Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:828

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11/04097
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:779
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Voorwaardelijk opzet bij poging tot zware mishandeling. 2. Vordering b.p., rechtstreekse schade. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR ECLI BI4736. Het Hof heeft een opgenomen bm redengevend geacht voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet van verdachte t.a.v. het eerste incident en daaruit klaarblijkelijk afgeleid dat de mogelijkheid is blijven bestaan dat verdachte ‘per ongeluk’ op de verbalisant is ingereden. Het oordeel dat t.a.v. het eerste incident sprake is van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling - waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen - valt niet te verenigen met die opengebleven mogelijkheid. De bewezenverklaring, vzv. behelzende dat verdachte t.a.v. het eerste incident (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld, kan dan ook niet uit de gebezigde bewijsvoering volgen. Ad 2. Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het bestaan van zodanig verband in gevallen als deze niet is uitgesloten (vgl. HR ECLI ZD0985) en door of namens verdachte in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de b.p. en dus ook niet is betwist dat i.c. dit verband aanwezig was. Conclusie AG: anders m.b.t. de b.p.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04097

Zitting: 18 juni 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 14 juli 2011 verdachte wegens 1. “medeplegen van poging tot zware mishandeling”, 2. primair “medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd”1 en 3. subsidiair “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het Hof de in het arrest vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, op de wijze vermeld in het arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.2

4. De bewijsvoering

4.1.

Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen zal ik eerst de bewezenverklaring en ’s Hofs bewijsoverwegingen weergeven voor zover die voor de beoordeling van de middelen van belang zijn.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

1.

hij op 06 november 2009 te Soest, tezamen en in vereniging met een anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] (politieambtenaar te Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - meerdere goederen en/of voorwerpen (bouwmaterialen/stenen) vanuit een rijdende auto in de richting van [betrokkene 2] (die op een motor reed) hebben gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2 primair

hij op 06 november 2009 te Soest, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [betrokkene 2] (politieambtenaar te Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere keren met een auto met aanmerkelijke snelheid op [betrokkene 2] is ingereden zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3 subsidiair

hij in de periode van 5 november 2009 tot en met 6 november 2009 te Amsterdam en/of te Utrecht, een personenauto (Fiat Uno Selecta U9) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde het voorhanden krijgen van voornoemde auto redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

4.3.

Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen3:

Overwegingen

 Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof hecht geen geloof aan de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte, behalve voor zover verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 te Soest een personenauto van het merk Fiat Uno heeft bestuurd. 

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast, waarbij voor het grootste gedeelte de overwegingen van de rechtbank worden overgenomen. 

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 

Verbalisant [betrokkene 2] was op 6 november 2009 werkzaam als motoragent. Hij was gekleed in uniform en reed op een opvallende politiemotor. Rond 21.30 uur zag hij te Soest een auto op zich afkomen. De auto had een kapotte koplamp. Op het moment dat de auto [betrokkene 2] passeerde zag hij dat er drie of vier personen in de auto zaten en dat de bestuurder een wit petje op had. Vanwege de kapotte koplamp heeft [betrokkene 2] zijn motor gekeerd en is achter de auto aangereden om de bestuurder een stopteken te geven. De bestuurder negeerde dit stopteken en verhoogde zijn snelheid. [betrokkene 2] is vervolgens achter de auto aangereden. Tijdens de achtervolging zag [betrokkene 2] dat de ramen van de auto werden open gedraaid en dat er goederen uit de auto werden gegooid in zijn richting. [betrokkene 2] reed op dat moment kort achter de auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur. Toen de auto bij een middengeleider op de Koningsweg aankwam werd er hard geremd, kennelijk met de bedoeling om de auto te keren en aan de andere kant van de middengeleider weer terug te rijden. Omdat de auto de bocht niet in een keer kon maken moest hij een keer extra steken. [betrokkene 2] is toen om de auto heen gereden en er voor gaan staan. De bestuurder van de auto was inmiddels vier a vijf meter achteruit gereden en reed vervolgens recht op [betrokkene 2] af. Door direct gas te geven en weg te rijden kon [betrokkene 2] een aanrijding voorkomen. De auto reed daarna via een rotonde een doodlopende weg in. [betrokkene 2] bleef in de buurt van de rotonde wachten tot de auto zou terugkeren. Toen de auto terug kwam rijden zag [betrokkene 2] dat de auto recht op hem af reed, terwijl hij op geen enkele manier de weg voor de auto blokkeerde. [betrokkene 2] moest opnieuw wegrijden om een aanrijding te voorkomen. [betrokkene 2] is vervolgens weer achter de auto aangereden totdat hij de auto stil ziet staan. Hij ziet drie jongens een bedrijventerrein op rennen. Hij weet één van deze jongens aan te houden. Vervolgens treft hij op de weg waarop hij de auto heeft achtervolgd een tweetal stenen midden op de weg aan. Bij de reconstructie van de beide pogingen tot aanrijding van [betrokkene 2] is geconcludeerd dat de auto [betrokkene 2] bij het eerste incident ongeveer met een snelheid van 18 kilometer per uur zou hebben aangereden indien hij niet was uitgeweken en bij het tweede incident met een snelheid van ongeveer 34 kilometer per uur. Voorts is geconcludeerd dat het bij het eerste incident mogelijk is dat de bestuurder, door het ontbreken van stuurbekrachtiging en door het zeer hard en abrupt gas geven, per ongeluk op de motorrijder is ingereden en daarnaast is het mogelijk dat de bestuurder per ongeluk het in de auto gemonteerde tweede gaspedaal (links naast de rem) bediend heeft, terwijl hij de koppeling wilde bedienen. Ten aanzien van het tweede incident wordt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geconcludeerd dat de bestuurder opzettelijk op [betrokkene 2] is ingereden, omdat het dynamisch rijgedrag van het voertuig tijdens de rijproeven zodanig was dat dit slechts kon duiden op een bewuste stuurbeweging in de richting van de parallelweg (de plaats waar [betrokkene 2] stond). Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 met drie andere jongens in de auto gereden heeft en dat hij de auto (vóór de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten) bestuurd heeft. Verdachte heeft voorts verklaard dat de bestuurder van de auto tot tweemaal toe recht op de motoragent is afgereden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de andere inzittenden, toen de politieagent hen achtervolgde, stenen uit het raam van de auto gooiden. De andere drie jongens in de auto droegen volgens verdachte donker gekleurde petjes en hijzelf droeg een wit petje. In de auto werd door verbalisanten een stuk speksteen aangetroffen, soortgelijk aan de stenen waannee naar [betrokkene 2] is gegooid. 

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij in Amsterdam Noord is ingestapt in een auto met hem onbekende inzittenden, dat hij direct is bedreigd met een vuurwapen en dat hij na een stukje rijden gedwongen is om de auto te besturen. Verdachte heeft voorts verklaard dat, hoewel hij niet in het bezit is van een rijbewijs, hij onder dwang de auto heeft bestuurd tot aan de afrit Volendam en dat daar een van de andere inzittenden de auto is gaan besturen. 

Het hof hecht - behalve voor zover de verdachte heeft verklaard dat ook hij de auto bestuurd heeft - geen waarde aan de verklaring van verdachte, aangezien het hof de door verdachte geschetste gang van zaken ongeloofwaardig acht en deze verklaring op geen enkele wijze nader onderbouwd is. Naar het oordeel van het hof voegt ook de verklaring van de getuige [getuige] ter zitting van het hof niets toe aan de verklaring van verdachte. 

Het hof stelt aan de hand van de verklaring van verdachte dat hij een wit petje en de overige inzittenden donkere petjes droegen in samenhang met de verklaring van [betrokkene 2] dat de bestuurder een wit petje droeg alsmede de verklaring van de verdachte dat ook hij de auto heeft bestuurd, dat verdachte de auto ook heeft bestuurd gedurende de achtervolging en de twee pogingen om [betrokkene 2] aan te rijden. 

(…)

Het hof is van oordeel dat de inzittenden door het gooien van de bouwmaterialen/stenen zich hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 2] ten val zou komen en dat hij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Nu vast staat dat de auto door verdachte is bestuurd, is - los van de vraag of verdachte zelf ook stenen heeft gegooid - naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de overige inzittenden. Verdachte was immers de bestuurder van de auto en uit zijn verklaring volgt dat hij wist dat de andere inzittenden stenen uit die auto wilden gooiden. Als bestuurder bepaalde verdachte de snelheid van de auto en daarmee de snelheid van de achtervolging door [betrokkene 2]. Die snelheid was bepalend voor de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 2] tengevolge van een val zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van het stenen gooien. Als bestuurder van de auto had hij de auto tot stilstand kunnen brengen om zodoende de achtervolging te beëindigen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte zich - samen met anderen - schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 

Het hof kwalificeert ook het met een auto inrijden op [betrokkene 2] als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op de aard van het handelen van de verdachte, het van korte afstand inrijden op een persoon, en alle omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, zoals deze blijken uit de hiervoor weergeven beschrijving van de feiten en omstandigheden, is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat als de verdachte [betrokkene 2] had geraakt hij zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen. Ten aanzien van het eerste incident is, gelet op de uitkomsten van de reconstructie, naar het oordeel van het hof sprake van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling. Het is niet vast te stellen of verdachte bewust of per ongeluk op de verbalisant inreed, maar door in de gegeven omstandigheden in een auto zonder stuurbekrachtiging zeer hard en abrupt gas te geven, heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ten aanzien van het tweede incident stelt het hof vast dat, gelet op de uitkomsten van de reconstructie en de verklaring van [betrokkene 2], verdachte opzettelijk op [betrokkene 2] is ingereden. 

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Tussen 5 november 2009 te 17.00 uur en 6 november 2009 te 10.00 uur is in Amsterdam de auto van [betrokkene 1], merk Fiat, type Uno Selecta U9, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], gestolen. De auto was voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Op 6 november 2009 rond 21.30 uur ziet de verbalisant [betrokkene 2] te Soest een Fiat met het kenteken [AA-00-BB] rijden. Uit het onderzoek en de onderliggende stukken, mede gelet op het tijdsverloop tussen het tijdstip van ontvreemding en het tijdstip waarop verdachte in die Fiat werd aangetroffen, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van die personenauto. Wel kan daaruit worden afgeleid dat verdachte op 6 november 2009 te Soest die auto voorhanden heeft gehad terwijl hij had moeten vermoeden dat het door een misdrijf verkregen auto betrof. Het hof leidt dat vermoeden van verdachte met name af uit de omstandigheid dat de Fiat na de achtervolging met een lopende motor is achtergelaten, terwijl er geen sleutel in het contact zat.”

4.4.

De bewezenverklaring steunt voorts op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn te vinden. Ik merk daarbij op dat het Hof onder die bewijsmiddelen een verklaring van de verdachte heeft opgenomen waaraan het blijkens zijn bewijsoverwegingen maar in zeer beperkte mate geloof heeft gehecht. De middelen klagen daarover echter niet.

5. Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit niet steunt op de gebezigde bewijsmiddelen, nu daaruit niet het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel noch het medeplegen daarvan kan worden afgeleid, althans dat het Hof het hiertoe strekkende door de verdediging gevoerde verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

5.2.

Bij de bespreking van het ruim geformuleerde middel beperk ik mij tot de specifieke bewijsklachten die in de toelichting daarop worden geuit. Daarbij merk ik op dat ook het tweede en het derde middel betrekking hebben op het bewijs van het medeplegen en het daarvoor vereiste opzet.

5.3.

De steller van het middel klaagt allereerst dat het Hof als bewijsmiddelen 2 en 3 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte heeft gebezigd, inhoudende verklaringen van de verdachte. Dit zou onduidelijk zijn, nu er geen sprake is van een aangifte, verdachte heeft immers nergens aangifte van gedaan, maar van een proces-verbaal van verhoor van verdachte. Een blik achter de papieren muur leert mij dat de verklaringen van de verdachte welke het Hof als bewijsmiddelen 2 en 3 in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv heeft opgenomen inderdaad niet zijn vervat in processen-verbaal van aangifte, maar in processen-verbaal van verhoor. Dit is, gelet op de juiste weergave van de inhoud van de verklaringen van de verdachte en de verwijzing naar de juiste dossierpagina’s, een kennelijk misslag. Hierdoor is de bewijsconstructie van het Hof evenwel niet onduidelijk geworden.

5.4.

Daarnaast heeft de steller van het middel aangevoerd dat het Hof in voetnoot 10 van zijn bewijsoverwegingen heeft verwezen naar pagina 36 van het doorgenummerde proces-verbaal, terwijl die pagina geen steun biedt aan ’s Hofs oordeel dat uit de verklaring van de verdachte “volgt dat hij wist dat de andere inzittenden stenen uit die auto wilden gooien”. Een (tweede) blik achter de papieren muur leert mij dat (pagina 36 van) het proces-verbaal waarnaar het Hof in voornoemde voetnoot verwijst, wel steun biedt aan hetgeen het Hof direct voorafgaande aan de geciteerde zinsnede vaststelde – namelijk dat verdachte de auto heeft bestuurd –, maar inderdaad niets inhoudt aangaande de vraag of verdachte wist wat de overige inzittenden wilden. Deze onvolledige bronvermelding hoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu zij in de aanvulling op het verkorte arrest wordt goedgemaakt. Kennelijk baseerde het Hof zijn oordeel op de in de aanvulling correct aangeduide en als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van de verdachte, die onder meer inhoudt:

“Toen ik in Amsterdam in de auto stapte lag er allemaal zooi in de auto. Blikjes en ook stenen. Toen die politieman op de motor ons volgde begonnen de anderen met die stenen en blikjes te gooien. Ze hadden de ramen van de auto naar beneden gedaan.”

5.5.

Voorts voert de steller van het middel aan dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid dat verdachte, zoals het Hof heeft geoordeeld, wist dat de andere inzittenden stenen uit die auto wilden gooien. De bedoelde verklaring houdt in dat de anderen, nadat zij de ramen van de auto naar beneden hadden gedaan, “begonnen” met het gooien van stenen en blikjes. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte vanaf dat moment wist dat de anderen inzittenden stenen wilden gooien.

5.6.

De steller van het middel klaagt ten slotte over het gebruik voor het bewijs van de verklaring van getuige [betrokkene 2] (bewijsmiddel 4), voor zover die inhoudt: “Naar mate de achtervolging doorging werd mijn duidelijk dat ze deze goederen naar buiten gooiden om mij te raken en daarmee af te schudden”. Deze verklaring zou aldus een conclusie bevatten en geen waarneming, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt waarop de getuige deze conclusie heeft gebaseerd. Ik stel voorop dat het Hof de opzet op zware mishandeling bewezen heeft verklaard in de vorm van voorwaardelijk opzet. Dat brengt mee dat de bedoelingen en de motieven van de stenengooiers niet van beslissende betekenis zijn. Gelet daarop heeft het Hof de bedoelde verklaring van [betrokkene 2] kennelijk gebruikt als de weergave van een gedachte die zich bij hem opdrong en welke gedachte iets zegt over de wijze en de duur van het gooien van de stenen, namelijk dat die zodanig was dat [betrokkene 2] door de stenen gemakkelijk kon worden geraakt.

5.7.

Het middel faalt.

6. Het tweede middel

6.1.

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van het onder 1 tenlastegelegde feit, met de klacht dat het feit dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van het stenen gooien, niet redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring.

6.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 30 juni 2011 hebben de verdachte en de raadsman het woord tot verdediging gevoerd. De raadsman heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“Al zou cliënt gereden hebben, zou het stoppen van de auto het gooien van de stenen ongedaan hebben gemaakt? We spreken toch al over een voltooid delict, hoe kan cliënt zich van een voltooid delict distantiëren? Alsof je zojuist iemand gedood hebt en daarna zegt: ik wilde dit niet. Doet dat iets af aan de doodslag? Dat het louter niet-distantiëren ook nimmer medeplegen kan opleveren, weten we al sinds de Rijswijkse stoeptegelmoord uit 2008. Dit wordt nog eens bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 9 maart 2010 waar het hof Arnhem ten onrechte een niet-distantiëren een te grote betekenis had gegeven volgens de Hoge Raad. De overweging van de rechtbank op dit punt is in strijd met deze bestendige jurisprudentie. 

Bedoelt de rechtbank dan dat cliënt had moeten stoppen na het gooien van de eerste goederen uit de auto? Dat impliceert ten eerste dat cliënt dit gemerkt moet hebben en dat er vervolgens wederom goederen naar buiten werden gegooid, ten tweede dat hij wist wat voor goederen naar buiten werden gegooid alsmede met welk doel ze naar buiten werden gegooid. Over die omstandigheden weten we niets.”

6.3.

De steller van het middel klaagt over de overweging van het Hof dat verdachte zich niet - door te stoppen met rijden – van het stenen gooien heeft gedistantieerd. Dit omdat het Hof in zijn bewijsconstructie in het midden zou hebben gelaten of er slechts eenmalig of vaker goederen naar buiten zijn gegooid. Indien dit slechts eenmalig is gebeurd, kan niet distantiëren geen redengevende betekenis hebben voor het reeds gepleegde feit. Die klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof zonder meer kunnen afleiden dat meerdere stenen zijn gegooid en dat dit gooien zich over een langere periode uitstrekte.

6.4.

Ik merk daarbij nog op dat het medeplegen van de poging tot zware mishandeling door het Hof niet enkel is afgeleid uit het niet distantiëren door de verdachte. Het hele patroon van vluchten, zoals dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, duidt op een nauwe samenwerking van de verdachte (die de auto bestuurde) met de andere inzittenden in de auto. Gelet hierop heeft het Hof kunnen aannemen dat ook het gooien van de stenen plaatsvond in het kader van het gezamenlijke doel (ontkomen aan de politie). De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen is dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed.

6.5.

Het middel faalt.

7. Het derde middel

7.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken, althans onvoldoende gemotiveerd is afgeweken, van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat niet is gebleken van een aanmerkelijk risico op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat voorwaardelijk opzet daarop niet bewezen kan worden.

7.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 30 juni 2011 hebben de verdachte en zijn raadsman het woord tot verdediging gevoerd. De raadsman heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“(…) Hetgeen echter volledig ontbreekt, is zelfs maar een terloopse opmerking over de stenen die naar buiten zijn gegooid. Wanneer zijn ze naar buiten gegooid? Met welke frequentie? Allemaal tegelijk? Een voor één? Hoe veel? Hoe vaak? Hoe groot waren de stenen? En met name: waar kwamen ze terecht? Hoeveel afstand was er tussen de auto en de verbalisant toen er iets uit de auto werd gegooid? Moest de verbalisant hiervoor uitwijken? Moest de verbalisant hiervoor plotseling uitwijken?

De verbalisant schrijft niet meer dan dat ze zijn richting op werden gegooid. Dat is ten ene male onvoldoende om met zekerheid aan te nemen dat hieruit een aanmerkelijk risico volgde dat hij hier tegen aan zou rijden én dat hieruit een val zou kunnen voortkomen.

(…)

(…) En waarom beschrijft [betrokkene 2] de omvang van de stenen niet? Is dat omdat die omvang verwaarloosbaar was? Was het inderdaad puinsteen als in: inmiddels hele kleine steentjes?

Gegeven alle onduidelijkheden op dit punt kan nimmer tot een bewezenverklaring worden geconcludeerd nu we uit niets kunnen opmaken of er door de handelingen van de inzittenden in de auto daadwerkelijk een aanmerkelijke kans is ontstaan op de dood van de verbalisant [betrokkene 2]. (…)

(…)

Conclusie

Ik concludeer dat vrijspraak moet volgen nu noch het opzet noch de aanmerkelijke kans uit enig bewijsmiddel volgt. Alle details over de aard van de goederen, de omvang, de frequentie waarmee werd gegooid, de afstand tussen auto en verbalisant, of hij uit moest wijken, waar de stenen terecht kwamen etc. ontbreekt. Mitsdien is met geen enkele zekerheid te zeggen of de anderen willens en wetens een aanmerkelijk risico hebben genomen dat de verbalisant [betrokkene 2] hierdoor ten val zou zijn gekomen en dat dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tengevolge zou hebben.

Ik concludeer dat ook dat cliënt van dit feit dient te worden vrijgesproken.”

7.3.

Het verweer dat er onvoldoende bewijs is om voorwaardelijk opzet aan te nemen, levert in de regel niet een standpunt op dat op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv tot nadere motivering noopt. De (on)juistheid van dat verweer blijkt immers uit de bewijsmotivering.

7.4.

Voor het geval het middel bedoelt te klagen dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [betrokkene 2] door het gooien van de bouwmaterialen/stenen ten val zou komen en dat hij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, geldt het volgende. Uit het door het Hof gebezigde bewijsmiddel 4 kan worden afgeleid dat de inzittenden van de auto tijdens de achtervolging, waarbij (binnen de bebouwde kom) een snelheid van 100 kilometer per uur werd gereden en waarbij [betrokkene 2] op zijn motor de auto op een afstand van circa 10 meter volgde, goederen van aanzienlijke omvang, er waren goederen bij van 50 à 60 cm, uit het raam van de auto hebben gegooid. Uit dat bewijsmiddel kan voorts worden afgeleid dat die goederen in de richting van [betrokkene 2] werden gegooid (al dan niet met de bedoeling om hem te raken). Het oordeel van het Hof dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat [betrokkene 2] ten val zou komen en dat hij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

7.5.

Het middel faalt.

8. Het vierde en het vijfde middel

8.1.

Beide middelen komen op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit, voor zover dat inhoudt dat verdachte “meerdere keren” op [betrokkene 2] is ingereden. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

8.2.

Het door het Hof gebezigde bewijsmiddel 5 houdt, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, met betrekking tot de eerste van de twee incidenten waarop de bewezenverklaring ziet, het volgende in:

“5. een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van reconstructie (pagina's 59 t/m 90) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van der verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], althans één hunner:

(…)

Het is mogelijk dat de bestuurder van de Fiat door het ontbreken van stuurbekrachtiging en door zeer abrupt en hard gas geven per ongeluk op de motorrijder inreed. Daarnaast was het mogelijk dat de bestuurder van de Fiat per ongeluk het tweede gaspedaal (links naast de rem) bediend heeft terwijl hij de koppeling wilde bedienen.

(…)”

8.3.

Het Hof heeft geoordeeld, zoals hiervoor opgenomen onder 4.3, dat er ten aanzien van het eerste incident, gelet op de uitkomsten van de reconstructie, sprake is van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat niet is vast te stellen of verdachte bewust of per ongeluk op de verbalisant inreed, maar dat verdachte zich door in de gegeven omstandigheden in een auto zonder stuurbekrachtiging zeer hard en abrupt gas te geven naar het oordeel van het Hof heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

8.4.

Het vijfde middel voert terecht aan dat voornoemde bewijsoverweging van het Hof innerlijk tegenstrijdig dan wel onbegrijpelijk is. Het Hof heeft in het midden gelaten of de verdachte bij het eerste incident bewust of per ongeluk op de verbalisant is ingereden. Nu het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de mogelijkheid bestaat dat de verdachte per ongeluk op de verbalisant is ingereden, is daarmee het oordeel van het Hof dat er bij verdachte ten aanzien van het eerste incident sprake is van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling, niet te rijmen.

8.5.

Nu het vijfde middel slaagt, behoeft het vierde middel, dat klaagt over het gebrek aan redengevendheid van bewijsmiddel 5, geen bespreking.

8.6.

Ik heb mij afgevraagd waartoe een en ander moet leiden. Het Hof heeft het onder 2 bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”. In het kader van de strafmotivering heeft het Hof er uitdrukkelijk rekening mee gehouden dat de verdachte meermalen op de agent is ingereden. Gelet daarop kan naar ik meen niet gezegd worden dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel niet verandert als de Hoge Raad, opnieuw rechtdoende, ermee zou volstaan alsnog van het “meermalen gepleegd” vrij te spreken en het bewezenverklaarde dienovereenkomstig te kwalificeren. Aan terug- of verwijzing valt, anders gezegd, denk ik niet te ontkomen.

9. Het zesde middel

9.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de benadeelde partij [betrokkene 1] schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling, nu dat oordeel in strijd is met de door het Hof bewezenverklaarde feiten alsmede met de vrijspraak van het onder 3 primair tenlastegelegde feit.

9.2.

Het Hof heeft, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

(…)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

(…)

BESLISSING

(…)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [betrokkene 1] terzake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

(…)”

9.3.

Voor zover de steller van het middel aanvoert dat [betrokkene 1] zich enkel heeft gevoegd als benadeelde partij met betrekking tot de diefstal van haar auto, zoals tenlastegelegd onder 3, en niet met betrekking tot de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling door verdachte meen ik dat sprake is van een misslag die niet tot cassatie kan leiden. Het Hof heeft kennelijk per vergissing, in aanmerking genomen dat uit zijn bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 subsidiair en de inhoud van het voegingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene 1] volgt dat tussen 5 en 6 november 2009 in Amsterdam de auto van [betrokkene 1] is gestolen en dat [betrokkene 1] zich ter zake diefstal als benadeelde partij heeft gevoegd, bij de beoordeling van en beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] het verkeerde feit vermeld.4 De Hoge Raad kan het bestreden arrest lezen met herstel van deze kennelijke misslag, waardoor aan deze klacht de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

9.4.

Voorts voert de steller van het middel aan dat de benadeelde partij [betrokkene 1] niet rechtstreeks is benadeeld door het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit, de schuldheling. De toegebrachte schade, een kapot contactslot, zou enkel het gevolg zijn van de onder 3 primair tenlastegelegde diefstal, waarvan verdachte is vrijgesproken.

9.5.

Een bestolene kan als benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van zijn schade door de heler. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed (de bestolene) geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.5 Van een voldoende verband kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte/heler nauw betrokken is geweest bij de diefstal van het goed of indien de schade aan het geheelde goed is ontstaan als gevolg van het handelen van de verdachte/heler.6 Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de jurisprudentie tot nu toe steeds betrekking op gevallen van opzetheling. Of ook in geval van schuldheling sprake kan zijn van voldoende verband, is de vraag.

9.6.

In de onderhavige zaak gaat het om schuldheling. Blijkens het voegingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene 1] bestaat de schade uit een kapot contactslot en het verlies van verschillende gereedschappen, welke in de gestolen auto lagen opgeslagen. Het Hof heeft geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, de schuldheling, rechtstreeks schade heeft geleden. Dit oordeel lijkt mij zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het Hof heeft niet aan de hand van concrete omstandigheden uitgelegd waaruit het voldoende verband tussen de helingshandeling en de door [betrokkene 1] geleden schade bestaat en dit verband kan evenmin kan worden afgeleid uit hetgeen ter terechtzitting is verhandeld noch uit de door het Hof gebezigde bewijsconstructie.

9.7.

Dat de vordering niet door of namens de verdachte is bestreden, maakt het voorgaande in dit geval niet anders. Ik neem daarbij in aanmerking dat de verdachte is veroordeeld ter zake van schuldheling, terwijl de vordering van de benadeelde partij afgaande op de tekst ervan enkel betrekking had op diefstal.

9.8.

Het middel is terecht voorgesteld.

10. De middelen 1, 2 en 3 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. De middelen 5 en 6 slagen. Middel 4 behoeft geen bespreking.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissingen ter zake het onder 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissingen ter zake de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Ik merk op dat onder 2 primair niet is tenlastegelegd noch bewezenverklaard dat verdachte de poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd. De middelen klagen daarover evenwel niet.

2 Een afschrift van de schriftuur van de verdachte als bedoeld in art. V lid 1 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad is pas op 12 juni 2013 aan de benadeelde partij toegezonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van dertig dagen vermeld in lid 2 van dit artikel nog een verweerschrift van de benadeelde partij kan binnenkomen. Mocht dit zich inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

3 Ik heb de door het Hof opgenomen voetnoten weggelaten.

4 Deze misslag kan worden verklaard doordat in eerste aanleg de diefstal/heling van de personenauto van [betrokkene 1] blijkens de dagvaarding als feit 2 aan de verdachte was tenlastegelegd. Ter terechtzitting van 20 januari 2011 heeft het Hof een vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen, welke wijziging onder meer een vernummering inhield van voormelde diefstal/heling tot feit 3.

5 HR 24 maart 1998, LJN ZD0985, NJ 1998/537.

6 Vgl. HR 24 maart 1998, LJN ZD0985, NJ 1998/537, waarin de Hoge Raad besliste dat het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van een geldkist in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat, kort gezegd, verdachte zeer nauw betrokken is geweest bij de diefstal (het handelen van de verdachte/heler was de aanleiding tot de diefstal en de verdachte/heler was ter plekke aanwezig toen de diefstal werd gepleegd) en HR 30 maart 2004, LJN AO3291, NJ 2004/343, waarin de Hoge Raad besliste dat het kennelijke oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte (die in deze zaak is veroordeeld ter zake opzetheling van een gestolen auto, welke gestolen auto, toen de verdachte zich aan zijn aanhouding ter zake van opzetheling heeft willen onttrekken, in botsing is gekomen met een surveillancevoertuig) en de bewezenverklaarde opzetheling in zodanig nauw verband staan met elkaar dat door de opzetheling rechtstreeks aan de eigenaar van de gestolen auto de door deze geleden schade is toegebracht geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, evenmin onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde, mede in aanmerking genomen dat ter terechtzitting ter zake geen verweer is gevoerd. Zie voor enkele andere voorbeelden voorts HR 29 januari 2002, LJN AD7013, HR 12 februari 2002, LJN AD6993 en HR 6 november 2012, LJN BX5551, NJ 2012/643.