Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:824

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
12/02970
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:775, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO en volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02970

Mr. Machielse

Zitting 18 juni 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 15 augustus 2011 wegens 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 3. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door een onjuiste uitleg te geven aan de daarin voorkomende, aan art. 285 Sr ontleende term “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, althans dat het hof nader had dienen te motiveren waarom de in de bewezenverklaring opgenomen uitlatingen als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” zijn aan te merken.

3.2 Aan verdachte is, voor zover relevant, ten laste gelegd dat:

“2. hij op of omstreeks 22 april 2009 te Bladel [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend tegen [betrokkene 2] gezegd, sprekende over [betrokkene 1] dat:

  • -

    “zij zal moeten bloeden tot haar dood, ik zal bidden dat ze over gaat naar de andere kant en dat zij kanker krijgt of haar kinderen, want iemand die mij beledigt, heeft een groot probleem.”;

  • -

    “ik bid dat ze kapot gaat, zij gaat voor de bijl want zij heeft mij op een negatieve manier behandeld.”;

  • -

    “ze zal door een diep dal gaan, ze zal nooit geen aangenaam leven meer hebben.”;

  • -

    “de oorlog is uitgebroken.”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden ter kennis van [betrokkene 1] zijn gekomen;

3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2009 tot en met 19 mei 2009 te ’s-Hertogenbosch [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of een Statenlid, medewerker(s) van de provincie Noord-Brabant, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] de woorden toegevoegd:

  • -

    “dat hij Karst T. wel begreep en dat alle mensen die tegen hem gelogen hadden nu dood waren”;

  • -

    “als iemand meemaakte wat hij had meegemaakt en niet gehoord werd, dat je dan soms drastische dingen moest doen”;

  • -

    en dat hij een Statenlid de nek zou omdraaien,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

3.3 Hiervan is bewezenverklaard dat:

“2. hij op 22 april 2009 te Bladel [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend tegen [betrokkene 2] gezegd, sprekende over [betrokkene 1] dat:

  • -

    “zij zal moeten bloeden tot haar dood, ik zal bidden dat ze over gaat naar de andere kant en dat zij kanker krijgt of haar kinderen, want iemand die mij beledigt, heeft een groot probleem”;

  • -

    “ik bid dat ze kapot gaat, zij gaat voor de bijl want zij heeft mij op een negatieve manier behandeld”;

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden ter kennis van [betrokkene 1] zijn gekomen;

3. hij op tijdstippen in de periode van 12 mei 2009 tot en met 14 mei 2009 te ’s-Hertogenbosch [betrokkene 3], medewerker van de provincie Noord-Brabant, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend [betrokkene 3] de woorden toegevoegd:

  • -

    “dat hij Karst T. wel begreep en dat alle mensen die tegen hem gelogen hadden nu dood waren”;

  • -

    “als iemand meemaakte wat hij had meegemaakt en niet gehoord werd, dat je dan soms drastische dingen moest doen”;

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

3.4 De steller van het middel voert aan dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Door bewezen te verklaren dat de uitlatingen een bedreiging met enig misdrijf opleveren en doordat een uitdrukkelijke overweging dienaangaande ontbreekt, heeft het gerechtshof - aldus de steller van het middel - kennelijk aan de in de tenlastelegging voorkomende wettelijke term ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ een andere betekenis gegeven dan die art. 285 Sr daaraan toekent. Ik leg de klacht maar zo uit dat in essentie wordt bedoeld te klagen dat de door de verdachte geuite teksten niet kunnen worden gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”. De steller van het middel betoogt hiertoe dat verdachte met de onder feit 2 bewezenverklaarde uitlatingen “ik zal bidden dat” en “ik bid dat” niet een bedreiging met een specifiek misdrijf door een mens heeft geuit, maar slechts tot uitdrukking heeft gebracht dat hij zich tot een hogere, niet-menselijke macht zal wenden teneinde de door hem gewenste gevolgen te doen bewerkstelligen. Maar dat is geen bedreiging doch slechts een verwensing. Ook de onder feit 3 bewezenverklaarde uitlatingen kunnen volgens de steller van het middel niet gelden als bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht.

3.5 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in art. 285 Sr vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.1 Een dergelijke bedreiging kan worden gedaan met gedragingen of woorden, dan wel een combinatie van beide, die zodanig zijn dat daardoor een dergelijke vrees redelijkerwijs kan ontstaan. Echter ook bewoordingen die niet zodanig zijn dat zij op zichzelf reeds een redelijke vrees voor de dood kunnen doen ontstaan, kunnen onder omstandigheden een strafbare bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Van de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden moet dan uit de bewijsmiddelen blijken.2

3.6 Ik ben van oordeel dat de onder feit 3 bewezenverklaarde verwijzing naar Karst T., die zoals bekend zonder vooraankondiging op Koninginnedag 2009 met een personenauto door een menigte reed waardoor zeven personen van het leven werden beroofd, gecombineerd met de mededeling dat alle mensen die tegen verdachte hadden gelogen nu dood waren, reeds op zichzelf beschouwd een redelijke vrees voor de dood kan doen ontstaan. Het oordeel van het hof dat deze uitlating een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in art. 285 Sr oplevert, is dus ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

3.7 Voor de onder het tweede gedachtestreepje van feit 3 bewezenverklaarde uitlating geldt dat hij, geplaatst in de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende context, de redelijke vrees voor levensberoving kan oproepen. Het door het hof gebezigde bewijsmiddel 4 houdt immers in dat verdachte in het eerste telefoongesprek al aankondigde een Statenlid de nek om te zullen draaien en twee dagen nadat hij de bedreigende uitlating over Karst T. had gedaan, dus toen deze uitlating nog vers in het geheugen lag, wederom met [betrokkene 3] belde, tijdens dat gesprek wederom verwees naar Karst T., herhaalde dat hij een Statenlid de nek om zou draaien en zei dat je soms drastische dingen moet doen als je meemaakte wat verdachte had meegemaakt en niet werd gehoord en dat er doden zouden vallen. Gelet op deze omstandigheden acht ik ’s hofs oordeel dat [betrokkene 3] door deze uitlating eveneens redelijkerwijs de vrees kon bekomen dat zij het leven zou verliezen, bijvoorbeeld als zij niet naar verdachte zou luisteren, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

3.8 Ten aanzien van de onder feit 2 bewezenverklaarde uitlatingen wijs ik erop dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen het beeld oprijst - welk beeld werd bevestigd door een blik achter de papieren muur - dat verdachte reeds vele jaren vanuit een in zijn innerlijke belevingswereld bestaande noodzakelijke strijd tegen - kort gezegd - de liegende en corrupte overheid, zeer veelvuldig op intimiderende wijze contact opneemt met het gemeentehuis te Bladel. Ook op 22 april 2009 belde verdachte in boze toestand naar de gemeente. Tijdens dat gesprek schreeuwde en schold hij tegen [betrokkene 2] en uitte hij de bewezenverklaarde teksten aan het adres van [betrokkene 1], daarbij meerdere malen sprekend over de - onvrijwillige - dood van personen. De in de bewezenverklaring van feit 2 geciteerde uitlatingen van verdachte komen erop neer dat mensen die verdachte hebben beledigd of op een negatieve manier hebben behandeld hun leven niet zeker zijn. En [betrokkene 1] had in overeenstemming met het beleid dat de gemeente in de omgang met verdachte had vastgesteld bij het eerste telefoongesprek dat in bewijsmiddel 1 is genoemd de verbinding met verdachte verbroken. Zulke uitlatingen kunnen daarom bij de geadresseerde de redelijke vrees doen ontstaan dat zij door toedoen van verdachte het leven zou laten.3Gezien deze omstandigheden is ’s hofs oordeel dat de onder feit 2 opgenomen uitlatingen, hoewel verwoord in “gebedsvorm”,4 een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht als bedoeld in art. 285 Sr opleveren, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

3.9 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met art. 358, derde lid, Sv niet bepaaldelijk heeft gerespondeerd op het door verdachte in hoger beroep uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat sprake was van psychische overmacht.

4.2 Het middel ziet kennelijk op een aantal uitlatingen die verdachte - die niet werd bijgestaan door een advocaat - blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar heeft gedaan, te weten dat hij heeft ervaren dat zijn vrouw door “nalatigheid en corruptie van ambtenaren is gestorven”, dat “de oorlog is uitgebroken naar aanleiding van hetgeen er is gebeurd. Heel mijn gezin is kapot gemaakt. Ik zit hier nog even en dan is het voorbij. Ik laat alles achter. Dan zien jullie hoe afschuwelijk het allemaal is gegaan. Overheidsambtenaren die zich aan bedrog hebben schuldig gemaakt.”, dat hij “bij allerlei instanties (is) geweest, zoals het ministerie van volksgezondheid, en rapporten (heeft) gekregen die niet op waarheid berusten” en dat aangeefster [betrokkene 2] hem “moedwillig schade heeft aangedaan”. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat deze uitlatingen zijn aan te merken als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer inhoudende dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd als gevolg van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en hoefde te bieden.

4.3 Het (stilzwijgend) oordeel van het hof dat deze uitlatingen niet een responsieplichtig beroep op ontslag van alle rechtsvervolging vanwege psychische overmacht in zich dragen, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook van een niet door een rechtsgeleerd raadsman bijgestane verdachte mag immers worden verwacht dat hij een verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv stellig en duidelijk presenteert en dat daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat en waarom verdachte van zijn handelen geen verwijt kan worden gemaakt. De hierboven geciteerde uitlatingen van verdachte voldoen niet aan deze eis. Het hof was dan ook niet gehouden hieromtrent een gemotiveerde beslissing te geven.5

4.4 Het middel faalt.

5.1 Het derde middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zijn, nu uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat verdachte niet het recht is gelaten om het laatst te spreken zoals voorgeschreven in art. 311, vierde lid, Sv.

5.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2011 houdt voor zover relevant het volgende in:

“De advocaat-generaal rekwireert als volgt.

Naar mijn mening dient de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. De beledigende woorden zijn niet tegen [betrokkene 1] gezegd en [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij wist dat de verdachte niet op haar doelde.

Het onder 2 ten laste gelegde kan wel wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de verdachte kunnen een bewezenverklaring dragen. Dat geldt ook voor het onder 3 ten laste gelegde.

Wat moeten we hier nog doen? De verdachte heeft een blanco strafblad. Gezien alle omstandigheden waar de verdachte over spreekt, vraag ik u het rechterlijk pardon toe te passen. Wat mij betreft volgt derhalve een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

De verdachte verklaart daarop en als laatste woord als volgt.

Ik ga toch. Ik begrijp wat de advocaat-generaal heeft gezegd. Ik wens jullie veel goeds. Ik hoop dat ik een heel gelukkig leven aan de andere kant tegemoet ga. Er is sprake van een sepot op de waarheid. Zelfmoorden worden toegelaten. Ik kan daar niet mee leven. Ga maar na hoe wij zijn behandeld bij de gemeente Bladel. 29 augustus kom ik nog een keer terug. Dat is naar aanleiding van een complot van advocaten. Een ding nog: Karst T [heeft] een onschuldige gepakt en dat is erg. Maar als Karst T van onze zaak… dan had eenieder in Nederland het begrepen.

De voorzitter deelt mede dat onschuldige burgers dat niet verdienen.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten”.

5.3 Hieruit volgt dat na het requisitoir van de advocaat-generaal verdachte in de gelegenheid is gesteld tegelijkertijd zowel het woord ter verdediging als het laatste woord te voeren. Op hetgeen verdachte bij die gelegenheid naar voren heeft gebracht, heeft de voorzitter gereageerd alvorens het onderzoek te sluiten.

5.4 Art. 311, vierde lid, Sv luidt: “Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.” De ratio van deze bepaling bestaat hierin dat geen onderdeel van het onderzoek dat ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven.6 De bepaling moet niet zodanig letterlijk worden genomen dat deze voorschrijft dat verdachte te allen tijde de laatste persoon moet zijn die mag spreken voordat het onderzoek wordt gesloten, maar doet veeleer dienst als waarborg dat de verdachte als laatste in de gelegenheid moet worden gesteld zich uit te laten over inhoudelijke onderwerpen en argumenten die in het kader van de tegen hem gevoerde strafzaak relevant kunnen zijn.7 Het gaat dus niet om “als laatste het woord voeren” maar om “het laatste woord voeren”.

5.5 In aanmerking genomen dat verdachte tijdens zijn laatste woord alle ruimte heeft gekregen om de aspecten die hij van belang achtte voor de beoordeling van zijn zaak naar voren te brengen en de daarop gevolgde - algemene - opmerking van de voorzitter niet kan gelden als een inhoudelijk op de strafzaak van verdachte betrekking hebbend argument waarover verdachte zich nog zou moeten kunnen uitlaten, zie ik niet in dat aan de strekking van art. 311, vierde lid, Sv zou zijn tekortgedaan.

5.6 Het middel faalt.

6.1 Het vierde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

6.2 Het cassatieberoep is op 26 augustus 2011 ingesteld en de stukken van het geding zijn - anders dan in de toelichting op het middel vermeld - eerst op 18 juli 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn8 is daardoor met twee maanden en 22 dagen overschreden.

6.3 Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep al bijna 22 maanden zijn verstreken en dat de overschrijding van de inzendtermijn dus niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd.

6.4 Het middel is terecht voorgesteld. Gelet echter op de aard en hoogte van de opgelegde straf, zal de Hoge Raad deze naar mijn mening niet hoeven te verminderen maar kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding.

7. De eerste drie middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie onder meer HR 7 juni 2005, LJN: AT3659, NJ 2005, 448, HR 18 april 2006, NJ 2006, 397 m.nt. Buruma, HR 25 januari 2011, LJN: BP1834 en HR 22 mei 2012, LJN: BW6177, NJ 2012, 501 m.nt. Reijntjes.

2 Vgl. HR 18 januari 2005, LJN: AR7062, NJ 2005, 145.

3 In het kader van artikel 242 Sr is al beslist dat de bedreiging dat verdachte zijn bovennatuurlijke krachten zal aanwenden om het slachtoffer iets ernstigs te laten overkomen, hetgeen kan variëren van een epilepsieaanval tot een hartaanval, bedreiging met geweld oplevert (HR 21 februari 1989, NJ 1989, 668 m.nt. ’t Hart.

4 Vgl. HR 20 september 20011, LJN: BR0444, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een aan de Bijbel ontleende tekst een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleverde.

5 Vgl. HR 17 juni 1986, NJ 1987, 107; HR 7 februari 1987, NJ 1987, 964; HR 27 september 1988, NJ 1989, 404. Ik kan niet nalaten op te merken dat verdachtes verklaring niet duidt op een van buiten komende drang, maar juist op een innerlijke belevingswereld vol complotten van corrupte ambtenaren waartegen verdachte vanuit zijn eigen overtuiging strijdt. Dus zelfs als ware sprake geweest van een door verdachte gevoerd responsieplichtig verweer - quod non - dan had het hof dit slechts kunnen verwerpen.

6 HR 10 januari 1950, NJ 1950, 317; HR 5 januari 1993, NJ 1993, 494, r.ov. 6.3; HR 20 juni 1995, NJ 1995, 710, r.ov. 5.1.

7 Vgl. HR 20 juni 1995, NJ 1995, 710, r.ov. 5.3. Zie over de essentie van het laatste woord ook uitvoerig
J. Remmelink, “Het laatste woord van de verdachte”, in: “Strafrecht in balans. Opstellen over strafrecht aangeboden aan A.C. Geurts”, 1983, p. 215-232.

8 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. De Hullu; HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis.