Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:8

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12/01575
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Damschreeuwer. Nationale dodenherdenking op de Dam. Art. 142 Sr. 1. Valse alarmkreten. 2. Opzet. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat het schreeuwen van verdachte kan worden aangemerkt als een valse alarmkreet geeft, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. De opvatting van het Hof dat het opzet niet gericht behoeft te zijn op rustverstoring geeft blijk van een onjuiste uitleg van art. 142 .1 Sr, maar dat hoeft niet tot cassatie te blijken nu uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat verdachte opzettelijk de rust heeft verstoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/482

Conclusie

Nr. 12/01575


Zitting: 23 april 2013

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. “aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, meermalen gepleegd”, 2. primair “opzettelijk door valse alarmkreten de rust verstoren”, 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, 4. “diefstal, meermalen gepleegd” en 5. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat opzet als bestanddeel van art.142 Sr niet mede ziet op het verstoren van rust, alsmede dat het Hof heeft miskend dat onder valse alarmkreten in de zin van art. 142 Sr slechts kreten vallen die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.

4. In het oorspronkelijk regeringsontwerp van het Wetboek van Strafrecht was voorzien in een overtreding die straf stelde op het verstoren van de openbare rust door valse alarmkreten of signalen (art. 487). De wetgever ging er daarbij vanuit dat de verdachte met de valsheid van zijn kreten of signalen bekend was. De Tweede Kamer was van oordeel dat in de bepaling tot uitdrukking diende te worden gebracht dat die bekendheid werd geëist. Dat leidde niet alleen tot het opnemen van opzet in de bepaling maar ook tot het omvormen van de bepaling van overtreding naar misdrijf. Daarmee was het huidige art. 142 Sr geboren.

5. Voor zover van belang voor de beantwoording van de vraag of het opzet in art. 142 Sr mede betrekking heeft op het verstoren van rust houdt Het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord in:

“Art. 487. De Memorie van Toelichting eischt bekendheid met de valschheid der alarmkreten en signalen. Dit dient de wet zelve uit te drukken. Het artikel zou anders ook toepasselijk zijn bijv. op hem, die, een ander brand hoorende roepen, te goeder trouw meeroept, niet wetende dat de kreet valsch is. Maar uit de noodzakelijkheid om hier de wetenschap der valschheid als een element van het strafbaar feit op te nemen, blijkt tevens dat niet aan eene overtreding maar aan een misdrijf moet worden gedacht. De Commissie zou dan ook het artikel willen overbrengen in den Vden Titel van het Tweede Boek, en het aldus willen lezen: »Met gevangenisstraf van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft hij, die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort.”1

6. Aan de formulering van strafbare feiten in het Wetboek van Strafrecht ligt de regel ten grondslag dat het opzet betrekking heeft op al hetgeen daarna als bestanddeel in de delictsomschrijving staat vermeld.2 Volgens die regel heeft het opzet in art. 142 Sr betrekking op het verstoren van rust.3

7. Daar staat echter tegenover dat in het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord tot uitdrukking wordt gebracht dat de formulering van de onderhavige bepaling is ingegeven door de wens wetenschap der valsheid – en niet ook wetenschap van de verstoring van de rust – als een element van het strafbaar feit op te nemen, terwijl de wetgever niet heeft laten blijken zich bij de formulering van de bepaling rekenschap te hebben gegeven van genoemde algemene regel. Dat lijkt erop te wijzen dat de wetgever in het onderhavige geval een inbreuk op voormelde algemene regel heeft willen maken dan wel zich de consequenties van de systematiek van het Wetboek bij de formulering van de strafbepaling niet heeft gerealiseerd en dus naar valt aan te nemen niet heeft beoogd. Noyon-Langemeijer-Remmelink schrijft dan ook dat de bepaling door plaatsing van het begrip opzet voorafgaand aan de verstoring van rust gezien genoemde algemene regel een andere strekking heeft gekregen dan wellicht de bedoeling van de wetgever was. Daarom houd ik het er - met het Hof - op dat de wetgever niet heeft beoogd dat het opzet ook betrekking had op het verstoren van rust, ook al is dat wetstechnisch gesproken niet goed tot uitdrukking gebracht.

8. Naar mijn oordeel biedt noch de tekst van de wet noch de parlementaire geschiedenis enig aanknopingspunt voor het in het middel verwoorde standpunt dat onder alarmkreten in de zin van art. 142 Sr slechts kreten vallen die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.4De bepaling is erop gericht verstoring van de rust door valse alarmkreten of signalen tegen te gaan. Het hoeft geen betoog dat ook andere alarmkreten of signalen dan die welke in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar de rust kunnen verstoren. Daarom is er anders dan het middel voorstaat geen reden de valse alarmkreten of signalen te beperken tot die welke in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat er causaal verband is tussen het bewezenverklaarde luidkeels schreeuwen door de verdachte enerzijds en het bewezenverklaarde verstoren van de rust en het bewezenverklaarde letsel anderzijds.

11. Met betrekking tot bedoeld causaal verband heeft het Hof overwogen:

“Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank, acht het hof allereerst wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de rust heeft verstoord door opzettelijk valse alarmkreten te uiten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Op 4 mei 2010, tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op het moment dat de twee minuten stilte in acht werden genomen, slaakte de verdachte - naar uit zijn verklaring kan worden opgemaakt - opzettelijk een duidelijk hoorbare kreet. Hierdoor werd de normale gang van zaken op dat moment verstoord. Verbalisanten en getuigen hebben verklaard dat de verdachte plotseling, terwijl de twee minuten stilte al was begonnen, te midden van de menigte zijn armen spreidde en luidkeels schreeuwde "Ahhhh Ahhhh". Getuigen hebben de schreeuw omschreven als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging. Er waren op dat moment duizenden mensen ter plaatse aanwezig. Slechts een gering aantal van hen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was. Voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken. Dat zulks ook feitelijk heeft plaatsgevonden blijkt genoegzaam uit het feit dat (er) mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen. Aldus is het hof van oordeel dat het schreeuwen van de verdachte is aan te merken als een opzettelijk valse alarmkreet waardoor de rust werd verstoord, in de zin van artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit wordt het navolgende overwogen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat ten behoeve van de dodenherdenking van 4 mei op de Dam in Amsterdam allerlei veiligheidsmaatregelen worden genomen waaronder het plaatsen van hekken, om in verband met de aanwezigheid van de Koningin en een grote menigte mensen de stromen van bezoekers in goede banen te kunnen leiden. De verdachte heeft verklaard dit 's morgens op de 4 mei 2009 ook te hebben waargenomen. In de huidige tijd met gebeurtenissen zoals 9/11 en de aanslagen in - onder andere - Londen en Madrid worden angstgevoelens bij mensen op een voor een groot publiek toegankelijke plaats daardoor eerder opgeroepen, zo ook tijdens een plechtigheid als de dodenherdenking, een en ander te meer tegen de achtergrond van de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag op 30 april 2009. Dat de verdachte met dat gebeuren bekend was en zich daarvan op 4 mei 2010 bewust is geweest volgt uit eerder die dag door de verdachte gedane uitlatingen waarover door twee getuigen, een medewerkster en een klant van de Albert Heijn, verklaringen zijn afgelegd.

Gezien een en ander was het voor de verdachte niet alleen redelijkerwijs te verwachten maar ook voorzienbaar dat een schreeuw, zoals die door de verdachte is geuit, angst en paniek zou doen ontstaan bij de omstanders en dat als gevolg daarvan, gelet op de hoeveelheid aanwezige mensen en de drukte, gewonden zouden vallen bij een massale paniekreactie. Het gedrag van de verdachte is dan ook aan te merken als roekeloos gedrag, waarmee de verdachte bewust het risico heeft genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren. De verdachte moet gezien hebben dat duizenden mensen zich hadden verzameld op de Dam en hij moet ook geweten hebben dat die mensen zeer dicht op elkaar stonden toen hij in die menigte doordrong. Voorts wist de verdachte dat de twee minuten stilte van de dodenherdenking-ceremonie reeds was begonnen, zodat zijn schreeuw duidelijk hoorbaar zou zijn voor een groot gedeelte van de menigte. Dat de verdachte wist dat men was begonnen aan de twee minuten stilte blijkt uit zijn verklaring bij de politie, inhoudende "Ik loop de Dam op en ik denk, wat een dooie boel hier zeg. Wat een stille toestand... dat het zo stil was....Ik denk, weet je wat we doen? We gooien d'r een letter in".

Door het slaken van de kreet heeft de verdachte de daarna volgende gebeurtenissen veroorzaakt: mensen zijn massaal weggevlucht, waardoor hekken zijn omgevallen. Vervolgens zijn mensen over die hekken of over elkaar gevallen met verwondingen als gevolg. Deze gevolgen, met name de verwondingen, zijn dan ook aan de verdachte in volle omvang toe te rekenen. Dat er na het slaken van de kreet door de verdachte ook iemand anders zou hebben gegild of dat er knallen - veroorzaakt door het vallen van hekken - zouden hebben geklonken doet daaraan niet af, nu deze naar algemene ervaringsregels leren, tevens hun oorzaak hebben kunnen vinden in de initiërende kreet van de verdachte. Van een wezenlijke 'interventie - een doorbreking van de causaliteit - zoals door de raadsman is betoogd, is dan ook geen sprake. Alle gevolgen staan in een zodanig verband tot de door de verdachte geslaakte kreet dat deze in volle omvang aan hem zijn toe te rekenen. Evenmin is sprake van een exceptionele omstandigheid die niet reeds bij het slaken van de kreet onder de gegeven omstandigheden was te voorzien, nog daargelaten dat niet voorzienbare gevolgen ook zeer wel kunnen worden toegerekend. Maar van die laatste situatie is in het onderhavige geval geen sprake.”

12. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat bedoeld causaal verband aanwezig is wanneer het letsel en het verstoren van rust redelijkerwijs als gevolg van verdachtes luidkeels schreeuwen aan verdachte kunnen worden toegerekend.5

13. Aan het oordeel dat verdachtes luidkeels schreeuwen de rust heeft verstoord heeft het Hof de volgende feiten ten grondslag gelegd:

- het schreeuwen vond plaats tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam op het moment dat twee minuten stilte in acht werd genomen;

- verdachtes schreeuwen was als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been ging;

- slechts een klein aantal van het grote aantal ter plaatse aanwezige personen heeft kunnen waarnemen dat de verdachte schreeuwde zonder dat daar een redelijke aanleiding voor was;

- voor anderen die dit niet hebben kunnen waarnemen, kon de schreeuw de gedachte aan een concrete aanleiding in de zin van (dreigend) gevaar alleszins opwekken;

- zulks heeft ook plaatsgevonden gezien het feit dat mensen zijn gaan gillen en/of hebben geprobeerd weg te komen.

14. Op grond van deze feiten heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat verdachtes valse alarmkreet de rust heeft verstoord. Dat volgt reeds uit de omstandigheid dat de kreet werd geslaakt terwijl er twee minuten stilte in acht werd genomen. Die kreet doorbrak de ter plaatse heersende stilte en verstoorde dus die rust. Daar komt nog bij dat uit verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring kan worden afgeleid dat hij de stilte wenste te verstoren. Blijkens zijn verklaring wilde hij immers iets doen aan wat hij omschreef als een “dooie boel”.

15. Het Hof is op de volgende gronden tot het oordeel gekomen dat het bewezenverklaarde letsel redelijkerwijs als gevolg van verdachtes luidkeels schreeuwen aan verdachte als gevolg kan worden toegerekend:

- het schreeuwen vond plaats tijdens de Nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam op het moment dat twee minuten stilte in acht werd genomen;

- het is van algemene bekendheid dat ten behoeve van de dodenherdenking allerlei veiligheidsmaatregelen worden genomen;

- verdachte heeft deze veiligheidsmaatregelen onder andere bestaande in het plaatsen van hekken waargenomen;

- door gebeurtenissen zoals 9/11 en de aanslagen in - onder andere - Londen en Madrid worden bij mensen op een voor een groot publiek toegankelijke plaats eerder dan voordien gebruikelijk angstgevoelens opgeroepen, temeer gezien de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag op 30 april 2009;

- verdachte was met dat laatste gebeuren bekend en is zich daarvan op 4 mei 2010 bewust geweest;

- op grond van het voorgaande was voor de verdachte niet alleen redelijkerwijs te verwachten maar ook voorzienbaar dat zijn schreeuwen angst en paniek zou doen ontstaan bij de omstanders met als gevolg dat gelet op de hoeveelheid aanwezige mensen en de drukte bij een massale paniekreactie gewonden zouden vallen;

- verdachte heeft bewust het risico genomen dat zijn schreeuw paniek bij de menigte zou aanwakkeren;

- verdachte was ervan op de hoogte dat de twee minuten stilte waren begonnen toen hij zijn kreet slaakte en heeft blijkens zijn uitlatingen tegenover de politie aan wat hij heeft omschreven als een dooie boel een einde willen maken.

16. Gelet op de feiten en omstandigheden die het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het ontstaan van paniek onder het publiek, het daardoor wegvluchten van mensen en het dientengevolge optreden van verwondingen onder het publiek is in de omstandigheden van het onderhavige geval – het temidden van een groot publiek dat stilte in acht neemt slaken van een kreet die wordt ervaren als een doodskreet, een ijzingwekkende gil, die door merg en been gaat – niet zo uitzonderlijk dat dit aan toerekening aan de verdachte van die verwondingen als gevolg van verdachtes schreeuwen in de weg staat. Dit geldt temeer nu het Hof verdachtes gedrag met het oog op te verwachten reacties van het aanwezige publiek heeft aangemerkt als roekeloos, een oordeel dat in cassatie niet is betwist.

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Met betrekking tot het eerste middel zou de vraag kunnen worden gesteld of de verdachte wel belang heeft bij zijn middel. Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt kan uit verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring zonder meer worden afgeleid dat hij de stilte wenste te verstoren. Dit betekent dat ook als geëist zou worden dat het opzet gericht moet zijn op het verstoren van de rust, bewezenverklaring, kwalificatie en veroordeling van verdachte in stand zouden kunnen blijven. Hoe dit ook zij, tot toepassing van art. 80a RO kan dit niet leiden omdat voor wat betreft het eerste middel de vereiste klaarblijkelijkheid ontbreekt.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Smidt II, 1881, p. 93.

2 Smidt I, 1881, p. 70, 71.

3 Aldus Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 142, aant. 1 (suppl. 135. maart 2006).

4 In het Verslag van de Tweede Kamer met Regeringsantwoord (Smidt II, 1881, p. 93, 94) worden wel kreten genoemd, die in het maatschappelijk verkeer plegen te worden aangemerkt als een waarschuwing voor gevaar (brand, het signaal van een schip in nood), maar dat zijn niet meer dan voorbeelden.

5 O.a. HR 13 juni 2006, LJN AV8535, rov. 3.4.