Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:82

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-06-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
12/00037
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:123, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00037

Zitting: 4 juni 2013

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest 30 juni 2011 verdachte wegens “Overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een geldboete van € 880,-, subsidiair 17 dagen hechtenis.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in de onderhavige zaak om een snelheidsovertreding die is geconstateerd door middel van de boordsnelheidsmeter van een politievoertuig. Alhoewel een uiteenzetting van hetgeen is bepaald in de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers1 (verder: de Aanwijzing) omtrent op deze wijze geconstateerde snelheidsoverschrijdingen voor de beoordelingen van de middelen niet (strikt) noodzakelijk is, kan enig inzicht in hetgeen in de Aanwijzing hieromtrent is opgenomen wel bijdragen aan het begrip van de onderhavige zaak. Zeker nu in de schriftuur omstandig wordt ingegaan op de wijze waarop de resultaten van snelheidsmeting door middel van een boordsnelheidsmeter van een politievoertuig zouden moeten worden gewaardeerd. Ik verwijs daarbij graag naar de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 28 september 2010, LJN BN0005:

“Indien voor de opsporing van snelheidsoverschrijdingen gebruik wordt gemaakt van de boordsnelheidsmeter van een politievoertuig schrijft de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van 14 augustus 2006(3) voor dat de boordsnelheidsmeter dient te zijn "geijkt".(4) Zoals de steller van het middel in navolging van diezelfde aanwijzing(5) onderkent is van werkelijke ijking geen sprake; de boordsnelheidsmeter wordt (slechts) gekalibreerd.(6) Daarmee wordt bedoeld dat de systematische afwijking van de boordsnelheidsmeter bij verschillende snelheden wordt bepaald door de van die boordsnelheidsmeter afgelezen snelheden te vergelijken met die van een standaard, en dat betreft dan weer geijkte meetapparatuur. Het resultaat van die vergelijkingen wordt neergelegd in een zogeheten ijktabel. Deze procedure gaat wederom vergezeld van meetonzekerheden die mede afhankelijk zijn van de gebruikte standaard.(7) Bovendien bepaalt de aanwijzing dat voor snelheden boven de 100 kilometer per uur een foutmarge van 3% (naar ik begrijp: in voor de verdachte gunstige zin) in aanmerking dient te worden genomen. Hoe deze foutmarge is bepaald maakt de aanwijzing niet duidelijk. Aangezien een foutmarge van de bij de kalibratie gebruikte meetapparatuur reeds is verwerkt in de ijktabel,(8) moet ik aannemen dat de foutmarge van 3% betrekking heeft op de meetonzekerheden waarmee de metingen met behulp van de boordsnelheidsmeter gepaard gaan.(9)

Voetnoten

4 (…)

5 Zie voetnoot 4 van die aanwijzing.

6 Mij is door een medewerker van de KLPD meegedeeld dat de politie hiervoor één bedrijf in de arm heeft genomen om deze kalibraties uit te voeren. Gemikt wordt op een tweetal kalibraties per voertuig per jaar, ofschoon de aanwijzing vermeldt dat het bij de kalibratie behorende certificaat een geldigheidsduur heeft van één jaar.

7 Deze standaard heeft, naar de mededeling van een medewerker van het bedrijf dat deze kalibraties uitvoert een foutmarge van 1% die wordt verwerkt in de door dit bedrijf geleverde “ijktabel”. Bovendien vinden afrondingen op de kilometer telkens in neerwaartse (dus voor de geverbaliseerde persoon gunstige) zin plaats. 8 Zie vorige voetnoot.

9 De in de vorige voetnoot bedoelde medewerker gaf mij (in iets andere bewoordingen) als voorbeeld dat de hoek van waaruit de naald van de boordsnelheidsmeter wordt waargenomen een zekere (zij het kleine) invloed kan hebben op het ‘resultaat’ van die waarneming.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat, nu het ijkrapport van het meetinstrument waarmee de kalibratietabel is opgesteld ontbreekt, er geen sprake is van een “wettige meting”.

5. Aanvankelijk bevond de bij het surveillancevoertuig behorende kalibratietabel zich niet bij de stukken van het geding. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 is aldaar de bedoelde kalibratietabel overgelegd en aan het dossier toegevoegd en heeft de raadsman van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

(p. 6 van de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota onder het kopje 4. Meting is niet wettig)

“Afgezien van het feit dat de gerapporteerde waarden niet overtuigend resulteren in een snelheidsovertreding van meer dan 30 km/u, zijn die waarden ook geen wettig bewijsmateriaal.

Daarvoor is immers noodzakelijk dat ons de kalibratietabel van het betreffende politievoertuig wordt getoond (1), alsmede het ijkrapport van het meetapparaat waarmee een kalibratietabel is opgesteld (2). Ondanks herhaald en uitdrukkelijk verzoek kan of wil het openbaar ministerie die documenten niet tonen.”

(in aanvulling op de pleitnota in het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 juni 2011, p. 6)

“Het is van wezenlijk belang of de meting op juiste wijze is gebeurd. Ik wil opmerken dat het kenteken niet vermeld staat in het proces-verbaal. Wij moeten er maar vanuit gaan dat het om dit kenteken gaat. Ik hoop dat iedereen zich dat realiseert. Ik betwist het. Ik heb een kalibratietabel van een auto gezien. Over die tabel bestaan grote misverstanden. De kalibratietabel is geen ijktabel. Een kalibratietabel corrigeert de boordsnelheidsmeter. Die geeft standaard te hoog aan. Dat doen ze expres. Anders krijgen ze klachten dat iedereen te snel rijdt. Die tabel geeft de werkelijke snelheid aan. Volgens deze tabel zou het 134 zijn. Het is van belang hoe die tabel wordt opgesteld. Er wordt gemeten wat er gebeurt als die auto 140 km/h op de telling heeft staan. Men leest dan af hoe het werkelijk is. Die meting heeft wel een meetmarge. Op de snelheid in de kalibratietabel moet nog een foutcorrectie worden toegepast. Dat staat in de aanwijzing van het college van procureurs-generaal. Dat is de reden dat ik een ijktabel heb aangevraagd. Ik wilde zien of het meetmiddel geijkt was. Het gebeurt regelmatig dat er apparaten worden gebruikt waarvan de meting is verlopen. Dan hebben we niet te maken met een wettige kalibratietabel.”

6. Het Hof heeft hieromtrent in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de ijktabel (of beter gezegd: de kalibratietabel) ontbreekt, zodat niet kan worden geverifieerd of die wel juist is toegepast. Het hof overweegt hieromtrent dat er geen reden is tot twijfel aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, gedateerd 4 september 2009, waaruit blijkt dat het dienstvoertuig is voorzien van een geijkte kilometerteller. Dit wordt bovendien bevestigd door de verbalisanten Willems en Van Slooten, die ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat de door hen overgelegde kalibratietabel hoort bij het tijdens de snelheidsmeting gebruikte dienstvoertuig.”

7. Volgens de steller van het middel heeft hij met hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 naar voren heeft gebracht willen aanvoeren dat het voor een geldige snelheidsmeting noodzakelijk is dat het ijkrapport van het meetinstrument waarmee de kalibratietabel van de boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig is vastgesteld beschikbaar is. Dit zou een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. zijn, waarop het Hof niet heeft gereageerd. Het is op zich zelf juist dat het Hof geen bijzondere overweging heeft gewijd aan het hierboven geciteerde punt 2 (en verder ook als zodanig aan te duiden) uit de pleitnota inzake het ijkrapport van het meetapparaat waarmee een kalibratietabel is opgesteld.

8. Omdat de kalibratietabel ter zitting is overgelegd, ontviel de feitelijke grondslag aan punt 1 uit de pleitnota. Desondanks heeft de raadsman ter zitting zich in aanvulling op het pleidooi geheel gericht op dat punt door enerzijds de vraag aan de orde te stellen of de overgelegde kalibratietabel wel behoorde bij het politievoertuig waarvan de snelheidsmeter is gebruikt en anderzijds heeft hij zich nog uitgelaten over de begrippen ijken en kalibreren.2 Over de reactie op punt 1 van de pleitnota en de aanvulling daarop wordt in cassatie niet geklaagd.

9. Ik vind het gelet op de gang van zaken ter terechtzitting niet verwonderlijk dat punt 2 van de pleitnota op de achtergrond is geraakt. Waarom cq op grond waarvan het ijkrapport van het meetapparaat waarmee de kalibratietabel is opgesteld, dient te worden overgelegd op straffe van een ‘niet wettige meting’ wordt als volgt toegelicht: “Op de snelheid in de kalibratietabel moet nog een foutcorrectie worden toegepast. Dat staat in de aanwijzing van het college van procureurs-generaal. Dat is de reden dat ik een ijktabel heb aangevraagd. Ik wilde zien of het meetmiddel geijkt was.” Daarmee geeft de raadsman weliswaar een argument om het ijkrapport aan de stukken toe te voegen, maar onderdeel 3. Marges uit de door de raadsman bedoelde Aanwijzing schrijft weliswaar correcties voor, maar verplicht er niet toe het ijkrapport te overleggen.

10. Mij is geen wettelijk regeling bekend waaruit de verplichting voortvloeit om in een geval als het onderhavige een ijkrapport van meetapparatuur te overleggen. Nu de raadsman dus nalaat aan te geven waarom er bij afwezigheid van een ijkrapport van het meetapparaat sprake is van een ‘niet wettige meting’, meen ik dat argumentatie van het standpunt ontbreekt en daarom geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Nu het Hof niet gehouden was op punt 2 uit de pleitnota te reageren, faalt het middel.

11. Het tweede middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de kalibratietabel zijn (eventuele) geldigheid heeft verloren, omdat na het opstellen daarvan een band is verwisseld, zodat de op basis van die tabel gehanteerde waarden geen wettig bewijs kunnen vormen.

12. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Meting is niet wettig”

(…)

Ook is het OM erop gewezen dat moet kunnen worden aangetoond dat na het opstellen van de kalibratietabel geen veranderingen zijn doorgevoerd aan de banden en velgen van het voertuig, bijvoorbeeld door het plaatsen van winterbanden. Een dergelijke wijziging maakt de kalibratietabel immers waardeloos. Ook documenten over de onderhoudsgeschiedenis van dit politievoertuig, zijn ondanks uitdrukkelijk verzoek niet getoond.”

13. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 juni 2011 heeft de raadsman van de verdachte aldaar, in aanvulling op zijn pleitnota en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

“Ik wil ook nog een opmerking maken met betrekking tot de overgelegde mailwisseling. Het betreft correspondentie met iemand van de regiopolitie. Er staat dat er op 18 juni 2006 een band is verwisseld. Het is onbekend welke band dit is. Als er banden worden gewisseld, is de kalibratietabel op dat moment niet meer geldig. Ik heb derhalve naar aanleiding van de mailwisseling geconstateerd dat de kalibratietabel op dat moment niet meer geldig was.”

14. De Aanwijzing houdt (met weglating van een noot) onder 2.1.2. het volgende in:

“De in het dienstvoertuig aangebrachte tabel en het daarbij behorende certificaat is geldig voor de duur van één jaar. Deze tabel en het daarbij behorende certificaat verliest haar geldigheid bij herstel of wijziging van enig onderdeel van het dienstvoertuig indien dit herstel of deze wijziging van invloed kan zijn op het meetresultaat.

15. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, welk proces-verbaal heeft te gelden als enige kenbron van hetgeen aldaar is voorgevallen, heeft de raadsman van de verdediging aldaar geenszins aangevoerd, zoals de steller van het middel thans betoogt, dat er een band is verwisseld in de periode tussen het opstellen van de kalibratietabel en de onderhavige snelheidsovertreding. Dat er volgens de raadsman een band is verwisseld in 2006 is overigens irrelevant, omdat volgens de Aanwijzing de tabel in ieder geval van 4 september 2008 dient te zijn gelet op de geldigheid voor de duur van een jaar.

16. Het tweede middel faalt.

17. Het derde middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat bij het ontbreken van enig inzicht in de onderhoudsgeschiedenis van het surveillancevoertuig niet kan worden nagegaan of de kalibratietabel zijn (eventuele) geldigheid heeft verloren en derhalve de op basis van die tabel gehanteerde waarden geen wettig bewijs kunnen vormen.

18. Het standpunt waarop kennelijk gedoeld wordt is opgenomen onder 4 in de aan proces-verbaal van de zitting gehechte pleitaantekeningen en luidt als volgt:

“Ook is het OM erop gewezen dat moet kunnen worden aangetoond dat na het opstellen de kalibratietabel geen veranderingen zijn doorgevoerd aan de banden en de velgen van het voertuig, bijvoorbeeld door het plaatsen van winterbanden (3). Een dergelijke wijziging maakt de kalibratietabel immers waardeloos. Ook documenten over de onderhoudsgeschiedenis van dit politievoertuig, zijn ondanks ons uitdrukkelijk verzoek, niet getoond.

19. Het Hof heeft hetgeen hiervoor onder 18 is weergegeven kennelijk niet opgevat als een (apart) uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen is aangevoerd, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Er wordt geen rechtsregel naar voren gebracht (en die bestaat ook niet) die voorschrijft dat een meting onwettig is als het OM geen stukken overlegt inzake de onderhoudsgeschiedenis van een politievoertuig. Het schort hier dus aan de argumentatie. Daar komt bij dat in het schrijven van 6 december 2010 de raadsman het verzoek heeft gedaan tot toevoeging aan het dossier van “Het onderhoudsboekje van het surveillancevoertuig, en – indien dit niet reeds direct volgt uit het onderhoudsboekje – documenten waaruit blijkt wanneer voor het laatst voorafgaand aan de vermeende overtreding de banden en/of velgen van dit voertuig zijn verwisseld”. Hieruit kan worden afgeleid dat het de raadsman te doen is geweest om een eventuele wissel van de banden en/of de velgen en niet om het onderhoudsboekje an sich.

20. Het derde middel faalt.

21. Het vierde middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat het proces-verbaal van 4 september 2009 niet aan de vereisten zoals gesteld in de Aanwijzing voldoet.

22. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“PV voldoet niet aan de eisen

De verbalisanten rapporteren dat zij de snelheid hebben gemeten met behulp van de geijkte kilometerteller van het surveillancevoertuig. Vermoedelijk bedoelden de verbalisanten de “geijkte boordsnelheidsmeter” als bedoeld in de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (Aanwijzing 2006a008, hierna de “Aanwijzing”, hier overgelegd als bijlage 2).

In artikel 4.4. van de Aanwijzing is bepaald aan welke eisen een proces-verbaal moet voldoen indien een snelheidsmeting is gedaan met behulp van zo’n geijkte boordsnelheidsmeter. Het PV dient dan de volgende gegevens te bevatten:

  • De toegestane snelheid

  • De afstand tussen het gemeten en metend voertuig, met de vaststelling dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef

  • De afstand waarover de snelheid van het voertuig werd gemeten

  • De geconstateerde snelheid (afgelezen snelheid)

  • De gemeten snelheid volgens ijktabel (= snelheid ijktabel behorende bij de boordsnelheidsmeter)

  • de gecorrigeerde snelheid (= gemeten snelheid volgens ijktabel minus de correctie of snelheid ijktabel waarin de correctie reeds is opgenomen)

  • de overschrijding in aantal kilometers per uur.

Achtereenvolgens hebben de verbalisanten hiervoor de volgende waarden genoteerd:

  • Toegestane snelheid = 60

  • Onderlinge afstand = 200 meter, gelijkblijvend of uitlopend

  • Meetafstand = 600 meter

  • Afgelezen snelheid = 140

  • Gemeten snelheid: niet opgegeven (waarschijnlijk beoogden de verbalisanten hieraan te voldoen door op te geven dat de “daadwerkelijke snelheid”134 zou zijn)

  • Gecorrigeerde snelheid: ontbreekt

  • Overschrijding = 69

Cliënt ontkent dat hij zo snel heeft gereden, en ook dat de verbalisanten op zo’n korte afstand hem hebben gevolgd. Cliënt herinnert zich juist dat de verbalisanten met groot snelheidsverschil op hem inliepen. Cliënt betwist de juistheid van de gerapporteerde waarden.

Maar ook voldoen die waarden niet aan de eisen die aan een dergelijk PV worden gesteld:

  • Allereerst is de gerapporteerde maximumsnelheid aantoonbaar onjuist, hetgeen de andere waarnemingen, die nòg subjectiever van aard zijn, al helemaal onbetrouwbaar maken: als de verbalisanten deze verifieerbare informatie al onjuist in hun PV opnemen, hoeveel waarde moeten we dan hechten aan hun waarnemingen die wij in het geheel niet kunnen controleren?

  • Verbalisanten hebben cliënt niet gevolgd op 200 meter, maar wat daar ook van zij, om een geldig PV te verkrijgen hadden zij moeten rapporteren dat de onderlinge afstand “gelijk dan wel nagenoeg gelijk” bleef. De toevoeging van verbalisanten dat de afstand gelijkblijvend was, “dan wel dat het voertuig uitliep” is een typisch geval van overcompensatie. Dat komt vaker voor in gevallen waarbij verbalisanten eigen wel aanvoelen dat hun meting niet deugt.

  • Een meettraject van 600 meter is ontzettend kort! Gangbare praktijk binnen politiekorpsen is om op zijn minst 700 meter te volgen (en dan niet alleen als de onderlinge afstand goed contant kan worden gehouden), maar eigenlijk liefst een nog (veel) langer stuk. Dit soort korte meettrajecten heeft een enorm effect op de nauwkeurigheid van de meting (waarover verderop meer). Dat klemt temeer als ook de overige getallen nogal onnauwkeurig zijn, zoals hier.

  • De ijktabel (beter gezegd: de kalibratietabel) ontbreekt, zodat niet kan worden geverifieerd of die wel juist is toegepast. De juiste toepassing van de kalibratietabel wordt betwist. De term “daadwerkelijke snelheid” heeft geen betekenis in de Aanwijzing en is overigens misleidend.

  • De gecorrigeerde snelheid ontbreekt, maar kennelijk is daarvoor 129 gehanteerd. Niet duidelijk is waarom een correctie van 3% is toegepast op de gemeten snelheid. Deze correctie vloeit voort uit het feit dat de kalibratietabel is opgesteld met een meetapparaat, welk apparaat uiteraard een foutmarge heeft. Er zijn ook meetapparaten die een foutmarge van 5% hebben (zie onder 3.1 van de Aanwijzing). Van belang is us om te weten met welk meetapparaat de kalibratietabel van dit voertuig is opgesteld. Zodat kan worden bepaald of dat apparaat een foutmarge van 3% of 5% had. Zie bv Hof den Bosch 30 september 2010.

Nu het PV niet voldoet aan de eisen die daaraan en een dergelijk geval worden gesteld, dient vrijspraak te volgen. Ter vergelijking wordt hier als bijlage 3 een geanonimiseerd voorbeeld getoond van het standaard PV dat dient te worden gebruikt bij verbalisering van snelheidsovertredingen met behulp van de geijkte boordsnelheidsmeter. (Overigens hebben de verbalisanten in dat geval het model-PV wel verkeerd ingevuld, maar dat terzijde: uit dit model blijkt wel welke waarnemingen moeten worde gerapporteerd voor een bruikbaar PV).”

23. Art. 4.4 van de Aanwijzing stelt dat een proces-verbaal waarin sprake is van snelheidsmeting met behulp van een geijkte snelheidsmeter in een dienstvoertuig moet bevatten: (i) de toegestane snelheid, (ii) de afstand tussen het gemeten en metend voertuig, met de vaststelling dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk bleef dan wel nagenoeg gelijk bleef, (iii) de afstand waarover de snelheid voertuig werd gemeten, (iv) de geconstateerde snelheid (afgelezen snelheid), (v) de gemeten snelheid volgens ijktabel (= snelheid ijktabel behorende bij de boordsnelheidsmeter), (vi) de gecorrigeerde snelheid (= gemeten snelheid volgens ijktabel minus de correctie of snelheid ijktabel waarin de correctie reeds is opgenomen) en (vii) de overschrijding in aantal kilometers per uur.

24. Uit het proces-verbaal van 4 september 2009, zoals dat door het Hof als bewijsmiddel 2 is gebezigd blijkt dat (i) de toegestane snelheid 60 kilometer per uur was, (ii) de gelijkblijvende tussenafstand tussen het gemeten en metend voertuig circa 200 meter bedroeg, danwel het voertuig nog op de verbalisanten uitliep, (iii) de afstand waarover de snelheid van het voertuig werd gemeten 600 meter bedroeg, (iv) de geconstateerde snelheid 140 kilometer per uur bedroeg, (v) de gemeten snelheid volgens de ijktabel 134 kilometer per uur bedroeg, (vi) de gemeten snelheid met 5 kilometer per uur moet worden gecorrigeerd3 en (vii) de overschrijding in aantal kilometers per uur 69 bedraagt.

25. Weliswaar staat in het proces-verbaal van 4 september 2009 niet met zoveel woorden vermeld wat de gecorrigeerde snelheid betreft, maar er blijkt overduidelijk uit dat deze 134 – 5 = 129 kilometer per uur bedroeg. Het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt vindt dan ook zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het middel faalt.4

26. Opmerking verdient daarbij dat hetgeen van de zijde van de verdediging overigens is opgemerkt met betrekking tot de eisen waaraan een proces-verbaal als het onderhavige dient te voldoen niet meer bevat dan een vraag, een veronderstelling en een opmerking, zodat het Hof niet gehouden was daarop nader in te gaan.

27. Het vijfde middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de betrouwbaarheid van de betreffende snelheidsmeting.

28. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“3. Meting is zeer onnauwkeurig

Afgezien van het feit dat de opgegeven waarden niet voldoen aan de eisen die daaraan voor zo’n PV worden gesteld, kunnen de waarnemingen van de verbalisanten ook geenszins overtuigen. De meting rammelt werkelijk aan alle kanten.

Zoals gezegd herinnert cliënt zich dat de verbalisanten met hoge snelheid op hem inliepen, en dat zij zeker hem niet op ca. 200 meter afstand hebben gevolgd. Men bedenke daarbij dat de verbalisanten vanuit stilstand bij het voertuig van cliënt in de buurt moesten komen.

Uit het PV volgt op geen enkele wijze hoe die afstanden van 200 en 600 meter zijn vastgesteld. Normaliter gebeurt dat met behulp van hectometerpaaltjes. In dat soort waarnemingen zit vaak al een marge van enkele tientallen meters. Maar op de Kooistraat staan helemaal geen hectometerpaaltjes. Onvermijdelijk zitten in de gerapporteerde afstanden dus flinke onnauwkeurigheden. Als bijlage 4 wordt een aantal voorbeeldberekeningen getoond op basis van de waarden die de verbalisanten hebben gerapporteerd. Daarmee wordt bij verschillende kleinere en grotere fluctuaties doorgerekend wat het rekenkundige effect is op de werkelijke snelheid waarmee cliënt zou hebben gereden. Uit de tabellen blijkt al direct welke gigantische verschillen ontstaan als gevolg van de redelijkerwijs te verwachten fluctuaties: het varieert van 129 zoals gerapporteerd tot zelfs maar 93! Al snel hebben we het eigenlijk nog slechts maar over een Mulderfeit.

Oorzaak van die enorme variaties is vooral de korte meetafstand in verhouding tot de onderlinge afstand: die meetafstand is slechts 3x langer dan de onderlinge afstand. Dus een fluctuatie van bv. slechts 75 meter in die onderlinge afstand is al 12% van de meetafstand! En als dan ook de meetafstand zelf al bv. 100 meter korter is dan geschat, levert dat nog eens een meetfout van 16% op. Zoals gezegd: volstrekt onduidelijk is hoe de verbalisanten die “600 meter” hebben bepaald. Dat moet wel een heel ruwe schattig zijn geweest.

Werken we ter illustratie van deze voorbeeldgevallen als rekenvoorbeeld uit, dan levert dat de volgende resultaten:

  • STEL: de verbalisanten rapporteren de juiste snelheid van hun eigen voertuig (d.w.z. dat zij de boordsnelheidsmeter correct hebben afgelezen, daarop de kalibratietabel correct hebben toegepast en stel dat de foutmarge in die kalibratietabel inderdaad slechts 3% is), en stel dat ook de gerapporteerde meetafstand van 600 meter zou kloppen, maar dat tijdens de meting het politievoertuig 100 meter op cliënt is ingelopen. Dat is bepaald geen ondenkbaar scenario.

  • DAN: heeft cliënt in dezelfde tijd geen 600 meter, maar 500 meter afgelegd (immers: 100 meter minder dan het politievoertuig)

  • DE TIJDSDUUR van de meting was 16,74 seconden (immers: het politievoertuig reed 129 km/u = 35,83 m/s; het afleggen van 600 meter duurt dan 600m / 35,38m/s = 16,74s)

  • DE SNELHEID VAN CLIËNT was dan 107,50 km/u (immers: 500 meter in 16,74 seconden = 500m/16,74s = 29,86 m/s = 107,50 km/u)

  • Zelfs met deze zeer reële fluctuatie resteert dus al slechts een Mulderfeit.

Dit rekenvoorbeeld is in bijlage 3 met grijs gearceerd.

In dit rekenvoorbeeld is dus slechts de onnauwkeurigheid van de onderlinge tussenafstand doorgerekend. In werkelijkheid zijn er nog veel meer onnauwkeurigheden, te weten:

  • Het aflezen van de boordsnelheidsmeter (“dikte van de naald”).

  • De foutmarge van het apparaat dat de kalibratietabel heeft opgesteld (3% of 5%, zoals gezegd blijkt niet uit het dossier welke foutmarge toepasselijk is).

  • De exacte lengte van het meettraject.

De uitkomsten voor andere reële variaties in de gerapporteerde waarden zijn in de overige tabellen vindbaar, waarbij naar keuze het effect van diverse combinaties van onnauwkeurigheden kan worden nagegaan. Alle dikgedrukte resultaten zijn dus slechts Mulderfeiten.

Terzijde merk ik op dat er best technieken bestaan om deze onnauwkeurigheden grotendeels weg te nemen. Men zou gebruik kunnen maken van de technieken die met ‘adaptive cruise control” zijn ontwikkeld. Daarbij meet een sensor permanent de onderlinge afstand met de voorligger. In combinatie met de geijkte snelheid van het volgvoertuig kan men dan dus exact corrigeren voor de fluctuaties on onderlinge afstand.

Gezien de toegankelijkheid van dit soort technieken en de kennelijke wens van justitie om op grote schaal met onopvallende volgauto’s snelheidsmetingen te doen, verdient het de aanbeveling dat soort metingen eens op een hoger niveau te tillen en te ontdoen van deze onnodige flinke onnauwkeurigheden.”

29. Het Hof heeft het bovenstaande kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht omvat immers louter stellingen en speculaties. Het Hof was dan ook niet gehouden in het bijzonder de redenen op te geven waarom het de in het proces-verbaal van 4 september 2009 gerelateerde meting betrouw en bruikbaar voor de bewijsvoering heeft geacht.

30. Het vijfde middel faalt.

31. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 14 juli 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet echter op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde geldboete is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel kunnen volstaan.5

32. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederland

AG

1 Ten tijde van de onderhavige zaak was de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers met registratienummer 2006A008, Stcrt 2006, 175, van kracht. Dit betreft een op art. 130 RO gestoelde beleidsregel van het College van procureurs-generaal, die inmiddels is vervangen door een op dit punt ongewijzigde beleidsregel met dezelfde naam van 10 april 2013 (iwtr. 1 mei 2013), registratienummer 2011A023t, Stcrt 2013, 11621.

2 Zie in dat verband vooral noot 4 van de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, Stcrt. 8 september 2006, nr. 175 (inmiddels vervangen door de Aanwijzing van 10 april 2013, Stcrt. 2013, nr. 11621).

3 Cfm art. 3.1.1 van de Aanwijzing.

4 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.2.

5 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2.