Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:804

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
13/03497
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1035, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering; art. 288 lid 2 onder d Fw. Samenhang met 13/03499.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/512
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03497

Mr. L. Timmerman

Zitting 6 september 2013

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

1 Voorgeschiedenis

1.1

Verzoeker en diens echtgenote [betrokkene]1 hebben op 15 april 2013 een verzoek bij de rechtbank Den Haag ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

1.2

Bij vonnis van 7 juni 2013 oordeelde de rechtbank dat nu op 12 januari 2007 de regeling op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan, dit aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.

1.3

Het hof heeft dit vonnis bij arrest van 9 juli 2013 bekrachtigd. Verzoeker is van dit arrest bij schriftuur, ingekomen bij de Hoge Raad op 17 juli 2013 en dus tijdig, in cassatie gekomen. De cassatieschriftuur bevat tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

In cassatie staat vast dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op 12 januari 2007 op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan.

2.2

Art. 288 lid 2 onder d Fw staat – imperatief – aan toelating in de weg indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van art. 350 lid 3 onder a of b Fw, of op grond van art. 350 lid 3 onder d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.

2.3

De Minister heeft in zijn antwoord van 23 april 2013 op kamervragen van de SP over dit punt onderstreept dat deze imperatieve afwijzingsgrond nog onverminderd geldt, en dat formulering van een generieke hardheidsclausule niet wordt overwogen. De hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw ziet niet op art. 288 lid 2 onder d Fw. Het arrest van Uw Raad van 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0964, geldt dus nog onverkort.

2.4

Nu het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen dient te worden, komt zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Conclusie

Deze strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a Ro.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie mijn conclusie van heden terzake het cassatieberoep van de echtgenote met rolnr. 13/03499.