Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:803

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
13/03421
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:914, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei; art. 350 lid 3, onder c, d en e Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/03421

Mr. L. Timmerman

Zitting 6 september 2013

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

1 Voorgeschiedenis

1.1

Verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2012 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft op 5 maart 2013 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Als grond voor de beëindiging is aangevoerd dat schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, bovenmatige schulden doet of laat ontstaan, en tracht zijn schuldeisers te benadelen

1.2

Bij vonnis van 23 april 2013 heeft de rechtbank de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van art. 350 lid 3 sub c, d en e Fw. Daartoe overwoog zij dat vast staat dat verzoeker de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over zaken waar hij de bewindvoerder wel over had moeten informeren. Hij had de bewindvoerder op de hoogte moeten stellen van het bestaan van hem toebehorende auteursrechten en had in ieder geval toestemming dienen te vragen voor het voeren van een kort geding procedure hierover. Verzoeker heeft dit nagelaten. Daarbij komt dat uit deze procedure, door de proceskostenveroordeling, een nieuwe schuld is ontstaan.

Daarnaast heeft verzoeker geen afdoende uitleg gegeven over de door hem te koop aangeboden schilderijen. Vast staat dat de bewindvoerder via de postblokkade stukken heeft ontvangen waaruit blijkt dat verzoeker tijdens de schuldsanering bij een veilinghuis in München drie schilderijen ter veiling heeft aangeboden. Het veilinghuis heeft het 'sellers contract' naar verzoeker gestuurd en verzoekt hem in de begeleidende brief dit contract te tekenen. Uit het contract blijkt dat het veilinghuis de veilingopbrengst na verkoop van de schilderijen naar verzoeker zal overmaken. Zowel de bewindvoerder als zijn kantoorgenoot mr. Dunki Jacobs hebben ter zitting verklaard dat verzoeker, toen hem op 5 maart jl. werd gevraagd of hij schilderijen in München te koop had aangeboden, ontkennend antwoordde en dat verzoeker pas nadat hij met de via de postblokkade verkregen stukken werd geconfronteerd, toegaf dat hij toch (voor een ander, te weten ene [betrokkene]) schilderijen daar ter veiling had aangeboden. De rechtbank heeft deze weergave van de gang van zaken tijdens het bewuste gesprek niet rechtstreeks kunnen toetsen bij verzoeker zelf, aangezien deze niet ter zitting is verschenen. De raadsman van verzoeker heeft ter zitting weliswaar een andere versie gegeven van de loop van het gesprek van 5 maart 2013, maar gelet op het feit dat de raadsman tijdens dit gesprek niet aanwezig was en dat niet valt in te zien welk belang de bewindvoerder en zijn kantoorgenoot zouden hebben om onjuist te verklaren omtrent de gang van zaken, gaat de rechtbank uit van de door laatstgenoemden gegeven versie, die in wezen inhoudt dat verzoeker eerst probeerde te verhullen dat hij schilderijen ter verkoop had aangeboden. Er is weliswaar één dag voor de zitting een schriftelijke verklaring overgelegd van[betrokkene], waarin wordt gesteld dat hij de eigenaar is van de schilderijen en dat verzoeker die als vriendendienst voor hem zou verkopen, maar dit is tegenover de eerder genoemde omstandigheden onvoldoende om de gerezen twijfels omtrent de verkoop van de schilderijen afdoende weg te nemen. Daarnaast geldt – wat er ook zij van de eigendom van de schilderijen – dat verzoeker de bewindvoerder tijdig en uit zichzelf had dienen te informeren over het feit dat hij voor derden dergelijke diensten verricht en over de (al dan niet geldende) beloning daarvoor.

1.3

Het hof heeft dit vonnis bij arrest van 4 juli 2013 bekrachtigd.

1.4

Verzoeker is van dit arrest bij schriftuur, ingekomen bij de Hoge Raad op 11 juli 2013 en dus tijdig, in cassatie gekomen.

2 Ontvankelijkheid

2.1

De cassatieschriftuur bevat vier middelen, elk bestaand uit verscheidene ongenummerde alinea’s. De middelen komen alle op tegen het oordeel van het hof in r.o. 2.4 en 2.5 dat verzoeker nagelaten heeft de bewindvoerder (spontaan en tijdig) in kennis te stellen van de door hem aanhangig gemaakte kort geding procedure met betrekking tot de auteursrechten van de door hem bedachte logo’s en van de door verzoeker voor [betrokkene] gehouden en vervolgens te koop aangeboden schilderijen, en dat het niet verstrekken van deze inlichtingen een voldoende aanwijzing vormt dat bij verzoeker de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

Middel I klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof hiermee miskent dat naast dit gegeven ook bekeken dient te worden wat de algehele stand van zaken is in de uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Begrijp ik het goed, dan betoogt het middel dat de vaststelling van een tekortkoming in de informatieverplichting niet voldoende is om de regeling tussentijds te beëindigen, als de regeling over het geheel genomen redelijk loopt. Middel II betoogt dat de overweging dat verzoeker “zich [had] dienen te realiseren dat hij, zo lang hij zich in de schuldsaneringsregeling bevond, niet in de positie was om buiten de bewindvoerder om gerechtelijke procedures te entameren” miskent dat iedere burger, die niet onder curatele staat, of te wiens vermogen een onder bewindstelling is uitgesproken, het grondrecht heeft om zonder voorafgaande toestemming van anderen gerechtelijke procedures aan te spannen, dan wel zich in gerechtelijke procedures te verweren. Ook zou het hof het recht op eigendom hiermee miskennen. Middel III klaagt dat het hof daarom in redelijkheid niet tot het oordeel had kunnen komen dat de tekortkomingen van verzoeker niet zo gering zijn dat de beëindiging van de schuldsanering om die reden ongerechtvaardigd zou zijn.

Middel IV tenslotte klaagt dat het hof niet in ogenschouw heeft genomen dat verzoeker een beroep heeft gedaan op schending van het beginsel van hoor en wederhoor (zie r.o. 2.2 slot). Als het beginsel van hoor en wederhoor bijtijds was toegepast, had verzoeker uitleg aan de bewindvoerder kunnen geven zodat meer dan behoorlijke nakoming van de inlichtingenplicht het resultaat was geweest.

2.2

De middelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en falen.

Tot de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen behoort de verplichting om inlichtingen te verschaffen. Deze verplichting betreft volgens vaste rechtspraak niet alleen inlichtingen waarnaar de schuldenaar nadrukkelijk wordt gevraagd, maar ook die waarom niet uitdrukkelijk is gevraagd maar waarvan hij, al dan niet vanwege de aard van de hem gestelde vragen en de hem door de bewindvoerder of rechter-commissaris verstrekte aanwijzingen, weet of behoort te weten dat zij dienen te worden verstrekt in het belang van een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling1. Een toerekenbare tekortkoming in deze verplichting leidt ingevolge art. 350 lid 3 Fw imperatief tot beëindiging van de regeling, tenzij de rechter van oordeel is dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven (art. 354 lid 2 Fw). Voor tussentijdse beëindiging wegens tekortschieten in schuldsaneringsverplichtingen is voldoende dat sprake is van verwijtbaarheid; niet vereist wordt dat sprake is van een ernstig verwijt2.

Vast staat dat verzoeker de bewindvoerder niet van zijn auteursrechten, de kortgedingprocedure over die auteursrechten, noch van de (afspraken rond de) schilderijen op de hoogte heeft gesteld. Vast staat in cassatie ook dat verzoeker had behoren te begrijpen dat deze kwesties voor de boedel relevant waren. Reeds hierop stuiten middelen I en III af.

Verder is gesteld noch gebleken dat verzoeker verboden is om zijn auteursrechten in rechte te verdedigen; verzoeker had deze voor de boedel relevante actie slechts vooraf met de bewindvoerder moeten bespreken. De bijzondere faciliteit van de wsnp – zij leidt immers tot beperking van de rechten van schuldeisers – beperkt de ruimte die de schuldenaar heeft om financiële risico’s te lopen. Indien hij onbeperkt risico’s wil kunnen lopen, zal hij de gevolgen van zijn gedragingen ook zelf moeten dragen, dus zonder de mitigerende werking van de wsnp. Hierop stuiten middelen II en III af.

Nu verzoeker gehouden was de bewindvoerder eigener beweging op te hoogte te stellen van zijn auteursrechten, de kortgedingprocedure en de schilderijen, en vast staat dat hij dit niet heeft gedaan, mist het beroep op hoor en wederhoor te dezen relevantie. De bewindvoerder en r-c kunnen verzoeker niet horen over wat zij niet weten. Derhalve faalt ook middel IV.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie o.m. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002, 259, m.nt. B. Wessels en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8768, RvdW 2012, 973.

2 HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1258, RvdW 2009, 1147; HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8768.