Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:816

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
12/02198
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:766, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsvoering. Het Hof heeft de bewezenverklaring klaarblijkelijk doen steunen op de inhoud van de in de aanvulling op de als 'verkort arrest' aangeduide uitspraak daartoe gebezigde bm in samenhang met de in dat verkorte arrest voldoende nauwkeurig aangeduide bm, en het heeft zijn bewijsvoering voorts verantwoord door de in dat verkorte arrest opgenomen bo. Daarbij heeft het Hof in de aanvulling ex art. 365a Sv onder 1, 2 en 3 niet de inhoud van de aldaar genoemde bm weergegeven doch voor die inhoud verwezen naar de weergave daarvan in de bo in het verkorte arrest met vermelding van de vindplaatsen van die inhoud. De bewijsvoering in haar geheel beschouwd bevat aldus met voldoende nauwkeurigheid de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt, zodat verdachte in dit geval geen belang heeft bij de klacht over deze door het Hof gevolgde werkwijze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02198

Mr. Machielse

Zitting 18 juni 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 22 juli 2011 wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een in beslag genomen en nog niet teruggegeven autosleutel.

2. Mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Mr. J. Kuijper, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 20 augustus 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”

3.3 Deze bewezenverklaring berust blijkens de aanvulling op het verkort arrest op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. De eigen verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2010, zoals genoemd in de noten 1 en 8 van het verkort arrest en zoals daar weergegeven op de pagina’s 2 en 3 onder “bewijsoverweging”.

2. De eigen verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2011, zoals genoemd in noot 8 van het verkort arrest en zoals daar weergegeven op pagina 3 onder “bewijsoverweging”.

3. De in de noten 2 tot en met 7 van het verkort arrest genoemde processen-verbaal, alle in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt, voor zover de inhoud daarvan in het verkort arrest wordt weergegeven op de pagina’s 2, 3 en 4 daarvan onder “bewijsoverweging”.”

3.3 Het verkort arrest houdt onder de kop “Bewijsoverweging” voor zover relevant het volgende in:

[pagina 2] “Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende. De verdachte was op 20 augustus 2009 van 06.00 uur tot 14.30 uur werkzaam als cateringmedewerker bij KLM Catering Services te Schiphol [voetnoot 1] (verder KCS te noemen).

Dit bedrijf is gevestigd binnen de beveiligde zone ("airside") van de Luchthaven Schiphol. Aan de buitenzijde ("landside") van het terrein waarop het gebouw van KCS staat, bevindt zich een beveiligingsloge.

Om het bedrijf te betreden en te verlaten dient men in het bezit te zijn van een personeelspas, waarmee een tourniquet bij de beveiligingsloge bediend kan worden. Zowel bij binnenkomst als bij het verlaten van het terrein kan men onderworpen worden aan een visitatie. [voetnoot 2]

De verdachte had op 20 augustus 2009 dienst op de afdeling "ROA-waste". Dit is een afdeling waar de eettrolleys van op Schiphol aangekomen vliegtuigen worden geleegd. De verdachte zou die dag volgens het rooster eigenlijk werkzaam zijn op een andere afdeling, maar heeft op 19 augustus 2009 gevraagd of hij op de afdeling "ROA-waste" mocht werken, omdat hij last zou hebben van zijn rug. [voetnoot 3]

Om ongeveer 12.00 uur is de verdachte naar de uitgang van het Schipholterrein gelopen, waarbij hij de beveiligingsloge diende te passeren. [voetnoot 4] In de beveiligingsloge zat [betrokkene 1], werkzaam bij KLM-beveiliging. [betrokkene 1] heeft op 20 augustus 2009 een verklaring afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee [voetnoot 5] en is op 20 april 2010 als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord.

[betrokkene 1] heeft in beide verhoren als volgt verklaard. Op 20 augustus 2009 zag hij omstreeks 11.45 uur vanuit de beveiligingsloge een werknemer, naar later bleek de verdachte, het gebouw van KCS uitkomen en in de richting van de loge lopen, kennelijk met de bedoeling het terrein te verlaten. [betrokkene 1] zag dat de verdachte iets onder zijn shirt droeg, omdat er iets onder zijn kleding meebewoog tijdens het lopen. Dit had een vierkante vorm dan wel de vorm van een A-4tje: de vorm van een enveloppe, een tasje met papieren of een krant en zat ter hoogte van verdachtes broekriem. [betrokkene 1] liep vervolgens de beveiligingsloge uit en vroeg de verdachte bij de uitgangscontrole of hij even mocht zien wat de verdachte onder zijn shirt droeg. De verdachte antwoordde daarop dat hij niets onder zijn shirt had. De [pagina 3] verdachte verleende [betrokkene 1] geen toestemming om te kijken. Wel kreeg hij van de verdachte diens personeelspas. [betrokkene 1] zei vervolgens tegen de verdachte dat hij assistentie ging roepen, omdat de verdachte niet mee wilde werken aan de controle en [betrokkene 1] niet zelf de bevoegdheid had om een verdere controle uit te voeren.

Daarna zag hij dat de verdachte snel het gebouw weer in ging en vervolgens via de trap naar boven liep.

Maximaal vier minuten later zag hij de verdachte weer naar buiten komen en naar de beveiligingsloge lopen. [betrokkene 1] zag toen dat hetgeen hij eerder onder de kleding van de verdachte had gezien er niet meer zat. [betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat werknemers van de KLM op grond van het protocol gehouden zijn mee te werken aan een visitatie.

Inmiddels waren er twee medewerkers van KLM-beveiliging door [betrokkene 1] gewaarschuwd en ter plaatse gekomen. De verdachte was op dat moment weer bij de beveiligingsloge gearriveerd.

De beveiligingsmedewerkers hebben vervolgens de eerste verdieping van het gebouw doorzocht.

Hierbij troffen zij in een prullenbak in de kledingruimte (het hof begrijpt: kleedkamer 1 die zich dicht bij de toiletten bevindt) op de eerste verdieping een pakket aan [voetnoot 6] dat - naar later bleek - cocaïne bevatte.

Op de beelden van de beveiligingscamera's is te zien dat de verdachte om ongeveer 12.06 uur met versnelde pas op de gang van verdieping 1 die toegang geeft tot de kleedkamers en toiletruimte loopt nadat hij eerst kennelijk het gebouw heeft verlaten. Vervolgens is te zien dat hij weer terug loopt in de richting van de klapdeuren. Hij is dan in totaal 41 seconden uit beeld geweest. Uit de diverse beelden van die dag van verschillende camera's valt op te maken dat de verdachte op het moment dat hij volgens eigen zeggen in het gebouw terugkwam om naar de wc te gaan niet verder is geweest dan de eerste ingang van kleedkamer 1. [voetnoot 7]

De verdachte heeft verklaard [voetnoot 8] dat hij als medewerker van KCS bij het betreden en verlaten van het gebouw langs een beveiligingspoortje moet, waarbij hij soms - zowel bij binnenkomst als bij vertrek - wordt gefouilleerd. Naar het hof heeft begrepen heeft de verdachte daar ook altijd gewoon aan mee gewerkt.

Over de gebeurtenissen op 20 augustus 2009 heeft hij als volgt verklaard. Tijdens zijn middagpauze wilde de verdachte het terrein verlaten, waarop de beveiligingsmedewerker (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) hem vroeg 'wat hij erin had' en daarbij naar de buik van de verdachte wees. De verdachte heeft daarop gezegd dat hij niets had en dat hij weigerde mee te werken aan een controle. Toen [betrokkene 1] assistentie ging inroepen om de verdachte te fouilleren, is hij naar de wc bij de eerste kleedkamer op de eerste verdieping gegaan. Op de eerste verdieping is hij via een deur naar de kleedkamer en de wc gegaan. De verdachte is onderweg niemand tegengekomen.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het 'iets' dat verdachte onder zijn kleding droeg op het moment dat hij het terrein via de beveiliging wilde verlaten, het even later aangetroffen pakket met cocaïne was. Tot deze conclusie draagt in het bijzonder bij dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de - naar hij ook zelf heeft verklaard - voor medewerkers gebruikelijke controle bij het verlaten van het terrein. Het hof acht de lezing van de verdachte, dat hij heeft geweigerd omdat hij zijn shirt niet buiten wilde uittrekken, of omdat hij niet zeker wist of de man wel serieus was, niet geloofwaardig. Evenmin acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij snel het gebouw binnen is gelopen omdat hij last van zijn darmen had en plotseling naar het toilet moest eveneens niet [pagina 4] geloofwaardig. Het toilet bevond zich immers op de eerste verdieping en de verdachte is niet langer dan 40 seconden op de wc geweest en was binnen maximaal 4 minuten weer bij de beveiligingsloge teruggekeerd. Bovendien heeft hij verklaard dat hij niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om zich daadwerkelijk te ontlasten.

Voetnoten:

1. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2010

2 Proces-verbaal van 27 augustus 2009 (paragraaf 9)

3 Proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2009 (paragraaf 7)

4 Proces-verbaal van verhoor van 20 augustus 2009

5 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 20 augustus 2009

6 Proces-verbaal verhoor [betrokkene 2] van 20 augustus 2009

7 Proces-verbaal van 27 augustus 2009

8 Proces-verbaal verhoor verdachte van 20 augustus 2009, verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2010, verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2011”

3.4 De steller van het middel betoogt dat door in de aanvulling slechts ongespecificeerd te verwijzen naar een aantal verklaringen en processen-verbaal zoals genoemd in voetnoten bij de bewijsoverweging in het verkort arrest, het hof in strijd met art. 359, derde lid, Sv heeft verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen 1, 2 en 3 te vermelden.

3.5 Aan de steller van het middel moet worden toegeven dat de werkwijze die het hof in de onderhavige zaak heeft gehanteerd op het eerste gezicht wat verwarrend aandoet. Het lijkt erop dat het hof de oude werkwijze van een verkort arrest en een aanvulling daarop houdende de gebezigde bewijsmiddelen, heeft gecombineerd met de nieuwe Promiswerkwijze. De beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, heeft het hof immers voor een groot deel doen steunen op een in het verkort arrest opgenomen bewijsredenering waarin de inhoud van een aantal van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat, terwijl ten aanzien van de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt vervolgens in de aanvulling onder 1., 2. en 3. is verwezen naar de in het verkort arrest in voetnoten aangeduide verklaringen en processen-verbaal. Daarnaast is in de aanvulling op het verkort arrest nog de inhoud van vier andere bewijsmiddelen opgenomen. Deze werkwijze komt de leesbaarheid niet direct ten goede. Dat brengt echter nog niet zonder meer met zich mee dat de bewijsbeslissing onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Op 22 juli 2011 heeft het hof uitspraak gedaan in de zaak van verdachte en een verkort arrest gewezen. Aldus heeft het hof gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 365a lid 1 Sv biedt. Het verkort arrest is nadien aangevuld. Als men er van uit zou gaan dat de bestreden uitspraak toch, in weerwil van de aanduiding op het eerste blad, een volledig volgens de Promiswerkwijze uitgewerkt arrest is dat nadien desondanks door het hof is voorzien van een aanvulling met bewijsmiddelen, is dat nog geen omstandigheid die tot nietigheid van de bestreden uitspraak moet leiden.1

Ik ga er daarom vanuit dat wat het hof in het verkort arrest onder het hoofd 'Bewijsoverweging' heeft opgenomen, is bedoeld ter weerlegging van de verweren die de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevoerd. De vraag die dan rijst, is of het hof in de bewijsoverweging de feiten of omstandigheden die redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring voldoende nauwkeurig heeft aangeduid en ook de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend op toereikende wijze heeft aangewezen.2

3.6 Een blik achter de papieren muur leert dat tijdens het opsporingsonderzoek zowel verdachte als de getuigen Yarilicar en [betrokkene 1] slechts éénmaal zijn verhoord, te weten op 20 augustus 2009. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan welke verklaringen het hof met de in voetnoten 4, 5, 6 en 8 genoemde verklaringen heeft bedoeld. Daarnaast zijn de door het hof in voetnoten 2, 3 en 7 genoemde processen-verbaal van 24 en 27 augustus 2009 als dossieronderdelen (paragrafen) 7 en 9 terug te vinden in het zogenoemde proces-verbaal raadkamer, dat kennelijk tevens het definitieve proces-verbaal betrof.

3.7 Het hof heeft in bovenstaande bewijsoverweging uitgebreid aangegeven welke feiten en omstandigheden uit deze verklaringen en processen-verbaal het redengevend acht. Bij vergelijking van de bewijsredenering en de genoemde, overzichtelijke verklaringen en processen-verbaal is mij niet gebleken van een ontoelaatbare onnauwkeurigheid in de verwijzing naar de redengevende feiten of omstandigheden, of van ontoelaatbare gevolgtrekkingen door het hof. De bewijsmotivering van het hof voldoet dan ook aan de daaraan te stellen eisen.

3.8 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt eveneens dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

4.2 Voor de beoordeling van het middel is, naast de hierboven geciteerde bewijsoverweging en de in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen 5., 6. en 7. waaruit volgt dat een in een prullenbak aangetroffen pakket een hoeveelheid van 990,1 gram cocaïne bevatte, de volgende reactie van het hof op een door de verdediging gevoerd bewijsverweer van belang:

“De raadsman heeft gesteld dat de ten laste gelegde invoer niet bewezen kan worden omdat op grond van de stukken niet is komen vast te staan dat de aangetroffen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland is gebracht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het pakket cocaïne is aangetroffen in het gebouw van KCS. In dit binnen de beveiligde zone van de luchthaven gelegen gebouw worden onder meer de eettrolleys van op Schiphol gearriveerde vliegtuigen geleegd. Dit was ook het werk van de verdachte die dag. Het kan niet anders zijn dan dat de cocaïne via een van deze trolleys binnen Nederland is gebracht. Het verweer, dat overigens niet nader is onderbouwd, wordt dan ook verworpen.”

4.3 Aangevoerd wordt dat de conclusie van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het “iets” dat verdachte onder zijn kleding droeg toen hij het terrein wilde verlaten het even later aangetroffen pakket met cocaïne was, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan volgen, nu daarin niet is vastgesteld welke vorm en dikte het in de prullenbak aangetroffen pakket had. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen niet of zich in de kleedkamer of de wc nog andere voorwerpen bevonden die voldeden aan de beschrijving van hetgeen verdachte onder zijn kleding droeg. Bovendien kan uit de bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid dat het aangetroffen pakket cocaïne afkomstig was uit het buitenland en binnen het grondgebied van Nederland was gebracht.

4.4 Blijkens de bewijsvoering heeft het hof het volgende vastgesteld:

- verdachte was op 20 augustus 2009 werkzaam als cateringmedewerker bij KLM Catering Services (KCS) te Schiphol, alwaar hij die dag werkte op de afdeling "ROA-waste", een afdeling waar de eettrolleys van op Schiphol aangekomen vliegtuigen worden geleegd;

- toen verdachte om ongeveer 12.00 uur die dag het gebouw van KCS verliet en naar de uitgang van het Schipholterrein liep, zag een beveiligingsmedewerker dat verdachte iets onder zijn shirt droeg;

- hoewel daartoe verplicht, weigerde verdachte zijn medewerking aan een visitatie;

- terwijl de beveiligingsmedewerker daarop om assistentie vroeg, ging verdachte snel het gebouw van KCS weer in en liep hij de trap op naar een gang op de eerste etage die toegang geeft tot de kleedkamers en toiletruimte;

- verdachte is vervolgens 41 seconden uit het zicht van de beveiligingscamera’s geweest, uit de camerabeelden is op te maken dat verdachte in die tijdspanne niet verder is geweest dan de eerste ingang van kleedkamer 1;

- maximaal vier minuten nadat verdachte het gebouw weer was binnengegaan, kwam hij weer naar buiten en zag de beveiligingsmedewerker dat hetgeen verdachte eerder onder zijn kleding droeg daar niet meer zat;

- zeer kort daarna is door beveiligingsmedewerkers in een prullenbak in kleedkamer 1 een pakket aangetroffen dat cocaïne bevatte.

4.5 ’s Hofs overweging dat het gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat het “iets” dat verdachte onder zijn kleding droeg het even later aangetroffen pakket met cocaïne was en dat het niet anders kan zijn dan dat het pakket vanuit het buitenland binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is derhalve voldoende met redenen omkleed.

4.6 Het middel faalt.

5.1 Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 28 juli 2011 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 19 april 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

5.2 De door de steller van het middel vermelde gegevens zijn juist. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn3 met 22 dagen is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

5.3 Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd.4 De Hoge Raad zal de opgelegde straf kunnen verlagen, rekening houdend met de mate van overschrijding van de redelijke termijn.

6. De eerste twee middelen falen, het derde middel slaagt. Het tweede middel kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, ontleende motivering worden verworpen.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 6 november 2012, LJN BX0863.

2 HR 5 december 2006, LJN AZ0662.

3 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH; HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis.

4 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis.