Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:81

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-04-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
12/00705
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:124, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening appeldagvaarding. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/00705

mr. Vegter

Zitting 9 april 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 26 november 2009 heeft het de Enkelvoudige Kamer van het Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, verdachte bij verstek wegens – kort gezegd – twee maal zwartrijden veroordeeld tot twee hechtenisstraffen telkens voor de duur van één week.

2. Namens verdachte is tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld. Mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, heeft namens verdachte een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

3. Het middel betreft de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding en valt in twee onderdelen uiteen. Het eerste onderdeel van het middel voert aan dat het oordeel van het Hof inzake de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding onbegrijpelijk is omdat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat van de verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. Het tweede onderdeel van het middel voert aan dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het Hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben nagegaan of de verdachte ten tijde van de uitreiking van de appeldagvaarding in Nederland gedetineerd was.

4. Aan de eerste klacht van het middel ligt de opvatting ten grondslag dat van de verdachte een woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, te weten: [a-straat 1] Eindhoven. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat dit adres is opgenomen in de aantekening mondeling vonnis van de Rechtbank Utrecht, Sector Kanton, 29 april 2009 en in de schriftelijke verklaring op de voet van art. 451a Sv welke is gedateerd 10 augustus 2009.

5. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich GBA-overzichten, gedateerd 9 november 2009 en 25 november 2009, waarin onder ‘huidig GBA-adres’ als adres is vermeld: ‘zonder vaste woon- of verblijfplaats’ met als datum ‘vanaf 2 september 2006’. Onder de historische GBA-adressen is [a-straat 1] Eindhoven opgenomen als ‘Postadres’. Het adres dat het Hof als woon- of verblijfplaats zou hebben moeten aanmerken, zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd, betreft, met andere woorden, een postadres. Dat het voornoemde adres inderdaad een postadres betreft, komt overeen met hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard in het formulier als bedoeld in art. 410 Sv dat op 10 augustus 2009 is gedateerd. Daarin heeft de verdachte onder meer aangegeven dat hij niet bij de zitting in eerste aanleg aanwezig is geweest, omdat hij, zo schrijft hij, ‘niet op de hoogte was gesteld omdat het postadres van sociale zaken mij systematisch geen aangetekende stukken geeft’. Op voornoemd adres is gevestigd de ‘Dienst werk, zorg en inkomen’ van de gemeente Eindhoven.1

6. Een postadres wordt niet aangemerkt als een feitelijke woon- of verblijfplaats.2

7. Het oordeel van het Hof, dat de verdachte ten tijde van de uitreiking van de appeldagvaarding noch ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep, geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande had, is niet onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de GBA-overzichten waaruit valt op te maken dat het adres dat de verdachte had opgegeven in de verklaring op de voet van art. 451a Sv een postadres betreft en geen feitelijke woon- of verblijfplaats.

8. Nu de verdachte een (post)adres heeft opgegeven, is een afschrift van de appeldagvaarding overeenkomstig het bepaald in art. 558a, eerste lid, Sv aan dat adres gestuurd.3 De akte van uitreiking, die zich bij de stukken bevindt, houdt onder meer in dat de brief (lees: de appeldagvaarding) op 25 september 2009 niet is uitgereikt op het postadres omdat ‘volgens mededeling van degene die zich op het mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft.’

9. Het eerste onderdeel van het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

10. Het tweede onderdeel van het middel behelst de klacht dat het Hof er – in verband met de geldigheid van de appeldagvaarding – blijk van had behoren te geven te hebben onderzocht of de verdachte ten tijde van de uitreiking van de appeldagvaarding in Nederland was gedetineerd. Inderdaad blijkt niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit een van de GBA-overzichten of een ander stuk dat het Hof heeft onderzocht of de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding, op 16 oktober 2009, in Nederland was gedetineerd. Indien de verdachte op dat moment in Nederland was gedetineerd, dan had de appeldagvaarding aan hem in persoon moeten worden uitgereikt, aldus art. 588, eerste lid sub a, Sv.

11. Als vaste rechtspraak kan worden aangenomen dat dit verzuim van het Hof tot nietigheid leidt.4 Tot cassatie hoeft het verzuim echter niet te leiden. Immers uit nader door mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat verdachte op 16 oktober 2009 niet in Nederland was gedetineerd. Gelet daarop is van enig rechtens te respecteren belang van verdachte bij cassatie geen sprake.5

12. Het middel faalt in beide onderdelen.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 http://www.digitale-sociale-kaart.nl/organisatie/gemeente-eindhoven-dienst-werk-zorg-en-inkomen.html

2 HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken r.o. 3.23 ‘niet een feitelijke woon‑ of verblijfplaats van hem in Nederland bekend is, waaronder mede begrepen is het geval dat alleen een postbusnummer bekend is.’

3 HR 12 januari 2010, LJN BK2091, NJ 2010/54 r.o. 4.4. en 4.6. alsmede HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 r.o. 3.23 ‘In het geval dat ten tijde van de uitreiking een postbusnummer van de verdachte bekend is waarheen niet een afschrift van de dagvaarding is verzonden, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen waarna een oproeping voor de nadere terechtzitting naar die postbus dient te worden gezonden.’

4 HR 23 juni 2009, LJN BI2250 r.o. 2.3 ‘Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd’; HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 r.o. 3.24 aanhef en sub a ‘Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat de onbekendheid van een feitelijke woon‑ of verblijfplaats niet kan worden aangenomen: a. indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd.’ HR 5 december 2000, NJ 2001/124 r.o. 3.3.

5 Zie reeds voor een soortgelijke benadering HR 5 december 2000, NJ 2001/124 r.o. 3.5. ‘De Hoge Raad heeft bij zijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv bevonden dat de verdachte op 30 juni 1998 niet als afgestrafte was gedetineerd. Cassatie kan daarom in dit geval achterwege blijven.’