Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:801

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-06-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12/00834
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:709, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling door met een laserpen in de ogen te schijnen. HR: 81.1 RO en ambtshalve: constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00834

Mr. Aben

Zitting 11 juni 2013

Conclusie inzake:

[verdachte]



1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 1 juni 2011, de verdachte ter zake van: “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een inbeslaggenomen zwarte laserpointer verbeurd verklaard en de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 400,= toegewezen en voor het overige afgewezen. Aan de verdachte heeft het hof voor voornoemd bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. E.S.G. Roethof, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 15 september 2008 te Overveen, gemeente Bloemendaal, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening met een laserpointer een felle lichtbundel in de ogen van [verbalisant 1] heeft geschenen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.” 

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang: :

“1. Een ambtsedig proces-verbaal van de regiopolitie Kennemerland (…) op 9 oktober 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, regio Kennemerland, voor zover inhoudende als op 3 oktober 2008 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever [verbalisant 1] (…) - zakelijk weergegeven -:

Ik ben agent van politie te Zandvoort, regio Kennemerland. Op 15 september omstreeks 0:50 uur reed ik met mijn collega [verbalisant 3] in een opvallend dienstvoertuig op het strand van Overveen, gemeente Bloemendaal. Wij waren in uniform gekleed. Wij waren op dat moment bezig met de algehele surveillance en het handhaven van de openbare orde. Op een moment zagen wij een felle lichtbundel in het voertuig schijnen welke afkomstig was vanaf het wandelpad schuin links voren van het politievoertuig. Dit duurde ongeveer 4 tot 5 seconden. Wij zijn hierna verder gereden naar de politiepost waar wij op 15 september 2008 omstreeks 0:55 uur het politievoertuig parkeerden. Wij zijn toen uitgestapt en zijn voor de politiepost gaan staan. Wij stonden hier met een hondengeleider. Op het moment dat wij voor de politiepost stonden werd ik weer verblind door fel groen licht. Ik zag op dat moment vlekken voor mijn rechter oog. Ik werd op dat moment ongeveer 3 seconden lang kort achter elkaar in mijn oog geraakt door een, wat later bleek, groene laserstraal. Ik vond dit erg vervelend en ik voelde pijn in mijn rechter oog. Ik zag dat de laserstraal bij een man vandaan kwam die op ongeveer 4 tot 5 meter bij mij vandaan liep. Ik ben direct op deze man afgestapt en zag dat deze man een pen in zijn rechterhand had. Ik wist dat dit een laserpen was en dat deze pennen schade kunnen veroorzaken aan ogen wanneer er met een laserstraal in de ogen geschenen wordt. Sinds de tijd dat ik de laserstraal in mijn rechter oog heb gehad heb ik last van vlekjes in mijn gezichtsveld.

2. Een proces-verbaal van de regiopolitie Kennemerland (…) op 30 januari 2009 opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie, regio Kermemerland, en [verbalisant 5], aspirant van politie, regio Kennemerland, voor zover inhoudende als op even genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

U toont mij een laserpen (opmerking verbalisanten: wij toonden de verdachte de laserpen die bij hem op 15 september 2008 in beslag genomen was). Ik herken deze laserpen als de mijne. Deze is dus van mij en is door de politie in beslag genomen. Ik heb de waarschuwingssticker op de laserpen gezien. Ik heb gelezen dat het gevaarlijk is om iemand in zijn ogen te schijnen.

(…)

4. Een schriftelijk stuk, te weten een onderzoeksrapport non-food productveiligheid van de Voedsel en Waren Autoriteit (monster- en rapportnummer 67357825, monster geaccepteerd op 7 oktober 2008) opgemaakt en ondertekend op 25 november 2008 te Zwijndrecht, waar de laserpointer onderzocht is, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Het monster is aangeduid als: merkloos groene laser. De laserpointer zendt een groene, smalle en evenwijdige lichtbundel uit. Uit metingen van het vermogen van deze lichtbundel blijkt dat de laserpointer gclassificeerd wordt als een klasse 3B laser. Bij direct oogcontact met de laserbundel blijkt dat de kans op blijvende oogschade in vrijwel alle gevallen zeer reëel is. Een laserpointer uit klasse 3B moet dan ook als potentieel gevaarlijk worden beschouwd.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenverklaring op 20 januari 2009 opgesteld en ondertekend door ing. A.J. de Koning, signaleringsmedewerker en vakdeskundige op het gebied van algemene productveiligheid bij de Voedsel en Waren Autoriteit, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Een product met een klasse 3B laser is doorgaans gevaarlijk wanneer het oog binnen de gevaarsafstand blootgesteld wordt aan de laserstraal, ook als er sprake is van een hele korte blootstelling, die per ongeluk plaatsvindt. Volgens internationale normen en het rapport van de gezondheidsraad zijn lasers in de klasse 3B of hoger bij blootstelling van het oog aan de directe bundel altijd gevaarlijk, ongeacht de blootstellingduur. De kans op netvliesschade is in het donker nog groter dan bij daglicht, vanwege de vergrote pupil, en bij groen licht groter dan bij rood licht. Het oog heeft een hogere gevoeligheid voor groen licht dan voor rood licht. De schade aan het netvlies kan van tijdelijke of permanente aard zijn. Personen die worden blootgesteld aan de straling van lasers klasse 3B hebben te maken met nabeelden, tijdelijke verblinding, pijn in of achter de ogen, hitte in het oog, irritatie van het oog, hoofdpijn en rode ogen.

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 oktober 2009, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik was op 15 september 2008 met mijn vriendin en een vriend op een feest in de strandtent "Woodstock" in Bloemendaal. Ik liep op enig moment buiten en toen was het licht van mijn laserpen aan. Ik zat er mee te spelen, naar boven en naar beneden. U houdt mij voor dat verbalisant [verbalisant 1] verblind werd door het groene licht toen hij bij de politiepost uit de politieauto stapte. Dat was ik (het hof begrijpt: "dat licht kwam uit mijn laserpen."). Ik was gewoon vrolijk, ik had wat gedronken en speelde maar wat. Ik wist dat het gevaarlijk was, ik heb de sticker op de laserpen gelezen. Ik heb de pen alleen voor het feest gebruikt. Daarom had de laser ook meegenomen. Gewoon om er een beetje mee rond te schijnen.”

3.3. Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang:

“Het hof acht voorwaardelijk opzet op de mishandeling aanwezig nu de verdachte vanwege de aard van zijn gedraging, te weten met een felle laserstraal, waarvan de aard hem, verdachte, bekend was in de van ogen van [verbalisant 1] heeft geschenen en aldus, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] door verdachtes handelen pijn zou ondervinden. Dit verweer wordt derhalve verworpen.” 

4.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de getuigen [verbalisant 6] en [verbalisant 3] op te roepen en ter terechtzitting te (laten) horen.

4.2.1. Het bedoelde verzoek is bij brief van 19 januari 2011 door de raadsman van de verdachte gedaan aan het ressortsparket. Deze brief houdt, kort gezegd en voor zover hier van belang, in dat wordt verzocht om verbalisant [verbalisant 6] te horen omtrent de grootte van de menigte, of er nog anderen in de menigte waren met een zak- of fietslamp, feestlicht of laserpen, en hoe [verbalisant 6] kan afleiden dat er ‘opzettelijk’ in de richting van de verbalisanten is geschenen. Voort is verzocht om verbalisant [verbalisant 3] te horen, nu die [verbalisant 3] naast de aangever heeft gezeten en gestaan, maar geen proces-verbaal heeft opgemaakt.

4.2.2. Bedoeld verzoek is ter terechtzitting van 26 januari 2011 besproken. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in, voor zover hier van belang:

“De voorzitter maakt melding van een ingekomen brief van 19 januari 2011, gericht aan het Ressortsparket, van mr. J.S.W. Boorsma, kantoorgenoot van mr. E.G.S. Roethof, inhoudende het verzoek tot het oproepen als getuigen van de verbalisant [verbalisant 1] (de aangever) en van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 3].

Desgevraagd merkt de advocaat-generaal het volgende op:

Ik heb de brief van de raadsman op 20 januari j.l. ontvangen en ik heb inmiddels contact gehad met de politie, maar het was voor vandaag niet meer mogelijk om de agenten op te roepen. Ik vraag me echter af of het noodzakelijk is om deze agenten te horen, aangezien [verbalisant 1] volgens de raadsman zou hebben verklaard dat hij een lichtbundel heeft gezien die op een groen laserlicht leek. [verbalisant 1] heeft daar uitvoerig over verklaard. Hij keek op en zag dat de verdachte in zijn ogen scheen. Hij kreeg last van prikkelende en pijnlijke ogen. Dat het een laserstraal was blijkt uit de verklaring van [verbalisant 1] en uit de verklaring van de verdachte.

Voor wat betreft de opmerking van de raadsman dat "[verbalisant 1] zegt ervan overtuigd te zijn dat er opzettelijk in zijn ogen is geschenen" wil ik opmerken dat de vraag of sprake was van opzet door de rechter beantwoord moet worden.

[verbalisant 6] en [verbalisant 3] hebben geen aangifte gedaan. [verbalisant 6] zegt dat met een laserpen werd geschenen. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij met een laserpen aan het zwaaien was. [verbalisant 6] heeft niet gezien dat in de ogen van [verbalisant 1] werd geschenen, dat heeft alleen [verbalisant 1] waargenomen en gevoeld. Dit geldt ook voor [verbalisant 3]. Hij heeft niet gezien dat in de ogen van [verbalisant 1] werd geschenen. Ik acht het horen van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 3], om hen te confronteren met de verklaring van de vriendin van verdachte, niet noodzakelijk.

De voorzitter houdt de raadsman voor dat zijn cliënt heeft erkend dat hij met een laserpen heeft geschenen. Voorts deelt de voorzitter mede dat de raadsman als verweer heeft aangevoerd dat ook andere mensen aanwezig waren die met laserpennen zwaaiden. De voorzitter houdt de verdachte en de raadsman voor dat het vaststaat dat een laserpen onder verdachte in beslag is genomen.

Desgevraagd merkt de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende op:

Dat laatst bedoelde verweer is in eerste aanleg gevoerd. In hoger beroep wil ik iets meer op het opzet van cliënt ingaan. Als we kijken naar de verklaring van [verbalisant 1] dan verklaart hij: "ik werd op dat moment ongeveer 3 seconden lang kort achter elkaar geraakt door de, wat later bleek, groene laserstraal". Ik weet niet wat ik mij daarbij moet voorstellen. De overige getuigen kunnen aangeven of vanuit het publiek gebruik werd gemaakt van laserstralen. Voorts is het van belang om vast te stellen of het licht alle kanten opging of één bepaalde kant. Het is noodzakelijk om dit goed uit te zoeken.

(…).

De raadsman merkt - zakelijk weergegeven op –

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft in een onlangs gewezen zaak tegen Finland bepaald dat het recht om getuigen in hoger beroep te horen, te allen tijde geldt. Ik vind dat het hof zelfstandig een conclusie moet trekken. Ik vind het belangrijk [verbalisant 1] te horen over zijn verklaring dat cliënt drie seconden lang in zijn ogen zou hebben geschenen. Als hij ook in de lucht heeft geschenen, dan wordt de vraag of sprake is van opzet relevant.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat:

- het verzoek van de raadsman tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 3] wordt afgewezen. Beide verbalisanten zagen dat de verdachte met een laserpen in hun richting schijnen, maar zij hebben niet waargenomen of [verbalisant 1] in de ogen is beschenen. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat het horen van [verbalisant 6] en [verbalisant 3] niet noodzakelijk is;

- het verzoek van de raadsman tot het horen van de verbalisant [verbalisant 1] als getuige wordt toegewezen. Verbalisant [verbalisant 1] zal ter terechtzitting worden gehoord;”

4.2.3. De toelichting op het middel houdt in dat, los van het feit dat het hof niet kan weten of de verbalisanten zouden kunnen verklaren of [verbalisant 1] in de ogen is geschenen of niet, het de verdediging om andere zaken ging, namelijk i) of het mogelijk was dat andere ter plekke aanwezige personen met een laserpen hebben geschenen en daarbij verbalisant [verbalisant 1] in zijn ogen hebben geraakt, en ii) of er van opzet (bij de verdachte) kan worden gesproken. De door het hof aangelegde maatstaf (noodzaak) wordt niet bestreden, maar met zijn motivering van de afwijzing van het verzoek zou het hof niet alleen ten onrechte vooruit zijn gelopen op de verklaringen van die getuigen, maar zou het - mede in het licht van hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd - de afwijzing onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.

4.3. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit verdachtes eigen verklaring voor zover inhoudend dat hij degene was die verbalisant [verbalisant 1] heeft verblind met het groene licht van de laserpen, en dat hij gewoon vrolijk was en maar wat speelde, afgeleid dat de verdachte in de ogen van [verbalisant 1] heeft geschenen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest. Het hof heeft voorts blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven bewijsoverweging zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte - nu hij volgens zijn eigen verklaring wist dat die laserpen gevaarlijk was - door dat schijnen met de laserpen in de ogen van [verbalisant 1], bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] daardoor pijn zou ondervinden, en dus dat de verdachte daarop voorwaardelijk opzet heeft gehad. Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat het horen van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 3] niet noodzakelijk was, nu zij kennelijk enkel hebben waargenomen dat er in de richting van [verbalisant 1] is geschenen maar niet of [verbalisant 1] in de ogen is beschenen, terwijl een eventuele verklaring dat er mogelijk ook andere personen met een laserpen (al dan niet opzettelijk) in de ogen van [verbalisant 1] hebben geschenen niet af zou doen aan de vaststelling dat de verdachte (ook) in de ogen van [verbalisant 1] heeft geschenen, terwijl het hof reeds uit verdachtes eigen verklaring heeft kunnen afleiden dat de verdachte opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehandeld. Dat het hof vooruit zou zijn gelopen op hetgeen de verbalisanten zouden (kunnen) verklaren zie ik ook niet. Anders dan de steller van het middel, lees ik de overweging dat de verbalisanten niet hebben waargenomen dat [verbalisant 1] in de ogen is beschenen, zo dat het hof dat afleidt uit hetgeen zij reeds hadden verklaard, niet dat het hof aanneemt dat zij aldus zullen verklaren.

4.4. Het middel faalt dus.

5.1. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte aangever [verbalisant 1] opzettelijk heeft mishandeld.

5.2. Blijkens de toelichting wordt in het bijzonder erover geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte op enig moment toen hij speelde met zijn laserpen, zich bewust was van de aanwezigheid van mensen, meer in het bijzonder van aangever [verbalisant 1], terwijl de (hiervoor onder 3.3 weergegeven) nadere bewijsoverweging van het hof dat wel lijkt te suggereren. Gelet daarop zou niet aan de verdachte verweten kunnen worden dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] door zijn handelen pijn zou ondervinden.

5.3. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, heeft het hof uit verdachtes (als bewijsmiddel 6 gebezigde) verklaring dat hij degene is geweest [verbalisant 1] heeft verblind met het groene licht van zijn laserpen, maar dat hij gewoon vrolijk was, wat gedronken had en maar wat speelde, kunnen afleiden dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van [verbalisant 1] op het moment dat de verdachte met de laserpen speelde. Ik merk voorts op dat het hof steun voor dat oordeel heeft kunnen vinden in de tot bewijs gebezigde verklaring van [verbalisant 1] dat hij zag dat de laserstraal bij een man vandaan kwam die op 4 tot 5 meter afstand van hem stond. Als [verbalisant 1] verdachte heeft gezien en verdachte kennelijk slechts op korte afstand van [verbalisant 1] stond, is het immers waarschijnlijk dat andersom de verdachte [verbalisant 1] (ook) heeft gezien. Ten slotte heeft het hof verdachtes opzet ook kunnen afleiden uit de verklaring van [verbalisant 1] dat zijn oog drie seconden lang kort achter elkaar werd geraakt. Het richten van een laserstraal voor een dergelijke periode, verhoudt zich slecht met toeval. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

5.4. Het middel faalt.

6. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens de verdachte is op 15 juni 2011 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad zal naar alle waarschijnlijkheid niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen, zodat de redelijke termijn in zoverre zal worden overschreden. Gelet op de opgelegde straf, kan de Hoge Raad echter volstaan met de constatering van dat verzuim.1

Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik verder niet aangetroffen.


7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.