2. De feiten

3. Het geding in feitelijke instanties

- Rechtbankprocedures met nrs. AWB 09/09 AKW en AWB 09/5784 AKW

- Rechtbankprocedure met nr. AWB 10/1827 AKW

- De Centrale Raad van Beroep

4. Het geding in cassatie

- Het cassatieberoep van de belanghebbende

- Het cassatieberoep van de SVB

5. Intern recht en volkenrecht

6. Unierecht

7. Afbakening van de (resterende) rechtsvraag; deelconclusie

8. Rottman, Ruiz Zambrano, McCarthy, Dereçi, Iida, O. en S., Ymeraga en Åkerberg Fransson: het (toepassingsbereik van het) Unieburgerschap en van het EU-Handvest

9. Enige commentaren op Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi

10. Opvattingen over de verhouding tussen het Unieburgerschap, Unieburgerrechten, het vereiste van een grensoverschrijdend aspect en (art. 7 van) het Handvest

11. Toepassing

12. Beoordeling van de klachten

- De klachten van de belanghebbende

- Het middel van de SVB

- De te nemen beslissing

13. Conclusie

1 Overzicht

1.1

De belanghebbende heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij woont in Nederland met haar drie kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij stelt onder meer verblijfsrecht in Nederland en daarmee recht op kinderbijslag te hebben op grond van het Unieburgerschap van haar kinderen. De weigering van kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op de grond dat de belanghebbende geen verblijfstitel ex de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bezit, leidt er haars inziens toe dat haar kinderen het effectieve genot van hun Unieburgerrechten wordt ontzegd doordat die kinderen riskeren het grondgebied van de EU te moeten verlaten, hetgeen onverenigbaar is met het recht van haar kinderen (die Unieburger zijn) om op het grondgebied van de EU te verblijven.

1.2

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft belanghebbendes hogere beroepen gegrond verklaard en de SVB opgedragen te onderzoeken of de kinderen het effectieve genot van hun Unieburgerrechten zou worden ontzegd als de belanghebbende kinderbijslag wordt onthouden wegens ontbreken van een verblijfstitel.

1.3

Beide partijen hebben tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld, de belanghebbende onder meer omdat zij meent dat aan haar een verblijfsrecht, althans kinderbijslag toekomt (dit volgt overigens meer uit haar verweer dan uit haar beroep), nu uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt dat ook indien de EU-Verblijfsrichtlijn nr. 2004/38/EG niet van toepassing is (zoals in casu) en evenmin sprake is van een intra-EU-grensoverschrijdend aspect (zoals in casu), het Unierecht toch geschonden kan worden, nl. indien een nationale maatregel een Unieburger het effectieve genot ontzegt van de belangrijkste aan de status van Unieburger verbonden rechten ex art. 20 VwEU. Daaronder valt in elk geval de situatie waarin een kind dat Unieburger is, feitelijk gedwongen wordt om het grondgebied van de Unie te verlaten omdat aan zijn verzorger, van wie het afhankelijk is, geen verblijfsrecht wordt toegekend en deze daarom het grondgebied van de Unie moet verlaten. De beoordeling of het kind het effectieve genot van zijn belangrijkste Unieburgerrechten wordt ontzegd, is aan de nationale rechter, niet aan de SVB.

1.4

De SVB betoogt daarentegen dat zij niet bevoegd is om het verblijfsrecht van een AKW-aanvrager vast te stellen; dat zolang de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geen verblijfsrecht heeft vastgesteld, zij ervan uit moet gaan dat geen recht op kinderbijslag bestaat; dat uit HvJ EU Dereçi blijkt dat van ontzegging van het genot van de Unieburgerrechten slechts sprake is als de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het Uniegrondgebied te verlaten; dat daarvan geen sprake is bij weigering van kinderbijslag op grond van onrechtmatig verblijf; en dat de jurisprudentie van het HvJ EU geenszins het systeem van de Koppelingswet diskwalificeert.

1.5

Ik meen met de CRvB dat de SVB niet kan volstaan met verwijzen naar het ontbreken van een verblijfsrechtvaststelling door de IND en het systeem van de Koppelingswet. Ik meen echter ook dat de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat het ontbreken van een geldige verblijfstitel van de belanghebbende in de periode 2007-2009 voor haar oudste twee kinderen niet heeft geleid of leidt tot ontneming van de essentie van hun EU-burgerschapsrechten. Daardoor staat ook zonder feitelijk onderzoek vast dat ten aanzien van die twee kinderen niet is voldaan aan de Ruiz Zambrano-criteria, waardoor hun Unieburgerschap de belanghebbende geen verblijfsrecht en daarmee ook geen AKW-verzekering kan opleveren. Vast staat voorts dat niet van toepassing zijn de Verblijfsrichtlijn, de Gezinsherenigingsrichtlijn of de Richtlijn inzake langdurig ingezeten onderdanen van derde landen en dat belanghebbendes kinderen nooit gebruik hebben gemaakt van het vrije EU-verkeer. Belanghebbendes zaak valt daardoor ten aanzien van haar twee oudste kinderen niet binnen de werkingssfeer van het EU-recht, zodat ook het EU-Handvest van de Grondrechten ten aanzien van hen niet van toepassing is.

1.6

Ten aanzien van het jongste kind daarentegen - dat met de belanghebbende meereisde toen zij voor een jaar terugkeerde naar Suriname - meen ik met de CRvB dat feitelijk onderzoek moet plaatsvinden naar de redenen waarom dat kind het grondgebied van de EU met de belanghebbende verliet en of de belanghebbende door maatregelen van de Nederlandse autoriteiten daartoe werd genoopt.

1.7

De belanghebbende uit voorts een reeks op nationaal en volkenrecht gebaseerde klachten, inhoudende dat diverse bepalingen, waaronder art. 6(2) AKW en de discriminatieverboden in het EVRM, het ESH, het IVBPR en het IVESCR geschonden worden als geen kinderbijslag wordt toegekend. Ik meen dat deze overige klachten over schending van intern en internationaal recht falen op de gronden vermeld in HR BNB 2013/31, óók in een geval, zoals hier, waarin de kinderen van de belanghebbende de Nederlandse nationaliteit hebben.

1.8

Nu hoe dan ook feitelijk onderzoek gedaan moet worden voor de beoordeling van de Unieburgerlijke situatie van het jongste kind en de van de daarvan afgeleide positie van de belanghebbende onder EU-recht in de litigieuze periode, en de SVB hoe dan ook een nieuwe beschikking moet nemen, doet zich in casu niet de mogelijkheid voor, anders dan in de twee zaken met rolnrs 13/00407 en 13/00409 waarin ik heden eveneens concludeer, om proceseconomisch de zaak zelf af te doen. Dit zo zijnde, verdient het mijns inziens de voorkeur om beide cassatieberoepen ongeclausuleerd te verwerpen, zodat de ‘verwijzingsopdracht’ van de CRvB aan de SVB om belanghebbendes positie in volle omvang in het licht van het Dereçi-criterium te bezien in stand blijft.

1.9

Ik geef u daarom in overweging beide cassatieberoepen ongegrond te verklaren.

2 De feiten

2.1

[X3] (de belanghebbende) is geboren op [in] 1968 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij is gehuwd geweest met de Nederlander [X-Y] (de vader) en heeft als enige het gezag over hun drie kinderen [F], geboren [in] 1990, [G], geboren [in] 1992 en [H], geboren [in] 1998. Op grond van de nationaliteit van hun vader hebben de kinderen de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de kinderen erkend en was daardoor ex art. 1:404 BW in de litigieuze periode onderhoudsplichtig, maar hij kwam die plicht niet na. De kinderen komen daardoor geheel ten laste van de belanghebbende. [G] en [H] ontvingen vanaf 15 juli 2008 een beperkte uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevuld met bijzondere bijstand.1 De vader woont in Suriname; er is geen contact tussen hem en de kinderen.

2.2

De kinderen hebben vanaf augustus 2004 bij belanghebbendes zus in Nederland gewoond omdat de belanghebbende in Suriname van echt moest scheiden en het huis moest verkopen. Haar zus heeft voor de kinderen kinderbijslag ontvangen. Sinds 27 mei 2005 verbleef de belanghebbende in [Q].2 Op 13 juni 2005 heeft zij een verblijfsvergunning aangevraagd met als doel verblijf bij haar kinderen. Die aanvraag werd afgewezen omdat zij geen machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in Nederland had.3 Vanaf oktober 2005 heeft de belanghebbende een huis in Nederland gehuurd. In juli 2007 is zij met alleen haar jongste kind [H] naar Suriname teruggekeerd om daar een MVV aan te vragen.4 Die aanvraag werd op 25 september 2007 afgewezen. In oktober 2007 keerde [H] zonder de belanghebbende terug naar Nederland.

2.3

Op 29 mei 2008 werd belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van de MVV ongegrond verklaard. In juli 2008 keerde zij terug naar Nederland. In afwachting van de uitspraak op haar tegen deze afwijzing ingestelde beroep verbleef de belanghebbende in Nederland. Zij heeft haar gezin tot 2009 kunnen onderhouden uit de opbrengst van de verkoop van het huis in Suriname.

2.4

De belanghebbende heeft kinderbijslag aangevraagd op 16 juli 2008 (voor alle drie de kinderen) en op 13 november 2009 (voor [G] en [H]). Haar herhaalde verzoek om een verblijfsvergunning werd op 3 juni 2009 afgewezen maar haar bezwaar tegen die afwijzing werd gegrond verklaard: met ingang van 16 oktober 2009 heeft zij een verblijfsvergunning onder de beperking “uitoefenen gezinsleven met [H] conform artikel 8 EVRM”. Vervolgens is haar een WWB-uitkering toegekend. Kinderbijslag is haar toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2010 voor [G] en [H] De beschikking waarbij haar de verblijfsvergunning is verleend, vermeldt dat zij op 9 juni 2009 niet alleen bezwaar maar ook “ter voorkoming van uitzetting, een verzoekschrift om een voorlopige voorziening” heeft ingediend. De voorlopige voorziening werd op 16 september 2009 toegewezen. Op 15 oktober 2009 heeft de belanghebbende haar bezwaar toegelicht voor een ambtelijke commissie, die het kennelijk gegrond achtte. Ik maak hieruit op dat uitzetting dreigde, maar dat deze dreiging kon worden afgewend door een verzoek om een voorlopige voorziening. De Vreemdelingenwet voorziet vervolgens in het recht om de procedure in Nederland af te wachten (art. 8(f) en (h) Vw 2000).

2.5

Belanghebbendes aanvraag van kinderbijslag over het derde kwartaal van 2007 tot en met het derde kwartaal van 2008 voor alle drie de kinderen is door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bij besluit van 18 augustus 2008 afgewezen omdat zij op grond van haar verblijfsstatus niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij besluit van 21 november 2008 is haar bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft zij beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) onder nr. AWB 09/09 AKW. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter bij die Rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht; deze procedure heeft nr. AWB 09/5784 AKW.

2.6

Belanghebbendes aanvraag van kinderbijslag voor [G] en [H] over het vierde kwartaal van 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2009 is door de SVB bij besluit van 7 december 2009 afgewezen omdat zij tot 16 oktober 2009 op grond van haar verblijfsstatus niet verzekerd was voor de AKW. Bij besluit van 4 maart 2010 is haar bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft de belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank onder nr. AWB 10/1827 AWB.

3 Het geding in feitelijke instanties

Rechtbankprocedures met de nrs. AWB 09/09 AKW en AWB 09/5784 AKW (één uitspraak, ex art. 8:86 Awb)

3.1

De belanghebbende betoogde dat het, gezien de bijzondere omstandigheden van met name haar drie kinderen, niet gerechtvaardigd is om geen kinderbijslag toe te kennen. Haar kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en kunnen alleen in Nederland wonen; niet in Suriname bij hun vader. Een familieleven kan daarom niet buiten Nederland worden gevoerd. De weigering kinderbijslag toe te kennen is daarom een schending van art. 3, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), art. 8 juncto 14 ERVM en art. 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).

3.2

De voorzieningenrechter achtte de genoemde bepalingen niet geschonden (cursivering in origineel):

“De voorzieningenrechter overweegt dat de uitsluiting van de verzekering voortvloeit uit het bepaalde bij de Koppelingswet. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) reeds meermalen heeft geoordeeld (bij uitspraken van 26 juni 2001, gepubliceerd in onder meer RSV 2001/118 en RSV 2001/216) is voor het in deze wet neergelegde onderscheid naar nationaliteit - bij een verzoek om toelating tot verblijf in Nederland op of na 1 juli 1998 - een afdoende rechtvaardiging aanwezig ook waar het gaat om de uitsluiting van de verzekering voor de AKW. Het beroep van eiseres [de belanghebbende; PJW] op de in verschillende verdragen neergelegde non-discriminatiebepalingen kan dan ook niet slagen.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt de voorzieningenrechter dat, gezien het voorbehoud dat de Staat heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK, een beroep er niet [toe; PJW] kan leiden dat aan het kind een zelfstandig recht op kinderbijslag dient toe te komen. Met betrekking tot het beroep op artikel 27 van het IVRK overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 8 april 2005 (LJN: AT4112) dat, zo al aangenomen zou moeten worden dat aan één of meer van deze bepalingen rechtstreekse werking zou toekomen, dit beroep in dit geval niet kan leiden tot aanspraak op kinderbijslag.

Voor wat betreft het beroep van eiseres op artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 5 december 2003, waarin de Raad ten aanzien van een aantal artikelen van het ESH, waaronder artikel 17, het volgende heeft overwogen:

"Toetsing aan deze bepalingen is echter slechts mogelijk indien het gaat om in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen, die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden. Met betrekking tot de door appellante aangehaalde artikelen van het ESH merkt de Raad op dat deze bepalingen naar hun inhoud niet een ieder kunnen verbinden. Gelet op de bewoordingen en strekking van bedoelde bepalingen is daarin veeleer sprake van algemeen geformuleerde sociale doelstellingen, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. Derhalve valt niet in te zien waarom met betrekking tot genoemde bepalingen een uitzondering zou moeten worden aangenomen op de in het algemeen gestelde regel, als verwoord in de Memorie van Toelichting bij de wet tot goedkeuring van het ESH (Bijl. Hand. II 1965-1966, 8606, nr. 3), te weten dat het ESH geen "interne werking" heeft in de deelnemende staten en dat onderdanen van partijen derhalve geen beroep kunnen doen op het ESH voor een nationaalrechtelijke instantie. De Raad verwijst in dit kader nog naar zijn uitspraak van 21 januari 1994, RSV 1994/192, inzake artikel 13, aanhef en onder 1, van het ESH."

Ook het beroep van eiseres op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niet slagen. Zoals de CRvB reeds heeft overwogen (uitspraak van 29 januari 2002, RSV 2002/113), heeft blijkens het eerste lid van artikel 8 van het EVRM een ieder recht op (onder meer') een familie- en gezinsleven. Het tweede lid bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van opgesomde doeleinden, daaronder begrepen het economisch welzijn van het land. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Deze verplichtingen kunnen ook het nemen van maatregelen inhouden. Of dergelijke verplichtingen bestaan is afhankelijk van de vraag of het juiste evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van de individuele persoon in acht is genomen, bij de beantwoording waarvan de overheid altijd een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de overheid bij afweging van het algemeen belang, waaronder het belang van de koppelingswetgeving als hier voor beschreven en het individuele belang niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het recht op kinderbijslag te beperken tot diegenen die rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8 a tot en met e en I van de Vreemdelingenwet 2000. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het te ver voert om te betogen dat zonder kinderbijslag het gezinsleven bij gebreke van middelen van bestaan voor [een] lid of leden van het gezin onmogelijk wordt gemaakt, nu het bij kinderbijslag primair gaat om "family assistence", dat wil zeggen extra geldelijke ondersteuning voor het gezin, en niet om het verschaffen van noodzakelijke middelen van bestaan.”

3.3

De voorzieningenrechter heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard en gegeven die beslissing het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.5 De belanghebbende heeft daartegen bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hoger beroep ingesteld onder nr. 09/6110 AKW.

Rechtbankprocedure nr. AWB 10/1827 AKW

3.4

De belanghebbende betoogde dat de weigering haar kinderbijslag toe te kennen een schending van art. 8 juncto 14 ERVM is. De Rechtbank verwierp dit betoog:

“Bij beschikking van 16 oktober 2009 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan eiseres per 16 oktober 2009 een verblijfsvergunning toegekend. Dit betekent dat eiseres ten tijde van de periode hier in geding nog geen rechtmatig verblijf in Nederland had en derhalve op grond van artikel 6, tweede lid, van de AKW niet was verzekerd voor de AKW.

De uitsluiting als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de AKW vloeit voort uit het bepaalde bij de Koppelingswet. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft reeds in vele uitspraken geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. Het beroep van eiseres op het bepaalde in artikel 14 van het EVRM kan daarom niet slagen.

Ook het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen. Zoals de CRvB reeds heeft overwogen (uitspraak van 29 januari 2002, LJN: AE0506), heeft blijkens het eerste lid van artikel 8 van het EVRM een ieder recht op (onder meer) een familie- en gezinsleven. Het tweede lid bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van opgesomde doeleinden daaronder begrepen het economisch welzijn van het land. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Deze verplichtingen kunnen ook het nemen van maatregelen inhouden. Of dergelijke verplichtingen bestaan is afhankelijk van de vraag of het juiste evenwicht tussen het algemeen belang en de belangen van de individuele persoon in acht is genomen, bij de beantwoording waarvan de overheid altijd een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op het IVRK is de rechtbank van oordeel dat, gezien het voorbehoud dat de Staat heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK, een beroep er niet kan leiden dat aan het kind een zelfstandig recht op kinderbijslag dient toe te komen.

Eiseres heeft gewezen op een uitspraak van de CRvB van 20 oktober 2010 (LJN: B03581). In die uitspraak heeft de zorgverzekeraar geweigerd de door betrokkene (geboren in 1999) gevraagde zorg te verstrekken omdat die betrokkene niet tot de kring van verzekerden van de AWBZ behoorde. De CRvB heeft daarover geoordeeld dat het onthouden van de voor de betrokkene geïndiceerde ondersteunende en activerende begeleiding tot effect heeft dat betrokkenes persoonlijke ontwikkeling onmogelijk wordt gemaakt waardoor hij in het behoud van zijn menselijke waardigheid ernstig wordt bedreigd en dat in het geval van betrokkene daarom artikel 5, tweede lid, van de AWBZ, dat betrokkene uitsluit van de kring der verzekerden voor de AWBZ, wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing dient te worden gelaten.

De rechtbank ziet in deze uitspraak geen aanleiding om het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AKW wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing te laten. Zij stelt hierbij voorop dat, anders dan bij een aanvraag in het kader van de AWBZ, in de AKW niet de mogelijkheid besloten ligt dat kinderen een zelfstandig recht op kinderbijslag kunnen doen gelden. Voorts stelt de rechtbank vast dat de CRvB in die uitspraak op basis van de specifieke omstandigheden van die betrokkene tot het oordeel is gekomen dat het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ buiten toepassing moet worden gelaten. In de onderhavige zaak is niet gebleken dat er ten aanzien van eiseres zodanige bijzondere omstandigheden zijn dat het toepassen van artikel 6 van de AKW in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.”

3.5

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daarom ongegrond verklaard.6 Zij heeft daartegen bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hoger beroep ingesteld onder nr. 11/121 AKW.

De CRvB 7

3.6

In hoger beroep heeft de belanghebbende haar stellingen herhaald. Drie dagen voor de zitting, 8 maart 2011, wees het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest in de zaak Ruiz Zambrano (zie 8.2 hierna), over de betekenis van het Unieburgerschap ex art. 20 en 21 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) voor nationale immigratie- en naturalisatiewetgeving. De SVB heeft de CRvB daarop verzocht om procedures waarbij kinderen met de Nederlandse nationaliteit waren betrokken, aan te houden om de betekenis van dat arrest voor die procedures - waaronder die van de belanghebbende - te kunnen onderzoeken. De CRvB heeft dit verzoek ingewilligd. Na de zitting heeft de CRvB de partijen om hun opvatting over de implicaties Ruiz Zambrano gevraagd en het onderzoek heropend. Op 5 mei 2011 wees het HvJ EU vervolgens arrest in de zaak McCarthy (zie 8.3 hierna), eveneens betreffende het Unieburgerschap en immigratiewetgeving. Op 23 juni 2011 heeft de SVB haar mening over de gevolgen van Ruiz Zambrano en McCarthy gegeven. De belanghebbende heeft daarop bij brief van 5 juli 2011 gereageerd en de CRvB verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EU. Dat heeft de CRvB niet gedaan. Op 15 november 2011 wees het HvJ arrest in de zaak Dereçi (zie 8.4 hierna), wéér over het Unieburgerschap en nationale immigratiewetgeving. Op 14 februari 2012 heeft de CRvB de belanghebbende schriftelijk vragen gesteld. Bij brief van 1 maart 2012 heeft de belanghebbende daarop gereageerd. Op 14 juni 2012 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Belanghebbendes zaken zijn ter zitting gezamenlijk met acht andere zaken behandeld.8 Bij brief van 20 juli 2012 heeft de CRvB de belanghebbende gevraagd een overzicht van de aan de kinderen verleende (bijzondere) bijstand te overleggen. Bij brief van 1 augustus 2012 heeft de belanghebbende geantwoord dat de CRvB zich daarvoor beter wenden tot de gemeente Alphen aan den Rijn (de gemeente) kon wenden omdat deze dat overzicht sneller en eenvoudiger zou kunnen produceren.9 Bij brief van 3 augustus 2012 heeft de CRvB zich tot de gemeente gewend. Bij brief van 9 augustus 2012 heeft de gemeente het gevraagde overzicht verstrekt, waaruit blijkt dat aan de kinderen van 15 juli 2008 tot en met 1 januari 2010 om niet een netto bedrag aan bijzondere bijstand is verleend ad € 21.138,22, inclusief bijstand voor woonkosten en energiekosten.

3.7

De belanghebbende betoogde dat uit genoemde arresten van het HvJ EU volgt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het Unieburgerschap van haar kinderen en daarom recht heeft op kinderbijslag. Weigering van kinderbijslag zou er haars inziens toe leiden dat haar kinderen wordt belemmerd in het effectieve genot van de rechten die hij ontleent aan zijn status van EU-burger. De SVB daarentegen meende dat die arresten niet inhouden dat uit het EU-burgerschap van belanghebbendes kinderen van rechtswege een EU-verblijfsrecht voor de belanghebbende voortvloeit. Evenmin volgt er uit dat recht op kinderbijslag zelf een van de “belangrijkste aan de status van Unieburger verbonden rechten” is. De Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen zijn in casu niet van toepassing, zodat een verblijfsrecht slechts zou kunnen voortvloeien uit verdragsconforme toepassing van het vreemdelingenrecht. Het beroep op Unierecht doet dus de vraag rijzen of de beslissing van de Nederlandse autoriteiten over belanghebbendes verblijfsrecht inbreuk maakt op de belangrijkste aan de status van EU-burger ontleende rechten van haar kinderen. Die vraag noch die beslissing is echter aan de SVB, maar aan de immigratie- en naturalisatiedienst (IND). Pas als een verblijfsvergunning is afgegeven, wordt volgens de SVB toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes verzoek om kinderbijslag.

3.8

De CRvB heeft overwogen (r.o. 4.4 en 4.5) dat uit Ruiz Zambrano en Dereçi volgt dat ouders met de nationaliteit van een derde staat die een kind hebben dat EU-burger is en die met dat kind in de EU wonen, een verblijfsrecht hebben indien uitzetting van de ouders er toe zou leiden dat het kind feitelijk geen keus heeft dan zijn ouders te volgen en daardoor feitelijk gedwongen wordt het EU-grondgebied te verlaten. Hij overwoog vervolgens:

“4.6. Anders dan de Svb meent, volgt uit deze arresten dat voor appellante [de belanghebbende; PJW] uit artikel 20 van het VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van haar kind, indien haar kind zich bevindt in een situatie als in genoemde arresten bedoeld. Bij de beoordeling of appellante aanspraak kan maken op kinderbijslag dient de Svb dan ook allereerst te onderzoeken of er sprake is van zodanige omstandigheden dat het kind feitelijk moet worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als aan appellante een verblijfsrecht wordt ontzegd. Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris is om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven, brengt het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid van het VWEU (voorheen artikel 10 EG-Verdrag), met zich mee dat de autoriteiten van de lidstaten onderling, maar ook binnen de lidstaat met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Het ligt dan ook op de weg van de Svb, belast met de uitvoering van de AKW, om, aan de hand van door appellante verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris genoegzaam te onderzoeken of appellante aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2007, LJN BB7789.

4.7.

Anders dan appellante lijkt te veronderstellen, gaat het bij het in 4.6 genoemde onderzoek niet om de beantwoording van de vraag of de weigering om aan appellante kinderbijslag toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland of de Unie als geheel te verlaten, maar primair hierom of de weigering om appellante hier te lande verblijf toe te staan, met zich brengt dat het kind, burger van de Unie, geen andere keus heeft dan met appellante, staatsburger van het derde land, buiten de Unie te verblijven. In het licht van het arrest Ruiz Zambrano brengt het nuttig effect van de status van de burger van de Unie met zich mee dat de ouder die het verblijfsrecht toekomt ook over voldoende bestaansmiddelen moet kunnen beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin.

4.8.

Uit de arresten kan worden gedestilleerd dat bij de beoordeling of aan een staatsburger van een derde land op grond van artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht toekomt, verschillende omstandigheden in ieder geval van belang zijn, zoals de leeftijd van het kind, het feit dat de andere ouder de nationaliteit van een lidstaat van de Unie heeft en de mate waarin het kind (financieel) afhankelijk is van de verzorgende ouder/staatsburger van een derde land. Ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft inmiddels verschillende uitspraken gedaan waarin is getoetst of er sprake is van de situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, als aan zijn ouder, die staatsburger is van een derde land, geweigerd wordt hier te lande te verblijven.

4.9.

Indien uit deze beoordeling volgt dat aan appellante een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU toekomt, dient zich de vraag aan of appellante ten tijde in geding aanspraak heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW. Voor dit oordeel is van belang of appellante als verzekerde in de zin van artikel 6 van de AKW kan worden aangemerkt. Naast de nog te verrichten toetsing door de Svb of appellante ingevolge het eerste lid van artikel 6 van de AKW ten tijde in geding als verzekerde kan worden aangemerkt, is hierbij nog het volgende van belang.

4.10.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de AKW is niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ingevolge het vierde lid van artikel 6 van de AKW is bij het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, laatstelijk, Stb. 1998, 746 (KB 746) uitbreiding gegeven aan de groep van vreemdelingen die verzekerd kan zijn voor de volksverzekeringen. Aldus kunnen alleen vreemdelingen die een verblijfstitel hebben als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd of die behoren tot de kring der verzekerden onder KB 746, voor de AKW verzekerd zijn. Vastgesteld wordt dat appellante in ieder geval niet voldoet aan de voorwaarden voor verzekering van KB 746.

4.11.

Indien appellante, als familielid van een burger van de Unie, een (afgeleid) recht op verblijf ontleent aan artikel 20 van het VWEU, is sprake van een verblijfstitel die niet met name wordt genoemd in artikel 6, tweede lid, van de AKW. Artikel 8, onder e van de Vw 2000 in verbinding met artikel 1 onder e van die wet heeft immers betrekking op rechtmatig verblijf van de gemeenschapsonderdaan, waaronder zijn familieleden, zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een dergelijke regeling is bijvoorbeeld de verblijfsrichtlijn 2004/38/EG.10 Het Hof heeft echter in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci overwogen dat richtlijn 2004/38/EG niet van toepassing is op een situatie als hier aan de orde waarin de burger van de Unie geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. De burger van de Unie kan echter wel een beroep doen op de verdragsbepalingen betreffende het burgerschap van de Unie. Ook in de Vw 2000 is thans nog niet voorzien in een situatie waar het rechtmatig verblijf van het familielid van de burger van de Unie rechtstreeks voortvloeit uit het VWEU en niet is ontleend aan de verblijfsrichtlijn 2004/38/EG. Nu uit de bewoordingen van artikel 8, onder e in verbinding met artikel 1, onder e, van de Vw 2000 volgt dat de grondslag voor de binnenkomst en het verblijf van een gemeenschapsonderdaan is gelegen in het Unierecht en dat het verblijfsrecht rechtstreeks aan dat recht wordt ontleend, is er ruimte voor verdragsconforme toepassing van artikel 6, tweede lid, van de AKW op de situatie waarin het verblijfsrecht wordt ontleend aan artikel 20 van het VWEU.

4.12.

Voor zover uit het in 4.6 bedoelde onderzoek zou volgen dat appellante geen verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 van het VWEU, dient in dit geding de vraag nog te worden beantwoord of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW, omdat zij ten tijde in geding niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd. Die vraag wordt ontkennend beantwoord, waarbij wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, LJN BR1905 en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, LJN BW7740.11

4.13.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.11 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd. De aangevallen uitspraken, waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, dienen derhalve vernietigd te worden. De beroepen van appellante dienen gegrond verklaard te worden en de bestreden besluiten dienen vernietigd te worden. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip verzekerde. Derhalve zal de Raad bepalen dat de Svb nieuwe beslissingen op bezwaar neemt, waarbij de Svb tevens dient te beslissen over de gevorderde kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar.”

3.9

De CRvB heeft daarom belanghebbendes hogere beroepen gegrond verklaard.

4 Het geding in cassatie

4.1

Zowel de belanghebbende als de SVB hebben tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Beiden hebben verweer gevoerd en elkaar van re- respectievelijk dupliek gediend.

Het cassatieberoep van de belanghebbende

4.2

De belanghebbende klaagt over schending van (i) intern recht, (ii) internationaal recht en (iii) Unierecht. Ik vat haar klachten als volgt samen:

Ad (i): de CRvB heeft art. 6(2) AKW geschonden door kinderbijslag en verblijfsrecht te koppelen. Hij heeft miskend dat Nederland blijkens de parlementaire geschiedenis van de AKW de plicht op zich heeft genomen de essentiële rechten van kinderen en hun ouders te beschermen. Die bescherming ontbreekt als geen kinderbijslag wordt verleend. Ten onrechte wordt alleen belanghebbendes nationaliteit en niet ook die van de vader in de beschouwing betrokken; diens Nederlandse nationaliteit maakt dat HR BNB 2013/31 (zie 7.1 hierna) niet zonder meer van toepassing is, nu dat arrest ouders betrof die geen van beiden een verblijfsrecht hadden, terwijl de vader van de kinderen dat op grond van zijn Nederlandse paspoort wél had.

Ad (ii): de CRvB heeft art. 2 en 3 IVRK en art. 8 en 14 EVRM geschonden. Uit HR 21 september 2012, NJ 2013, 2212 volgt dat de Staat op grond van EHRM-rechtspraak13 moet waken over de rechten en belangen van minderjarigen op zijn grondgebied en dat kinderen niet verantwoordelijk zijn voor gedragingen van hun familieleden. De rechten en belangen van haar kinderen, die ook in de artt. 16 en 17 ESH, 24 IVBPR en 10 IVESCR zijn opgenomen, worden geschaad door de belanghebbende kinderbijslag te onthouden. Dat kinderen niet de dupe mogen zijn van doen of nalaten van hun ouders volgt ook uit Nuñez v. Norway.14 Door de belanghebbende kinderbijslag te onthouden, worden de kinderen bovendien gediscrimineerd ten opzichte van kinderen wier ouders wel recht hebben op kinderbijslag. Voor die discriminatie bestaat geen rechtvaardiging, nu (i) het doel van de Koppelingswet - tegengaan van schijnlegaliteit en onuitzetbaarheid van vreemdelingen - reeds ingevolge art. 3 Vierde Protocol bij het EVRM15 geen legitiem doel is, en (ii) weigering van kinderbijslag geen effectief en geschikt middel is om dat doel te bereiken, maar de kinderen slechts schade toebrengt. Het belang van het kind heeft zodanig gewicht dat de Staat geen ruime beoordelingsmarge heeft; dat volgt uit Popov v. France.16

Ad (iii): de CRvB miskent dat uit de zaak Zu en Chen17 volgt dat de kinderen niet verantwoordelijk is voor belanghebbendes keuzen en dat de Koppelingswet het EU-verblijfsrecht van haar kinderen in gevaar brengt, nu een Unieburger helemaal niet aangespoord mag worden om te vertrekken. De Koppelingswet schendt bovendien het recht op bescherming van een kind ex art. 24 juncto 34(3) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

4.3

Ik vat het verweer van de SVB als volgt samen:

- de door de belanghebbende aangehaalde EHRM-jurisprudentie is niet relevant, nu de SVB niet betwist dat kinderen bescherming door de Staat verdienen indien hun ouders daartoe niet in staat zijn, en de belanghebbende niet stelt dat zij niet in staat zou zijn om voor haar kinderen te zorgen;

- uit Petrovic v. Austria18 volgt dat art. 8 EVRM de Staten niet dwingt tot verstrekking van gezinsuitkeringen;

- de belanghebbende gaat er ten onrechte van uit dat kinderbijslag een recht van het kind zelf zou zijn en dat belanghebbendes verblijfsstatus daarom niet relevant zou zijn; Nederland heeft een voorbehoud gemaakt19 bij art. 26 IVRK waaruit duidelijk blijkt dat het kind aan die bepaling in Nederland geen zelfstandige sociale-zekerheidsrechten kan ontlenen;

- de AKW heeft niet ten doel essentiële rechten van kinderen en hun ouders te beschermen;

- niet valt in te zien hoe de weigering van kinderbijslag schade toebrengt aan het kind;

- de door de belanghebbende aangehaalde arresten Nuñez v. Norway, Zu en Chen en de uitspraak van het UK Supreme Court gaan over het verband tussen de nationaliteit van het kind en het verblijfsrecht van zijn ouder(s) en niet over kinderbijslag;

- uit met name r.o. 3.5.10 van HR BNB 2013/31 blijkt dat het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag;

- een vreemdeling heeft geen recht op kinderbijslag als op zijn verzoek om toelating negatief is beslist en hij evenmin anderszins rechtmatig in Nederland verblijft ex art. 8(a) t/m (l) Vw 2000, bijvoorbeeld in afwachting van de beslissing op een (eerste) verzoek om toelating.

4.4

De belanghebbende betoogt bij repliek dat de SVB miskent dat de kwetsbare status van een kind de doorslag moet geven bij de beoordeling van de aanvraag om kinderbijslag door de ouder en dat het verblijfsrecht van de ouder geen rol mag spelen als het kind Unieburger is, nu dat een discriminatie tussen Unieburgers zou inhouden. Nu Nederland een AKW heeft ingevoerd, kan Nederland voorts niet meer betogen dat het geen plicht zou hebben familieverstrekkingen te doen. Uit HR NJ 2013, 22 volgt, ten slotte, dat kinderen het recht hebben om bij hun verzorgende ouder in Nederland te zijn; de kinderen kunnen niet, om recht op kinderbijslag te verwerven, worden gedwongen om bij hun vader te gaan wonen.

4.5

De SVB betoogt bij dupliek dat de belanghebbende ten onrechte suggereert dat het verblijfsrecht van de ouder niet ter zake zou mogen doen en geen vergelijkbare gevallen aanvoert waarin wél recht op kinderbijslag zou bestaan. Zij meent voorts dat weigering van kinderbijslag niet op één lijn gesteld kan worden met het scheiden van kind en moeder (waar het in HR NJ 2013, 22 om ging). Ten slotte acht zij belanghebbendes beroep in wezen een beroep op art. 7 AKW, ter zake van schending waarvan geen cassatieberoep open staat.

Het cassatieberoep van de SVB

4.6

De SVB klaagt er over dat de CRvB art. 6(2) AKW heeft geschonden door te oordelen (r.o. 4.11) dat uit Zambrano en Dereçi zou volgen dat aan de belanghebbende ex art. 20 VwEU rechtstreeks een verblijfsrecht toevalt. Uit geen van beide arresten kan worden afgeleid dat in een situatie als die van Zambrano sprake is van een rechtstreeks verblijfsrecht naar analogie van een recht ontleend aan de Verblijfsrichtlijn. Uit de verwijzing van het HvJ EU in Zambrano naar Rottman (zie 8.1 hierna) volgt veeleer dat de bevoegdheid om het verblijf van derdelanders te regelen bij de lidstaten ligt, waaraan niet afdoet dat zij die bevoegdheid met respect voor het Unierecht moeten uitoefenen. Van gebrek aan zulk respect is geen sprake als een lidstaat eist dat een belanghebbende de voorgeschreven procedure voor aanvraag van een verblijfsvergunning volgt en aan een te verstrekken vergunning voorwaarden en beperkingen stelt. Alleen de IND kan over het verblijfsrecht beslissen; zolang die niet heeft vastgesteld dat de belanghebbende rechtmatig in Nederland verblijft, moet de SVB er op grond van de Koppelingswet van uit gaan dat art. 6(2) AKW aan toekenning van kinderbijslag in de weg staat. Weliswaar achtte het HvJ EU in Zambrano ook de weigering van een arbeidsvergunning in strijd met EU-recht, maar dat impliceert niet dat die weigering op zichzelf al effectieve ontzegging van het genot van de belangrijkste Unieburgerrechten aan de kinderen meebracht, nu het HvJ deze weigering zag als onderdeel van de weigering van verblijfsrecht. Uit Dereçi blijkt dat van ontzegging van het genot van de Unieburgerrechten slechts sprake is als de Unieburger feitelijk gedwongen wordt het Uniegrondgebied te verlaten; daarvan is geen sprake bij weigering van kinderbijslag op grond van onrechtmatig verblijf. De jurisprudentie van het HvJ EU diskwalificeert dus niet het systeem van de Koppelingswet.

4.7

De belanghebbende verweert zich als volgt: het verblijfsrecht volgt rechtstreeks uit het Unierecht, zo volgt uit de directe werking van het EU-recht, reeds uit Van Gend en Loos en Costa/ENEL.20 Gelet op CRvB 13 juni 2006, LJN AY3868,21 kan de SVB zich niet verschuilen achter de IND; zij moet zelf vaststellen of aan de voorwaarden voor kinderbijslag is voldaan. Uit de rechtspraak van HvJ EU en EHRM en uit het Handvest en diverse internationale verdragen volgt dat de belangen en rechten van het kind centraal staan. Die worden geschonden door kinderbijslag te weigeren, te meer als het gezin daardoor onder de armoedegrens leeft - dat maakt de weigering schadelijk voor de kinderen - en de kinderen geen verwijt kan worden gemaakt voor gedragingen van hun ouders. Zij beroept zich op jurisprudentie van het HvJ EU waaruit blijkt van een afgeleid verblijfsrecht van de ouders van een afhankelijk kind dat Unieburger is.

4.8

De SVB repliceert dat de belanghebbende ten onrechte de suggestie wekt dat de SVB meent dat niet aan Unierecht hoeft worden getoetst. Met de belanghebbende is de SVB eens dat de vraag naar de toepasselijkheid van art. 20 VwEU geen acte éclairé is, zodat zij er vrede mee heeft als daarover prejudiciële vragen worden gesteld.

4.9

De belanghebbende dupliceert dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 5 oktober 2012, heeft geoordeeld dat het HvJ in Zambrano en Dereçi uit art. 20 en 21 VwEU wel degelijk een rechtsreeks verblijfsrecht heeft afgeleid voor het familielid van de afhankelijke Unieburger.22 Uitsluiting van kinderbijslag met als doel het tot vertrek aansporen van de verzorgende ouder is nimmer in overeenstemming met art. 20 VwEU.

5 Intern recht en volkenrecht

Art. 6(2) AKW luidt:

“2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.”

Art. 8 Vw 2000 luidt:

“De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

(...)

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

(...)”

Art. 3(1) van het Vierde Protocol bij het EVRM bepaalt:

“No one shall be expelled, by means either of an individual or of a collective measure, from the territory of the State of which he is a national.”

6 Unierecht

Art. 20 VwEU luidt:

“1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

(...)

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.”

Art. 21 VwEU luidt:

“1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2. en 3. (….).”

Art. 25(2e alinea) VwEU luidt:

“Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van de Verdragen, kan de Raad na goedkeuring door het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, bepalingen ter aanvulling van de in artikel 20, lid 2, vermelde rechten vaststellen. Deze bepalingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.”

Art. 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) luidt:

“1. Overeenkomstig artikel 5 behoren bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toe aan de lidstaten.

2. De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft de uitsluitende verantwoordelijkheid van elke lidstaat.

3. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.

(...)”

Art. 5 VEU luidt:

“1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie enkel binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.

(...).”

Art. 6(1) VEU luidt:

“1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen.”

Art. 7 van het Handvest luidt:

“Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”

Art. 51 van het Handvest luidt:

“1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

2. Dit handvest schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Gemeenschap en voor de Unie en wijzigt de in de verdragen neergelegde bevoegdheden en taken niet.”

7 Afbakening van de (resterende) rechtsvraag; deelconclusie

7.1

De belanghebbende voert drie categorieën klachten aan (zie 4.2 hierboven), gebaseerd op respectievelijk (i) nationaal recht, (ii) (rechtstreeks werkend) volkenrecht, met name het EVRM, het IVBPR, het IVESCR, het ESH en het IVRK, en (iii) het burgerschap van de Europese Unie van haar kinderen. Ik meen dat haar argumenten op basis van nationaal recht en al dan niet rechtstreeks werkend volkenrecht falen op de gronden door u uiteengezet in HR BNB 2013/31:23

“3.4.1. De kinderbijslagverzekering valt binnen de reikwijdte van het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM (zie o.a. EHRM 25 oktober 2005, par. 31, Niedzwiecki/Duitsland, nr. 58453/00, RSV 2006/175, EHRC 2005/121).

3.4.2.

Het genot van het recht op kinderbijslag moet overeenkomstig artikel 14 EVRM door de verdragsluitende staten worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, waaronder begrepen een onderscheid naar nationaliteit (zie bijv. EHRM 22 januari 2008, par. 47-48, E.B./Frankrijk, nr. 43546/02, NJ 2008/456, EHRC 2008/44) en een onderscheid naar verblijfsstatus (zie EHRM 27 september 2011, par. 36 en 45, Bah/Verenigd Koninkrijk nr. 56328/07, EHRC 2011/165). Onder de werking van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVPBR is een en ander niet anders.

3.4.3.

Het bepaalde in artikel 6, lid 1, aanhef en letter a, van de AKW brengt in samenhang met het bepaalde in het tweede lid van dat artikel mee dat de kring der verzekerden - afgezien van hier niet ter zake doende uitzonderingen - bestaat uit ingezetenen die de Nederlandse nationaliteit hebben of als vreemdeling beschikken over een verblijfstitel in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw. De vreemdeling die in Nederland niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van de genoemde bepalingen uit de Vw is uitgesloten van de kinderbijslagverzekering op grond van artikel 6, lid 2, van de AKW. Deze uitsluiting is bij de Koppelingswet24 in de AKW opgenomen.

3.4.4.

Aldus wordt bij de afbakening van de kring van verzekerden voor de AKW aan ingezetenen die vreemdeling zijn een voorwaarde gesteld die aan ingezetenen met de Nederlandse nationaliteit niet wordt gesteld. Dit onderscheid naar nationaliteit vormt de grondslag van het onderscheid dat in artikel 6, lid 2, van de AKW als een onderscheid naar verblijfsstatus is verwoord.

3.4.5.

Indien een onderscheid uitsluitend is gegrond op een verschil in nationaliteit, dienen zeer gewichtige redenen te bestaan om van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dat onderscheid te kunnen spreken (zie o.a. EHRM 16 september 1996, Gaygusuz/Oostenrijk, nr. 17371/90, NJ 1998/738; EHRM 18 februari 2009, Andrejeva/Letland nr. 55707/00, EHRC 2009/49).

3.4.6.

De regeling in artikel 6, lid 2, van de AKW maakt geen onderscheid dat uitsluitend op nationaliteit is gebaseerd. Die regeling maakt immers, zoals hiervoor in 3.4.4 is vermeld, mede onderscheid op basis van verblijfsstatus (vgl. EHRM 21 juni 2011, par. 63, Ponomaryovi/Bulgarije, nr. 5335/05, en EHRM 14 december 2010, par. 106, O'Donoghue e.a./Verenigd Koninkrijk, nr. 34848/07, EHRC 2011/38). Voor zover het eerste middelonderdeel betoogt dat die regeling enkel een onderscheid naar verblijfsstatus bevat, is het derhalve ongegrond.

3.5.

Met betrekking tot de rechtvaardiging van het in artikel 6, lid 2, van de AKW gemaakte onderscheid in gevallen als hiervoor in 3.2.2 bedoeld, overweegt de Hoge Raad als volgt.

3.5.1.

Artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die behandeling ontbreekt. Dit doet zich voor indien het verschil in behandeling geen legitiem doel dient of indien de daartoe gebezigde middelen niet in een redelijke en proportionele verhouding tot dat doel staan. Hetzelfde heeft te gelden voor de toepassing van artikel 26 IVBPR.

3.5.2.

In cassatie is terecht niet in geschil dat voor het in de Koppelingswet gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus - althans in beginsel - een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. HR 12 februari 2010, nr. 08/03404, LJN BI9729, BNB 2010/133). Voorts is terecht niet in geschil dat het onderscheid ook in gevallen als die van belanghebbenden een legitiem doel dient.

3.5.3.

In geschil is of niettemin sprake is van discriminatie doordat de middelen die voor het verschil in behandeling worden gebezigd niet in een redelijke en proportionele verhouding tot dat doel staan.

3.5.4.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt dient te worden vooropgesteld dat ten aanzien van belanghebbenden, zoals in 3.4 is overwogen, niet uitsluitend een onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt, maar ook een onderscheid naar verblijfsstatus.

3.5.5.

De mate van beoordelingsvrijheid die de Staat toekomt bij het maken van een onderscheid als het onderhavige in de kring van verzekerden voor de AKW, waarbij vreemdelingen zoals belanghebbenden worden onderscheiden van vreemdelingen met een verblijfstitel in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw, moet worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval, het voorwerp van geschil en de achtergrond ervan (zie bijv. EHRM 31 maart 2009, par. 28, Weller/Hongarije, nr. 44399/05, RSV 2009, 324). Een zodanig onderscheid hoeft niet te worden gerechtvaardigd door zeer gewichtige redenen. In zoverre slaagt het eerste middelonderdeel. Bepalend is of een dergelijk onderscheid wordt gerechtvaardigd door toereikende argumenten ("sufficient reasons", zie par. 33 van het hiervoor in 3.4.1 vermelde arrest Niedzwiecki/Duitsland).

3.5.6.

In dat kader is van belang dat de omstandigheid dat belanghebbenden (deels langdurig) in Nederland verblijven zonder te beschikken over een verblijfstitel in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw, geen inherent en onveranderlijk kenmerk van de persoon is, maar een element van keuze bevat (zie EHRM 27 september 2011, par. 47, Bah/Verenigd Koninkrijk, nr. 56328/07, EHRC 2011/165).

3.5.7.

Wat het voorwerp van het geschil en de achtergrond ervan betreft, is van belang dat de Koppelingswet strekt ter ondersteuning van het Nederlandse immigratiebeleid. Het EHRM aanvaardt dat de verdragsluitende staten bij maatregelen inzake immigratie onderscheid maken naar nationaliteit (zie EHRM 19 februari 2009, par. 186, A. e.a./Verenigd Koninkrijk, nr. 3455/05, EHRC 2009/50, NJ 2010/468). Verder heeft het EHRM ten aanzien van maatregelen die een effectieve implementatie van het integratiebeleid beogen in het kader van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven overwogen dat die maatregelen het economisch welzijn van het land beogen te beschermen en daarom een legitiem doel nastreven in de zin van artikel 8, lid 2, EVRM (zie EHRM 15 mei 2012, par. 79, Nacic e.a./Zweden, nr. 16567/10, JV 2012/272).

3.5.8.

Voorts is van belang dat het voorwerp van geschil in de onderhavige gevallen de sociale zekerheid betreft. Op dat gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gevallen die voor de toepassing van de onderhavige verdragsbepalingen als gelijk worden beschouwd, niettemin in verschillende zin te regelen (zie HR 25 september 2009, nr. 08/02382, LJN BH2580, BNB 2009/285).

3.5.9.

Met betrekking tot het voorwerp van geschil en de achtergrond ervan zijn verder de hierna volgende uitgangspunten van belang.

Een uitgangspunt van de Koppelingswet is dat de uitsluiting van de aanspraak op kinderbijslag, die een uitkering ten laste van de collectieve middelen is, gekoppeld is aan, voor zover hier van belang, het ontbreken van een besluit tot toelating van de vreemdeling.

Ook is een uitgangspunt van de Koppelingswet dat in afzonderlijke regelingen aanspraken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen in overeenstemming met de aard van het verblijf worden toegekend aan vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw. In dat verband verdient opmerking dat er voor deze vreemdelingen (vreemdelingen "in procedure") een regeling is getroffen die voorziet in de verstrekking van (kort samengevat) eerste levensbehoeften (zie onderdeel 5.21 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

Verder is een uitgangspunt van de Koppelingswet dat in beginsel geen voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen worden toegekend aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in de zin van de Vw zoals zojuist bedoeld.

Een en ander wordt wel als het koppelingsbeginsel aangeduid, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat voorzieningen, verstrekkingen en aanspraken zijn afgestemd op het bepaalde bij en krachtens de Vw en het vreemdelingenbeleid van de Staat.

Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, of die enkel op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw rechtmatig in Nederland verblijven, door onder meer kinderbijslag in staat zouden worden gesteld tot voortzetting van dat verblijf, tot het verwerven van de schijn van legaliteit, of tot het opbouwen van een zodanig sterke rechtspositie - of de schijn daarvan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken (in deze zin: Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 2). Kennelijk vond de wetgever het voor (onder meer) gevallen zoals hiervoor bedoeld in 3.2.2 niet wenselijk dat de betrokken vreemdelingen, aan wie (nog) geen verblijfsvergunning is verleend en bij wie ermee rekening moet worden gehouden dat zij het land zullen moeten verlaten, in de periode totdat daaromtrent zekerheid ontstaat recht hebben op sociale zekerheidsuitkeringen op eenzelfde niveau als Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw.

3.5.10.

Met betrekking tot het voorwerp van geschil en de achtergrond ervan is verder het volgende van betekenis. Op ouders rust een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Kinderbijslag is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten daarvan. Kinderbijslag behoort niet tot die sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Een kind heeft in zekere zin een eigen belang bij de uitkering, doordat de AKW de verbetering van de positie van het kind nastreeft. Noch op grond van de AKW, noch bij of krachtens enige andere Nederlandse wettelijke bepaling heeft een kind echter een zelfstandige aanspraak op kinderbijslag of resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag.

3.5.11.

Ten aanzien van het onderhavige onderscheid bij de afbakening van de kring van verzekerden, dat ook in het geval van belanghebbenden een legitiem doel dient, brengt hetgeen hiervoor (...) is overwogen mee dat de uitsluiting van kinderbijslag ook in hun geval in een redelijke en proportionele verhouding staat tot dat legitieme doel, zodat voor dat onderscheid ook in hun geval een toereikende rechtvaardiging bestaat.

3.5.12.

Dit wordt niet anders indien belanghebbenden met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijven. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat in de periode van verblijf in Nederland voor hen duidelijk moet zijn geweest dat onzeker was of dat verblijf mocht worden voortgezet (zie EHRM 31 januari 2006, par. 39, Rodrigues da Silva e.a./Nederland, nr. 50435/99, EHRC 2006/35, JV 2006/90 ; EHRM 8 april 2008, par. 7, Nyanzi/Verenigd Koninkrijk, nr. 21878/06, JV 2008/191 ). Aldus noopt de duur van hun verblijf in Nederland niet ertoe dat de Staat aan belanghebbenden in strijd met de doelstellingen van de Koppelingswet aanspraak geeft op kinderbijslag. Dat is niet anders indien belanghebbenden door het langdurige verblijf een band met Nederland hebben kunnen opbouwen, hun kinderen in Nederland naar school gaan en belanghebbenden en hun kinderen zich onderdeel voelen van de Nederlandse samenleving.

Hetzelfde heeft te gelden indien de band van belanghebbenden met Nederland zo sterk is geworden dat zij naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande wonen in de zin van artikel 3 van de AKW. De uitzondering van de verzekeringsplicht van artikel 6, lid 2 , van de AKW ziet bij uitstek op personen die in Nederland wonen, aangezien de kring der verzekerden volgens artikel 6, lid 1 , letter a, van de AKW met name door die personen wordt gevormd. De omstandigheid dat de betrokkene in Nederland woont, vormt niet een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven om een nuancering aan te brengen op het oordeel dat het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, zoals verwoord in het (...) arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010, nr. 08/03404, LJN BI9729, BNB 2010/133.

3.5.13.

Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) leidt niet tot een andere uitkomst. Het bepaalde in het IVRK, in het bijzonder in de artikelen 2, 3, 26 en 27, brengt niet mee dat aan vreemdelingen in gevallen als hiervoor in 3.2.2 bedoeld, de aanspraak op kinderbijslag in afwijking van de nationale wetgeving niet mag worden onthouden. Evenmin leidt het bepaalde in het IVRK ertoe dat de weging van rechtvaardigingsgronden tot een andere uitkomst moet leiden dan hiervoor in 3.5.11 is vermeld.”

7.2

Weliswaar hebben belanghebbendes kinderen, anders dan de kinderen in de geciteerde zaak HR BNB 2013/31, de Nederlandse nationaliteit, maar dat maakt mijns inziens voor de toepassing van nationaal recht en volkenrecht niet uit. Nationaal recht noch rechtstreeks werkend volkenrecht geven recht op domiciliekeuze; nationaal recht noch rechtstreeks werkend volkenrecht staan in de weg aan weigering van een verblijfsvergunning aan een niet aan de Nederlandse verblijfsvoorwaarden beantwoordende derdelander, ook niet als die weigering er feitelijk toe zou kunnen leiden dat van die derdelander afhankelijke kinderen met de Nederlandse nationaliteit Nederland zouden moeten verlaten om het gezinsleven in stand te kunnen houden. Dat gezinsleven kan immers, behoudens door de belanghebbende te leveren tegenbewijs, ook buiten Nederland worden voortgezet. De rechtspraak van de ABRvS leert dan ook dat het Nederlanderschap van het kind geen bijzondere omstandigheid is die zou kunnen leiden tot de conclusie dat weigering van kindgebonden budget aan een vreemdeling zonder verblijfsstatus, mede in aanmerking genomen het belang van het kind, strijd zou opleveren met art. 14 juncto art. 8 EVRM, onder meer nog in twee uitspraken van 6 maart 2013, rolnr 201201834/1/A2, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3348, en rolnr 201203262/1/A2, ECLI:NL:RVS:2013: BZ3350 (ik citeer de laatst genoemde uitspraak):

“4.2. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (...) vinden ingevolge artikel 94 van de Grondwet wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het niet toekennen van een kindgebonden budget kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval worden aangemerkt als zijnde in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in samenhang met het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het familie- en gezinsleven, in welk geval de desbetreffende wettelijke bepaling buiten toepassing gelaten moet worden. Gezien het inkomensafhankelijke karakter van het kindgebonden budget en het cumulatieve effect van weigering van zowel kinderbijslag als kindgebonden budget, dient de Belastingdienst een gemotiveerd beroep op zeer bijzondere omstandigheden zelfstandig te beoordelen. Dat de ouder en niet het kind aanspraak kan hebben op een kindgebonden budget, staat er niet aan de in weg dat bij de beoordeling of zich zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval voordoen, het belang van het kind wordt betrokken. De Belastingdienst heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] dergelijke zeer bijzondere omstandigheden niet heeft aangevoerd en onderbouwd met concrete gegevens. De door [appellante] aangevoerde omstandigheden dat zij in verleden een verblijfsvergunning heeft gehad, één van haar kinderen wegens ziekte op haar zorg is aangewezen en al die tijd een verblijfsvergunning heeft gehad en haar jongste kind de Nederlandse nationaliteit heeft, zijn geen omstandigheden in voornoemde zin. De stelling van [appellante] dat een kindgebonden budget voorkomt dat de kinderen onder het bestaansminimum moeten leven, kan niet slagen, reeds omdat het kindgebonden budget niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 2, eerste lid, van de Wkb buiten toepassing dient te worden gelaten.”

7.3

De belanghebbende betoogt, als ik het goed zie, dat de rechtvaardiging voor het door de Koppelingswet gemaakte onderscheid naar verblijfstitel (voorkoming van onuitzetbaarheid van vreemdelingen zonder verblijfstitel) die in HR BNB 2013/31 door u aanvaard werd, niet werkt als het kind geen vreemdeling zonder verblijfsstatus is, maar Nederlander. Bij Nederlanders raakt voorkoming van onuitzetbaarheid kant noch wal, zodat de - enige - rechtvaardiging voor het onderscheid naar verblijfstitel wegvalt en slechts een discriminatoir onderscheid overblijft. In dit betoog wordt de verzorgende ouder echter min of meer gelijk gesteld met het kind: omdat het kind Nederlander is en dus een onvoorwaardelijk verblijfsrecht heeft, moet volgens de belanghebbende ook aan de verzorgende ouder een verblijfsrecht worden toegekend: ook die verzorgende ouder kan zich, aldus dit betoog, beroepen op de niet-werkzaamheid van de ratio van de Koppelingswet en daarmee op het ontbreken van een rechtvaardiging voor haar uitsluiting van kinderbijslag. Zoals in 7.1 en 7.2 bleek, kan een dergelijk betoog echter noch op nationaal recht, noch op rechtstreeks werkend volkenrecht worden gebaseerd. Weliswaar belet art. 3(1) van het Vierde Protocol bij het EVRM (zie onderdeel 5 hierboven) dat Nederlanders door Nederland worden uitgezet, maar het belet niet - en het komt regelmatig voor - dat een vreemdeling zonder verblijfsstatus met een afhankelijk kind van Nederlandse nationaliteit Nederland mét kind moet verlaten. De minister heeft een discretionaire bevoegdheid (art. 3.4(3) en 3.71(3) Vreemdelingenbesluit 200025 (Vb 2000)), die hij uiteraard in overeenstemming art. 8 EVRM moet uitoefenen, maar daar is in uitgangspunt aan voldaan als het gezinsleven buiten Nederland kan worden voortgezet.26

7.4

Ik merk in aanvulling op HR BNB 2013/31 en het bovenstaande naar aanleiding van belanghebbendes stellingen nog op dat mijns inziens ook geen discriminatie oplevert dat de vader Nederlander is en dat de belanghebbende geen kinderbijslag krijgt waar de vader die wél had gekregen als de kinderen bij hem zouden hebben gewoond. De belanghebbende is rechtens noch feitelijk vergelijkbaar met de vader: zij is als vreemdeling zonder verblijfstitel niet vergelijkbaar met een Nederlander en de (geoorloofde) ratio van de Koppelingswet ziet wél op haar, maar niet op de vader. Bovendien woont de vader in Suriname (zie 2.1) zodat hij niet verzekerd is en reeds daarom geen recht op kinderbijslag heeft, ongeacht of zijn kinderen bij hem wonen. Daarnaast wil of kan de vader niet voor zijn kinderen zorgen, zodat hij ook op die grond geen recht op kinderbijslag heeft, ook niet als de kinderen bij hem zouden wonen. Als de belanghebbende niet voor haar kinderen zou kunnen of willen zorgen of in Suriname zou wonen, zou ook zij - gezien de artt. 6(1) en 7(1) AKW - op die grond geen kinderbijslag ontvangen.

7.5

Ik meen daarom dat belanghebbendes klachten, gebaseerd op nationaal recht en op het EVRM, het IVBPR, het IVESCR, het ESH en het IVRK, falen op grond van HR BNB 2013/31.

7.6

Het gaat er mijns inziens daarom nog slechts om of het Unierecht, met name het EU-burgerschap van belanghebbendes kinderen (artt. 20 en 21 VwEU) en eventuele toepasselijkheid van het Handvest, ertoe noopt voorbij te gaan aan belanghebbendes wettelijke uitsluiting van kinderbijslag over de periode 2007-2009. Ik beperk mij in het hierna volgende dan ook tot die vraag. Daartoe geef ik in onderdeel 8 eerst een overzicht van de in casu relevante rechtspraak van het HvJ EU over reikwijdte en inhoud van het Unieburgerschap en over het bereik van het Handvest ter zake van handelingen (of nalaten) van de lidstaten.

8. Rottman, Ruiz Zambrano, McCarthy, Dereçi, Iida, O. en S., Ymeraga en Åkerberg Fransson: het (toepassingsbereik van het) Unieburgerschap en van het Handvest van de Grondrechten van de EU

8.1

Het arrest Rottman27 betrof een geboren Oostenrijker die naar Duitsland was verhuisd en de Duitse nationaliteit verkreeg, hetgeen verlies van zijn Oostenrijkse nationaliteit meebracht. Hij had bij zijn aanvraag verzwegen dat hij in Oostenrijk werd vervolgd en dat een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd. Toen dit de Duitse autoriteiten bekend werd, trokken zij zijn Duitse nationaliteit in. Omdat Rottman niet voldeed aan de voorwaarden voor terugkrijgen van de Oostenrijkse nationaliteit dreigde hij staatloos te worden. De Duitse rechter vroeg het HvJ EU of dat gevolg verenigbaar is met EU-recht. Het HvJ verwierp het standpunt van Duitsland en Oostenrijk dat het EU-recht niet relevant zou zijn:28

“41. Dat een materie tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, neemt echter niet weg dat in situaties die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, de betrokken nationale voorschriften toch het Unierecht moeten eerbiedigen (...).

42 Het is duidelijk dat de situatie van een burger van de Unie die, zoals verzoeker in het hoofdgeding, wordt geconfronteerd met een door de autoriteiten van een lidstaat genomen besluit tot intrekking van de naturalisatie dat hem, na het verlies van de nationaliteit van een andere lidstaat die hij vroeger had, in een situatie brengt die kan leiden tot het verlies van de bij artikel 17 EG verleende hoedanigheid en de daaraan verbonden rechten, wegens de aard en de gevolgen ervan onder het Unierecht valt.”

8.2

In de zaak Ruiz Zambrano29 ontbrak elke uitoefening van EU-verkeersvrijheden: alles speelde zich binnen één lidstaat af. De zaak betrof een Colombiaan die in 1999 in België asiel vroeg. Zijn eveneens Colombiaanse echtgenote reisde hem korte tijd later na met hun minderjarige kind en vroeg eveneens om de vluchtelingstatus. De Belgische autoriteiten weigerden hen die status, maar vanwege de burgeroorlog in Colombia werden zij niet teruggestuurd. Het echtpaar kreeg in België een tweede en een derde kind, die beiden de Belgische nationaliteit verkregen. In 2001 zijn de echtelieden in België ingeschreven en werd Zambrano door een Belgisch bedrijf voltijds voor onbepaalde tijd in dienst genomen, zodat hij in zijn onderhoud en dat van zijn gezin kon voorzien. Het ontbreken van een arbeidsvergunning leidde er echter toe dat de arbeidsverhouding moest worden beëindigd. In 2009 verkreeg Zambrano een voorlopige, verlengbare verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning die echter geen terugwerkende kracht had. Het ontbreken van die terugwerkende kracht en de daarop gebaseerde weigering van een werkloosheidsuitkering leidden tot een procedure voor de Belgische rechter waarin Zambrano stelde rechtstreeks aan het EG-Verdrag een verblijfsrecht te ontlenen, althans op grond van de zaak Zhu en Chen30 een afgeleid verblijfsrecht te ontlenen aan de afhankelijkheid van zijn jonge kinderen - Unieburgers - zodat het arbeidsvergunnings-vereiste voor hem niet gold. Het HvJ EU overwoog na prejudiciële verwijzing:

“39. Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 [de Verblijfsrichtlijn; PJW], met als opschrift ‘Begunstigden’, deze richtlijn van toepassing is op iedere burger van de Unie die ‘zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden’. Deze richtlijn is bijgevolg niet van toepassing op een situatie zoals deze in het hoofdgeding.

40. Artikel 20 VWEU verleent aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit de status van burger van de Unie (….). Aangezien zij de Belgische nationaliteit bezitten, waarvan de voorwaarden tot verkrijging tot de bevoegdheid van de betrokken lidstaat behoren (zie in die zin arrest van 2 maart 2010, Rottmann, C-135/08, Jurispr . p. I-6191, punt 39), hebben het tweede en het derde kind van verzoeker in het hoofdgeding ontegenzeglijk deze status (zie in die zin eerder aangehaald arresten Garcia Avello, punt 21, en Zhu en Chen, punt 20).

41. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (….).

42. In die omstandigheden verzet artikel 20 VWEU zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten (zie in die zin arrest Rottmann, punt 42).

43. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven.

44. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.”

8.3

Het arrest McCarthy31 betrof de Jamaicaan George McCarthy. Hij kwam in 2002 het Verenigd Koninkrijk (VK) binnen als bezoeker (“visitor”), welke status hem het recht gaf om zes maanden in het VK te verblijven. Shirley McCarthy was geboren in het VK, had de Britse nationaliteit, had altijd in Engeland gewoond en ontving Britse sociale-zekerheidsuitkeringen. Zij had de zorg voor drie kinderen, van wie één gehandicapt. George en Shirley ontmoetten elkaar in 2002 tijdens George’s legale verblijf in het VK en zij trouwden op 15 november 2002. Na haar huwelijk vroeg Shirley - voor de eerste keer - een Iers paspoort aan, dat werd verleend omdat haar moeder in Ierland was geboren. George vroeg in 2002 een verblijfsvergunning in het VK aan, die werd geweigerd. Op 23 juli 2004 verzocht Shirley om verblijfsdocumenten op grond van de Verblijfsrichtlijn. George diende eenzelfde verzoek in als echtgenoot van een Unieburger. Bij beschikking van 6 december 2004 werden beide verzoeken afgewezen omdat Shirley niet voldeed aan de voorwaarden: alleen werknemers, zelfstandigen en personen met voldoende bestaansmiddelen kwamen in aanmerking. Bijgevolg kon George niet worden aangemerkt als echtgenoot van een persoon die aan de voorwaarden voldeed. Aan George werd voorts meegedeeld dat hij niet langer legaal in het VK verbleef. De echtelieden procedeerden daartegen. De hoogste nationale rechter stelde het HvJ EU onder meer de prejudiciële vraag of Shirley “begunstigde” was in de zin van de Verblijfsrichtlijn, zodat haar verzoek zou moeten worden ingewilligd. Het HvJ overwoog:

“25. (…) zij vastgesteld dat noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de schriftelijke stukken of uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat McCarthy ooit haar recht op vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend, zij het persoonlijk of als familielid van een burger van de Unie die een dergelijk recht heeft uitgeoefend. Evenzo zij vastgesteld dat McCarthy om een verblijfsrecht op grond van het recht van de Unie verzoekt hoewel zij niet beweert een werknemer of een zelfstandige te zijn of over voldoende bestaansmiddelen te beschikken.

26. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen dus te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 of artikel 21 VWEU van toepassing zijn op de situatie van een burger van de Unie die nooit zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, en die overigens ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.

(...).

31. Aan de hand van een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging van deze bepaling [art. 3(1) van de Verblijfsrichtlijn; PJW], moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.

32. Ten eerste is volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38, begunstigde ervan immers iedere burger van de Unie die zich “begeeft naar” of verblijft in een “andere” lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

33. Ten tweede heeft richtlijn 2004/38 (...) weliswaar tot doel de uitoefening van het fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, dat rechtstreeks aan alle burgers van de Unie wordt verleend, te vergemakkelijken en te versterken, wat evenwel niet wegneemt dat zij (...) de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht regelt.

34. Aangezien (...) het verblijf van een persoon die in de lidstaat van zijn nationaliteit verblijft, niet van voorwaarden afhankelijk mag worden gesteld, kan het niet de bedoeling zijn dat richtlijn 2004/38 betreffende de voorwaarden voor uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wordt toegepast op een burger van de Unie die een onvoorwaardelijk verblijfsrecht heeft op grond dat hij in de lidstaat van zijn nationaliteit verblijft.

35. Ten derde blijkt uit richtlijn 2004/38 als geheel dat het verblijf waarvan sprake is, verband houdt met de uitoefening van het vrij verkeer van personen.”

Het enkele feit dat Shirley twee EU-nationaliteiten had, leverde geen grensoverschrijdend aspect op dat haar situatie binnen de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn bracht:

“39. In een context als deze van het hoofdgeding, voor zover de betrokken burger van de Unie nooit zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, valt deze burger dus niet onder het begrip „begunstigde” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38, zodat deze op hem niet van toepassing is.

40. Het feit dat de betrokken burger tevens de nationaliteit van een andere lidstaat bezit dan die waarin hij verblijft, doet niets af aan deze vaststelling.

41. Dat een burger van de Unie de nationaliteit van meer dan een lidstaat bezit, betekent immers niet dat hij zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend.”

Daarmee viel, wat de Verblijfsrichtlijn betreft, ook voor George het doek, om wiens verblijfsrecht het eigenlijk te doen was:

“42. Ten slotte zij opgemerkt dat, aangezien een burger van de Unie als McCarthy niet onder het begrip “begunstigde” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 valt, haar echtgenoot evenmin onder dit begrip valt, aangezien de bij deze richtlijn aan de familieleden van een begunstigde verleende rechten geen persoonlijke rechten van deze familieleden zijn, maar afgeleide rechten, die zij in hun hoedanigheid van familielid van een begunstigde hebben verkregen (…).

43. Hieruit volgt dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.”

Het HvJ onderzocht vervolgens of art. 21 VwEU van toepassing was:

“45. Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen niet kunnen worden toegepast op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarop het recht van de Unie ziet, en waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen (….).

46. In dit verband zij echter opgemerkt dat de situatie van een staatsburger van een lidstaat die, zoals McCarthy, het recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, niet op grond van dit feit alleen kan worden gelijkgesteld met een zuiver interne situatie (zie in die zin arrest van 12 juli 2005, Schempp, C-403/03, Jurispr. blz. I-6421, punt 22).

47. Het Hof heeft immers herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (zie arrest van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C-34/09, (…), punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). (...).

48. Als staatsburger van minstens een lidstaat heeft een persoon als McCarthy de status van burger van de Unie volgens artikel 20, lid 1, VWEU, zodat hij zich, ook ten opzichte van zijn lidstaat van herkomst, kan beroepen op de bij die status horende rechten, met name op het recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten, zoals verleend door artikel 21 VWEU (...).

49. Uit geen enkel element van de situatie van McCarthy, als door de verwijzende rechter beschreven, blijkt echter dat de betrokken nationale maatregel tot gevolg heeft dat haar het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan haar status van burger van de Unie ontleende rechten of dat de uitoefening wordt belemmerd van haar recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten overeenkomstig artikel 21 VWEU. Het feit dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de Ierse nationaliteit van McCarthy niet in aanmerking hebben genomen teneinde haar een recht op verblijf in het Verenigd Koninkrijk toe te kennen, heeft immers geen enkele invloed op het recht van deze laatste om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten en evenmin op enig ander aan haar status van burger van de Unie ontleend recht.

50. In dit verband zij opgemerkt dat, anders dan hetgeen kenmerkend was in de zaak waarin voormeld arrest Ruiz Zambrano is gewezen, de betrokken nationale maatregel in het onderhavige hoofdgeding niet tot gevolg heeft dat McCarthy zal worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. [Zij] heeft (...) overeenkomstig een beginsel van internationaal recht op grond van haar nationaliteit van het Verenigd Koninkrijk immers een onvoorwaardelijk verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk.

51 Het onderhavige hoofdgeding onderscheidt zich tevens van de zaak waarin het arrest van 2 oktober 2003, Garcia Avello (C-148/02, Jurispr. blz. I-11613) is gewezen. In deze zaak heeft het Hof immers geoordeeld dat de toepassing van de regeling van een lidstaat op staatsburgers van die lidstaat, die tevens de nationaliteit van een andere lidstaat hebben, tot gevolg had dat deze burgers van de Unie in de twee betrokken rechtsorden verschillende namen droegen en dat deze situatie voor de betrokkenen ernstige ongemakken in hun beroeps- en privé-leven kon veroorzaken, met name doordat zij zich in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, moeilijk konden beroepen op akten of documenten die zijn opgesteld onder de naam die wordt erkend in een andere lidstaat, waarvan zij eveneens de nationaliteit bezaten.

52. (...).

53. In de reeds aangehaalde zaken (…) Ruiz Zambrano en Garcia Avello (…), had de betrokken nationale maatregel tot gevolg dat burgers van de Unie het effectieve genot werd ontzegd van de belangrijkste aan deze status ontleende rechten of de uitoefening werd belemmerd van hun recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten.

54. Zoals in herinnering is gebracht in punt 49 van het onderhavige arrest, brengt, in de context van het onderhavige hoofdgeding, de omstandigheid dat McCarthy naast de nationaliteit van het Verenigd Koninkrijk, ook de Ierse nationaliteit bezit, evenwel niet de toepassing mee van maatregelen van een lidstaat die tot gevolg hebben dat haar het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten of de uitoefening wordt belemmerd van haar recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten. In een dergelijke context kan zulke omstandigheid alleen dus niet volstaan om artikel 21 VWEU als toepasbaar op de situatie van de betrokken persoon te beschouwen.

55. In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de situatie van een persoon als McCarthy geen enkel aanknopingspunt heeft met een van de situaties waarop het recht van de Unie ziet en dat alle relevante elementen van deze situatie geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen.

56. Hieruit volgt dat artikel 21 VWEU niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die overigens de nationaliteit van een andere lidstaat bezit, voor zover de situatie van deze burger niet de toepassing meebrengt van maatregelen van een lidstaat die tot gevolg hebben dat hem het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie verbonden rechten of de uitoefening wordt belemmerd van zijn recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten.”

8.4

De zaak Dereçi32 betrof vijf belanghebbenden, onder wie Murat Dereçi, Turks onderdaan,33 die in november 2001 illegaal Oostenrijk was binnengekomen. In juli 2003 huwde hij een Oostenrijkse met wie hij drie kinderen kreeg, in 2006, 2007 en 2008, die allen de Oostenrijkse nationaliteit verkregen. Zijn in 2004 ingediende aanvraag om een verblijfstitel werd afgewezen na inwerkingtreding van de Niederlassungs- und Aufenthaltsgesetz die aanvragers uit derde landen verplichtte de beslissing buiten Oostenrijk af te wachten. De Oostenrijkse autoriteiten oordeelden daarom dat Dereçi vanaf 1 januari 2006, hoewel in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, illegaal in Oostenrijk verbleef en vaardigden een uitzettingsbevel tegen hem uit. Dereçi stelde daartegen beroep in. Zijn verzoek om schorsende werking werd afgewezen. Dereçi wilde niet alleen in Oostenrijk blijven om daar met zijn gezin samen te leven maar ook om als kapper te werken en aldus voor zijn gezin te kunnen zorgen. Hij maakte aanspraak op een verblijfsrecht op de grond dat zijn uitzetting er toe zou leiden dat zijn kinderen en vrouw effectief het genot van hun Unieburgerrechten zou worden ontzegd. Op prejudiciële vragen van de Oostenrijkse rechter overwoog het HvJ (r.o. 47) dat de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG34 niet van toepassing was omdat zij ingevolge art. 3(3) niet van toepassing is op gezinsleden van een Unieburger. Ook de Verblijfsrichtlijn was niet van toepassing:

“55. (...) daar waar een burger van de Unie niet onder het begrip ‘begunstigde’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 valt, [vallen] de leden van zijn familie evenmin onder dit begrip (...), aangezien de bij deze richtlijn aan de gezinsleden van een begunstigde verleende rechten geen persoonlijke rechten van deze gezinsleden zijn, maar afgeleide rechten, die zij in hun hoedanigheid van gezinslid van een begunstigde hebben verkregen (zie, wat een echtgenoot betreft, arrest McCarthy, reeds aangehaald, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56. Niet alle personen met de nationaliteit van een derde land ontlenen immers aan richtlijn 2004/38 rechten van binnenkomst en verblijf in een lidstaat, maar uitsluitend diegenen die in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn familielid zijn van een burger van de Unie die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich in een andere lidstaat te vestigen dan die waarvan hij de nationaliteit bezit (arrest Metock e.a., reeds aangehaald, punt 73).

57. Aangezien in de onderhavige zaken de betrokken burgers van de Unie nimmer gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer en zij steeds hebben verbleven in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, moet worden vastgesteld dat zij niet vallen onder het begrip ‘begunstigde’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38, zodat deze laatste niet van toepassing is op henzelf of op hun familieleden.

58. Hieruit volgt dat de richtlijnen 2003/86 en 2004/38 niet van toepassing zijn op staatsburgers van derde landen die om een verblijfsrecht verzoeken om zich te voegen bij hun familieleden die burgers van de Unie zijn, die nimmer gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer en steeds hebben verbleven in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten.”

Het HvJ beoordeelde vervolgens de toepasselijkheid van art. 20 VwEU:

“66. Hieruit [uit Zambrano; PJW] volgt dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.

67. Dit is dus een criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op gevallen waarin, ondanks dat het secundaire recht inzake het verblijfsrecht van staatsburgers van derde landen niet van toepassing is, uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een staatsburger van een derde land die lid is van de familie van een staatsburger van een lidstaat, omdat anders de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie dat deze laatste staatsburger toekomt.

68. Het enkele feit dat het voor een staatsburger van een lidstaat misschien wenselijk is, om economische redenen of om de eenheid van de familie op het grondgebied van de Unie te bewaren, dat de leden van zijn familie, die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, bij hem op het grondgebied van de Unie verblijven, volstaat bijgevolg op zich niet om aan te nemen dat de burger van de Unie verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten indien een dergelijk recht niet wordt toegekend.”

Het HvJ constateerde dat zijn bevoegdheid tot bescherming van het grondrecht op gezinsleven wordt beperkt door het boven geciteerde art. 51 Handvest (het Handvest geldt voor de lidstaten alleen als zij “Unierecht ten uitvoer brengen”) en dat het aan de nationale rechter is om te bezien of aan art. 7 Handvest getoetst moet worden (indien Dereçi’s geval binnen de werkingssfeer van het EU-recht zou vallen), en dat deze, indien dat niet het geval is, aan art. 8 EVRM moet toetsen (recht op eerbiediging van het privé-leven en familie- en gezinsleven):

“72. Indien de verwijzende rechter in de onderhavige zaak van oordeel is dat, gelet op de omstandigheden van de hoofdgedingen, de situatie van verzoekers in de hoofdgedingen onder het recht van de Unie valt, zal hij moeten onderzoeken of de ontzegging van een verblijfsrecht aan deze laatste, het recht op eerbiediging van hun privé-leven en familie- en gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest aantast. Wanneer hij daarentegen van oordeel is dat genoemde situatie niet binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, zal hij dit onderzoek in het licht van artikel 8, lid 1, van het EVRM moeten verrichten.

73. Er moet immers aan worden herinnerd dat alle lidstaten partij zijn bij het EVRM, in artikel 8 waarvan het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven is neergelegd.

74. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het recht van de Unie en meer bepaald de bepalingen inzake het burgerschap van de Unie, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat een staatsburger van een derde land het verblijf op zijn grondgebied ontzegt, terwijl deze staatsburger wil verblijven met een lid van zijn familie dat burger van de Unie is, dat verblijft in die lidstaat, waarvan het de nationaliteit bezit, en dat nimmer gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, mits een dergelijke ontzegging niet met zich meebrengt dat de burger van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan.”

8.5

De arresten Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi zijn de drie belangrijkste over ‘autonome’ toepasselijkheid (i.e. bij ontbreken van gebruikmaking van de verkeersvrijheden) van het Unieburgerschap. Ik behandel volledigheidshalve nog drie na Dereçi gewezen arresten over het Unieburgerschap, de daaraan verbonden belangrijkste rechten en de rol van het Handvest, alsmede de zaak Åkerberg Fransson over het bereik van het Handvest ter zake van handelingen van de lidstaten, met name over de uitleg van de term “uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in art. 51(1) Handvest.

8.6

De zaak Iida35 betrof een Japanner die in de VS was getrouwd met een Duitse. Hun dochter was in de VS geboren en had de Duitse, de Japanse en de Amerikaanse nationaliteit. Nadat het gezin naar Duitsland was verhuisd, verkreeg Iida aldaar een verblijfsvergunning tot gezinshereniging. Hij werkte voltijds op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in Ulm. In 2007 ging zijn echtgenote voltijds in Wenen werken. Hoewel de echtgenoten aanvankelijk een levensgemeenschap tussen Ulm en Wenen behielden, leefden zij sinds januari 2008 duurzaam, maar niet van echt gescheiden. Beiden hadden het ouderlijk gezag over hun dochter, hetgeen zij samen uitoefenden, al verbleef de dochter sinds maart 2008 gewoonlijk in Wenen, waar zij onderwijs volgde. Iida bezocht zijn dochter één weekend per maand in Wenen en zijn dochter bracht de meeste vakanties bij hem in Ulm door. Hun relatie was uitstekend en zij reisden ook samen. Na het vertrek van zijn vrouw en dochter naar Wenen was een zelfstandig verblijfsrecht voor Iida in Duitsland uitgesloten omdat de echtgenoten niet gedurende ten minste twee jaar in Duitsland hadden samengewoond en geen vrijstelling van deze voorwaarde hadden gevraagd. Iida kreeg wel op grond van zijn baan in Ulm een verblijfsvergunning die steeds kon worden verlengd. Hij diende een verzoek in voor een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ex richtlijn 2003/109/EG,36 maar trok dat later in. Ook vroeg hij een ”verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” op grond van de Verblijfsrichtlijn. Die werd hem geweigerd. De daarop door hem geadieerde Duitse rechter vroeg zich onder meer af of (i) de Verblijfsrichtlijn op Iida van toepassing is, (ii) het Handvest van toepassing is, (iii) ongeschreven Unierechtelijke grondrechten in volle omvang kunnen worden toegepast en of (iv) gezien het arrest Zu en Chen uit art. 21(1) VwEU een verblijfsrecht voor Iida kan worden afgeleid. Het HvJ overwoog:

“33. Volgens de verwijzende rechter laten de bovenvermelde vragen zich in één vraag samenvatten:

„Vloeit uit het recht van de Europese Unie voor een ouder, onderdaan van een derde land, die het ouderlijk gezag uitoefent, met het oog op het instandhouden van regelmatige persoonlijke betrekkingen en directe ouderlijke contacten met zijn kind, burger van de Unie, een met een ‘verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’ te staven verblijfsrecht in de lidstaat van herkomst van dit kind voort, wanneer dit kind door de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer zich in een andere lidstaat heeft gevestigd?”

34. Om de door de verwijzende rechter gestelde vraag te beantwoorden, dient vooreerst te worden nagegaan of een persoon die zich in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding bevindt, in aanmerking komt voor toepassing van de bepalingen van afgeleid recht die, onder bepaalde voorwaarden, voorzien in de afgifte van een verblijfsvergunning in een lidstaat aan een onderdaan van een derde land.

35. Indien dit niet het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of een persoon die zich in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding bevindt, rechtstreeks een verblijfsrecht kan ontlenen aan de bepalingen van het VWEU inzake het burgerschap van de Unie.”

Het HvJ achtte de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing: Iida was geen ‘begunstigde’ omdat hij zijn dochter bij het uitoefenen van haar recht op vrij reizen niet had begeleid noch haar bij zich heeft gevoegd (punt 65). Bovendien kon Iida de Verblijfsrichtlijn alleen inroepen tegenover de lidstaat waar zijn dochter woonde, Oostenrijk derhalve, zo volgt uit de zaak Eind37 (punt 64). Het HvJ stapte daarom ook in deze zaak over naar art. 20 en 21 VwEU:

“66. Vooraf zij opgemerkt dat de verdragsbepalingen inzake het burgerschap van de Unie aan onderdanen van derde landen geen autonome rechten verlenen.

67. Net zoals de rechten die richtlijn 2004/38 verleent aan de familieleden met de nationaliteit van een derde land van een burger van de Unie, die begunstigde van de richtlijn is, zijn de eventuele rechten die de Verdragbepalingen inzake het burgerschap van de Unie aan onderdanen van derde landen verlenen, namelijk geen persoonlijke rechten van deze staatsburgers, maar rechten die zijn afgeleid uit de uitoefening van de vrijheid van verkeer door een burger van de Unie (zie in die zin arresten van 5 mei 2011, McCarthy, C-434/09, (…), punt 42, en Dereci e.a., reeds aangehaald, punt 55).”

Over de zaken Zu en Chen, Eind en Dereçi overwoog het HvJ:

“72. Bovengenoemde situaties hebben een kenmerkend element gemeen, namelijk dat zij, hoewel zij zijn geregeld bij regelingen die a priori tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, te weten regelingen inzake het inreis- en verblijfsrecht van onderdanen van derde landen buiten de werkingssfeer van richtlijn 2003/109 of richtlijn 2004/38, onlosmakelijk verbonden zijn met de vrijheid van verkeer van een burger van de Unie die zich ertegen verzet dat het inreis- of verblijfsrecht aan die onderdanen wordt geweigerd in de lidstaat waar die burger verblijft ten einde geen afbreuk aan die vrijheid te doen.”

Het HvJ oordeelde dat Iida’s dochter en echtgenote niet het genot van hun Unieburgerrechten werd ontzegd en dat de enkele mogelijkheid dat Iida’s dochter of echtgenote in de toekomst gebruik maakt van het recht om vrij te reizen onvoldoende aanknoping met EU-recht oplevert:

“74. [Het] (...) staat vast dat verzoeker altijd in [Duitsland; PJW] heeft verbleven met inachtneming van het nationale recht en dat het feit dat hij geen Unierechtelijk verblijfsrecht genoot zijn dochter of zijn echtgenote er niet van heeft weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen door naar Oostenrijk te verhuizen.

75. Ten slotte beschikt verzoeker in het hoofdgeding, zoals uit de punten 28 en de punten 40 tot en met 45 van het onderhavige arrest volgt, enerzijds krachtens het nationale recht tot en met 2 november 2012 over een verblijfsrecht, dat volgens de Duitse regering zonder meer verlengbaar is, en kan hij anderzijds in beginsel aanspraak maken op de status van langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109.

76. In die omstandigheden kan niet op goede gronden worden gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing tot gevolg heeft dat de dochter of de echtgenote van Iida het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten of dat de uitoefening wordt belemmerd van hun recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (zie arrest McCarthy, reeds aangehaald, punt 49).

77. Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat het louter hypothetische vooruitzicht van de uitoefening van het recht van vrij verkeer geen toereikende band met het Unierecht vormt om toepassing van de voorschriften ervan te rechtvaardigen (zie arrest van 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 16). Hetzelfde geldt wat louter hypothetische vooruitzichten van belemmering van dat recht betreft.”

Over het Handvest overwoog het HvJ:

“78. (...). Het Hof moet (...) het recht van de Unie, binnen de grenzen van de aan de Unie toegekende bevoegdheden, uitleggen in het licht van het Handvest (zie arrest Dereci e.a., reeds aangehaald, punt 71).

79. Om uit te maken of de weigering van de Duitse autoriteiten om Iida de “verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” af te geven, valt onder de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie in de zin van artikel 51 van het Handvest, dient onder andere te worden nagegaan of de betrokken nationale regeling de uitvoering beoogt van een Unierechtelijke bepaling, welke de aard van die regeling is en of deze regeling andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het recht van de Unie ziet, ook wanneer de regeling dit recht indirect nadelig kan beïnvloeden, alsmede of terzake een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is of die de nationale regeling nadelig kan beïnvloeden (zie arrest van 18 december 1997, Annibaldi, C-309/96, Jurispr. blz. I-7493, punten 21-23).

80. Hoewel § 5 FreizügG/EU, waarin in de afgifte van een “verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” is voorzien, duidelijk de uitvoering van het Unierecht beoogt, valt de situatie van verzoeker in het hoofdgeding evenwel niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht, aangezien hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 van richtlijn 2004/38 voor de afgifte van die kaart. Aangezien verzoeker in het hoofdgeding bovendien geen verzoek heeft ingediend overeenkomstig richtlijn 2003/109 strekkende tot het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene, heeft zijn situatie geen aanknopingspunt met het recht van de Unie.

81. In die omstandigheden valt de weigering van de Duitse autoriteiten om Iida een “verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” af te geven, niet binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie in de zin van artikel 51 van het Handvest, zodat bij de toetsing van die weigering aan de grondrechten niet kan worden uitgegaan van de in het Handvest neergelegde grondrechten.”

8.7

Beoordelingscriteria voor de vraag of een Unieburger het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan die status ontleende rechten of wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten gaf het HvJ EU in de zaak O. en S.38 Deze zaak betrof twee derdelanders (S. en L.) die elk rechtmatig in Finland verbleven, getrouwd waren met een Fins onderdaan en een kind kregen dat (mede) de Finse nationaliteit had. Na hun echtscheidingen bleven zij in Finland wonen; beiden hadden het uitsluitende gezag over hun Finse kind. Beiden hertrouwden met een derdelander (S. met O. en L. met M.), uit welke huwelijken kinderen werden geboren die onderdaan werden van een derde land. Deze kinderen stonden onder gemeenschappelijk gezag van hun respectieve ouders. O. woonde samen met S., met het kind dat hij met S. had gekregen en met het kind dat S. uit haar eerste huwelijk had. S. heeft een beroepsactiviteit uitgeoefend; L. niet (zij ontving bijstand). M. werd voordat zijn kind werd geboren teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Op basis van het huwelijk heeft O. om een verblijfstitel verzocht; L. heeft dit voor M. moeten doen omdat M was teruggestuurd. De gevraagde verblijfstitels werden geweigerd omdat de betrokkenen over onvoldoende middelen van bestaan beschikten. De Finse rechter vroeg zich af of en zo ja, hoe ’s Hofs Zambrano-rechtspraak op deze gevallen moest worden toegepast. Het HvJ constateerde dat de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing was, nu de kinderen van S. en L. uit hun eerste huwelijken, hoewel Unieburgers, nooit gebruik hadden gemaakt van hun recht van vrij verkeer maar altijd in Finland hadden gewoond. Het HvJ herhaalde zijn oordeel uit Dereçi dat het Zambrano-criterium (effectieve ontzegging van genot van de belangrijkste Unieburgerrechten) “een zeer bijzonder criterium” is en het aan de verwijzende rechter is om te beoordelen of eraan wordt voldaan. Hij gaf die rechter daarbij de volgende handvatten:

“50. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de moeders van de burgers van de Unie in de betrokken lidstaat over permanente verblijfstitels beschikken, zodat er rechtens noch voor hen, noch voor de burgers van de Unie die zij ten laste hebben, enige verplichting is om het grondgebied van deze lidstaat en dat van de Unie als geheel te verlaten.

51. Voor de vraag of de betrokken burgers van de Unie feitelijk de voornaamste aan hun status verbonden rechten niet zouden kunnen uitoefenen, zijn ook relevant de vraag naar het gezag over de kinderen van de gezinsherenigers en de omstandigheid dat deze kinderen deel uitmaken van samengestelde gezinnen. Aangezien S. en L. het uitsluitende gezag hebben over de betrokken jonge burgers van de Unie, zou, indien zij mochten besluiten om ter bewaring van de eenheid van het gezin het grondgebied te verlaten van de lidstaat waarvan hun kinderen de nationaliteit bezitten, deze burgers van de Unie daardoor elk contact met hun biologische vader worden ontzegd indien dat voorheen bestond. Voorts zou elke beslissing om op het grondgebied van deze lidstaat te blijven om de eventuele relatie van de jonge burgers van de Unie met hun biologische vader te behouden, tot gevolg hebben dat de relatie tussen de andere kinderen, die onderdanen van derde landen zijn, en hun biologische vader in het gedrang wordt gebracht.

52. Het enkele feit dat het misschien wenselijk is - om economische redenen of om de eenheid van het gezin op het grondgebied van de Unie te bewaren - dat leden van een gezin dat is samengesteld uit onderdanen van derde landen en een jong kind dat burger van de Unie is met die burger op het grondgebied van de Unie kunnen verblijven in de lidstaat waarvan deze laatste de nationaliteit bezit, betekent echter nog niet dat deze burger het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten indien een dergelijk verblijfsrecht niet werd toegekend (zie in die zin arrest Dereci e.a., punt 68).

53. In het kader van (...) bedoelde beoordeling door de verwijzende rechter zal deze alle omstandigheden van de zaak moeten onderzoeken om te bepalen of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde weigeringen van de verblijfstitels ertoe kunnen leiden dat het burgerschap van de Unie dat de betrokken burgers van de Unie genieten zijn nuttig effect wordt ontnomen.

54. De vraag of de persoon voor wie een verblijfsrecht uit hoofde van gezinshereniging wordt aangevraagd al dan niet onder hetzelfde dak woont als de gezinsherenigster en de andere gezinsleden is voor deze beoordeling niet doorslaggevend, aangezien niet kan worden uitgesloten dat bepaalde gezinsleden voor wie de gezinshereniging wordt aangevraagd onafhankelijk van de rest van het gezin in de betrokken lidstaat aankomen.

55. Bovendien zijn, anders dan de Duitse en de Italiaanse regering aanvoeren, de in het arrest Ruiz Zambrano ontwikkelde beginselen weliswaar slechts in uitzonderlijke omstandigheden van toepassing, maar uit de rechtspraak van het Hof volgt niet dat zij enkel gelden voor situaties waarin tussen de onderdaan van het derde land waarvoor een verblijfsrecht wordt aangevraagd en de burger van de Unie, een jong kind, een biologische band bestaat waaruit eventueel het verblijfsrecht van de verzoeker zou volgen.

56. Daarentegen moeten zowel het permanente verblijfsrecht van de moeders van de betrokken jonge burgers van de Unie als de omstandigheid dat op de onderdanen van de derde landen voor wie een verblijfsrecht wordt aangevraagd niet de wettelijke, financiële of affectieve last van deze burgers rust, in aanmerking worden genomen om te bepalen of deze laatsten in geval van weigering van verblijf de voornaamste aan hun status verbonden rechten niet zouden kunnen uitoefenen. Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt is het immers de afhankelijkheidsverhouding tussen de jonge burger van de Unie en de onderdaan van het derde land aan wie een verblijfsrecht wordt geweigerd, die het nuttig effect van het burgerschap van de Unie in het geding kan brengen, aangezien deze afhankelijkheid ertoe zal leiden dat de burger van de Unie als gevolg van een dergelijke weigeringsbeslissing gedwongen zal zijn niet enkel het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten (zie arresten Ruiz Zambrano, punten 43 en 45, en Dereci e.a., punten 65 en 67).

57. Behoudens de verificatie die op de weg ligt van de verwijzende rechter lijkt de informatie waarover het Hof beschikt erop te wijzen dat van deze afhankelijkheid in de hoofdgedingen geen sprake is.”

8.8

Het laatste Unieburgerschap-arrest dat ik hier bespreek is het geval van Ymeraga,39 een Kosovaar die in 1999 als vijftienjarige in Luxemburg ging wonen, bij zijn oom die zijn wettelijke voogd werd. Tussen 2006 en 2008 kwamen ook zijn ouders en twee broers over. In 2009 kreeg Ymeraga de Luxemburgse nationaliteit, waarna zijn ouders en broers verblijfsvergunningen aanvroegen op grond van hun familieband met een Unieburger. Luxemburg wees die aanvragen af omdat de Verblijfs- en Gezinsherenigingsrichtlijnen niet van toepassing waren. De Luxemburgse rechter vroeg zich af of uit art. 20 VwEU of het Handvest een recht op gezinshereniging voortvloeide. Het HvJ overwoog opnieuw dat (i) de Verblijfsrichtlijn toepassing miste omdat Ymeraga nooit gebruik had gemaakt van zijn recht van vrij verkeer maar altijd in Luxemburg had gewoond en (ii) de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op familieleden van een Unieburger die geen gebruik van zijn vrijheden heeft gemaakt. Wat art. 20 VwEU betreft, herhaalde het HvJ zijn criteria uit de zaken Dereçi en Iida, waarna hij deze toepaste op Ymeraga’s geval:

“39. In het hoofdgeding is het enige wat volgens de verwijzende rechter de toekenning van een verblijfsrecht aan de familieleden van de betrokken burger rechtvaardigt de wens van Kreshnik Ymeraga om in zijn woonstaat, waarvan hij de nationaliteit heeft, de hereniging met deze familieleden tot stand te brengen, wat niet volstaat om te oordelen dat de weigering van een dergelijk verblijfsrecht tot gevolg kan hebben dat Kreshnik Ymeraga het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd.

40. Aangaande de door de verwijzende rechter aangevoerde grondrechten moet in herinnering worden gebracht dat de bepalingen van het Handvest krachtens artikel 51, lid 1, ervan uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling breidt het Handvest de werkingssfeer van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept het geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie en wijzigt het evenmin de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken. Het Hof moet dus het recht van de Unie binnen de grenzen van de aan deze laatste toegekende bevoegdheden in het licht van het Handvest uitleggen (zie arrest Dereci e.a., reeds aangehaald, punt 71, en arrest Iida, punt 78).

41. Om te bepalen of de weigering door de Luxemburgse autoriteiten om de familieleden van Kreshnik Ymeraga een verblijfsrecht als familieleden van een burger van de Unie te verlenen onder de uitvoering van het Unierecht in de zin van artikel 51 van het Handvest valt, moet onder meer worden nagegaan of de betrokken nationale regeling de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het recht van de Unie ziet, ook wanneer de regeling dit recht indirect nadelig kan beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden (zie arrest van 18 december 1997, Annibaldi, C-309/96, Jurispr. blz. I-7493, punten 21-23, en arrest Iida, punt 79).

42. De [Luxemburgse; PJW] wet betreffende het vrije verkeer beoogt weliswaar het Unierecht ten uitvoer te brengen, maar dit neemt niet weg dat de situatie van verzoekers in het hoofdgeding niet door het Unierecht wordt beheerst aangezien Kreshnik Ymeraga noch als begunstigde van richtlijn 2004/38 en - voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanvragen - noch als begunstigde van richtlijn 2003/86 kan worden beschouwd en de weigering van een verblijfsrecht aan de familieleden van Kreshnik Ymeraga niet tot gevolg heeft dat hem het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd.

43. In die omstandigheden valt de weigering van de Luxemburgse autoriteiten om de familieleden van Kreshnik Ymeraga een verblijfsrecht als familieleden van een burger van de Unie te verlenen niet onder de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie in de zin van artikel 51 van het Handvest, zodat de verenigbaarheid van die weigering met de grondrechten niet aan de hand van de in het Handvest neergelegde grondrechten kan worden onderzocht.”

8.9

Van andere aard, maar evenzeer relevant is ten slotte de zaak Åkerberg Fransson.40 Uit die zaak blijkt dat de Handvestreikwijdte-beperkende term “uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in art. 51(1) Handvest niet alleen de implementatie van secundair EU-recht - zoals de Verblijfsrichtlijn of de Gezinsherenigingsrichtlijn - door de lidstaten omvat, maar ruimer geïnterpreteerd moet worden: in alle gevallen waarin een aanknopingspunt met EU-recht bestaat, geldt ook het Handvest: valt een zaak ‘binnen het toepassingsgebied van het Unierecht’, dan zijn ook de grondrechten van het Handvest van toepassing. De zaak betrof een Zweedse visser die eerst administratief beboet en vervolgens strafrechtelijk vervolgd werd voor onder meer BTW-fraude. De vraag was of de tweede criminal charge in strijd was met het verbod op dubbele vervolging in art. 50 van het Handvest, maar de prealabele vraag was of dat Handvest überhaupt van toepassing was, nu betwist kon worden dat de Zweedse sanctionering van BTW-fraude EU-recht ‘ten uitvoer brengt’ in de zin van art. 51(1) van het Handvest. De BTW-Richtlijnen bevatten immers geen sanctie-bepalingen. Het HvJ zag echter genoeg aanknopingspunt met het EU-recht, onder meer omdat de BTW een eigen middel van de EU is en de lidstaten verplicht zijn die middelen even goed te beschermen als hun eigen middelen. Het Hof was vervolgens duidelijk over het toepassingbereik van het Handvest:

“21. De door het Handvest gewaarborgde grondrechten moeten dus worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt zonder dat die grondrechten toepassing vinden. Wanneer het Unierecht toepasselijk is, impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden.

22. Wanneer daarentegen een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid (zie in die zin beschikking van 12 juli 2012, Currà e.a., C-466/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26).”

Hieruit volgt dat indien het Unieburgerschap autonoom (los van enig grensoverschrijdend aspect) geactiveerd wordt doordat een nationale maatregel leidt of dreigt te leiden tot effectieve ontzegging aan een Unieburger van het genot van zijn belangrijkste burgerschapsrechten, daardoor ook het Handvest geactiveerd wordt, waardoor die nationale maatregel alsdan ook getoetst moet worden aan art. 7 van het Handvest (recht op gezinsleven).

9 Enige commentaren op Ruiz Zambrano, McCarthyen Dereçi

9.1

Cambien ziet het volgende beeld na Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi:41

“The picture resulting from the judgments (...) is rather nuanced. In Ruiz Zambrano the Court departed from its traditional Union citizenship case law, which was centred on the presence or absence of an inter-State element. As a consequence, a large number of situations could seem to fall henceforth within the scope of Union law which would previously have fallen outside that scope. That would have drastic consequences for the vertical division of competences between the Union and the Member States. On a closer look, however, it seems that the judgment does not entail such wide consequences. As the Court clarified in McCarthy and Dereci and Others, it is willing to apply Union law only where the ‘substance of’ citizenship rights is at stake. In such circumstances an inter-State element will no longer be required. In essence, the Court is merely drawing the consequences from its Rottmann judgment. If a measure taking away one’s Union citizen status falls within the scope of Union law in the absence of a cross-border dimension, the same should be the case for a national measure completely rendering it impossible for someone to exercise the rights attached to that status. Put differently, national measures which de iure or de facto annihilate one’s Union citizenship should be treated equally and be held to fall within the scope of Union law even in the absence of a cross-border dimension.”

9.2

Nic Shuibhne meent dat het HvJ te terughoudend is geweest (ik laat voetnoten weg):42

“Tentatively in Rottmann and more overtly in Ruiz Zambrano, the Court (finally) detached two sets of circumstances from the wholly internal rule. It established the primacy of EU citizenship law over national measures that either threaten the loss of the status of citizenship per se or deprive citizens of the genuine enjoyment of the substance of associated rights. But the factual example distilled from Ruiz Zambrano - forced departure from the territory of the Union - was clearly at the high end of how many thought the Court might progress its deciphering of the “substance” criterion in future cases. Confining its scope to forced departure from the Union suggested a character of crisis, of last resort situations. That profile seemed unduly restrictive from the perspective of construing citizenship as a rights-enhancing status, especially in contemplation of the depth of legal protection that opens up through very minor catalysts of movement - including prospective movement not yet concretely (or required to be) identified.”

En verder, op blz. 368-370:

“(...) why did the Court treat the McCarthy case differently from Ruiz Zambrano at the time? The Dereci clarification did not yet exist (...) and there may have been a real prospect of her having to move to Jamaica (...). (...). It is absolutely great but not enough that the Ruiz Zambrano kids are all right. After McCarthy, the extent to which the Court had intended to create tiers of families for the purposes of invoking the protection of EU citizenship rights was raised. After Dereci, fears that families with children were being privileged over those without were laid to rest: by ensuring fewer rights for everyone. It would seem that the Ruiz Zambrano children were, basically, extremely lucky. (...). While the Opinion and judgment refer throughout to the applicant and her husband only, Mrs McCarthy has three children and is the full-time carer of her disabled son. (...). Clearly at least one of them is dependent on her. (...) can she really uproot her family to move to another Member State? It really would not seem so.”

9.3

Kochenov en Plender zijn nog veel kritischer op “the Court’s selective attention to the facts of the cases in front of it.”43 Vernietigend is hun oordeel over McCarthy (p. 390 en 395):

“By not mentioning the actual situation in the McCarthy family, where the United Kingdom was in the process of deporting the only potential bread-winner, leaving his wife and three children, one of them severely disabled, to receive assistance from the State, Mrs McCarthy is presented as an idle layabout: she never worked and always collected social assistance. In committing this sin of omission the Court (which is obviously not the only party to blame in this miscarriage of justice, as the referring court failed to report the facts in full) is hardly achieving any noble goal (...). What the Court was dealing with, in practice, was a Member State ruining the most vulnerable of families touched by need and child disability. By finding that EU law does not apply since, first, Mrs McCarthy is not thereby forced to leave the Union (instead of considering the substance of her rights) and, secondly, since she does not work (instead of mentioning full-time care required by the handicapped child), the Court has punished a mother for the disability of her child by de facto assisting the United Kingdom in ruining her family. It is suggested that a more constructive engagement with the essential rights of EU citizenship could bring about a somewhat less despicable result. (...). (...) making people move for the sake of moving simply does not further any identifiable goal, let alone being illegal under Pt II TFEU, which lists free movement as a “right”. What is the point of making Mrs McCarthy use this right under the threat of the deportation of her loved one? The Court failed to answer.”

Zij achten het ongewenst en onjuist dat het HvJ in Dereçi de nationale rechter verantwoordelijk maakt voor de beoordeling of het genot van het wezen van de Unieburgerrechten onmogelijk wordt gemaakt door de nationale maatregel (p. 392-393):

“In this context leaving it up to the national courts to determine the breach of the substance of EU citizenship rights de facto amounts to delegating to them not merely the question of the exact amount of rights associated with EU citizenship, but, fundamentally, also the question whether the ECJ is competent and whether EU law should apply. This statement of the Court is, no doubt, a mistake: it clearly can be interpreted as amounting to giving up EU citizenship as a supranational legal status in contradiction to the letter and the spirit of the Treaties, thus undermining the “fundamental status of the nationals of the Member States”.44 (...). A more coherent way to involve the Member States’ courts has been demonstrated in Rottman: once the ECJ rules that a certain issue falls within the scope of EU law, it is most reasonable to leave the application of the principles, which the ECJ clarified to be applicable to the situation at issue, to the national courts. This approach allows recourse to the national courts’ knowledge of the situation on the ground in the best possible way, while strengthening the relationship of co-operation between the different levels of judiciary in Europe. This can only be done, however, once the applicability of EU law has been clearly asserted by the ECJ. In the case of the contrary the very rationale of EU law is undermined, as the determination of its scope comes to be conditioned exclusively on the judgement of the national courts.”

Zij waarschuwen - zo te zien vergeefs - tegen het gebruik van meer dan één criterium voor de vraag of Unierecht van toepassing is (p. 395):

“What has to be absolutely avoided is having two different levels of scrutiny depending on the jurisdiction test chosen by the Court: Rottman/Ruiz Zambrano “substance of rights” test should not be milder (or stricter) than the classical cross-border situation test.”

9.4

Groen (noot bij Dereçi in EHRC 2012/3) stelt vast dat de relatie tussen de EU-burger en degene die een verblijfsrecht nastreeft geen familieband hoeft te zijn:

“8. (...) het Hof bevestigt de lijn die onder Zambrano is ingezet. Een belangrijke verruiming ten opzichte van Zambrano is dat het Hof het criterium van ontzegging van het effectieve genot van substantiële rechten relevant acht, ongeacht welke familiaire relatie er tussen beiden is, zolang er maar sprake is van een vorm van een verzorgingsrelatie.”

Over de vraag welke de wezenlijke Unieburgerrechten zijn, schrijft hij:

“9. (...). Het lastige is echter wel dat er nog wel enige ruimte is in het toepassen van het essentiële criterium, ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van Unieburgerschap ontleende rechten. Naast de vraag welke rechten kunnen worden geschaard onder “de belangrijkste rechten”, zou hiervan in de meest strikte interpretatie alleen sprake zijn wanneer de EU-burger zélf, door het weigeren van verblijf aan de derdelander, feitelijk wordt gedwongen om het EU-grondgebied te verlaten. In de meest ruime interpretatie zou elk disproportioneel nadeel voor een EU-burger in de weg kunnen staan aan het weigeren van verblijf aan derdelander. Het Hof laat ruimte voor lidstaten om het sleutelcriterium in te vullen. Zambrano zal echter wel een ondergrens vormen voor de beoordelingsvrijheid die lidstaten hier hebben. Dat zal betekenen dat lidstaten minimaal verplicht zijn om aan een ouder met van hem of haar afhankelijke kinderen, die EU-burger zijn, aanspraak te verlenen op (voortgezet) verblijf op grond van het Unieburgerschap van zijn of haar kinderen. Op termijn zal het Hof er mijns inziens echter niet aan ontkomen om ten aanzien van het vorengenoemde spectrum zelf een aanvullende invulling te geven boven het Zambrano-minimum. Lidstaten zullen geneigd zijn de implicaties van EU-burgerschap, dat hun nationale vreemdelingenrecht doorkruist, zeer minimaal te interpreteren. Het Hof zal dan in meer casus een uitspraak moeten doen over de geoorloofdheid van de interpretatie van de lidstaat. Wil het Unieburgerschap werkelijk enig voorzienbaar nuttig effect hebben, dan zal het Hof langs casuïstische weg de grenzen van deze minimale interpretatie moeten aangeven.”

9.5

Hinarejos meent - mij dunkt correct - dat uit de drie arresten de volgende verhouding tussen art. 20 VwEU (Unieburgerschap) en 21 VwEU (vrij reizen en verblijven) en de volgende verhouding tussen de ‘wholly internal situation’-test en de ‘genuine enjoyment’-test volgt:45

“The Court reiterated in McCarthy that EU citizens do not derive a right to reside in their own country from Article 21 TFEU; this provision continues to require a cross-border element. Consequently, the default will be that, if a citizen has not exercised her freedom of movement, she is outside the scope of EU law for the purposes of this discussion - the label “wholly internal situation” continues to apply. Because of Article 20 TFEU, that label will be scrapped in those extreme cases where there is a threat to the core of citizenship (“the genuine enjoyment of the substance” of the rights conferred by citizenship). This core is, however, very limited for the time being.”

9.6

Ankersmit en Geursen wijzen er voorts op dat de Nederlandse vertaling “belangrijkste rechten (…)” in par. 42 en in het dictum van Zambrano afwijkt van de andere taalversies, met name van de procestaal (het Frans) en daardoor een verkeerde indruk kan geven, en dat die term gelezen moet worden als “de essentie van het Unieburgerschap”, zodat het in wezen gaat om toepassing van het EU-rechtelijke effectiviteitsbeginsel:46

“In de Nederlandstalige versie van het arrest valt te lezen dat er voldoende aanknoping is wanneer “de belangrijkste” Unieburgerschapsrechten worden aangetast. Dan zou de aank[n]opingstoets zijn: wanneer één van de belangrijkste rechten wordt aangetast, valt de zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Vervolgens rijst de vraag wat dan de belangrijkste rechten zijn? (...).

De Franstalige versie van het arrest in de zaak Ruiz Zambrano laat evenwel een andere test zien: “Dans ces conditions, l’article 20 TFUE s’oppose à des mesures nationales ayant pour effet de priver les citoyens de l’Union de la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”.(...)

Volgens de Franstalige en vele andere taalversies47 van het arrest gaat het dus om een aantasting van de essentie van de burgerschapsrechten, of zoals in de Duitstalige versie valt te lezen: de aantasting van de “Kernbestands der Rechte48 en dus niet om een aantasting van de belangrijkste rechten. Dat is een andere test dan een loutere aantasting van de belangrijkste rechten. De aantasting van de ‘essentie’ van de Unierechten volgt onzes inziens logischerwijs uit het effectiviteitsbeginsel. Overigens heeft alleen de tekst van het arrest dat is opgesteld in de procestaal rechtskracht;49 in Ruiz Zambrano was dit de Franse taal.(...)”

Ik ben dat met hen eens: mede gezien in het licht van zijn latere jurisprudentie, met name Dereçi, gaat het het HvJ er kennelijk om - in gevallen waarin het EU-recht in beginsel niet van toepassing is wegens afwezigheid van een grensoverschrijdend aspect - te voorkomen dat aan het burgerschap van een Unieburger elke betekenis wordt ontnomen.

10. Opvattingen over de verhouding tussen Unieburgerschap, Unieburgerrechten, het vereiste van een grensoverschrijdend aspect en (art. 7 van) het Handvest

10.1.

Van den Brink50 betoogt dat het Unieburgerschap (art. 20(2) VwEU) de mogelijkheid biedt om de grondrechten van het Handvest te federaliseren (alle Handvest-rechten zijn ook burgerschapsrechten), waardoor die grondrechten ook in zuiver interne situaties zouden gelden. Dat zou als wenselijk effect hebben dat omgekeerde discriminatie (discriminatie van interne gevallen) zich niet meer voor kan doen in (interne) gevallen bestreken door die grondrechten (citaat tenzij anders vermeld zonder noten):

“The rights of Article 20 TFEU have been incorporated in the Charter and are therefore part of EU fundamental rights.51 However, the question that needs to be answered is whether all EU fundamental rights are EU citizenship rights. A positive answer would have the result that the infringement of an EU citizen’s European fundamental right could bring the situation by its nature and its consequences within the scope of Union law. A European citizen would then be able to rely on EU fundamental rights against the state in a purely internal situation. (...). Recognizing EU fundamental rights as EU citizenship rights would be a logical consequence. It is impossible to deny that EU citizenship and fundamental rights are strongly connected with each other. Since in general one of the main objectives of establishing the status of citizenship is the protection of (fundamental) rights against abridgement by the state, recognizing fundamental rights as EU citizenship rights would certainly give more meaning to European citizenship. Such an approach would also perfectly fit with the upgraded position of EU fundamental rights realized by the Treaty of Lisbon. Not applying EU fundamental rights in purely internal situations would, as AG Sharpston set out in her Opinion on Ruiz Zambrano, also create some bizarre situations. Followed by a very clarifying example, she submits that:

[i]t would be paradoxical (to say the least) if a citizen of the Union could rely on fundamental rights under EU law when exercising an economic rght to free movement as a worker, or when national law comes within the scope of the Treaty (...) or when invoking EU secondary legislation (...), but could not do so when merely ‘residing’ in that Member State.52

Volgens hem negeert het HvJ EU in Dereçi ten onrechte volledig de verbondenheid tussen fundamentele Unierechten en het Unieburgerschap. De art. 6(1) VEU en art. 51(2) Handvest, die uitdrukkelijk willen voorkomen dat het Handvest de werkingssfeer van het Unierecht of de EU-bevoegdheden zou uitbreiden of wijzigen, doen daar zijns inziens niet aan af, want (p. 283):

“(...) it is in the present context not the Charter but EU citizenship that has changed the field of application of Union law.”

Met Kochenov en Plender (zie 9.3 hierboven) acht hij Dereçi ook onjuist omdat justitiabelen voor hun recht op gezinsleven worden afgescheept met art. 8 EVRM, dat volgens hem, gezien de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU, minder bescherming biedt dan art. 7 Handvest.53 Hij verwacht dat het HvJ vroeg of laat ’om’ zal gaan (p. 285-286):

“If the ECJ is still determined to protect the genuine enjoyment of EU citizenship rights, it will sooner or later have to override the Dereçi case.”

10.2

Anders dan Van den Brink, zien Adam en Van Elsuwege geen federalisering van Handvestrechten in het Unieburgerschap, al leidt het ontbreken daarvan wel tot willekeurig aandoend onderscheid tussen gevallen mét c.q. zonder grensoverschrijdend aspect:54

“Taking into account the warning contained in the Lisbon ruling of the German Constitutional Court,55 as well as the multiple shields in the Treaties against judicial activism and competence creep (in particular, as far as the application of the Charter is concerned), it seems difficult if not impossible to argue that a purely internal situation which does not satisfy the “cross-border” or “genuine enjoyment” test nevertheless falls within the scope of the Charter. Such a broad interpretation would have significant federalising consequences, as recognised by A.G. Sharpston in Ruiz Zambrano. (...)

On the other hand, when EU citizenship is truly intended to be the fundamental status of the nationals of Member States, it remains somewhat paradoxical that not all Union citizens can benefit from the same mechanisms of fundamental rights protection (...). Why would the famous adagio “civis europeus sum”, crafted by A.G. Jacobs in Konstantinidis (...), only apply to certain categories of Union citizens? Why should the “common code of fundamental values” laid down in the Charter only apply when Union citizens can prove an actual or potential cross-border link or when their citizenship status as such is at stake? Could it be that the nationality of a Member State automatically opens the gates to the application of the Charter on the basis of art. 20 TFEU? The Court’s judgment in Dereci does not provide any definite answers. In contrast to its judgment in McCarthy, where the Court ruled that art. 21 TFEU was “not applicable” - and contrary also to the view of A.G. Mengozzi - the Court in Dereci dealt only with a potential infringement of art. 20 TFEU. Hence the exact boundaries between EU law and domestic law for the protection of fundamental rigths remain puzzling even after the judgment.”

10.3

Van Eijken en De Vries56 begrijpen de zeer beperkte autonome toepassing van het EU-burgerschap in Dereçi in het licht van het Verdrag van Lissabon. Een ruimere autonome toepassing zou op veel weerstand bij de lidstaten stuiten, die juist EU competence creep wilden voorkomen, maar ook zij vragen zich af of er niet ruimte zou moeten zijn voor dezelfde grondrechtenbescherming voor álle EU-burgers en of de instructie die het HvJ de nationale rechter in Dereçi gaf om art. 8 EVRM toe te passen, wel tot vergelijkbare resultaten leidt in niet-Handvestgevallen als in Handvestgevallen:

“Niettemin wringt deze uitspraak met eerdere, baanbrekende rechtspraak die de grondslag vormde voor een verder ontwikkelend Europees burgerschap. Het Hof lijkt zich daarvan bewust door de nationale rechter als het ware te instrueren grondrechtenbescherming in zijn oordeel te betrekken, ook in situaties die buiten de werkingssfeer van het Handvest vallen. Dit is enigszins merkwaardig, aangezien de nationale rechter in dergelijke gevallen zelf bepaalt of getoetst wordt aan de grondwet dan wel aan het EVRM en of op basis daarvan een verblijfsrecht kan worden toegekend. Of geeft het Hof hier in een obiter dictum toch een bredere uitleg aan EU-grondrechtenbescherming? Daarnaast kun je je afvragen of de toetssteen die door het (EHRM) wordt gebruikt om te bepalen of artikel 8 EVRM geschonden is, een-op-een kan worden toepast op de Europese Unie (...). Volgens A-G Mengozzi in de Dereci-zaak zouden, ‘[w]anneer Dereci geen verblijfstitel zou verkrijgen en/of zou worden uitgezet naar Turkije, (…) zijn echtgenote noch zijn kinderen, anders dan de kinderen van Ruiz Zambrano, het gevaar lopen dat zij het grondgebied van de Unie moeten verlaten’ (...). Ook al is de EU-onderdaan, indien het verblijfsrecht niet wordt verleend aan Murat Dereci, in tegenstelling tot de Zambrano’s inderdaad strikt genomen niet gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, de vraag is of zijn effectieve genot van de aan hem toekomende belangrijkste burgerschapsrechten niettemin is aangetast (...). Betekent Dereci eigenlijk niet dat EU-onderdanen gedwongen worden om een keuze te maken tussen enerzijds het hebben van een familie- en gezinsleven buiten de Europese Unie en anderzijds een verblijf binnen de Europese Unie, maar dan zonder familie, c.q. echtgenoot? Hiermee komen we terug bij de keuzes die het Hof, volgens Sharpston in Ruiz Zambrano57, vroeger of later moet maken tussen gelijke tred houden met de situatie zoals die zich ooit ontwikkelde en ontwikkelt in de rechtspraak, of achter de wetgevende en politieke ontwikkelingen aan blijven lopen. De Dereci-zaak laat zien dat de tijd voor een constitutionele verandering nog niet rijp is. De mogelijkheden voor EU-burgers om op basis van grondrechten een verblijfsrecht in een lidstaat te kunnen claimen lijken vooralsnog beperkt te zijn tot situaties waarin sprake was van vrij verkeer en - maar uitzonderlijke - situaties waarin een Unieburger de facto niet effectief gebruik kan maken van zijn rechten als Unieburger.”

10.4

Groen (noot in EHRC 2013/3 bij Dereçi) ziet vooralsnog evenmin federalisering van het Handvest via het Unieburgerschap:

“12. Het is duidelijk dat de precieze rol van het EU-Handvest in de toetsing van het Hof nog niet uitgekristalliseerd is. Omdat het EU-Handvest alleen werking heeft, (…), voor zover het binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, zal de vraag wanneer er eigenlijk sprake is van een dergelijke situatie aan belang toenemen. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, omdat wat binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, continu in beweging is en in essentie ook door het Hof van Justitie zelf wordt bepaald. In de onderhavige zaak zijn er verschillende argumenten om zowel voor als tegen toepasselijkheid van Unierecht te pleiten. Enerzijds kan worden beargumenteerd dat er geen Richtlijn is die direct van toepassing is, en dat daarmee de casus niet onder de werking van het Unierecht valt omdat Lidstaten deze kwesties niet duidelijk hebben willen harmoniseren. Deze uitleg is temeer niet prima facie onredelijk omdat het EU-Handvest, en de wijze van verankering in Unierecht, op vele wijzen rechterlijk activisme aan banden heeft willen leggen. Bovendien is rechtszekerheid voor Lidstaten hiermee geholpen, omdat zo de reikwijdte van Unierecht beter kan worden afgebakend. Anderzijds kan de inperking van rechten die in verband staan met het effectieve genot van Unieburgerschap als zodanig een argument zijn om te concluderen dat de casus enkel en alleen op grond hiervan onder de werking van het Unierecht valt. Aan de hand van de leer van het nuttig effect van Unieburgerschap, en daarmee van de grondrechten van het EU-Handvest, kan worden beargumenteerd dat rechtszekerheid voor de lidstaten in deze van onderschikt belang is. Het Hof helpt ons in Dereci niet veel verder op dit punt, omdat het noch over de reikwijdte van de werkingssfeer van het Unierecht, noch over de inhoudelijke normen van het Handvest een uitspraak doet, maar beide overlaat aan de verwijzende rechter.”

10.5

Lenaerts58 - die de Derde Kamer voorzat die McCarthy wees en die in de zetel zat in Zambrano en Dereçi - verwerpt extensieve toepassing van het Unieburgerschap op situaties zonder grensoverschrijdend aspect. Alleen in uitzonderlijke ‘ontnemings’-gevallen zoals Ruiz Zambrano kan het Unieburgerschap autonoom toegepast worden:

“(...) the restrictive approach followed by the ECJ [in Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi; PJW] aims to respect the vertical allocation of powers set out in the Treaties. Had the ECJ followed a broad interpretation of the type of measures producing a ‘deprivation effect’, then the scope of the Treaty provisions on EU citizenship, notably the right to move enshrined in Article 21 TFEU, would have been excessively broadened so as to cover almost all types of situations. However, this is not the aim of EU citizenship as defined by the authors of the Treaties. Although EU citizenship is intended to be “the fundamental status of nationals of the Member States”, it “is [, however,] not intended to extend the scope ratione materiae of the Treaty also to internal situations which have no link with [EU] law”.59

Hij verwerpt dan ook de stelling dat het Unieburgerschap grond biedt voor incorporatie van Handvestrechten in de nationale rechtsstelsels (federalisering) (p. 578-579):

“However, in conjuction with Ruiz Zambrano (where the ECJ held that a cross-border link is no longer required in all circumstances to trigger the application of Article 20 TFEU), such an incorporation doctrine “à l’européenne” would mean that fundamental rights protection under EU law would operate in purely internal situation, i.e. similarly to national constitutions or the ECHR.

That outcome would be incompatible with the priciple of conferral, as it adverseley affects the allocation of powers between the EU and its Member States. (...).

Furthermore, the incorporation of fundamental rights into the status of citizen of the Union cannot be judicially driven, as Article 25(2) TFEU clearly states that “without prejudice to the other provisions of the Treaties, the Council, acting unanimously in accordance with a special legislative procedure and after obtaining the consent of the European Parliament, may adopt provisions to strengthen or to add to the rights listed in Article 20(2). These provisions shall enter into force after their approval by the Member States in accordance with their respective constitutional requirements”. (...). Additionally, Article 25(2) TFEU applies “without prejudice to the other provisions of the Treaties”, notably Article 6(1) TEU which states that “[t]he provisions of the Charter shall not extend in any way the competences of the Union as defined in the Treaties”. (...). Last but not least, an incorporation doctrine would also be inconsistent with the objectives sought by the authors of the Treaties. In particular, it would run counter to the fact that, in accordance with Article 4(2) TEU, the EU is committed to respecting the national identity of the Member States of which ntional constitutional arrangements are part and parcel. (...). Fundamental rights are not taken into account for the purposes of determining the existence or absence of a ‘deprivation effect’, i.e. they are not relevant for the purposes of determining the scope of application of the Treaty provisons on EU citizenship in situations such as those of Mr Ruiz Zambrano, Ms McCarthy, or Mr Dereci.”

Volgens hem speelt het Handvest dus geen rol bij de bepaling van de werkingssfeer van EU-recht. Dat is pas het geval bij de vervolgvraag - áls het te berechten geval binnen bereik van het EU-recht valt - of belemmering van de rechten van een Unieburger gerechtvaardigd is (p. 581):

“The question whether a national measure is compatible with fundamental rights, as protected by the Charter, is a determination that must be carried out a later stage. It is in the context of examining the validity of the justification put forward by the defaulting Member State that the referring court in cooperation with the ECJ must determine whether the contested national measure complies with fundamental rights. This two-step analysis followed in Dereci is, in my view, consistent with previous case law, notably ERT, where the ECJ held that: “where a Member State relies on [a legitimate aim recognised by EU law] in order to justify rules which are likely to obstruct the exercise of the freedom to provide services, such justification, provided for by [EU] law, must be interpreted in the light of the general principles of law and in particular of fundamental rights. (...). It is in the context of that principle [het proportionaliteitsbeginsel; PJW] that EU fundamental rights play an important role.”

10.6

Lenaerts had in een eerdere publicatie al betoogd dat art. 52(2) Handvest een scheiding tussen het Handvest en de Unieverdragen beoogt:60

“By making a reference to the treaties, Article 52(2) seeks to prevent the Charter from replacing the EU acquis. For example, regarding EU citizenship, both article 20(2)(a) TFEU and Article 45(1) of the Charter provide that every citizen of the Union has ‘the right to move and reside freely within the territory of the Member States’. However, in accordance with Article 52(2) of the Charter, it is not article 45(1) of the Charter which determines the conditions for exercising such right, but Article 20(2)(a) TFEU. The same applies to all other rights attaching to the status of EU citizenship, laid down in Article 20 TFEU, which are also reproduced under Title V of the Charter.”

Lenaerts’ standpunt impliceert mijns inziens het standpunt dat de Handvestrechten niet vallen onder “de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.”

10.7

Schrauwen schrijft in haar noot in EHRC 2013/51 bij O. en S. (zie 8.7):

“3. (...). Een beperking op uitoefening van het recht van vrij verkeer van de dochter is daarom volgens het Hof een “louter hypothetisch vooruitzicht” (punt 77) en vormt geen toereikende band met het Unierecht. Daarmee valt de weigering van het verblijfsrecht niet binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie en is, volgens art. 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, toetsing aan de in het Handvest neergelegde grondrechten niet aan de orde. Of de grondrechten wel een rol kunnen spelen indien een beperking van het vrij verkeer van de dochter niet een “louter hypothetisch vooruitzicht” is blijft onduidelijk.

4. De zaak O. en S. brengt geen opheldering over de vraag of grondrechten gelden als “voornaamste rechten van het Unieburgerschap”. Wel brengt het Hof twee verfijningen aan in het criterium van de ontzegging van de voornaamste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten doordat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. De eerste verfijning vraagt dat beoordeling van de noodzaak het grondgebied te verlaten rekening houdt met de omstandigheden van de ouders en het gezin. (...).

5. Een tweede verfijning betreft de relatie tussen de Unieburger en de onderdaan van een derde land. Het Hof verklaart dat het Zambrano-criterium niet alleen geldt wanneer een jonge Unieburger een biologische band heeft met een onderdaan van een derde land. Ook wanneer een biologische band ontbreekt kan het weigeren van een verblijfsvergunning aan een familielid (in dit geval aan de stiefvaders) ertoe leiden dat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. (...).

6. Het is tamelijk verrassend dat het Hof verder gaat dan de uitleg van art. 20 WVEU waarom de verwijzende rechter had gevraagd, en proprio motu verklaart dat de gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is. (...). (...) nu het Unierecht van toepassing is op de onderhavige situaties, kan ook getoetst worden aan de art. 7 en 24, tweede en derde lid van het Handvest. Toepassing van de grondrechten leidt niet tot ontzegging van de beoordelingsmarge van de lidstaten, maar onderzoek naar huisvesting, ziektekostenverzekering en inkomsten van de gezinshereniger moet plaatsvinden tegen de achtergrond van het recht op gezinsleven en regelmatig contact met beide ouders. Alle in het geding zijnde belangen dienen te worden meegewogen, en in het bijzonder moet rekening worden gehouden met het belang van de betrokken kinderen.”

Ook zij constateert een omgekeerde discriminatie en ziet maar “een heel kleine opening” naar de opvatting van Van den Brink (zie 10.1) dat de “voornaamste rechten die aan de status van Unieburger zijn verbonden” ook de Handvestrechten (zouden moeten) omvatten:

“8. De zaak O. en S. leidt tot de wellicht wat paradoxale uitkomst dat de rol van het Handvest van de grondrechten van de Unie bij gezinshereniging van Unieburgers die nooit gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer marginaal is, terwijl deze vrij groot is indien het gaat om gezinshereniging van onderdanen van derde landen. Uiteraard is dit verschil terug te voeren op art. 51 van het Handvest, dat het toepassingsbereik ervan beperkt tot situaties die onder Unierecht vallen. In de samengestelde gezinnen waarvan in de onderhavige zaken sprake was, zouden de jonge Unieburgers zich niet beschermd weten door art. 24 van het Handvest en de jonge onderdanen uit derde landen wel. Het Hof lijkt zich bewust van deze paradoxale situatie waar het er in punt 51 op wijst dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning er hoe dan ook toe leidt dat sommige kinderen uit het gezin geen regelmatig contact meer zullen hebben met hun biologische vader. Het Hof lost dit op door de samenstelling van het gezin aan te merken als omstandigheid waar rekening mee moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of weigering van een verblijfsvergunning verenigbaar is met art. 20 VWEU. Het is geenszins een erkenning dat grondrechten deel uitmaken van de voornaamste rechten die verbonden zijn aan de status van Unieburger, maar het is wellicht een heel kleine opening van de weg daarheen. In ieder geval valt moeilijk vol te houden dat art. 20 VWEU alleen dan bescherming biedt “indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen gebruikmaakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is,” zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onlangs nog oordeelde (ABRvS 15 november 2012, JV 2013/37, LJN BY4039).”

11 Toepassing

11.1

Zoals boven (onderdeel 7) betoogd, gaat het mijns inziens na uw aldaar geciteerde arrest HR BNB 2013/31 in casu nog slechts om de implicaties van het Unieburgerschap van belanghebbendes dochter, dus alleen om EU-recht.

11.2

Vast staat dat op belanghebbendes geval noch de Verblijfsrichtlijn, noch de Gezins-herenigingsrichtlijn, noch Richtlijn 2003/109/EG inzake langdurig ingezeten derdelanders, noch enig ander secundair EU-recht van toepassing is. Het komt dus alleen aan op primair EU-recht.

11.3

Vast staat eveneens dat de belanghebbende noch haar kinderen gebruik hebben gemaakt van enige EU-verkeersvrijheid en dat ook overigens geen EU-binnengrensoverschrijdend aspect aan de zaken kleeft. Het gaat om een zuiver interne situatie binnen één lidstaat.

11.4

Uit de boven (onderdelen 8 t/m 10) geciteerde en besproken jurisprudentie van het HvJ EU volgt dat belanghebbendes geval dan buiten de werkingssfeer van het EU-recht en daarmee buiten zowel het Unieburgerschapsrecht als het Handvest ligt, tenzij toepassing van de litigieuze nationale maatregel ertoe zou leiden dat aan één of meer van belanghebbendes kinderen het effectieve genot van de essentie van hun Unieburgerrechten ontnomen zou worden (“la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés par leur statut de citoyen de l’Union”, aldus Ruiz Zambrano).

11.5

Met de CRvB meen ik dat de SVB in het licht van het EU-recht niet mechanisch de Koppelingswet kan toepassen en dus niet kan volstaan met de overweging dat zolang de IND geen kwalificerend verblijfsrecht heeft vastgesteld, geen recht op kinderbijslag bestaat.61Dat standpunt van de SVB is mijns inziens onlangs ook verworpen door de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State.62De SVB heeft een eigen verantwoordelijkheid om het rechtstreeks werkende EU-recht toe te passen en dus in casu te onderzoeken of de belanghebbende aan het Unieburgerschap van haar kinderen een verblijfsrecht ontleent. Het recht op kinderbijslag is immers afhankelijk van een aantal cumulatieve voorwaarden, waaronder een kwalificerende verblijfstitel van de ouder. De SVB moet dus zonodig in overleg met de IND onderzoeken of het niet-toekennen van een verblijfsrecht aan de belanghebbende in de litigieuze periode, 3e kwartaal 2007 - 3e kwartaal 2009, ertoe heeft geleid c.q. er toe leidt dat aan één of meer van belanghebbendes kinderen (alsnog) het genot van de belangrijkste EU-burgerschapsrechten werd/wordt ontzegd. De CRvB heeft dus mijns inziens in beginsel terecht de litigieuze beschikkingen vernietigd wegens motiveringsgebrek en in beginsel terecht de SVB opgedragen het bedoelde onderzoek naar een eventueel ‘ontnemings’effect alsnog uit te voeren.

11.6

Gezien de vast staande feiten meen ik dat een dergelijk onderzoek ter zake van twee van de drie kinderen, [F] en [G], tot geen ander resultaat kan voeren dan de conclusie dat van een dergelijk ‘ontnemings’effect bij hen geen sprake is of is geweest. Dat ligt echter anders met betrekking tot het derde kind, [H] Het is immers niet opgehelderd of de belanghebbende van juli 2007 tot juli 2008 op eigen initiatief terugkeerde naar Suriname en toen [H] meenam, of dat zij zich daartoe genoopt zag door maatregelen van de Nederlandse autoriteiten. Evenmin is erg duidelijk onder welke omstandigheden [H] in oktober 2007 zonder haar moeder terugkeerde naar haar tante, broer en zus in Nederland (belanghebbendes beroepschrift in cassatie vermeldt slechts (p. 2) dat [H] eerder terugkeerde omdat het allemaal “erg lang duurde”).

11.7

Welke de essentiële burgerschapsrechten zijn die een Unieburger niet ontnomen mogen worden, is door het HvJ EU niet erg opgehelderd, maar duidelijk is wel (i) dat de Handvest-rechten er niet uit zichzelf onder vallen (zij behoeven activering door een (ander) aanknopingspunt met EU-recht), en (ii) dat die belangrijkste Unieburgerrechten zich bewegen tussen het recht op vrijwaring van ‘ernstige ongemakken in hun beroeps- en privé-leven’ (García Avello63) en het recht op vrijwaring tegen feitelijk gedwongen zijn het EU-grondgebied te verlaten (Ruiz Zambrano). Uit de zaak McCarthy blijkt dat de García Avello-achtige soort gevallen betreft van belemmering van “hun recht [dat van de kinderen; PJW] om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten”. Uit Dereçi blijkt dat de Ruiz Zambrano-achtige soort gevallen betreft “die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie [het kind; PJW] feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten” en dus alleen “uitzonderlijke” gevallen betreft waarin “de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie” van het kind. Uit de zaak Iida (zie 8.6 hierboven) ten slotte blijkt dat “het louter hypothetische vooruitzicht van de uitoefening van het recht van vrij verkeer geen toereikende band met het Unierecht vormt om toepassing van de voorschriften ervan te rechtvaardigen.”

11.8

Nu uit niets blijkt dat belanghebbendes kinderen door het ontbreken van een verblijfsrecht van hun moeder ernstig belemmerd zijn geweest of worden in hun recht om (nu of in de toekomst) naar een andere lidstaat te reizen en daar te verblijven, meen ik dat de García Avello-categorie in casu niet relevant is. Het gaat slechts om de Ruiz Zambrano-categorie.

11.9

Dan resteert de vraag of het ontbreken van een verblijfsrecht van de belanghebbende in de litigieuze periode 2007-2009, haar kinderen in die periode of nadien in een positie bracht waarin zij feitelijk geen andere keus hadden dan het grondgebied van de Unie te verlaten of hen anderszins hun essentiële Unieburgerrechten ontnomen werden (die niet uit zichzelf omvatten de Handvestrechten; die zijn immers pas van toepassing als en nadat aan dat ‘ontnemings’-criterium is voldaan, omdat pas de voldoening aan dat criterium de zaak binnen de werkingssfeer van het EU-recht zou brengen).

11.10

Ik meen dat uit de vastgestelde feiten geen andere conclusie kan volgen dan dat het antwoord op die vraag ontkennend luidt ter zake van de oudste twee kinderen. Dat volgt mijns inziens al uit de omstandigheid dat zij in Nederland bleven toen de belanghebbende binnen de litigieuze periode voor een jaar terugkeerde naar Suriname. Kennelijk heeft ook overigens op geen enkel moment tussen het derde kwartaal 2007 en het vierde kwartaal 2009 - noch overigens ervoor of erna - een ernstige (feitelijke) belemmering van het EU-verblijfsrecht van die kinderen gedreigd. De kinderen hebben integendeel (zie 3.6 hierboven) binnen de litigieuze periode (nl. tussen 15 juli 2008 en 1 januari 2010) om niet een netto bedrag aan bijzondere bijstand genoten ad € 21.138,22, inclusief bijstand voor woonkosten en energiekosten.

11.11

Onder deze niet-bestreden feitelijke omstandigheden kan verder feitelijk onderzoek mijns inziens tot geen andere conclusie voeren dan dat voor de oudste twee kinderen het ontbreken van een verblijfstitel van hun moeder in 2007-2009 geen gevaar, laat staan ernstig gevaar, heeft veroorzaakt, noch thans veroorzaakt, voor de essentie van hun Unieburgerschapsrechten, zodat niet voldaan is aan het “criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op gevallen waarin, ondanks dat het secundaire recht inzake het verblijfsrecht van staatsburgers van derde landen niet van toepassing is, uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een staatsburger van een derde land die lid is van de familie van een staatsburger van een lidstaat, omdat anders de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie dat deze laatste staatsburger toekomt” (aldus Dereçi).

11.12

Aan het Handvest kom ik ter zake van deze oudste twee kinderen aldus niet toe: nu te hunnen aanzien aan het Dereçi-criterium niet is voldaan, wordt de werkingssfeer van het EU-recht niet betreden op basis van hun situatie, nog daargelaten dat het Handvest officieel pas op 1 december 2009 tot primair EU-recht is verheven.64 Ten overvloede zijn daarom mijn opmerkingen dat (i) de weigering van kinderbijslag aan c.q. het ontbreken van een verblijfstitel van de belanghebbende in 2007-2009 mijns inziens, mede gezien de rechtspraak van het EHRM over art. 8 EVRM65 en de steun van overheidswege die belanghebbendes kinderen hebben ontvangen, geen EU-grondrechtelijk verwijtbare verwaarlozing inhield van Nederlands verantwoordelijkheid jegens zich op zijn grondgebied bevindende Nederlandse kinderen, en (ii) de overheid niet te weinig heeft gedaan om de belangen van de kinderen te dienen. Zij hoefden niet beneden de armoedegrens te leven, nu vastgesteld is (zie 2.3) dat tot 2009 geleefd kon worden van de opbrengst van de verkoop van het huis en dat aan de kinderen tussen 15 juli 2008 en 1 januari 2010 om niet een netto bedrag aan bijzondere bijstand is toegekend ad € 21.138,22, inclusief bijstand voor woonkosten en energiekosten.

11.13

Anders is het echter, zoals opgemerkt, met betrekking tot het jongste kind [H]: de feitelijke vaststelling dat [H] van juli tot oktober 2007 bij de belanghebbende in Suriname verbleef, kan erop wijzen dat zij zich genoopt zagen gezamenlijk het grondgebied van de EU minstens tijdelijk te verlaten. Ter zake van de positie van [H]heeft de CRvB daarom mijns inziens terecht geoordeeld dat nieuw onderzoek gedaan moet worden door de SVB op basis waarvan de SVB een nieuw besluit moet nemen met betrekking tot een eventueel van [H]’s Unieburgerschap afgeleid verblijfsrecht van de belanghebbende.

12 Beoordeling van de cassatieberoepen

De klachten van de belanghebbende

12.1

Zoals boven (onderdeel 7) bleek, acht ik belanghebbendes klachten op basis van nationaal en volkenrecht ongegrond. Volledigheidshalve merk ik op (i) dat ik de klacht over schending van art. 3 Vierde Protocol bij het EVRM ongegrond acht omdat die bepaling ziet op uitzetting van Nederlanders, hetgeen niet aan de orde is; (ii) dat het door de belanghebbende ingeroepen arrest HR NJ 2013, 22 van uw eerste kamer mij voor haar geval niet relevant lijkt omdat die zaak ging om bespoediging van beëindiging van verblijf in een asielzoekerscentrum, waartoe uw eerste kamer scheiding van kind en moeder geen geëigend middel achtte; en (iii) dat de vader evenmin AKW-verzekerd is, althans geen recht op kinderbijslag heeft.

12.2

Blijkens de toelichting in haar cassatieberoepschrift acht de belanghebbende het geschil beperkt tot het recht op kinderbijslag. Uitdrukkelijk stelt zij in cassatie niet haar verblijfsrecht aan de orde (3.2.2 van haar toelichting). Niettemin beroept zij zich op EU-recht en noemt zij onder meer de zaken Ruiz Zambrano, Dereçi en Zu en Chen en gaat zij bij verweer uitgebreid in op het (afgeleide) EU-verblijfsrecht. Nu u zonodig van ambtswege de rechtsgronden aanvult en duidelijk is dat de kinderbijslag in geschil is – die mede afhangt van een verblijfsrecht – meen ik dat deze toelichting door u met verstand aldus gelezen moet worden - mede gezien belanghebbendes stellingen in verweer in cassatie – dat zij zich erop beroept dat zij aan het Unieburgerschap van haar kinderen een verblijfsrecht ontleent dat haar doet kwalificeren als verzekerde voor de AKW. De belanghebbende wil kennelijk de kinderbijslag en het verblijfsrecht ontkoppelen (de Koppelingswet dus afkoppelen als het ware), maar geen regel van intern, volken- of EU-recht biedt daarvoor steun – mede gezien uw in 7.1 geciteerde arrest HR BNB 2013/31 - en die beoogde ontkoppeling is mijns inziens EU-rechtelijk niet in haar belang, nu, zoals boven bleek, het enige dat haar recht op kinderbijslag mijns inziens eventueel kan verzekeren, is een verblijfsrecht ontleend aan het Unieburgerschap van haar jongste kind.

12.3

Uit onderdeel 11 blijkt dat ik het aldus opgevatte beroep op EU-recht ongegrond acht voor zover gebaseerd op het Unieburgerschap van haar twee oudste kinderen, omdat het EU-recht niet via die twee kinderen op haar van toepassing is (interne situatie waarin zich bovendien geen Dereçi-effect voordoet). Uit uw uitspraak van 15 maart 2013, nr. 12/0250466 inzake de gehandicapte vakkenbijvuller blijkt dat u ook in sociale-verzekeringszaken - met hun cassatiegrondenfuik - zonodig met aanvulling van rechtsgronden de zaak zelf afdoet als de vastgestelde feiten volgens u geen andere dan een bepaalde conclusie toelaten ter zake van de (niet-)vervulling van een bepaald criterium (en dat u desnoods zelfs de feiten aanvult c.q. buiten de feitenstrijd treedt67 om tot de maatschappelijk gewenste finale geschilbeslechting te komen). Dit zo zijnde, kunt u in casu voor wat betreft het beroep op het Unieburgerschap van de oudste twee kinderen zonder verder feitelijk onderzoek, mede gezien art. 31(2) AKW juncto art. 29e(2)(met name de tussenzin van de tweede volzin) AWR en art. 25 Rv, de zaak zelf afdoen op basis van de vast staande feiten.

12.4

Wel juist acht ik belanghebbendes bij verweer in cassatie ingenomen stellingen voor zover daar in besloten ligt dat onvoldoende onderzocht is of de belanghebbende voor de litigieuze periode een verblijfsrecht en daarmee verzekerde-status onder de AKW zou kunnen ontlenen aan het Unieburgerschap van haar jongste dochter [H] doordat in de litigieuze periode maatregelen van de Nederlandse autoriteiten er feitelijk toe (dreigden te) leid(d)en dat [H] de essentie van haar Unieburgerrechten zou zijn ontnomen. Dat leidt echter niet tot cassatie: de uitspraak van de CRvB strekt immers tot het alsnog doen uitvoeren van dat onderzoek. Belanghebbendes in verweer in cassatie ingenomen stelling strekt er overigens kennelijk vooral toe dat zij zonder verder feitelijk onderzoek reeds rechtstreeks op grond van EU-recht aanspraak zou hebben op een verblijfsrecht in 2007-2009. Aldus begrepen, is die stelling niet juist: het Unieburgerschap heeft weliswaar rechtstreekse werking, maar belanghebbendes eventuele afgeleide verblijfsrecht hangt af van feiten die beoordeeld moeten worden (door de SVB), nl. van de vraag of ten aanzien van belanghebbendes jongste kind aan het Dereçi-criterium is voldaan.

Het middel van de SVB

12.5

Uit het bovenstaande volgt voorts dat ik het cassatiemiddel van de SVB deels ongegrond en deels gegrond acht. Het is met name ongegrond voor zover het gebaseerd is op het standpunt van de Minister van Veiligheid en Justitie dat inmiddels verworpen is door de ABRvS.68 Ik acht het slechts gegrond in zoverre erin besloten ligt dat ter zake van de oudste twee kinderen van de belanghebbende niet is voldaan aan het uitzonderlijke ‘ontnemings’-criterium uit Ruiz Zambrano, McCarthy en Dereçi, zodat de belanghebbende aan het Unieburgerschap van die kinderen geen verblijfsrecht voor de periode 2007-2009 kan ontlenen en dus evenmin de status van AKW-verzekerde.

12.6

Zoals boven bleek, acht ik het middel van de SVB voor het overige ongegrond, met name (zie 12.3) voor zover het inhoudt dat zonder nader onderzoek door de SVB - zonodig in samenwerking met de IND of andere overheidsinstellingen - reeds vast zou staan dat de belanghebbende geen afgeleid verblijfrecht kan ontlenen aan het Unieburgerschap van haar jongste kind [H], althans dat de SVB zich daarover geen oordeel zou kunnen of mogen vormen.

De te nemen beslissing

12.7

Nu belanghebbendes positie hoe dan ook door de SVB herbeoordeeld moet worden in het licht van het Dereçi-criterium ten aanzien van belanghebbendes jongste dochter, doet zich in casu niet de mogelijkheid voor, anders dan in de twee zaken met rolnrs 13/00407 en 13/00409 waarin ik heden eveneens concludeer, om proceseconomisch de zaak zelf af te doen. Dit zo zijnde, verdient het wellicht de voorkeur, mede om latere processuele complicaties te vermijden, om beide cassatieberoepen ongeclausuleerd te verwerpen, dus zonder onoverzichtelijk te onderscheiden naar kind. Alsdan blijft in stand de ‘verwijzingsopdracht’ van de CRvB aan de SVB om belanghebbendes positie in volle omvang in het licht van het Dereçi-criterium te onderzoeken en opnieuw op alle aanvragen van kinderbijslag te beslissen.

13 Conclusie

Ik geef u in overweging beide cassatieberoepen ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 U zie de brieven en overzichten van de gemeente Alphen aan den Rijn in het dossier. Het bijstandsoverzicht vermeldt pas met ingang van september 2008 bijstandsbedragen en [F] heeft kennelijk geen (bijzondere) bijstand ontvangen. Ik kan de redenen hiervoor niet in het dossier vinden.

2 Aldus de feitenvaststelling door de CRvB. De Rechtbank had daarentegen vastgesteld dat de belanghebbende zich per 24 september 2004 vanuit Suriname met haar kinderen in [Q] heeft gevestigd.

3 Uit het destijds geldende art. 1(h) Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is af te leiden dat een MVV enkel buiten Nederland (in beginsel het land van herkomst) kon worden aangevraagd. De MVV is met ingang van 1 juni 2013 in art. 1a(b) Vw 2000 overigens geherdefinieerd als: “visum voor de toegang tot Nederland voor verblijf van meer dan drie maanden”.

4 Ingevolge art. 16(1)(a) Vw 2000 kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige MVV. Op voet van art. 17(1)(a) Vw 2000 wordt die aanvraag evenwel niet afgewezen indien een geldige MVV ontbreekt en de vreemdeling de nationaliteit bezit van één van de bij ministeriële regeling aangewezen landen. Ten tijde van de aanvraag (13 juni 2005) was Suriname echter niet één van die landen (zie de Vreemdelingencirculaire 2000 (B), kenmerk 5073884/01/IND, regeling van 2 maart 2001, Stcrt. suppl. 2001, 64, onderdeel B1/1.2.1). Kennelijk heeft de belanghebbende op 13 juni 2005 geen aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie art. 20 tot en met 22 Vw 2000) gedaan want het vereiste van een MVV wordt bij dat type verblijfsvergunning niet gesteld.

5 Rechtbank Den Haag (voorzieningenrechter) 6 oktober 2009, nrs. AWB 09/09 AKW en AWB 09/5784 AKW, niet gepubliceerd. De voorzieningenrechter heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid ex art. 8:86 Awb om in de hoofdzaak (i.e. belanghebbendes beroep) onmiddellijk uitspraak te doen.

6 Rechtbank Den Haag 22 december 2010, nr. AWB 10/1827 AKW, niet gepubliceerd.

7 CRvB 17 december 2012, nrs. 09/6110 AKW en 11/121 AKW, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6418, JV 2013/106 met noot Minderhoud.

8 Zie bijlage bij het proces-verbaal van het ter zitting van 14 juni 2012 verhandelde. In totaal betrof het inclusief de belanghebbende zes verschillende belanghebbenden. Na deze zitting zijn de procedures gesplitst. Twee van de andere belanghebbenden hebben ook beroep in cassatie ingesteld. Hun zaken zijn bij u aanhangig onder rolnrs. 13/00407 en 13/00409 en betreffen eveneens schending van art. 6(2) AKW.

9 Nu één van de ter zitting van 14 juli 2012 behandelde zaken belanghebbendes WWB-procedure betrof, waarin de gemeente de wederpartij was, kon de CRvB de gemeente verzoeken die informatie te overleggen.

10 Noot PJW: richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (de Verblijfsrichtlijn).

11 Noot PJW: HR 23 november 2012, nr. 11/03891, na conclusie Wattel, LJN BW7740, BNB 2013/31 met noot Kavelaars, V-N 2012/31.27, NTFR 2012/2786 met commentaar Fijen, JV met noot Minderhoud.

12 HR 21 september 2012, nr. 11/01153, na conclusie Langemeijer, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, NJ 2013, 22 met noot Alkema, AB 2013/30 met noot De Vries, JV 2012/458 met noot Slingenberg. De belanghebbende verwijst in het bijzonder naar r.o. 3.7.2. Het arrest bevatte overigens een niet-inhoudelijke omissie die bij herstelarrest van 12 oktober 2012, LJN BX9968 is hersteld.

13 De belanghebbende voert zelf aan EHRM 23 september 1998, no. 100/1997/884/1096 (A. v. the United Kingdom), NJ 1999, 532, betreffende een jongen van negen die door zijn stiefvader werd geslagen; het EHRM overwoog onder meer (§ 22): “(...). Children and other vulnerable individuals, in particular, are entitled to State protection, in the form of effective deterrence, against such serious breaches of personal integrity (...).”

14 EHRM 28 juni 2011, no. 55597/09 (Nuñez v. Norway), EHRC 2011/133 met noot Woltjer, JV 2011/402 met noot Van Walsum. In § 84 overwoog het EHRM dat “the best interest of the child shall be a primary consideration in all actions taken by public authorities concerning children (...).” De belanghebbende verwijst ook nog naar een uitspraak van de UK Supreme Court inhoudende dat kinderen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het frauduleuze gedrag van hun ouders (zie p. 21-22 van belanghebbendes beroepschrift in cassatie).

15 Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Protocol daarbij zijn opgenomen; Straatsburg, 16 september 1963. Het Vierde Protocol bij het EVRM trad voor Nederland in werking op 23 juni 1982 (Stb. 1982, 89). Art. 3 luidt: “1. Niemand mag, bij wege van een maatregel van individuele of collectieve aard, worden uitgezet uit het grondgebied van de Staat, waarvan hij een onderdaan is. 2. Aan niemand mag het recht worden ontnomen het grondgebied te betreden van de Staat, waarvan hij onderdaan is.”

16 EHRM 19 januari 2012, no. 39472/07 en 39474/07, EHRC 2012/66 met noot Boeles, JV 2012/167 met noot Battjes. De belanghebbende verwijst in het bijzonder naar “the children’s extreme vulnerability” in § 91 dat volgens haar een sterke zorgplicht voor de Staat impliceert.

17 HvJ 19 oktober 2004, zaak C-200/02 (Zhu en Chen), na conclusie Tizzano, LJN AR6705, EHRC 2004/104 met noot Conlan, NJ 2005, 345 met noot Mok, JV 2004/446 met noot Boeles.

18 EHRM 27 maart 1998, no. 156/1996/775/976 (Petrovic v. Austria), JB 1998/108 met noot AWH, USZ 1999/43 met commentaar Janssen. In § 26 overwoog het EHRM: “(...) the Court (...) considers that the refusal to grant Mr Petrovic a parental leave allowance cannot amount to a failure to respect family life, since Article 8 does not impose any positive obligation on States to provide the financial assistance in question.”

19 Dit voorbehoud luidt: “The Kingdom of the Netherlands accepts the provisions of Article 26 of the Convention with the reservation that these provisions shall not imply an independent entitlement of children to social security, including social insurance”. Zie Trb. 1998, 62.

20 HvJ EG 5 februari 1963, zaak C-26/62 (Van Gend en Loos), na conclusie Roemer, LJN AX7532, BNB 1964/134 en HvJ EG 15 juli 1964, zaak C-6/64 (Costa/ENEL), na conclusie Lagrange, LJN BE3134.

21 CRvB 13 juni 2006, nrs. NABW 04/5832 en NABW 04/5833, ECLI:NL:CRVB:2006:BY3868.

22 ABRvS 5 oktober 2012, nrs. 201007849/1/T1/V2 en 201108230/1/T1/V4, ECLI:NL:RVS:2012:BX9530. De belanghebbende citeert r.o.17 van die uitspraak die luidt: “Eerder heeft het Hof ook verblijfsrechten voor familieleden met de nationaliteit uit derde landen rechtstreeks afgeleid uit de artikelen 20 en 21 van het VWEU (zie de arresten van het Hof van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano, en van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a. (...).”

23 HR 23 november 2012, nr. 11/03891, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2012:BW7740, BNB 2013/31 met noot Kavelaars, V-N 2012/31.27, NTFR 2012/2786 met commentaar Fijen, JV 2013/115 met noot Minderhoud.

24 Noot PJW: Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland, Stb. 1998, 203. Voor een meer gedetaileerde beschrijving van de Koppelingswet en haar doelstelling verwijs ik naar onderdeel 5 van mijn conclusie voor HR BNB 2013/31.

25 Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000), Stb. 2000, 497. Art. 3.4(3) Vb 2000 voorziet in formulering van beleidsregels op grond waarvan - mede uit oogpunt van gelijkheid - categorieën van gevallen worden onderscheiden aan wie onder andere beperkingen dan die welke limitatief in het eerste lid zijn genoemd, een verblijfvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend. Art. 3.71(3) Vb 2000 ziet op de discretionaire bevoegdheid voor situaties die niet door een andere afwijkende (begunstigende) beleidsregel worden bestreken. Het gaat daar om de bekende “schrijnende” individuele gevallen.

26 In haar beroep waarop de voorzieningenrechter ex art. 8:86 Awb heeft beslist, heeft de belanghebbende gesteld dat gezinsleven buiten Nederland niet mogelijk zou zijn. In hoger beroep zie ik die stelling niet terug. In cassatie zie ik (dan ook) geen klacht die ziet op enig oordeel omtrent die vraag.

27 HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottman), na conclusie Maduro, Jur. 2010, p. I-1449, LJN BL8153, NJ 2010, 291 met noot Mok.

28 Maar volgens het HvJ is intrekking van nationaliteit op zichzelf niet verboden indien de betrokkene relevante informatie verzwijgt of liegt: alsdan is geen sprake van willekeurige intrekking; de intrekkingsbeslissing moet wel het evenredigheidsbeginsel respecteren.

29 HvJ EU 8 maart 2011, zaak C-34/09 (Ruiz Zambrano), na conclusie Sharpston, Jur. 2011, p. I-1177, LJN BP9130, EHRC 2011/65 met noot Groen, NJ 2011, 488 met noot Mok, RSV 2012/240 met commentaar Vonk.

30 In deze zaak reisde Chen - die de Chinese nationaliteit bezat - vanuit het Verenigd Koninkrijk waar zij in verband met het werk van haar man tijdelijk verbleef maar van welk land zij geen verblijfsvergunning voor langdurig verblijf kreeg, naar Belfast (Noord-Ierland) om daar te bevallen van Zhu. Door haar geboorte op het Ierse eiland verkreeg Zhu de Ierse nationaliteit, en werd zij tevens Unieburger (kennelijk werd Noord-Ierland voor de toepassing van de Irish Nationality and Citizenship Act 1956 als Iers grondgebied aangemerkt). Omdat Zhu als baby volledig afhankelijk was van Chen en haar man, en zij er niets aan kon doen dat Chen op kunstmatige wijze de voorwaarden had geschapen waaronder Chen het recht op duurzaam verblijf in het Verenigd Koninkrijk zou moeten verkrijgen, moest het Verenigd Koninkrijk Chen het verblijfsrecht verlenen. Mok noemt deze gang van zaken in zijn noot in NJ 2004, 345 “kraambedtoerisme”.

31 HvJ EU 5 mei 2011, zaak C-434/09 (McCarthy), na conclusie Kokott, Jur. 2011, p. I-3375, LJN BQ4569, EHRC 2011/95 met noot Groen, JV 2011/243 met noot Boeles, RSV 2012/241 met commentaar Vonk.

32 HvJ EU 15 november 2011, zaak C-256/11 (Dereci e.a.), na standpuntbepaling Mengozzi, nog niet gepubliceerd, LJN BU5953, EHRC 2012/3 met noot Groen, NJ 2012, 107 met noot Mok, JV 2012/6 met noot Groenendijk, RSV 2012/242 met commentaar Vonk. Dat geen sprake was van een conclusie van A-G Mengozzi maar van een ‘standpuntbepaling’ betekent dat, nu het niet ging om een prejudiciële vraag op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, sprake was van een versnelde procedure ex art. 23bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (de zogeheten procédure préjudicielle urgente, PPU). De verwijzende rechter heeft ex art. 104bis van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie om toepassing van de spoedprocedure verzocht, welk verzoek de President bij besluit van 9 september 2011 heeft ingewilligd, zie punt 36 van het arrest.

33 Omdat Dereçi Turks onderdaan was, was op hem Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije van toepassing. Dat maakte zijn geval bijzonder ten opzichte van de andere vier belanghebbenden, maar hier is dat niet relevant.

34 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

35 HvJ EU 8 november 2012, zaak C-40/11 (Iida), na conclusie Trstenjak, nog niet gepubliceerd, LJN BY3584.

36 Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

37 HvJ EG 11 december 2007, zaak C-291/05 (Eind), na conclusie Mengozzi, Jur. 2007, p. I-10719, LJN BC1839, EHRC 2008/31 met noot Woltjer, NJ 2007, 137 met noot Mok, JV 2008/1 met noot CAG, USZ 2008/161 met commentaar Gundt.

38 HvJ EU 6 december 2012, gevoegde zaken C-356/11 en C-357/11 (O. en S.), na conclusie Bot, nog niet gepubliceerd, LJN BY6479, EHRC 2013/51 met noot Schrauwen.

39 HvJ EU 8 mei 2013, zaak C-87/12 (Ymeraga), nog niet gepubliceerd, LJN CA0575.

40 HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-617/10 (Åkerberg Fransson), na conclusie Cruz Villalón, nog niet gepubliceerd, LJN BZ3811, EHRC 2013/112 met noot Morijn, AB 2013/131 met noot Widdershoven.

41 N. Cambien, Union Citizenship and Immigration: Rethinking the Classics?, European Journal of Legal Studies 2012 (vol. 5), p. 22.

42 N. Nic Shuibhne, (Some of) The Kids Are Alle Right, CMLR 2012, p. 365-366. In gelijke zin: M.J. van den Brink, EU Citizenship and EU Fundamental Rights: Taking EU Citizenship Rights Seriously?, Legal Issues of Economic Integration (LIEI), 2012, p. 282-283.

43 D. Kochenov en R. Plender, EU Citizenship: From an Incipient Form to an Incipient Substance? The discovery of the Treaty Text, European Law Review (ELR) 2012, p. 389.

44 Noot in origineel: See e.g. Ruiz zambrano (C-34/09) [2011] 2 C.M.L.R. 46 at [41].

45 A. Hinarejos, Citizenship of the EU: Clarifying ‘genuine enjoyment of the substance’ of Citizenship Rights, Cambridge Law Journal, 2012, p. 282.

46 L.J. Ankersmit en W.W. Geursen, Ruiz Zambrano: de interne situatie voorbij, Asiel & migrantenrecht 2011/4, p. 156-164 (par. 4.3).

47 Noot in origineel: Ook andere taalversies gaan uit van de “essentie” van de rechten: de Engelstalige versie spreekt van “the substance of the rights”; de Spaanstalige van “la esencia de los derechos”; de Italiaanstalige van “del godimento reale ed effettivo dei diritti”; de Portugeestalige van “do essencial dos direitos”; de Roemeenstalige van “al esenței drepturilor”; de Malteestalige van “tal‐essenzjal tad‐drittijiet”:; de Slowaakstalige van “podstaty práv”; de Sloveenstalige van “izvrševanje bistvene vsebine pravic”; de Tsjechischtalige versie kan worden vertaald in zowel ‘essentie’ als in ‘belangrijkste’: “podstatné části práv”; wij waren niet bij machte de overige taalversies te vertalen.

48 Noot in origineel: En ook de Zweedstalige en Deenstalige versies spreken van de ‘kern’ van de rechten: “kärnan i de rättigheter” en “kerneindholdet i de rettigheder”.

49 Noot in origineel: Artikel 31 Reglement voor de Procesvoering van het Hof van Justitie.

50 M.J. van den Brink, LIEI 2012, p. 280-281.

51 Noot in origineel: Chapter V of the Charter is about citizens’ rights.

52 Noot in origineel: Opinion of Advocate General Sharpston in Case C-34/09, Gerardo Ruiz Zambrano v. Office national de l’emploi (ONEm), not yet reported, para. 84.

53 In gelijke zin: Kochenov en Plender, ELR 2012, p. 394. Anders: Groen, punt 13, noot bij Dereçi in EHRC 2012/3, die schrijft dat art. 7 Handvest volgens zijn toelichting inhoudelijk niets toevoegt aan art. 8 EVRM. Ik meen dat het HvJ geen verschil in reikwijdte tussen art. 8 EVRM en art. 7 Handvest lijkt te beogen; zie punt 70 van Dereçi.

54 S. Adam en P. van Elsuwege, Analyses and Reflections. Citizenship Rights and the Federal Balance between the European Union and its Member States: Comment on Dereci, ELR 2012, p. 185-186.

55 Noot in origineel: Decision of June 30, 2009, BVerfGE 2/08 at [240]-[241]. Toevoeging PJW: deze rechtsoverwegingen van het Bundesverfassungsgericht kwamen er in wezen op neer dat hoewel sprake is van de “Europarechtsfreundlichkeit des Grundgesetzes”, Unierechtelijke bepalingen die niet met de Duitse grondwet verenigbaar zijn buiten toepassing blijven. De uitspraak is te vinden via: www.bundesverfassungsgericht.de

56 H. van Eijken en S.A. de Vries, SEW 2012/5, punt 84, p. 214.

57 Noot in origineel: Conclusie A-G Sharpston in Ruiz Zambrano, punt 177.

58 K. Lenaerts, The concept of EU citizenship in the case law of the European Court of Justice, ERA Forum (Journal of the Academy of European Law), online gepubliceerd op 5 februari 2013, p. 576-577. Het artikel is op persoonlijke titel geschreven en gebaseerd op zijn voordracht voor het congres ‘The citizen at the heart of EU law’, tot viering van het twintigjarig bestaan van de ERA in oktober 2012.

59 Noot in origineel: Joined Cases C-64/96 and C-65/96 Uecker and Jacquet [1997] ECR I-3171, para. 23.

60 K. Lenaerts, Exploring the Limits of the EU Charter of Fundamental Rights, European Constitutional Law Review 2012, p. 394.

61 Vgl. ABRvS 14 november 2007, nr. 200702780/1, ECLI:NL:RVS:2007:BB7789, AB 2007/396 met noot Sewandono.

62 ABRvS 9 augustus 2013, nr. 201207385/1/V4, ECLI:NL:RVS:2013:725.

63 HvJ EG/EU 2 oktober 2003, zaak C-148/02 (Garcia Avello), na conclusie Jacobs, Jur. 2003, p. I-11613, LJN BF4392.

64 Maar dat laatste maakt vermoedelijk weinig uit: als de werkingssfeer van het EU-recht werd betreden, paste het HvJ EU fundamentele rechten ook vóór 2009 reeds toe, maar dan in de gedaante van ‘algemene beginselen van Unierecht’ die de lidstaten delen ingevolge een gemeenschappelijke constitutionele traditie, en die eveneens primair EU-recht vormen.

65 Zie bijvoorbeeld het door de SVB in haar verweerschrift aangehaalde arrest EHRM 27 maart 1998 (Petrovic. v. Austria), no. 156/1996/775/976, LJN AG8582, JB 1998/108 met noot AWH, USZ 1999/43 met commentaar Janssen. Deze zaak betrof een Oostenrijkse man die net vader was geworden maar anders dan de moeder geen Karenzurlaubsgeld (‘ouderschapsverloftoelage’) kreeg, hetgeen hij een ongeoorloofde discriminatie naar sekse en dus een schending van art. 8 en 14 EVRM vond. Het EHRM was dat niet met hem eens: Oostenrijk overschreed zijn beoordelingsvrijheid niet. In de aanloop naar zijn dictum overwoog het EHRM ook (§ 26): “(...) the Court (...) considers that the refusal to grant Mr Petrovic a parental leave allowance cannot amount to a failure to respect family life, since Article 8 does not impose any positive obligation on States to provide the financial assistance in question.”

66 HR 15 maart 2013, nr. 12/02504, na conclusie Wattel ECLI:NL:HR:2013:BY6888, V-N 2013/7.25, NTFR 2013/581 met commentaar Van Mulbregt, USZ 2013/129 met commentaar Boot.

67 In die zaak was immers in cassatie niet in geschil het oordeel dat een gezagsverhouding bestond.

68 ABRvS 9 augustus 2013, nr. 201207385/1/V4, ECLI:NL:RVS:2013:725.